Maak een oefenexamen van de volgende tekst:
HOOFDSTUK 5: Integratie en socialisatie
1. Inleiding
De levenswijze van de groepen waartoe we behoren, heeft gevolgen voor ons gedrag en voor de manier waarop anderen naar ons kijken.
De jeugd van tegenwoordig: probleem of uitdaging
Zes op tien ondernemers vindt dat de jeugd van tegenwoordig onrealistische eisen heeft of te weinig gemotiveerd is. Zo bleek uit een rondvraag van JONG UNIZO dit voorjaar. Maar welke problemen hebben ondernemers precies met jongeren? Met andere woorden, waar botsen ze op?
Zij botsen op een nieuwe generatie medewerkers, die grondig anders opgevoed en opgeleid zijn dan zijzelf. Ga maar eens na hoe opvoeding en opleiding gevolueerd zijn de laatste dertig jaar. Zowel op school als thuis wordt veel meer opgevoed vanuit een respect voor de jongere als persoonlijkheid. De jongere wordt vaak uitgenodigd om te denken en te discussiren als een gelijke van de volwassene. Terwijl de generatie van de ondervraagde ondernemers de gsm nog zag als een statussymbool, stuurt de zogenaamde millenium kid al van in de lagere school massas smsen de wijde wereld in. Er is een zelfbewuste, op persoonlijke ontwikkeling gerichte generatie opgestaan, die gewoon is in dialoog te gaan: de generatie Y. Zij nemen niets zomaar aan en hebben behoefte aan duiding. Veel en heldere duiding.
Er is dus niet noodzakelijk iets mis met de jeugd van tegenwoordig. Wel is de gebruiksaanwijzing
behoorlijk gewijzigd. Het goede nieuws voor de bezorgde ondernemers is dat uit onderzoek van Vlerick blijkt, dat medewerkers van generatie Y erg prestatiegericht zijn en gemotiveerd door een professioneel georganiseerde en zingevende omgeving. Ze willen onderdeel vormen van een sterk verhaal, ze willen iets betekenen. Ze willen trots zijn op hun job en die dan liefst op Facebook aan de hele wereld kenbaar maken. Daarom gaan ze erg selectief te werk wanneer ze een baan zoeken. Deze kandidaten solliciteren niet meer naar een job, zij selecteren het bedrijf en de functie die bij hen past. Elk probleem is een uitdaging, zegt het clich. De vraag is: ga je als ondernemer in op de uitnodiging om het enorme potentieel dat in de jeugd van tegenwoordig zit, aan te spreken? Want de opportuniteit is er: deze jongeren willen uitgedaagd n begeleid worden op basis van wederzijds vertrouwen. Met leidinggeven-oude-stijl kom je nergens meer. Maar geef deze mensen ruimte en coach ze op hun kwaliteiten n hun zwaktes, en je krijgt onverwacht veel resultaat. Een permanente en chte dialoog tussen werkgever en werknemer is superbelangrijk. Ondernemers die de dialoog aangaan, krijgen meer dan ooit gemotiveerde medewerkers, die meewerken aan het succes van hun bedrijf.
Uit: Motmans, G. (s.d.). De Jeugd van Tegenwoordig: probleem of uitdaging? Geraadpleegd via http://www.vhg.be
2. Socialisatie als cultuuroverdracht
In elke maatschappij volgen jongere generaties de oudere generaties op, in verenigingen komen en gaan de leden, in bedrijven nemen nieuwe werknemers de plaats in van oude. Groepen zijn dus uit steeds andere leden samengesteld. Toch blijven ze soms lang hun specifieke karakter behouden.
De eigen geest van een groep wordt de cultuur van die groep genoemd. Het feit dat een cultuur een lange tijd haar typische kenmerken kan behouden, de zogenaamde continuteit van een cultuur, wijst erop dat er zoiets als cultuuroverdracht bestaat: de overdracht van de cultuur door de oudere, ingeburgerde groepsleden op de nieuwe groepsleden.
Elisa (17j) is al twee jaar lid van de scouts. Iedereen die regelmatig deelneemt, weet hoe een middagactiviteit verloopt en gedraagt zich hiernaar. Elisa merkt dat ze door dit gedrag geaccepteerd wordt in de groep, zowel door haar medeleden als door haar scoutsleiders. De nieuwe leden observeerden de oudere leden en na een tijdje kennen ook zij de gangbare gedragingen.
Does (2j) doet sinds kort peuterturnen. Niet alleen zal dit haar motoriek stimuleren, maar ze leert onbewust ook heel wat sociale vaardigheden die nuttig zijn thuis en later in de kleuterklas: haar beurt rustig afwachten, zorg dragen voor het turnmateriaal en haar plekje netjes achterlaten.
2.1. Cultuur
Samenleven maakt wezenlijk deel uit van het menselijk bestaan. Dit vereist een georganiseerd samenleven, een samenleven dat voorspelbaar kan verlopen. We leven immers met zo veel mensen samen dat samenleven slechts mogelijk is wanneer we elkaars gedrag voor een groot deel kunnen voorspellen. Dit voorspellen is mogelijk dankzij de cultuur, de inhoud van het samenleven. De cultuur geeft aan wat een samenleving in het algemeen of bepaalde groepen in een samenleving in het bijzonder belangrijk vinden. Cultuur is de gemeenschappelijke kennis, waarden, symbolen en rituelen van een groep mensen. Cultuur verschilt van groep tot groep.
Cultuur omvat alles wat de mens in zijn bestaan heeft gecreerd: van voorwerpen en kunst tot waarden en kennis. Sociologen maken een onderscheid tussen twee vormen van cultuur: materile cultuur en immaterile cultuur.
Materile cultuur: .............................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
Immaterile cultuur: .........................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
2.2. Socialisatie
Elke samenleving, elke groep wordt gekenmerkt door een bepaald cultuurpatroon dat wordt aangeleerd en doorgegeven.
Socialisatie is het proces waarbij iemand de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van een groep leert. Socialisatie is een levenslang proces, omdat we gedurende ons leven geregeld van groep veranderen. Enerzijds zoeken we andere groepen op, bijvoorbeeld naargelang de leeftijd die we bereiken, en anderzijds verschuiven we soms ongemerkt van groep.
Andere groepen opzoeken: de vriendengroep waarin je nu graag vertoeft en de groep collegas waarvan je later deel uitmaakt.
Ongemerkt verschuiven: van de jongerengroep gaan we over naar de groep van volwassenen.
Hoewel socialisatie een levenslang en vaak geleidelijk proces is, is het mogelijk dat socialisatie brutaal gebeurt en ons opgedrongen wordt. We kunnen twee vormen van socialisatie onderscheiden: enculturatie en acculturatie.
Sociologen spreken van enculturatie wanneer iemand opvattingen en gedragsregels overneemt uit zijn eigen cultuur.
Souel (16j) veranderde dit jaar van school. De school waar hij tot nu toe les volgde, bood immers de richting Humane Wetenschappen niet aan. Het is even wennen voor hem, maar al snel staat hij net zoals elke andere leerling netjes in de rij bij het belsignaal en respecteert hij de stilte in de gang. Op zijn vorige school ging het er iets minder gedisciplineerd aan toe.
Wanneer je al tot een cultuur behoort en je neemt een nieuwe (latere) cultuur over, spreken we van acculturatie: het is het proces waarbij opvattingen en gedragsregels uit een andere cultuur overgenomen worden.
De nieuwe leerlingen van Poolse origine nemen met gemak de begroetingsrituelen van onze school over: een high five, een handdruk of een zoen.
Opdracht:
Lees de volgende voorbeelden. Gaat het hier om enculturatie of acculturatie?
A In de crche leerde Aike dat het niet hoort om speelgoed af te pakken van andere kindjes of andere kindjes een duw te geven.
.......................................................................
B Tulin studeert binnenkort af als anesthesist. Om kans te maken op een job in het nabijgelegen ziekenhuis, wordt verwacht dat ze eerst twee jaar op buitenlandse stage vertrekt.
Ze koos voor Sydney en verblijft er al een half jaar. Ze voelt er zich helemaal ingeburgerd en is dol op de zogenaamde barbies. Veel Australirs hechten hier veel waarde aan. Zodra het mooi weer is en wanneer is het dat niet in Australi komen familie en vrienden samen om te barbecuen. Tulin neemt er graag aan deel.
.......................................................................
C Steven gaat sinds dit schooljaar naar de kunstschool. Ondertussen waant hij zich al een echte kunstenaar: niet alleen ziet hij er tegenwoordig anders uit dan toen hij in het college een uniform aan moest, maar hij praat ook anders. Zo gebruiken zijn huidige vrienden heel wat meer Engelstalige woorden dan zijn vroegere schoolkameraden.
.......................................................................
D Arthur is heel wat rustiger geworden nu hij in het eerste leerjaar zit. Bij een wild idee gaat hij niet meteen tekeer, maar vraagt hij eerst de toestemming van zijn ouders of hij het idee mag uitvoeren. Een heel verschil met vroeger.
.......................................................................
2.3. Het ontstaan van zelfbewustzijn: de kern van het socialisatieproces
De Amerikaanse socioloog George Mead (1863-1931) werkte een theorie over socialisatie uit in zijn werk Mind, self and society: from the standpoint of a social behaviorist. Mead beschouwde het ontstaan van het zelfbewustzijn als de kern voor het socialisatieproces. Iemand met zelfbewustzijn is volgens Mead in staat om te weten wat wel of niet mag. Deze persoon kent de cultuurelementen van een bepaalde samenlevingsvorm en heeft hierdoor normbesef.
Volgens Mead ontstaat het zelfbewustzijn via een sociaal proces in drie opeenvolgende stadia:
imitatie;
play;
game.
2.3.1. Het imitatie-stadium (tot 3 jaar)
Een baby leert zijn eerste handelingen voornamelijk door imitatie: door het gedrag van anderen na te bootsen. Dit noemen we het imitatie-stadium.
Als mama iets aan het herstellen is met een hamer, wil het kind ook met de hamer op iets kloppen.
Als papa eten maakt, wil het kind ook in iets roeren, als is het maar een lege kom.
Mead noemt deze gemiteerde gedragingen gestures. Letterlijk betekent gesture (Engels) gebaar, lichaamstaal, maar de term slaat binnen deze theorie op gedrag in het algemeen. Deze
gestures zijn nog geen vorm van communicatie, omdat het kind nog geen begrip heeft van betekenis.
Bijvoorbeeld: het kind beseft nog niet waar de hamer voor dient. Het imiteert gewoon het gedrag: kloppen.
Pas wanneer de baby in staat is de betekenis van een bepaalde gesture te achterhalen, spreekt Mead van significant gestures (letterlijk: betekenisvolle gebaren) en van communicatie.
2.3.2. Het play-stadium (3 tot 6 jaar)
De socialisatie wordt daarna geleidelijk bewuster. Als kleuter wordt een kind zich meer bewust van verschillende rollen waarmee het kan experimenteren. Op dat moment komt de kleuter terecht in het play-stadium. Tijdens deze periode nemen kinderen de gedragspatronen van anderen in hun spel over. Dit gebeurt doordat het kind in het spel in staat is om een beperkt aantal rollen (meestal twee) op te nemen.
Ouder en kind
Dokter en verpleegster
Cowboy en indiaan
Brandweer spelen
Spiderman spelen
Het verschil met het imitatiestadium is:
Het kind kan zich nu verplaatsen in het perspectief van anderen.
Het kind heeft nu inzicht in waarom het bepaalde handelingen naspeelt, wat bepaalde handelingen betekenen (in tegenstelling tot het slaan met de hamer in het imitatiestadium): het kan situaties niet enkel imiteren maar ook zelf varianten bedenken.
In de context van de zelfontwikkeling speelt het kind vaak de eigen rol en de rol van een belangrijke ander, de significant other. De belangrijke ander is vaak de verzorgende figuur (moeder, vader, juf/meester). De eigen rol wordt vertolkt door een pop, een broertje of een zusje. De rol van de belangrijke ander neemt het kind zelf op.
Bijvoorbeeld:
Marit: Ruim je speelgoed op, we gaan eten. Pop: Maar ik heb geen honger.
Marit: Kindjes die niet eten worden ziek en nooit groot. Begin je speelgoed dus maar op te ruimen.
Zoals je ziet in het voorbeeld, neemt het kind de rol van de (belangrijke) ander op zich, in dit geval die van de vader of moeder. Mead noemde dit fenomeen role taking, rollenspelen. Door role taking leert het kind om zichzelf te zien vanuit een extern standpunt.
2.3.3. Het game-stadium (8 tot 10 jaar)
In het game-stadium kunnen kinderen verschillende taken en rollen simultaan overwegen. Ze begrijpen dat ze een rol spelen in een grotere context. Ze beseffen nu dat de wereld niet rond hen alleen draait en ze kunnen zich inleven in de anderen.
Een voetbalwedstrijd met een team van 5-jarigen: alle kinderen willen spits zijn en er zijn geen verdedigers. Rolt de bal de ene kant op, dan lopen ze daar allemaal achteraan.
Een voetbalwedstrijd met een team van 9-jarigen die hebben geleerd dat er verschillende rollen in het team zijn. De verdediger weet dat hij het scoren aan de spits moet overlaten en de spits weet dat hij niet moet lopen verdedigen.
Ze begrijpen ook dat mensen meerdere rollen op zich kunnen nemen; dat mensen niet enkel mama of dokter of meester zijn, maar dat ze meerdere dingen tegelijk kunnen zijn. Ze snappen dat juf buiten school ook een leven heeft.
Terwijl je in het play-stadium een significant other had, wordt daar in het game-stadium een generalized other aan toegevoegd: de gemeenschap, men heeft een mening over het gedrag van het kind. In de praktijk is dit een vorm van sociale controle: het kind kan zich voorstellen hoe men (andere leden van de groep) zijn gedrag zal goedkeuren of afkeuren.
2.3.4. Looking-glass self
Socialisatie benvloedt ons zelfbeeld of hoe we over onszelf denken. De Amerikaanse socioloog Charles Cooley bedacht hiervoor de term looking-glass self (letterlijk: spiegel-zelf). Hij stelde dat ons zelfbeeld niet alleen komt van hoe we over onszelf denken, maar ook van hoe we dnken dat anderen over ons denken.
Dat proces verloopt in drie stappen:
Hoe zie ik eruit voor anderen?
Hoe denken anderen over mij?
Bijsturen wat ik denk over mezelf.
Let op: Cooley meent dus dat we ons niet laten vormen door hoe anderen over ons denken, maar hoe wij denken dat anderen over ons denken. We kunnen ons soms zelfs baseren op foute veronderstellingen.
Mensen internaliseren het sociale (het Me/looking-glass self), vandaar dat Mead en Cooley spreken van een sociaal zelfbewustzijn: we zien onszelf zoals anderen ons zien.
3. Vormen van socialisatie
Cooley maakte een onderscheid tussen twee vormen van socialisatie, namelijk de primaire socialisatie en de secundaire socialisatie. Later werd nog een derde socialisatievorm erkend, de tertiaire socialisatie. Het onderscheid tussen de primaire en de secundaire berust voornamelijk op de groep waarbinnen de socialisatie plaatsvindt.
3.1. Primaire socialisatie
Primaire socialisatie is een vorm van socialisatie die plaatsvindt binnen een primaire groep, zoals je ouders, gezinsleden en vrienden. Doorgaans worden de waarden en normen die binnen een gezin of een vriendenkring gelden niet vastgelegd in documenten aan de hand van een strikt te volgen procedure. Het gaat hier dan ook duidelijk om informele groepen. Als lid van zulke groepen kom je spontaan in contact met waarden en normen.
Primaire groepen worden gekenmerkt door:
Een zekere beslotenheid (vreemden worden niet toegelaten);
Op de speelpleinwerking valt het op dat Kamiel en Silke elkaar steeds opzoeken. Ze maken heel wat plezier samen, net zoals in de klas. Ze kiezen heel snel voor elkaar wanneer er groepjes gevormd worden en voelen zich duidelijk minder op hun gemak als een derde hen komt vervoegen.
Directe en informele contacten tussen de leden;
Vrijdagavond, net na het avondeten, wordt vaak gesproken over de weekendplannen. Mijn broer en ikzelf kijken altijd reikhalzend uit naar het weekend, waardoor we ons enthousiasme op vrijdagavond amper kunnen bedwingen en het gesprek heel vaak spontaan deze wending neemt. Samen met de vriendengroep bekijken we vaak hoe het weekend georganiseerd wordt.
Een sterk wij-gevoel onder de leden;
In de opleiding Tuin- en landschapsarchitectuur kunnen studenten tweemaal per jaar samen op internationale studiereis. Laatstejaarsstudent Eli schrijf zich steeds in. Hij ontmoette er andere studenten van over heel de wereld. Een enorme verrijking. Op een
feestje vorige zaterdag raakte hij aan de praat met een Erasmusstudente. Hoewel Eli nooit op Erasmus is gegaan, vond hij in de studente een gelijkgestemde. Buitenlandse ontdekkingen, een openstaan voor verschillende culturen ... Eli en de studente waren niet uit elkaars buurt weg te slaan. Ze deelden iets, dat voelden ze.
De affectie, de emotionele geborgenheid en de sociale identiteit die ze hun leden bezorgen.
Kalinka heeft een drukke carrire. De geboorte van haar derde dochter maakt dat het voor haar en haar man niet rustiger wordt. Wat kan ze genieten van een gezellig avondje uit met haar jeugdvriendinnen. Samen bijpraten, maar ook het delen van kleine en grote zorgen. Ze zou ze voor geen geld meer kunnen missen, die maandelijkse afspraakjes.
3.2. Secundaire socialisatie
Secundaire socialisatie is een vorm van socialisatie die plaatsvindt binnen een secundaire groep, zoals je school of de jeugdbeweging.
Primaire socialisatie Secundaire socialisatie
Doel
Bij de primaire socialisatie worden de gedragingen aangeleerd die eigen zijn aan een bepaalde cultuur. Door de secundaire socialisatie worden we voorbereid op het innemen van onze sociale positie in de maatschappij en de daaraan verbonden sociale rollen die we moeten spelen.
Waar? Deze socialisatie gebeurt binnen primaire groepen. Deze socialisatie gebeurt binnen secundaire groepen.
Een primaire groep is een kleine groep waarvan de leden een persoonlijke relatie, affectie en persoonlijke banden hebben. Een secundaire groep is een grote onpersoonlijke groep waarvan de leden een doel, taak of opdracht gemeen hebben.
Een primaire groep is persoonlijk georinteerd. Een secundaire groep is doelgeorinteerd.
Een sociale positie is een plaats die een persoon inneemt in een netwerk van sociale verhoudingen.
Een individu (ook jij) neemt verschillende posities in de samenleving in. Maar hoe kom je op deze sociale posities terecht? Positiebekleding gaat op twee manieren, namelijk via toewijzing of verwerving.
Toewijzing verwerving
Bij toewijzing gebeurt de positiebekleding op basis van criteria die niet met de inhoud van de sociale positie te maken hebben, bijvoorbeeld afkomst, geslacht, leeftijd, ...
We spreken van toegewezen sociale posities. Bij verwerving gebeurt de positiebekleding door eigen inspanning die gericht is op de inhoud van de sociale positie, bijvoorbeeld goed studeren om het gewenste diploma te behalen.
We spreken van verworven sociale posities.
Maar toegewezen en verworven sociale posities kunnen niet strikt los van elkaar gezien worden. Er is dus geen absoluut onderscheid tussen deze twee; ze kunnen in elkaar overvloeien.
Daarom kan de manier van positiebekleding het best voorgesteld worden als een continum: van sterk toegewezen tot sterk verworven.
toegewezen verworven
Voorbeeld: Hoewel velen menen dat arts een verworven sociale positie is (verworven door inspanningen), kan deze positie toch voor een stuk benvloed worden door de sociale afkomst (toegewezen).
We verwachten dat de anderen zich op een bepaalde manier gedragen, naargelang de sociale positie die ze bekleden. Anderen hebben deze verwachtingen ook ten aanzien van ons. Deze verwachtingen hebben betrekking op taken en verantwoordelijkheden die de positiebekleder moet uitvoeren of waaraan hij zich moet houden. Binnen de sociologie worden deze verwachtingen de sociale rol genoemd van een sociale positie: het gedragspatroon dat verbonden is met de taken (rechten en plichten) of verwachtingen van de sociale positie.
Opdracht: Vul de onderstaande figuur aan.
a) Noteer in de rechthoeken enkele sociale posities die jij inneemt.
b) Noteer in de ovalen welke sociale rol hoort bij elke sociale positie.
Afhankelijk van je sociale positie kom je met verschillende anderen in contact. Met andere woorden, door verschillende sociale posities in te nemen, bouw je sociale relaties op. Sociale posities kunnen dan ook beschouwd worden als de aanzet tot sociale relaties.
De school, en later de hogeschool of de universiteit, brengt jongeren dus niet alleen de specifieke kennis en vaardigheden bij die nodig zijn voor het functioneren in de maatschappij. Ze maakt hen ook vertrouwd met de waarden, normen en heersende attitudes. De slaagkansen en het latere beroepssucces van een jongere worden voor een stuk bepaald door de mate waarin hij zich de specifieke beroepscultuur eigen heeft gemaakt. Op deze beroepscultuur wordt de jongeren op school voorbereid. Zo geeft de wijze waarop de interactie verloopt tussen cursist en leerkracht bijvoorbeeld een beeld van hoe met discipline en gezag kan worden omgegaan.
3.3. Tertiaire socialisatie
De twee socialisatievormen volgens Cooley worden tegenwoordig aangevuld met een derde socialisatievorm, de tertiaire socialisatie. Tertiaire socialisatie gebeurt via een medium, bijvoorbeeld televisie en internet, en heeft een anoniem karakter.
Elke aflevering van het kinderprogramma Samson & Gert eindigt met een moraal. In hun liedjes hebben Samson & Gert het meer dan eens over belangrijke maatschappelijke waarden, zoals vriendschap en inzet.
De Vlaamse stand-upcomedian en cabaretier Wouter Deprez kent heel wat aanhangers op Facebook en Twitter. Deprez maakt handig gebruik van de sociale media om ook jongeren warm te maken voor het milieu. Indirect doet hij er aan waardeontwikkeling. Denk maar aan de hele heisa die hij teweegbracht rond de uitbreiding van het transportbedrijf Essers (2016). Respect voor het milieu en het behoud van natuur, daar loopt Deprez hoog mee op.
De jongerenserie Gossip Girl stelt waarden en normen zoals trouw, respect en gulzigheid aan de kaak.
4. Differentile socialisatie
4.1. Cultuurverschillen
Bill Gates beledigt president Zuid-Korea met handdruk
Bill Gates heeft een relletje veroorzaakt tijdens een bezoek aan de president van Zuid-Afrika. Het brein achter Microsoft schudde Park Geun-hye de hand, maar had zijn andere hand intussen in zijn broekzak steken. En zon dagdagelijkse handdruk is de media in het land niet ontgaan.
Op zowat elke voorpagina was de foto hiernaast te zien. In sommige kranten werd zijn hand in de broekzak nog verwijderd, maar de meeste dagbladen legden er net de nadruk op. Cultuurverschil of gebrek aan respect? stond onder de foto in de JoongAng.
Zuid-Korea is heel gevoelig voor het uiten van respect. Zelfs al houden we rekening met de culturele verschillen, er bestaan nog altijd manieren voor bepaalde gelegenheden
... Hoe kan hij zijn hand in zijn broekzak steken wanneer hij de leider van de staat ontmoet? twittert @msryu67.
Sommige kranten gingen in de archieven kijken en wat blijkt? Bill Gates heeft in het verleden al vaker op deze manier belangrijke figuren begroet. In 2008 deed hij hetzelfde bij de vorige president van Zuid-Korea. Enkel in 2001 gunde Gates de president een hartige handdruk, toen zelfs met beide handen.
Een vriend van Gates liet in een reactie verstaan dat Bill een eenvoudig persoon is die niet gewend is om rekening te houden met tradities en begroetingen. Ook enkele Zuid-Koreanen verdedigden Gates tegen kritiek van de pers. Ze herinneren iedereen eraan dat het Zuid-Koreaanse gedachtegoed
nu eenmaal niet in de hele wereld van toepassing is.
Gates was is Zuid-Korea als voorzitter van TerraPower, dat in het land de kernreactor van de volgende generatie wil ontwikkelen. President Park zocht vooral het advies van Gates over hoe ze een creatieve economie kan opbouwen.
Uit: Brants, G. (2013, 23 april). Bill Gates beledigt president Zuid-Korea met handdruk. De Morgen.
Elke cultuur hangt samen met een groep. Zo heeft, algemeen genomen, elke groep die zich onderscheidt van een andere groep, een verschillende cultuur. Deze groepen kan je heel breed zien, zoals in dit geval een samenleving. Niet elke samenleving heeft immers dezelfde cultuur. Zo verschilt de Aziatische samenleving wezenlijk van de Europese samenleving (bijvoorbeeld in eetgewoonten, in begroetingsrituelen, in waarden enzovoort).
Omdat mensen zich de cultuur eigen maken via socialisatie, merken ze meestal de specifieke elementen in hun eigen cultuur niet meer op, tenzij door een confrontatie met een andere cultuur. Wie niet openstaat voor het objectief aanschouwen van culturele verschillen, maakt zich schuldig aan etnocentrisme: de eigen cultuur als enige referentiepunt nemen als je andere culturen beoordeelt.
Veel Nederlanders denken dat wat zij spreken het echte Nederlands is en dat Vlaams de verzameling van fouten is die wij maken tegenover dat echte Nederlands. In werkelijkheid zijn het Nederlands en het Vlaams allebei gevolueerd van een gemeenschappelijke middeleeuwse voorouder, het Middelnederlands.
Een vogelsoort op het ene eiland heeft een scherpe bek, want hij eet rupsen uit boomschors. Dezelfde vogelsoort op een ander eiland heeft een botte bek, want daar zitten rupsen in zachte moerasgrond. Ze zijn anders, maar je kan niet zeggen dat de ene soort beter is dan de andere. Zo gaat dat ook met culturen en dus ook met cultuurelementen zoals taal.
Etnocentrisme leidt vaak tot racisme, omdat men de eigen cultuur als superieur ziet tegenover andere culturen. Niet iedereen houdt altijd evenveel rekening met cultuurverschillen. Contact tussen culturen verloopt dus niet steeds even vanzelfsprekend.
Vreedzaam samenleven is dus niet gestoeld op etnocentrisme, maar op cultureel relativisme. Cultureel relativisme benadrukt dat elke cultuur gelijkwaardig is aan een andere cultuur en gekenmerkt wordt door een eigen specifieke stijl. De ene cultuur is dus niet beter of niet slechter dan een andere cultuur, alleen zijn ze verschillend.
Niet alleen beschavingen kenmerken zich door cultuurverschillen. Ook nationale culturen (bijvoorbeeld Belgische cultuur versus Italiaanse cultuur), de cultuur tussen generaties (bijvoorbeeld jongerencultuur versus seniorencultuur) en de cultuur tussen seksen en sociale klassen kunnen wezenlijke verschillen vertonen.
Opdracht: Som drie kenmerken uit onze cultuur op waarvan jij vindt dat een allochtoon deze moet overnemen om deel te kunnen uitmaken van onze cultuur. Argumenteer bij elk kenmerk voldoende waarom jij dit vindt.
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
Opdracht: Krakers en veganisten zijn voorbeelden van tegenculturen. Ga op zoek naar andere voorbeelden. Doe eventueel inspiratie op in andere landen.
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
4.2. Klassenverschillen
De Franse socioloog Pierre Bourdieu (1930-2002) zag ook verschillen tussen de verschillende maatschappelijke klassen. Kinderen uit verschillende klassen nemen de waarden en normen, met andere woorden het cultureel kapitaal van thuis uit, hun hele leven mee. Het gezin treedt zo op als een cultuurfilter.
De overname van het cultureel kapitaal gebeurt kritiekloos: het kind ervaart de overgenomen cultuur als algemeen geldend en is zich er niet bewust dat er in andere culturen andere gewoonten en gebruiken heersen. Door primaire socialisatie ontstaat er bij het kind een mentale structuur dat die algemeen geldende gewoonten en gebruiken omvat. Die mentale structuur duidt Bourdieu aan met het begrip habitus. Die habitus stuurt je gedrag, ook al ben je je hiervan zelden bewust. Sociaal handelen heeft volgens Bourdieu dan ook weinig of niets te maken met rationele keuzes, maar wordt geleid door onze habitus. Een gevolg hiervan is volgens Bourdieu dat de habitus bepaald wordt door specifieke gezinskenmerken, of algemeen, door specifieke klassenkenmerken.
Bourdieu stelt vast dat de middenklasse en de hogere klasse hun specifieke habitus op een veel duidelijkere manier overbrengen op de maatschappij dan de arbeidersklasse. De middenklassen en de hogere klasse gebruiken hiervoor symbolisch geweld, dominante culturele symbolen die vooral met lifestyle te maken hebben. Door middel van symbolisch geweld schuiven ze hun cultureel kapitaal naar voren, dringen ze als het ware op. De maatschappij zou dus volgens Bourdieu die cultuurelementen bevatten die de middenklasse en de hogere klasse voordragen.
Door de cultuurfilter heeft de primaire socialisatie gevolgen voor de latere socialisaties in instanties als op school, in de jeugdbeweging of op het werk. Elke nieuwe confrontatie wordt afgezet tegen het bestaande wereldbeeld.
Aangezien bepaalde klassen hun cultureel kapitaal, hun waarden, normen en wereldbeeld, opdringen aan de rest van de samenleving, maken die dominante klassen meer kans op succes in hun leven. Zij lopen immers niet voortdurend tegen confrontaties aan en moeten hun wereldbeeld niet voortdurend aanpassen aan het dominante wereldbeeld. Ze doen namelijk al wat de samenleving van hen verwacht, omdat de samenleving hun cultureel kapitaal heeft overgenomen. Daarom hebben sommige sociale klassen een groter voordeel en beginnen andere sociale klassen met een achterstand, die ze soms nooit helemaal kunnen inhalen.
4.3. Gendersocialisatie
Gendersocialisatie wijst op de socialisatie van geslachtsgebonden rollen. Tegenwoordig heersen er in de westerse samenleving nog altijd andere waarden en normen tegenover jongens dan tegenover meisjes. Naast het gezin werken ook de school, de televisie en andere socialiserende instanties in op deze geslachtsrolsocialisatie. Binnen het gezin gaan ouders vaak anders om met zonen dan met dochters.
Nio en Nelis klauteren graag op de toestellen in de speeltuin. Mama laat Nelis zijn eigen gangetje gaan. Met dochter Nio springt ze iets voorzichtiger om. Bij elk toestel begeleidt ze Nio. Mijn zoon redt zich wel, denkt ze, maar meisjes, die hebben net een tikkeltje meer begeleiding nodig.
Vorige week trok mama Sofie naar de schoenenwinkel. Ze wilde een paar nieuwe sandalen voor dochter Elin. Ze trok haar peutermeid mee naar het meisjesrek. Felroze sandalen troef. Het mocht niet baten. Hoezeer mama ook probeerde om haar een stel nieuwe glinsterroze sandalen aan te praten, haar peutermeid had een willetje. Enkel de blauwe sandalen met zwarte sterren, uit het jongensrek dan nog wel, wilde Elin hebben.
De Amerikaanse antropologe Margaret Mead (1901-1978) toonde aan dat het onderscheid tussen jongens en meisjes cultureel bepaald is en niet steunt op biologische verschillen.
Jongens- en meisjesdingen
Het onderstaande apenexperiment bevestigt de aangeboren jongensvoorkeur voor autos. Maar de voorkeur kan ook worden versterkt door sociale en culturele invloeden. In het buitenverblijf van een resusapenhok worden twee stukken speelgoed neergezet, tien meter uit elkaar. Aan de ene kant ligt een pluchen knuffel en aan de andere kant een ding op wielen. Wetenschappers doen het hek open, en wat doen dan de aapjes? Aan de resusvrouwtjes is niks te zien. Ze spelen met alle soorten speelgoed, ze gaan evengoed naar links als naar rechts. Maar de
mannetjes hebben overduidelijk liever een ding op wielen. Bij mensenkinderen wordt er al decennia over gediscussieerd en geruzied: is dat verschil in voorkeur aangeboren of aangeleerd?
De duidelijke voorkeur van de mannetjes roept wel weer een nieuwe vraag op. Want hoe kan er ooit in de miljoenen jaren evolutie van ons mensen en andere primaten een aangeboren voorkeur voor een ding op wielen zijn ontstaan? De vraag is dus vooral: waarom wil een resusmannetje (en ook een
jongetje) zo graag met een vrachtwagen spelen, ook al heeft hij nog nooit van zijn leven zon ding gezien?
Psychologen Christina Williams en Kristen Pleil zoeken het in een voorkeur voor bewegende dingen n in een voorkeur voor actie. Het gaat dus niet alleen om de wielen. Het gaat ook om de hoekige vorm van de speelgoedautos en de gaten van deuren en raampjes en alle uitsteeksels die zon stuk speelgoed meestal heeft. Daar kan je veel meer mee doen dan met de zachte pluchen dieren. Autos zien er interessanter uit voor jongens omdat ze meer actie willen. Het meest opzienbarend komt dat verschil met meisjes tot uiting bij meisjes die door een aangeboren afwijking van jongs af aan te
veel mannelijk hormoon produceren. Die meisjes houden veel meer van jongensspeelgoed en van ruwe spelletjes en ze hebben ook een beter ruimtelijk inzicht dan hun gewone zussen, zelfs als ze cultureel en sociaal als meisjes worden opgevoed. Dat wijst duidelijk op een hormoongestuurde voorkeur van het brein, aldus Williams en Pleil.
Dat aan speelgoedvoorkeur van jongens een aangeboren neiging ten grondslag ligt, betekent natuurlijk helemaal niet dat die voorkeur niet kan worden versterkt door sociale en culturele invloeden. Interessant genoeg wordt meisjesspeelgoed vaak wel taboe geacht voor jongens, maar jongensspeelgoed niet voor meisjes.
Naar: Spiering, H. (2008, 16 oktober). Jongens- en meisjesdingen. Geraadpleegd via http://www.nrc.nl
5. Socialisatie als proces van inwijding in de cultuur van een groep
5.1. Anticiperende socialisatie
Mensen kunnen hun gedragingen, hun waarden en hun normen ook laten leiden door als referentiekader een groepering te nemen, waar zij nog niet toe behoren, maar graag toe willen behoren. Dit wordt anticiperende socialisatie genoemd.
Een typisch voorbeeld zijn studenten. Waar zij in het begin van hun studententijd meestal de studentengroep als referentiegroep nemen, verandert dit aan het einde van hun studiecarrire. Vaak nemen studenten hun toekomstige beroepsgroep via anticiperende socialisatie als referentiegroep naarmate hun studietijd vordert. De kledij verandert en de manier van sociaal handelen vertoont opmerkelijke verschillen met vroeger.
Anticiperende socialisatie heeft belangrijke gevolgen, zowel voor het individu als voor de samenleving.
Individu: binnen de eigen groep wordt anticiperende socialisatie beschouwd als afwijkend gedrag, je uit namelijk de wens om niet meer tot deze groep maar tot een andere groep te behoren. De eigen groep zal dan ook straffend reageren.
De ambitieuze man of vrouw wordt ervan beschuldigd het hoog in de bol te hebben of de hielen van de baas te likken. Wanneer hij in zijn weinig populaire gedrag volhardt, zal zijn positie binnen de huidige groep steeds marginaler worden, wat de wens nog versterkt om tot de andere, hogere groep te behoren.
Samenleving: op het niveau van de samenleving leidt anticiperende socialisatie tot een bevestiging en een versteviging van de maatschappelijke orde en hirarchie. Als de lagere klassen de cultuur van de hogere imiteren, wordt de invloed van deze hogere klassen immers nog versterkt.
5.2. Desocialisatie en hersocialisatie
Als de invloed van een bepaalde groep toeneemt en die van een andere groep afneemt, kunnen desocialisatie en hersocialisatie optreden. In beide gevallen worden de cultuurelementen van de eerste groep kritisch bekeken.
We spreken van desocialisatie als de cultuurelementen van de oorspronkelijke groep gewijzigd worden, in overeenstemming met die van de nieuwe groep.
We spreken van hersocialisatie als cultuurelementen van de oorspronkelijke groep verworpen worden. Het betekent dat mensen een bepaalde levenswijze aannemen die niet alleen verschilt van hun oude levensstijl, maar er ook in grote mate onverzoenbaar mee is. Als die aanpassing onvrijwillige gebeurt (m.a.w. hun opgelegd wordt) kan de psychologische schade des te groter zijn.
Opdracht: Vooral adolescenten zouden met desocialisatie te kampen krijgen. Verklaar.
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
Opdracht: Noteer voorbeelden van beroepen die kunnen leiden tot hersocialisatie.
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
6. Socialisatie als een psychosociaal leerproces
6.1. De sociaal-cognitieve leertheorie
In het begin van de 20ste eeuw geloofden de behavioristen dat leren gebeurde onder invloed van beloningen of voordelen. De Canadese psycholoog Albert Bandura toonde aan dat dat niet helemaal klopt. Heel veel zaken leren wij immers door anderen te observeren (observationeel leren) en daarna het geobserveerde gedrag te imiteren, zonder dat er iets van beloning aan vasthangt. Dit observeren en imiteren vormen samen sociaal leren of modeling. Deze laatste term verklaart heel goed de basis van het sociaal leren: kinderen imiteren immers een rolmodel.
Kinderen imiteren het gedrag van volwassenen als ze leren lopen, spreken, met conflicten omgaan ...
Dat imiteren blijft niet beperkt tot de kindertijd, ook tieners en volwassenen nemen het gedrag van anderen over.
Volgens Bandura bestaat de persoonlijkheid dus uit observeerbaar gedrag van anderen (sociale leertheorie), maar ook uit mentale processen (cognitieve leertheorie). Mensen nemen het gedrag van anderen waar (sociaal), denken hierover na (door rekening te houden met de gevolgen die anderen ervaren) en maken zo keuzes om het gedrag al dan niet te imiteren (cognitief). Bandura was het wel met de behavioristen eens dat de beloning van gedrag ervoor zorgt dat mensen bepaalde gedragspatronen vlugger aanleren.
Bandura baseerde zijn conclusies op een experiment waarbij hij gebruikmaakte van een levensgrote pop, het Bobo doll-experiment. Hij liet kleuters een filmpje zien waarin een vrouw heel agressief omging met een opblaaspop. De kinderen uit een eerste groep zagen hoe de vrouw daarna beloond werd voor haar gedrag. Een tweede groep kleuters zag hoe de vrouw gestraft werd voor haar gedrag. Een derde groep kreeg geen vervolg te zien. Na het bekijken van de film werd elke kleuter in een aparte ruimte gebracht. In deze ruimte bevond zich heel wat speelgoed, onder meer een soortgelijke opblaaspop. Bandura was genteresseerd in het gedrag dat kinderen zouden stellen.
Opdat het gedrag van iemand anders geleerd zou worden en zou worden overgenomen, moet de situatie volgens Bandura voldoen aan een aantal voorwaarden.
De lerende moet de positieve gevolgen waarnemen van het gedrag bij andere. Dit was duidelijk merkbaar bij het Bobo doll-experiment, waarbij de eerste groep, die zag hoe de volwassene beloond werd voor het gedrag, het sterkste het gedrag herhaalde.
Het aan te leren gedrag moet veel aandacht krijgen en kan versterkt worden door een emotionele band met de geobserveerde. Immers, hoe sterker de emotionele band met de geobserveerde, hoe groter de kans dat het modelgedrag aandachtig wordt waargenomen en zo wordt overgenomen.
(Zie voorwaarden van modeling in hoofdstuk 2)
6.2. De psychodynamische visie op persoonlijkheidsvorming
De Duitse psychoanalyticus Erik Erikson (1902-1994) beschouwde Freuds werk als de grondslag voor zijn identiteitstheorie. Voor zijn theorie baseerde hij zich op de ontwikkelingsfasen die Freud voorstelde. Maar in tegenstelling tot Freud, verrichte Erikson observaties in verschillende culturen en observeerde hij spelende kinderen om zijn theorie te ontwikkelen. Hij beperkte zich hierbij niet enkel tot het onderzoek van pathologische personen, zoals Freud, maar betrok ook andere personen in zijn studie.
Erikson stelde dat er in elke mens een aangeboren streven naar eenheid, naar harmonie, aanwezig is. Deze harmonie duidt Erikson aan met het begrip identiteit. Iedereen streeft volgens Erikson naar een volmaakte identiteit. Deze identiteit krijgt volgens Erikson naar een volmaakte identiteit. Deze identiteit krijgt volgens Erikson vorm via het doorlopen van acht levensfasen. De opeenvolgende ontwikkelingsfasen zijn volgens Erikson aangeboren. Rijping en lichamelijke processen bepalen vervolgens het ontwikkelingstempo. De eerste vijf levensfasen zijn in feite een herformulering van de psychoseksuele ontwikkelingsfasen van Freud. Erikson voegt hieraan in zijn model nog drie levensfasen toe. Erikson meent zo dat het bereiken van een volwaardige identiteit een levenslang proces is dat pas op latere leeftijd bereikt kan worden.
In elke levensfase maakt de mens een conflict door. De inhoud van deze conflicten is volgens Erikson cultureel bepaald. Het bereiken van een volmaakte identiteit is volgens Erikson slechts mogelijk als de persoon in elke levensfase een gunstige oplossing kan creren de doorgemaakte conflicten. De sociale omgeving zou een groot aandeel hebben in het al dan niet kunnen oplossen van het ervaren conflict.
De conflicten hebben volgens Erikson te maken met het ontstaan van een biologische of psychologische eigenschap in elke levensfase. Elke eigenschap ontwikkelt zich het best in n bepaalde levensfase. Gebeurt dat niet, dan zal de betreffende eigenschap nooit meer een optimale ontplooiing kennen. Zijn visie hieromtrent is verwant met deze over de gevoelige periode. De gunstige oplossing bij elk doorgestaan conflict wordt mogelijk gemaakt door de interactie met de sociale omgeving.
De babyfase (0-1 jaar): vertrouwen versus wantrouwen
Het accent ligt op bevrediging van orale en andere lichamelijke behoeften, zoals gekoesterd en getroost worden, toegelachen en aangesproken worden.
In deze levensfase is een conflict mogelijk op het moment dat de baby overgaat van borst- of flesvoeding naar vast voedsel, omdat zo de afstand met de vaste verzorger groter wordt. Dit kan bij het kind wantrouwen creren. De verzorger heeft als taak om het kind deze verandering op een positieve manier te laten doormaken, terwijl de lichamelijke behoeften verder bevredigd worden. Zo kan het wantrouwen ingeruild worden voor (opnieuw) vertrouwen. Volgens Erikson leiden onopgeloste conflicten in deze fase tot een sterk wantrouwen in de toekomstige partner of tot relaties gekenmerkt door angstgevoelens.
De peuterfase (1-3 jaar): autonomie versus schaamte en twijfel
Het kind is gericht op het beheersen van de sluitspieren (zindelijkheidstraining) en het zelfstandig voortbewegen. Wanneer het kind hierin slaagt, ervaart het een gevoel van autonomie (zelfstandigheid). Niet slagen kan ertoe leiden dat het kind zich schaamt of twijfelt aan zijn eigen mogelijkheden. Het is aan de ouders om het kind op een correcte manier te leren omgaan met gevoelens van autonomie, schaamte en twijfel en dus het conflict positief om te buigen. Anders kan dit in een latere fase, bijvoorbeeld de adolescentie, leiden tot psychosociale problemen.
De kleuterfase (3-5 jaar): initiatief versus schuld
Nu het kind heeft ontdekt dat het een eigen persoon is, gaat het op zoek naar wat voor persoon het is. Het kind ontdekt de geslachtsverschillen. De belangrijke relaties worden vanaf nu uitgebreid tot het hele gezin, waarbij broers of zussen in deze fase soms gezien worden als rivalen om de liefde van de ouders voor zich te winnen. Erikson is het op dit vlak helemaal eens met Freud.
Volgens Erikson ervaart elke kleuter een conflict: enerzijds de drang naar exploitatie (ontdekking), anderzijds de schuldgevoelens uit angst voor gevolgen.
Het is aan de ouders om de kinderen de juiste waarden en normen hieromtrent mee te geven: wat is seksueel aanvaardbaar en wat niet? Volgens Erikson zijn identiteitsproblemen in de adolescentie te wijten aan onopgeloste conflicten uit deze fase. Elk onopgelost conflict leidt bovendien tot identiteitsproblemen; enkel het gebied waarop deze problemen ervaren worden, verschilt.
De schoolleeftijd (6-12 jaar): handvaardigheid versus minderwaardigheid
Het kind verdringt zijn libido en exploreert met nieuwe vaardigheden. Het wil bijleren, kennis verwerven. Hiermee groeit de sociale omgeving uit tot de school en de buurt. Het is aan die sociale omgeving om het kind te stimuleren tot kennisverwerving en het hierin bij te staan. Het conflict in deze fase heeft volgens Erikson te maken met het al dan niet slagen van het kind in de opgelegde verwachtingen. Indien het kind niet slaagt, kampt het met gevoelens van minderwaardigheid. Voldoet het wel, dan legt het kind handvaardigheid aan de dag.
De adolescentie (13-20 jaar): identiteit versus identiteitsverwarring
Volgens Erikson komt de identiteitscrisis op haar hoogtepunt tijdens de adolescentie, vooral wanneer het kind in de vorige fasen de ervaren conflicten niet kon oplossen. Erikson benadrukt dat de jongere in deze fase verder moet exploreren om zo ook zichzelf ten volle te ontdekken.
De tijd van de sterke vriendschappen en de seksuele relaties is aangebroken. De seksualiteit, die aanvankelijk sterk op zichzelf gericht was, of op leden binnen het gezin, vindt gaandeweg zijn weg naar personen buiten de familie. De jongere heeft de ander nodig om zichzelf te leren kennen.
Het gevaar schuilt erin dat de jongeren op een gegeven moment een te groot verschil ervaart tussen wat de sociale omgeving van hem denkt of verwacht en hoe hij zichzelf ziet en ervaart.
De eerste volwassenheid (20-30 jaar): intimiteit versus isolement
Als de jongere er in de adolescentie in slaagt om de verwachtingen van de sociale omgeving in te passen in de eigen identiteitsverwachtingen, ontwikkelt hij of zij stilaan een gevestigde identiteit. Tijdens de eerste volwassenheid is de jongere daarom rijp om zijn of haar identiteit op het spel te durven zetten voor anderen en om intieme sociale relaties aan te gaan.
Erikson duidt het aan als zichzelf verliezen in iemand anders. Het gevaar bestaat erin dat men zich helemaal verliest aan n persoon en zo in een sociaal isolement terechtkomt. De partner moet voldoende ruimte laten om ook andere relaties aan te gaan en zo de identiteit verder te verrijken.
De volwassenheid (30-65 jaar): generativiteit versus stagnatie
Deze fase wordt gekenmerkt door de zorg voor en de opvoeding van de volgende generatie (generativiteit). Waar deze zorgt ontbreekt, ontstaat volgens Erikson een verarming (stagnatie). In plaats van de ander te vertroetelen, koestert men zichzelf (midlifecrisis).
De rijpheid (vanaf 65 jaar): integriteit versus wanhoop
In deze laatste fase wordt elke mens volgens Erikson cht volwassen en kent de identiteitsontwikkeling een rust, op voorwaarde dat de conflicten uit de vorige fasen goed zijn opgelost (integriteit). Als dat niet gebeurd is, dan is het individu wanhopig. Deze wanhoop wordt gekenmerkt door een negatieve houding tegenover zichzelf, anderen en de maatschappij. De persoon verwijt zichzelf en anderen voor wat hij niet heeft kunnen bereiken.
Opdracht: Lees de onderstaande voorbeelden. Noteer telkens de fase en de positieve en negatieve kant van deze fase.
A Michael haast zich om als eerste de puzzel te bemachtigen waar andere kinderen ook hun oog op hebben laten vallen. Hij duwt daarbij per ongeluk zijn vriendje Jan omver. Wanneer Jan begint te huilen, kijkt Michael beteuterd toe.
.........................................................................................................................................................
B Liesje is blij dat ze vandaag eindelijk eens het bord mocht uitwissen van de juf. Vooral toen de juf zei dat Liesje een flinke meid was, was ze zo trots als een pauw.
.........................................................................................................................................................
C Piet vindt het moeilijk om te kiezen tussen de vrienden van zijn voetbalclub en zijn schoolkameraden. Met de ene groep kan hij zich uitleven op het veld, met de andere kan hij uitgaan of gewoon rustig televisiekijken. Ze zijn allebei een deel van hem.
.........................................................................................................................................................
D De ouders van Annelies begrijpen er niks van: het ene moment vlijt Annelies zich liefdevol in de schoot van haar moeder, het volgende ogenblik duwt ze haar moeder weer weg.
.........................................................................................................................................................
E Bram hult onophoudelijk totdat zijn moeder hem oppakt en tegen haar borst drukt.
Doordat hij zich veilig voelt in de armen van zijn moeder, wordt hij weer rustig.
.........................................................................................................................................................
F Julie moet binnenkort een keuze maken om verder te studeren. Ze komt uit een echte doktersfamilie: zowel haar vader, moeder als haar grootvader is dokter. Het is dan ook hun grote droom dat ook Julie geneeskunde zou gaan studeren. Julie haalt goede punten op school, maar ze weet nog niet of ze dit wil en is eerder genteresseerd in kunst. Daar wil ze misschien later iets mee doen.
.........................................................................................................................................................
G Stefan speelt al drie jaar basketbal. Hij doet steeds erg zijn best om goed te spelen en te trainen. Zijn coach ziet hem echter niet staan en als hij al eens opgesteld wordt in een wedstrijd, is Stefans vader nooit tevreden over zijn prestatie. Stefan wil er nu dan ook de brui aan geven.
.........................................................................................................................................................
Na dit hoofdstuk kan je
beschrijven hoe socialisatie als cultuuroverdracht plaatsvindt;
de invloed van primaire, secundaire en tertiaire socialisatie op identiteitsvorming aantonen;
aantonen dat de identiteitsvorming benvloed wordt door differentile socialisatie;
beschrijven dat socialisatie afhangt van de functie in de groep;
aan de hand van de sociaal-cognitieve leertheorie aantonen dat identiteit bepaald wordt door tijd en plaats;
vanuit psychodynamisch perspectief aantonen dat identiteit bepaald wordt door tijd en
plaats.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 15.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question