Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Definitie:
= Bewust waarnemen: bewust gebruikmaken van je zintuigen
=doelgericht waarnemen: de observatie een duidelijk omschreven doel hebben
Terminologie rond observaties:
Gedragsobservatie: het observeren van gedrag van mensen -> complex
Observator: degene die observeert
Observant: degene die geobserveerd wordt
Niet systematische observatie:
o Geen observatievraag en/of observatiedoel
o Niet afgesproken waar er speciaal op gelet moet worden -> observerende grondhouding
Systematische observatie: Het is duidelijk wie, wat, wanneer, hoe lang en welk gedrag er geobserveerd moet worden -> bewust en doelgericht waarnemen
Participerende observatie:
o Observator neemt deel aan de situatie die hij observeert
o Onderzoekrol verhuld of niet verhuld:
Verhuld: observant weet niet de dat de observator gericht aan het observeren is
Niet verhuld: observant weet wel dat de observator gericht aan het observeren is
Niet participerende observatie: observator neemt geen deel aan de situatie die hij observeert
Zelfobservatie:
o Persoon van de observator en de observant vallen samen -> begeleider en clint
o Naar bepaalde gedragingen, gedachten of gevoelens kijken van zichzelf
Doelstelling van de observatie:
Doel VAN de observatie:
o Wat je wilt te weten komen en wat je wil doen met die gegevens
o Moet eenduidig zijn -> voor slechts 1 uitleg vatbaar
Doel IN de observatie:
o De onderzoeksvraag of observatievraag
o Waar je specifiek zicht wilt op krijgen door de observatievraag
o Altijd een vraag
o Moet eenduidig zijn
Observatievraag/ onderzoeksvraag:
o Kan je concretiseren naar enkele deelvragen
o Elke deelvraag geeft een gedeeltelijk antwoord op de observatievraag
Gedragingen: De deelvragen ga je omzetten in concreet waarneembaar gedrag -> operationaliseren
Nulmeting:
o = Beginsituatie
o Nagaan hoe dit was om de veranderingen in het gedrag na te gaan
Taal:
o Eenduidige taal is belangrijk bij registreren en interpreteren
o Gebruik van soms, meestal, is niet eenduidig
Voorbeeld:
o Doel VAN de observatie: Je gaat na of Karel moet doorverwezen worden voor meer gespecialiseerde begeleiding omwille van moeilijk gedrag op school.
o Doel IN de observatie: Hoe gedraagt Karel zich op school?
o Deelvragen:
Hoe gedraagt Karel zich verbaal in de klas?
Hoe gedraagt hij zich non verbaal in de klas?
Hoe is zijn sociaal contact met de leerkracht en andere kinderen?
o Gedrag: Wat zegt hij? Welke woorden gebruikt hij?
Waarnemen:
Perceptie:
o = decoderen van prikkels -> waarneming
o Verloop:
Prikkel ontvangen
Aandacht is nodig en de drempelwaarde moet overschreden worden
De fysische prikkel, prikkelt het zintuig
Hierdoor heb je een gewaarwording of sensatie
De prikkels worden gedecodeerd = waarneming/ perceptie
o 2 processen: om betekenis aan waarneming te geven
Bottom up: uit alle samengestelde onderdeeltjes van een voorwerp wordt een geheel gevormd bv onderkant fles
Top down: door eerdere ervaringen zien we wat we denken te zien bv zie je B of zie je 13
o Via 5 zintuigen: Zien, horen, voelen, ruiken en proeven
o Intutie
o Bemerkingen:
Gevoeligheid zintuigen voor elke persoon anders
Invloed gewenning
Dus: zintuigen hebben beperkingen
Selectie:
o Ontvangen heel veel prikkels, hierin wordt een selectie gemaakt, dus heel subjectief!
o Nemen vooral op:
Wat dichtbij is en beweegt
Dingen die anders zijn dan we verwachten
Dingen die gevoelig zijn
Dingen die je interesseren
o Bij observeren: doelgericht en bewust leren selecteren
Beiden hebben te maken met processen in de hersenen
Invloed van het geheugen: kan ons bedriegen
Kortetermijngeheugen:
o Bewuste waarnemingen komen eerst hier terecht
o Kan maar een beperkt aantal items aan
Langetermijngeheugen: verwerkt de waarneming
Mogelijke problemen:
o We onthouden vooral wat eerst en wat laatst
o We zien zingen die er niet zijn/we vullen zelf in wat we vergeten zijn
Verbaal en non verbaal gedrag:
Horen en zien zijn de belangrijkste zintuigen -> meer waarde aan wat gehoord wordt
Verbaal en non verbaal kunnen in conflict gaan met elkaar
MAAR! Bij rapportage vaak
o Meer waarde aan wat gehoord wordt
o Minder aan het zien
= valkuil
= een deel gemiste info
o Best onderscheid maken tussen wat wordt er gezegd en wat wordt er gedaan
o Bij het interpreteren nagaan of verbaal en non-verbaal gedrag overeenstemmen. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question