1. Leervaardigheden
Je leert wiskundig denken: verbanden zien, problemen oplossen met passende technieken, logisch redeneren en communiceren in wiskundetaal.
📌 2. Algebraïsche verbanden
Je werkt met formules, tabellen en grafieken, vooral bij lineaire verbanden. Je leert hoe je situaties kunt modelleren met wiskundige middelen.
📌 3. Rekenen, meten en schatten
Je rekent met maten (zoals lengte, gewicht, inhoud, tijd), schat uitkomsten, controleert met afronding en gebruikt de rekenmachine verstandig.
📌 4. Meetkunde
Je analyseert vormen, tekent ze, berekent omtrek, oppervlakte en inhoud, en past meetkundige begrippen toe (zoals hoeken en symmetrie).
📌 5. Toepassingen en samenhang
Je past wiskunde toe in realistische situaties door probleemoplossend te denken, wiskundige modellen te gebruiken en je redenering goed te onderbouwen.
deze onderdelen worden dieper uitgelegt in dit document