Leg mij uitgebreid het volgende onderwerp uit: vat dit samen, maak het overzichtelijker, makkelijker, duidelijker. zorg dat de belangrijke dingen erin staan. het is voor mijn examen nederlands . ik moet het goed kunnen leren : LITERATUURGESCHIEDENIS EN LITERAIRE STROMINGEN
DE MIDDELEEUWEN 500-1500
1. Standenmaatschappij
* Geestelijkheid (kerk en clerus)
2. 3. 4. * Adel (de ridders)
* Burgerij (veelal arbeiders en boeren)
Theocentrisch (= op God gericht)
Kunst en literatuur zijn anoniem
Kunst is gemeenschapskunst: niet de mens, maar God staat in het centrum van de belangstelling
EPIEK:
Algemeen
In het Middelnederlands (verzameling dialecten)
Oraal (niet gelezen, maar beluisterd) = vertelkunst
In rijmvorm (om hun teksten gemakkelijker uit het hoofd te leren)
Soorten
Ridderepiek: ontstaan in Frankrijk (Chanson de geste) en van daaruit verspreidt over heel Europa
Karelroman: Karel de Grote in de hoofdrol
moed, dapperheid en trouw van zijn ridders
voorhoofse roman: vrouw speelt nauwelijks een rol en is ondergeschikt
Arthurroman: koning Arthur en zijn ridders van de ronde tafel (Lancelot, Walewein, Perceval)
hulpvaardigheid, rechtvaardigheid en hoffelijkheid hoofse liefde: onbereikbare en
gedealiseerde vrouw ridders ondernemen een zoektocht of queeste (bv. graalroman)
Religieuze epiek: godsdienstige boodschap
Marialegende (bv. Beatrijs): de hoofdfiguur valt eerst heel diep en wordt dan door tussenkomst van
Maria gered. Als je berouw toont, kun je altijd op de genade van God blijven rekenen.
Dierenepiek: fabel, via het dierenverhaal werd de draak gestoken met de adel en geestelijkheid
Voorbeeld: Van den vos Reynaerde (BI WILLEME = Willem die Madocke maeckte = acrostichon) De
hele middeleeuwse maatschappij wordt voorgesteld als een dierengemeenschap.
Het werk is een satire op de hebzucht, domheid, vraatzucht en lichtgelovigheid van adel, geestelijkheid en
dorpelingen. Het werk is ook een parodie op de voorhoofse ridderroman. Alle gebeurtenissen houden
verband met de hofdag van koning Nobel. Reynaert wordt beschreven als een leugenachtige rover en
moordenaar die zich geenszins aan de gedragscode van het hof houdt en allesbehalve hoofs is. Via Reynaert
ontmaskert de auteur de andere dieren als corrupte, zwakke en ijdele figuren. Hierdoor krijgt Reynaert
dikwijls de sympathie van de toehoorders en worden de andere dieren (voornamelijk de adel en de
geestelijkheid) in hun hemd gezet.
LYRIEK:
Algemeen
Pozie werd in de middeleeuwen gezongen i.p.v. voorgedragen.
Mondeling overgeleverd, pas vanaf het einde van de middeleeuwen opgeschreven.
Soorten
Ballades:
episch-lyrische dichtvorm met een dramatische inslag.
er is een verteller en dialoog
opgebouwd uit strofes en rijmende verzen, soms met refreinachtige herhalingen
gaan over mysterieuze en magische elementen
lopen dramatisch af en worden sprongsgewijze verteld // goede afloop = romance Voorbeelden: Heer
Halewijn en Het waren twee conincskinderen
Klaagzangen of elegien:
bezingen de pijn die gepaard gaat met de dood van een geliefd persoon Voorbeeld: Egidius
Minnelied:
bezingt de pijn (of de vreugde) van de verliefdheid en het liefdesleven Voorbeeld: Ghequetst ben ic
van binnen
Didactische gedichten:
kennis aan tijdgenoten meedelen
Voorbeeld: Spieghel Historiaal van Jacob van Maerlant
Rederijkskamers:
Rederijkers waren dichters die samenkwamen om aan literatuur te doen. Ze maakten vaak vormelijk
ingewikkelde gedichten. Ze beschouwden dichten als een ambacht.
DRAMATIEK:
Algemeen
De rijke toneeltraditie van de Grieken en Romeinen verdween in de vroege middeleeuwen.
Heropleving van het theater begon vanuit de christelijke eredienst (liturgisch toneel).
Het schouwspel ging al snel het oorspronkelijk puur ritueel-liturgisch karakter overheersen en verliet zo het
kerkgebouw. De volkstaal verdrong het Latijn. Vanaf het midden van de 15e eeuw concentreerde het literaire
leven zich meer en meer in de rederijkerskamers.
Soorten
Religieuze toneel
1. Mysteriespelen: een geloofswaarheid wordt gedramatiseerd 2.
Moraliteiten of zinnespelen:
o Korte toneelstukken met een didactisch-moraliserende bedoeling
o Allegorische figuren beelden abstracte religieus-moraliserende ideen concreet uit
Voorbeeld: Elckerlyc
3. Mirakelspelen: een wonder vormt de dramatische kern.
Voorbeeld: Mariken van Nieumeghen
Wereldlijk toneel
1. Abele spelen: kunstig en ernstig gedramatiseerde ridderromans (hoofse liefde en religieuze en
burgerlijke elementen worden verweven)
gespeeld op verschillende locaties
2. Cluten: ontspanning en amusement
grof, komisch, karikaturale overdrijving en seksuele allusies
onderwerpen: bedrogen echtgenoot, bazige vrouw, sullige pastoor, domme boer
DE RENAISSANCE 1500-1700
1. 2. 3. 5. 6. Verschuiving van een theocentrisch naar een antropocentrisch wereldbeeld. In plaats van God komt
de mens in het centrum te staan. Realisme, betrokkenheid op het aardse.
Grotere aandacht voor de schoonheid van het aardse, de natuur, de mens. Levenslust en
levensblijheid i.p.v. gerichtheid op het leven na de dood.
Opkomst van het individualisme. Een goede opvoeding is bijzonder belangrijk. Het ideaal is de homo
universalis (iemand die uitblinkt op alle gebieden van cultuur en wetenschap) 4. Kunstenaars streven
naar een wedergeboorte van de klassieke oudheid: classicisme
Grote belangstelling voor de mens en de wereld leidt tot realisme in de kunst.
Het dialect van Amsterdam en Den Haag groeit uit tot de geschreven standaardtaal.
EPIEK EN LYRIEK:
Belangrijke figuren
Joost van den Vondel: religieuze pozie en hekeldichten, maar vooral klaagzangen (sterk autobiografisch)
Pieter Corneliszoon Hooft (P.C. Hooft): liefdespozie: gebruik van de sonnetvorm. Zijn sonnetten zijn volmaakt
naar de vorm!
In Engeland was William Shakespeare de absolute grootmeester. Op het gebied van pozie is hij belangrijk voor
zijn meesterlijke sonnetten, die -afwijkend van de traditionele sonnetten-uit drie kwatrijnen en een couplet
(distichon) bestaan.
Proza werd gebruikt voor filosofie, geschiedschrijving, wetteksten en reisverhalen van ontdekkingsreizigers.
Literaire barok: sterke uiting van gevoelens, maar volgens regels en conventies
Miguel de Cervantes schreef Don Quichot, een parodie op de ridderroman
Joost van den Vondel is het bekendst als toneelschrijver. Veel minder barok van taal, maar des te menselijker
zijn de ontroerende treurdichten (elegie) als uiting van zijn verdriet. In een paar jaar tijd ontvielen hem zijn
zoontje Constantijn en zijn dochter Saertje. Zijn bekendste gedichten zijn: Kinder-lijck & Uitvaert van mijn
dochterken.
DRAMATIEK :
Commedia dellarte: gemproviseerd Italiaans volkstheater, waarvan dans, mime, acrobatische toeren en
muziek essentile ingredinten zijn.
Onder invloed van de renaissance, de wedergeboorte van de klassieke oudheid, ontwikkelde zich, voornamelijk
in de 17e eeuw, het klassieke drama met zijn aristotelische grondregels:
Elke tragedie bestaat uit 5 bedrijven: expositie ontwikkeling hoogtepunt val of wending/
catastrofe of afwikkeling catharsis
Eenheid van tijd, plaats en handeling
Tragedie en komedie zijn strikt gescheiden
De bedrijven worden gescheiden door reien of koorzangen Ook hier is William Shakespeare de
absolute theaterkoning!
DE VERLICHTING 1700-1800
1. Sterke invloed van het rationalisme: de rede, het verstand, krijgt het opperste gezag Je pense, donc je
suis
2. Kritische ingesteldheid. Het absolute gezag van de kerk en staat wordt afgezworen. De strijd wordt
aangebonden tegen bijgeloof en vooroordelen; er wordt gepleit voor verdraagzaamheid.
3. Absoluut geloof in de vooruitgang. Het accent valt op de eigen tijd, op de verbetering van de
maatschappij.
EPIEK EN LYRIEK:
De belangrijkste vernieuwing op het gebied van proza is de doorbraak van de roman (vooral de briefroman).
Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart is de eerste moderne roman in de Nederlandse literatuur. Deze briefroman van Betje Wolff en
Aagje Deken illustreert o.a. een van de belangrijkste verlichtingsthemas: het belang van een goede opvoeding. Daarnaast zet de roman
aan het denken over onderwerpen als goed en kwaad, de verhouding tussen mannen en vrouwen en de verhouding tussen individu en
maatschappij.
De verlichte prozaliteratuur is in wezen didactisch: literatuur was een middel om de lezer nieuwe, rationele
opvattingen aan te bieden. Dit leidde tot een bloei van het essay.
Op het gebied van episch-didactische literatuur scheerde het imaginaire reisverhaal hoge toppen.
Vb. Gullivers travels van Jonathan Swift (utopische roman).
In de verlichting ontstonden onder invloed van Jean-Jacques Rousseau nieuwe ideen over opvoeding. Die
ideen kwamen ook tot uiting in de opvoedkundige gedichten van Hironymus van Alphen. Zijn bekendste
gedicht is De pruimenboom. Hier merken we een voor die tijd moderne visie op het kind. Zijn kindergedichten
hebben bovendien strakke rijmschemas, waardoor ze gemakkelijk uit het hoofd geleerd kunnen worden.
DE ROMANTIEK 1800-1850
1. Afzetten tegen het rationalisme en classicisme
2. Onvrede met de maatschappij die te zakelijk, burgerlijk en onnatuurlijk is (= weltschmerz) en
ontvluchten van de werkelijkheid (= escapisme). De kunstenaar verlangt naar een andere plaats en
tijd. Goethe: Daar waar ik niet ben, is het geluk.
Gevolgen
Accent op gevoel en verbeelding
Individualisme, streven naar originaliteit, afkeer van regels, opstandigheid, vechten voor
zuivere idealen
Voorliefde voor het ongerepte: de wilde natuur, exotische volkeren, het kind
Bewondering voor het heldhaftige verleden (historische roman): bv. de Guldensporenslag (in
De leeuw van Vlaanderen van Hendrik Conscience)
Melancholie: de kunstenaar lijdt aan de wereld (weltschmerz), voelt zich vaak eenzaam en
onbegrepen, piekert over de dood
Interesse voor het irrationale en mysterieuze: dromen, krankzinnigheid, het monsterlijke (bv.
Frankenstein), het occulte, drugs Epiek:
Max Havelaar van Multatuli
De leeuw van Vlaanderen (historische roman) van Hendrik Conscience Lyriek:
Guido Gezelle: in zijn pozie versmelt de priester-dichter vaak een romantische verheerlijking van kleine dingen
in de natuur met religieuze elementen. Voorloper van het impressionisme en de zuivere pozie.
LITERAIRE STROMINGEN
VAN REALISME TOT DE EERSTE WERELDOORLOG 1850 -1914
Realisme: midden 19e eeuw
Reactie op de romantiek
Werkelijkheid zo getrouw mogelijk weergeven
Objectieve en gedetailleerde benadering van de werkelijkheid
Gebaseerd op bestaande hirarchische verhoudingen en gebruik van allerlei stereotypen, zoals man-
vrouwbeelden, conventionele vooroordelen over etnische groepen Belangrijke figuren: Stijn Streuvels
Naturalisme: rond 1880
Werkelijkheid zo precies mogelijk beschrijven en zoeken naar wetenschappelijke verklaringen
Gevolgen:
Determinisme: men gelooft dat de mens volledig bepaald wordt door zijn milieu en/of erfelijke
factoren.
Sombere levensvisie, fatalisme: het leven ligt vooraf vast, de mens is het slachtoffer van de
omstandigheden waar hij geen vat op heeft.
Miserabilisme: de figuren komen vaak uit mensonwaardige, achtergestelde milieus. Belangrijke
figuren: Cyriel Buysse, Louis Couperus, Stijn Streuvels
IMPRESSIONISME: ROND 1880
Een voortzetting van, maar ook een reactie op het realisme
De kunstenaar gaat uit van de zichtbare werkelijkheid, maar wil de stemming, de sfeer van een plaats
weergeven.
Deze subjectieve, zintuiglijke indruk op n bepaald moment tracht men zo direct mogelijk te vatten
in zijn unieke verschijningsvorm.
Gebruik van veel sfeerscheppende bijvoeglijke naamwoorden, synesthesien en neologismen.
Belangrijke figuren: Herman Gorter, Lodewijk van Deysel, Frederik van Eeden
Lart pour lart (kunst om de kunst)
Opvatting waarbij het maken van kunst is een doel op zich.
De kunstenaars zijn niet genteresseerd in maatschappelijke problemen of hebben geen didactisch doel voor
ogen. Het werk mag enkel esthetisch beoordeeld worden (estheticisme). Belangrijke figuren: Willem Kloos
DE TACHTIGERS (NEDERLAND)
Een groep jonge Nederlandse schrijvers die rond 1880 debuteerden, hun werk moeilijk gepubliceerd kregen en
daarom in 1885 hun eigen tijdschrift De Nieuwe Gids oprichtten.
1. Hun hoofdprincipe was dat vorm en inhoud n moeten zijn.
2. Het tweede principe was dat kunst persoonlijk moet zijn: de allerindividueelste expressie van de
allerindividueelste emotie, zoals Willem Kloos zei.
Belangrijke werken van Tachtigers zijn:
De kleine Johannes (1887) van Frederik van Eeden
Het lange dichtwerk Mei (1889) van Herman Gorter
Eline Vere (1889) van Louis Couperus
VAN NU EN STRAKS (VLAANDEREN)
In Vlaanderen richtte een groep jongeren naar het voorbeeld van de Tachtigers omstreeks 1890 het tijdschrift
Van Nu en Straks op.
Belangrijke werken zijn:
Het recht van de sterkste (1893) van Cyriel Buysse
De Vlaschaard (1907) van Stijn Streuvels
De dichtbundel Het Vaderhuis (1903) van Karel van de Woestijne
Symbolisme: 1880-1890
Kunststroming die aansluit bij het estheticisme en decadentisme van het fin de sicle.
De kunstenaar wil innerlijke zielservaringen uitdrukken. Hij zoekt naar de diepere werkelijkheid die
achter de uiterlijke verscholen zit en probeert die d.m.v. symbolen te laten zien.
Veel aandacht gaat naar het mysterieuze, irrationele, vreemde, intutieve
Estheticisme
Dichters proberen via beeldspraak en symbolen abstracte ideen als liefde, oorlog, dood te
verwoorden
Belangrijke figuren: Karel van de Woestijne, Paul Verlaine, Albert Verwey
Neoclassicisme: rond 1900. De romantiek kende een korte heropleving
HET INTERBELLUM 1918-1940: MODERNISME/AVANT-GARDE
AVANT-GARDE
Groep kunstenaars die zich afzetten tegen de kunst van hun tijd en experimenteren met nieuwe vormen. Door
hun kritiek en vernieuwingsdrang vormen ze een soort voorhoede en staan ze vaak aan de rand van de
maatschappij. Hiertoe behoren literaire werken van symbolisten, dadasten en postmodernisten.
Modernisme: 1910-1940
Overkoepelende term voor een hele reeks nieuwe kunststromingen die elkaar snel opvolgen tussen 1910 en
1940: het expressionisme, het futurisme, abstracte kunst, het dadasme en surrealisme.
Kenmerken van de literatuur:
Fragmentering en verinnerlijking. In tegenstelling tot de realisten en naturalisten acht men het
onmogelijk de werkelijkheid in zijn geheel te kennen. Men wil de complexiteit laten zien. Het accent
valt daarbij op het innerlijke, het onderbewuste (cf. Freud)
Relativisme. De kunstenaar staat kritisch tegenover alles, ook het schrijven zelf en de taal.
Voortdurende formele vernieuwing. Een eenheidsstijl is er niet omdat men steeds op zoek is naar
nieuwe, geschiktere vormen.
Kosmopolitisme. Verbondenheid met de mensheid. Wereldburgerschap.
EXPRESSIONISME: 1910-1925
Kunststroming die zich afzet tegen het impressionisme en naturalisme
Men wil niet in de eerste plaats de werkelijkheid weergeven, maar zijn eigen emotionele ervaringen
uitdrukken en zijn visie op het wezen van de dingen.
Typische themas: de beschrijving van het leven in de grote stad en de liefde voor de kleine man
In de pozie vinden we vaak vervormde zinsbouw, een sterke beeldspraak, typografische
experimenten en een vrij vers
Twee richtingen in de literatuur:
- het humanitair expressionisme is idealistisch en wil o.a. een verzoening tussen alle volkeren
- het vitalisme: intensiteit, persoonlijkheid en levensoptimisme staan centraal
Belangrijke figuren: Franz Kafka, Herman Teirlinck en Paul van Ostaijen
MAGISCH REALISME
Een kunstrichting die de werkelijkheid heel precies weergeeft, maar tegelijk vreemde, bovennatuurlijke
elementen invoegt om zo een bijzonder, bovenwerkelijk effect te bereiken. De bedoeling is de diepere zin van
ons bestaan naar boven te brengen. Daarbij wordt vaak gebruik gemaakt van dromen.
In het surrealisme ligt het accent heel sterk op het onbewuste, terwijl in het magisch realisme het verstand niet
wordt uitgeschakeld. De kunstenaar zoekt naar een synthese van werkelijkheid, fantasie en verstand.
Belangrijke werken:
De komst van Joachim Stiller van Hubert Lampo
De trap van steen en wolken van Johan Daisne
NIEUWE ZAKELIJKHEID: 1920-1930
Men keert terug naar een klare, objectieve weergave van de werkelijkheid, waarbij men zich ook afzet tegen de
lange beschrijvingen en mooischrijverij van de naturalisten en impressionisten.
Literatuur moet zakelijk zijn en al het overbodige wordt geschrapt.
Het gaat niet om de vorm, maar om de inhoud: wat gezegd wordt, moet gewoon en zonder
tierlantijntjes gezegd worden.
Schrijfstijl wordt gekenmerkt door een uiterst afgemeten taalgebruik: korte kernachtige zinnen,
weinig bijvoeglijke naamwoorden, een sterke zakelijkheid Belangrijke werken:
Lijmen en Kaas van Willem Elsschot
Blokken, Bint en Karakter (bildungsroman) van Ferdinand Borderwijk
VITALISME
Intensiteit, persoonlijkheid en levens-optimisme staan centraal.
Natuur en instinct zijn superieur aan beschaving en moraal.
Belangrijkste werk:
Houtekiet van Gerard Walschap
VAN KOUDE OORLOG T.E.M. SWINGING SIXTIES (1945 -1970)
SURREALISME
Kunststroming die bloeide tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog.
1. Het surrealisme is minder destructief dan het dadasme, waarop het voortbouwt.
2. De kunstenaars willen een volledige vrijheid, maar geloven dat het mogelijk is het lot van de mens te
verbeteren door de geest te bevrijden van rede en logica. Ze pleiten voor een overgave aan de
almacht van de droom, het on(der)bewuste en het toeval.
Kenmerken in de literatuur:
Vrij, associatief schrijven
Metaforen waarin onverenigbare zaken samen worden gebracht
Zwarte humor en groteske grappen
DE VIJFIGERS
Jonge dichters die kort na de Tweede Wereldoorlog contacten hadden met de Cobrabeweging.
Ze schrijven experimentele pozie
heel associatief
streven naar originele en verrassende beeldspraak
kiezen voor vrije verzen
geven de voorkeur aan emotioneel, zintuiglijk en lichamelijk taalgebruik
Neorealisme: rond 1960
Reactie tegen de moeilijke pozie van de Vijftigers. Zij willen gewone spreektaal in hun gedichten
(parlandopozie).
VAN 1970 TOT HEDEN
POSTMODERNISME: VANAF 1960
Het postmodernisme is in feite een radicale voortzetting van het modernisme.
De voornaamste kenmerken van de literatuur:
Extreme twijfel aan elke ideologie. Er is geen absolute waarheid, je kunt alles op heel veel
manieren bekijken. De auteurs schrijven geen rechtlijnige verhalen; vaak zijn het gewoon
fragmenten zonder direct verband en karakterbeschrijving.
Twijfel aan de mogelijkheden van de taal om de werkelijkheid te beschrijven. Elke weergave is
kunstmatig of zelfs fictief, want de taal vervormt onze kijk. De auteurs stellen zich voortdurend
vragen over het schrijven (metafictie, zelfreflectie)
Intertekstualiteit, citatenkunst. Alles is eigenlijk een verhaal. De wereld is een enorme
bibliotheek, waaruit je vrij kunt citeren. Een tekst is altijd een verwerking, vervorming,
voortzetting van andere teksten. Intertekstualiteit is frequent aanwezig in de vorm van citaten,
mottos, allusies
De lezer is even creatief als de schrijver. Elke absolute interpretatie is onmogelijk, want er is geen
buiten-tekstuele waarheid
Stijlvermenging. Er is geen echt onderscheid tussen hoge en lage kunst zoals er ook geen verschil
is tussen feit en fictie. De meest diverse genres, stijlen en media worden gecombineerd.
Spel. De twijfel leidt niet per se tot pessimisme. Er is veel interesse voor diverse komische
vormen. In Het verdriet van Belgi bv. houdt Hugo Claus ervan een spel te spelen met zijn lezers.
Vanaf 1970 zijn naast postmoderne nog enkele trends te onderscheiden:
* autobiografische boeken
* reisverhalen en dagboeken
* feministisch getinte boeken
* migrantenliteratuur
* heropleving van de historische roman en de postkoloniale roman * en in de 21e eeuw brak de graphic novel
definitief door.
GENERATIE NIX: JAREN 90
De term Generatie Nix is een verzamelnaam voor diverse jonge, Nederlandse schrijvers die in de jaren negentig
debuteerden. Ze vallen op door hun nihilistische thematiek en rauw-realistische stijl, met onderwerpen als
popcultuur en seksualiteit. Ze zouden het levensgevoel van de huidige jonge volwassenen verwoorden: zij die
geboren zijn in de jaren 60 en dus uitsluitend welvaart hebben gekend, en die zich slechts lijken te
interesseren voor seks, drugs, drank en de op dat moment in de mode zijnde muziek, en alle traditionele
burgerlijke normen en waarden verwerpen. In Vlaanderen schrijft Herman Brusselmans (Heden ben ik
nuchter, 1986) in dezelfde trant.
OVERZICHT ALLE LITERATUURSTROMINGEN
REALISME
een realistische roman presenteert zijn inhoud als vanzelfsprekend. Het realisme bevestigt bestaande
hirarchische verhoudingen en reproduceert allerlei stereotypen, zoals hardnekkig in de cultuur ingesleten
man- of vrouwbeelden en conventionele vooroordelen over etnische groepen. De lezer wordt verleid de
gerepresenteerde verhoudingen en stereotypen over te nemen en niet om deze te bekritiseren of te
problematiseren.
NATURALISME
een naturalistische roman gaat ervan uit dat de mens een product is van erfelijkheid, opvoeding en
omgeving/milieu; hierdoor heeft hij weinig tot geen invloed op zijn eigen leven, dat grotendeels bepaald lijkt te
worden door het (nood)lot.
NIEUWE ZAKELIJKHEID
romans die binnen deze stroming vallen worden gekenmerkt door zakelijke en doelmatige beschrijvingen met
korte zinnen en weinig bijvoeglijke naamwoorden. Het is eerder een stijlproced dan een stroming.
OORLOGSLITERATUUR
romans die zich afspelen rondom de Eerste of Tweede Wereldoorlog. De karakterontwikkeling van de
hoofdpersoon wordt in belangrijke mate bepaald door het oorlogsgebeuren. In deze stroming wordt een anti-
idealistische visie op mens en maatschappij gegeven. Verder wordt er veel aandacht aan seksualiteit en
lichamelijkheid geschonken. De toon is anti-intellectueel. De visie op de liefde is weinig verheven.
BEKENTENISROMAN
in een bekentenisroman legt een auteur/personage zijn persoonlijke leven bloot. Meestal spreekt uit deze
romans een negatief wereldbeeld. Enkele veel voorkomende motieven zijn: afkeer van het ouderlijk milieu, het
zich maatschappelijk een mislukkeling voelen, onvermogen tot liefde en homoseksualiteit. De nadruk ligt op
belevenissen, gedachten en gevoelens van de vertellende ik-figuur. Een ander belangrijk kenmerk is, dat bij
deze romans waarneming en weergave samenvallen. De roman of het verhaal is de directe neerslag van het
zojuist beleefde.
EXISTENTIALISME
in deze stroming staat de mens en zijn bestaan centraal, waarbij wezenlijk is dat de mens vrijheid heeft, maar
ook verplicht is in elke nieuwe situatie keuzes te maken, waarbij hij alleen zelf de verantwoordelijkheid draagt
voor zijn eigen leven en niet bijvoorbeeld God of een andere bovennatuurlijke macht. De mens leeft in een
gruwelijke wereld, maar houdt toch zijn lot in eigen hand.
MODERNISME
de personages in een modernistische roman hebben moeite met het maken van (politieke) keuzes; door het
wegvallen van oude maatschappelijke en religieuze zekerheden en door de ontwikkelingen binnen de
technologie doet de werkelijkheid zich meer dan ooit als onbegrijpelijk voor. De vraag is of we de wereld wel
helemaal kunnen kennen en of de taal wel toereikend is om haar te beschrijven. Er wordt in modernistische
romans veel gedacht en weinig gehandeld. Het gaat niet zozeer om het zo waarheidsgetrouw mogelijk
weergeven van gebeurtenissen en handelingen, maar om het innerlijk leven van de personages. Dat innerlijk
leven wordt op een heel directe manier getoond met de techniek van de bewustheidsstroom. In plaats van de
objectieve waarheid gaat het om de subjectieve beleving van de wereld. Een laatste aspect heeft te maken met
de onkenbare werkelijkheid die als chaotisch wordt ervaren en die de auteur in zijn roman tot een
denkbeeldige eenheid wil herscheppen.
POSTMODERNISME
volgens deze stroming wordt kunst gezien als een ontsnappingsmogelijkheid uit de beperkingen van de
werkelijkheid. Verteller/auteur en personages zijn niet altijd strikt gescheiden: personages houden zich vaak
bezig met vraagstukken die ook in het leven van de auteur een rol spelen. Ook neemt het onderscheid tussen
de genres af; het verschil tussen fictie en non-fictie is niet meer zo relevant. Vaak zijn er verschillende stemmen
aan het woord die verschillende visies op een zaak vertegenwoordigen, zelfs ook tegenstrijdige visies.
Schrijvers erkennen dat niemand de wijsheid in pacht heeft en proberen daarom alle mogelijke invalshoeken in
kaart te brengen. De romans zijn niet strikt realistisch; dat betekent echter niet dat de buitenwereld er geen rol
in speelt. Het gaat altijd om vragen die de actualiteit overstijgen. Centraal staat wat het teweegbrengt als je
ergens over schrijft. Bijvoorbeeld: een schrijver schrijft een verhaal over een bomaanslag die jaren later
daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Heeft de schrijver dan schuld? Een ander kenmerk is intertekstualiteit:
literatuur bestaat soms uit een collage van allerlei bestaande teksten in de vorm van citaten. liedjes,
spreekwoorden of krantenartikelen. Verder is chronologie in postmoderne romans vaak ver te zoeken. Er
wordt veel gesprongen in de tijd en dit wordt vaak nog versterkt door het meervoudig
perspectief. Postmoderne romans bieden geen antwoorden maar ze stellen wel veel vragen over ethische
kwesties.
LITERAIRE AUTOBIOGRAFIE/AUTOFICTIE
schrijvers kunnen hun persoonlijke leven tot literatuur maken, waarbij het echte leven van de schrijver minder
belangrijk is dan de literaire verwoording van dat leven. Je zou zelfs kunnen zeggen dat sommige schrijvers de
dingen beleven m ze op te kunnen schrijven. De vraag hierbij kan zijn of je persoonlijke ervaringen in woorden
kunt vangen en wat het effect ervan is. Wellicht onder invloed van de openbaarheid van priv-
ervaringen op tv en op internet is literatuur intiemer geworden dan ooit tevoren. Volgens critici speelt dit soort
literaire werken te veel in op de eisen van het grote publiek en word je als lezer een voyeur. Hierdoor wordt de
commercialisering van de literatuur in de hand gewerkt. Autofictie draait niet om gebeurtenissen maar om
gevoelens en onderscheidt zich hierdoor van de traditionele autobiografie. De uitleg moet geschreven zijn op het niveau van de Middelbare school.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question