Maak een oefenexamen van de volgende tekst: INLEIDING
Drie uitdagingen voor het positivisme sinds jaren 60:
1. Labelingbenadering
o Afwijzing van causaliteit, focus op definities en deviantie
o Interpreterende, inductieve, sociologische aanpak, constructivistisch
en soms relativistisch
2. Conflict, radicale, of kritische criminologie (en feminisme)
o Politieke economie van criminaliteit en haar beheersing, focus op
machstructuren, vaak Marxistisch (kapitalisten werden vaak gezien als de hoofdoorzaak van criminaliteit)
o Politieke activisme en normatief: nieuwe sociale orde was einddoel
3. Neoklassieke stroming
o Rationele mens, focus op opportuniteiten, innovatieve inhoudelijke theorien
o Ook normatief: kritiek op vooruitstrevend beleid, focus op rechtvaardigheid
o Heropleving van gouvernementele project >> administratieve criminologie
grote impact
KRITISCHE STROMINGEN
Kritische stromingen:
Verschillende klemtonen, maar twee gemeenschappelijk uitgangspunten
o Delinquentie als resultaat van de ongelijke verdeling van sociale-economische en politieke middelen
o Conflictmodel van samenleving
Substromingen:
o Conflictsociologie: focus op conflict
o Radicale en kritische criminologie: meestal neomarxistisch, verschil tussen twee is niet duidelijk
o Feministisch criminologische benaderingen: focus op constructie van gender en vrouwenoppressie
o Meestal ook activistische attitude
CONFLICTBENADERINGEN
Conflictsociologie:
Sellin (1938): primaire (conflicten tss waardenculturen) en secundaire conflicten (gebeuren als er een dominante cultuur en een subcultuur is)
Vold (1958): minderheidsgroepen meer deviant omdat ze geen invloed hebben op de drie fasen van het legislatief/wetgevend proces
Turk (1964): opgelegde labels worden aanvaard als legitiem wegens dwang door de machtige groepen + beheersen van legal images en living time= machtige groepen kunnen formele en informele regels vd samenleving controleren en benvloeden via de media, ze tonen zo wat aanvaardbaar is in de media (hij vraagt zich af waarom er geen rebellie is tegen deze machtsverhouding)
Quinney (1970): criminaliteit als product van wettelijke omschrijvingen die een uitdrukking vormen van politieke machtsverhoudingen
RADICALE EN KRITISCHE CRIMINOLOGIE
Radicale en kritische criminologie:
Belangrijke voorloper is Bonger (1905)
o Kapitalisme voedt egosme in proletariaat en bourgeoisie, oorzaak van criminaliteit
Interpretatie van conflicten tussen groepen meestal gebaseerd op Marxisme
o Vb. volgens Chambliss (1971) en Taylor, Walton & Young (1973) wordt criminaliteit
veroorzaakt door, en functioneel aan, kapitalisme omdat kapitalistisch en economische structuur egosme en hebzucht aanmoedigt en zo criminaliteit steunt
Onderzoek verricht naar witteboordencriminaliteit:
o Chambliss (1975): crimes of the powerful= criminaliteit van de machtigen en staatscriminaliteit= criminaliteit niet alleen door bedrijven maar ook door de overheid
o Quinney (1977): crimes of domination and repression
+ in echte kritische criminologie, criminaliteit van de machtelozen genterpreteerd als actief verzet tegen machstructuren
Quinneys typologie van criminaliteit in Class State and Crime (1977):
Crimes of domination and repression (misdaden van overheersing en repressie):
o Misdaden van economische beheersing
o Criminaliteit van de regering
o Misdaden van controle
o + Sociale schade
Crimes of accommodation (misdaden van aanpassing):
o Traditioneel eigendomscriminaliteit
o Geweldsdelicten
Crimes of resistance (misdaden van weerstand):
o Worden gepleegd om te evolueren naar een nieuw beter socio-politiek systeem
vb. terrorisme of politieke criminaliteit
Michel Foucault:
Geen criminoloog, wel historicus en socioloog, meest geciteerde sociaal wetenschapper van de 20ste eeuw
Atypische kritische wetenschapper
Zijn centrale focus was op machtsrelaties, maar niet vanuit Marxistisch perspectief, voor hem is kennis van fundamenteel belang
o Voor hem zijn macht en kennis met elkaar verbonden, zonder kennis is geen macht mogelijk en omgekeerd
In Surveiller et Punir (1975) onderzoekt hij de transitie/ overgang van lichamelijke straffen tot de gevangenisstraf (die vroeger eerder uitzonderlijk was)
o Van het lichaam naar de ziel en geest, van wrede en publieke straffen naar geciviliseerde en private straffen en disciplinerende macht
o Gevangenis probeert mensen te hervormen en disciplineren
Een disciplinaire samenleving?:
Panopticon (= ronde gevangenis) gezien als beste voorbeeld van disciplinerende macht
o Constante zichtbaarheid (voor de wachters, die in het midden staan en daaruit alles kunnen zien)
o Macht is anoniem, geen nood aan lichamelijke oppressie
o Doel is zelfdiscipline, dus machtsoefening niet nodig, geen externe expliciete oefeningen van de macht meer nodig
Age of Panopticism: hij zag dat dezelfde principes ook toegepast werden in andere domeinen van de samenleving vb. scholen, leger (innovatieve ideen)
o Surveillance samenleving
Analyse van subtiele technieken van macht innovatief, maar bewijzen ontbreken soms
Evaluatie kritische stroming:
Kritische criminologie was succesvol in de jaren 1970, vandaag (behalve Foucault) grotendeels gemarginaliseerd
Vooral Marxistische verklaringen zijn verleden tijd:
o Teleologie
o Vaagheid van de kritische stellingen werden bekritiseerd
o Determinisme: het gehele marxisme word ook als deterministisch gezien, bepaalde ontwikkelingen komen als gevolg van ons socio-economisch systeem
o Romantisering van misdaad: misdrijven werden gezien als uitdrukking van revolutionaire geest
o Idealisme
MAAR: steeds nuttig de constructie van criminaliteit te analyseren in termen van machtsstructuren
o Herontdekking wittenboorden-, bedrijfs- en staatcriminaliteit ook zeer relevant en nuttig
Foucaults werk is zeer origineel en zeer invloedrijk geweest
FEMINISTISCHE CRIMINOLOGISCHE BENADERINGEN
Feministisch criminologische benaderingen:
Feminisme
o Sociale werkelijkheid vanuit vrouwen- en/of genderperspectief, geslacht is biologisch feit en de genderrollen worden binnen de samenleving geconstrueerd over hoe men zich moet gedragen
o Gender is eig een machtsconcept omdat er een machtsverhouding is tss mannen en vrouwen en regels over hoe mannen en vrouwen zich zouden moeten gedragen
o Emancipatorisch: aanhanger v deze beweging willen dat deze machtsverhoudingen veranderen (emancipatorisch verwijst naar politiek activisme)
Feministisch criminologische benaderingen
o Niet n theorie of school
o Enige gemeenschappelijke deler: vrouwen- en/of genderperspectief
Dus ook kritiek van bestaande criminologie die tot aan jaren 70 vooral over mannen ging, vooral mannelijke criminologen die onderzoek deden naar mannelijke daders
+ bij vele ook politiek activisme
Liberale feministische criminologie: Vrouwelijke emancipatie en criminaliteit:
Geeft vooral aandacht aan de gendergelijkheid: genderratioprobleem: het feit dat criminaliteit vooral door mannen gepleegd werd en word, waarom plegen vrouwen minder criminaliteit
Veralgemeningsprobleem
Adlers emancipathiethese in Sisters in Crime (1975)
o Voorspelling dat als de opvoeding van vrouwen en mannen meer gelijklopend word dan zouden volgens haar vrouwen ook meer criminaliteit en dezelfde types plegen
=> Hypothese: Emancipatie van vrouwen zou leiden tot meer vrouwelijke criminaliteit
o Assumptie: gedrag is niet aangeboren maar kan veranderen, iemand is niet geboren als vrouw, maar wordt er n
o Geen empirisch bewijs gevonden voor deze theorie (vrouwen plegen nog steeds veel minder criminele feiten)
Radicale feministische criminologie: Patriarchie en criminaliteit:
Niet alleen (on)gelijkheid, maar onderdrukking van vrouwen door mannen staat centraal voor hun
Voor Smart (Women, Crime and Criminology, 1976) en Chesney-Lind (1989) zijn seksueel misbruik en geweld tegen vrouwen het resultaat van het patriarchaat
o Beiden leggen nadruk op seksueel geweld en beide zien deze fenomenen als resultaat van het patriarchaat: een stelling die meer macht aan mannen geven ten aanzien van vrouwen en vooral de macht aan mannen geeft over de vrouwen
o Ze argumenteren dat het patriarchaat een bepaalde beeld van vrouwen geeft waar ze moeilijk aan kunnen ontsnappen en dus weinig kansen krijgen en sneller criminaliteit zullen plegen (vb. sneller gaan prostitueren omdat ze geen andere keus of kansen krijgen)
o Voor Smart: dubbele deviantie van criminele vrouwen
o Voor Chesney-Lind: is ongelijkheid tussen geslachten oorzaak is van criminaliteit
Evaluatie feministische stromingen:
Dankzij feminisme is criminologie niet meer genderblind: feministische criminologen waren de eerste die nadruk legden op het genderprobleem
Aandacht niet alleen voor vrouwelijke delinquentie, maar ook voor mannelijkheid (doing gender mannen willen een bepaald beeld van zichzelf geven via bepaalde vormen van geweldcriminaliteit en bendes)
Grote impact op slachtoffer- en bestraffingstudies:
o Focus op geweld van mannen tegen vrouwen en vooral verkrachting en huiselijk geweld
o Aandacht voor de bijzondere problemen van gedetineerde vrouwen (criminaliteit van vrouwen en tegen vrouwen)
Niet alle theorien zijn bevestigd
o Ondanks hun emancipatie, plegen vrouwen over het algemeen veel minder criminaliteit dan mannen
NEOKLASSIEKE STROMINGEN EN THEORIEN
Drie uitdagingen voor het positivisme sinds jaren 60:
1. Labelingbenadering
o Afwijzing van causaliteit, focus op definities en deviantie
o Interpreterende, inductieve, sociologische aanpak, constructivistisch
en soms relativistisch
2. Conflict, radicale, of kritische criminologie
o Politieke economie van criminaliteit en haar beheersing, focus op
machstructuren, vaak Marxistisch
o Political activist en normatief: nieuwe sociale orde was einddoel
3. Neoklassieke stroming
o Rationele mens, focus op opportuniteiten, innovatieve inhoudelijke theorien
o Ook normatief: kritiek op vooruitstrevend beleid, focus op rechtvaardigheid
o Heropleving van gouvernementele project >> administratieve criminologie
grote impact
Theorien binnen de neoklassieke stroming:
Theorien over criminaliteit
Rationele keuzetheorie
Routine activiteitentheorie
Omgevingscriminologie
Inhoudelijk
Theorien over bestraffing
Nieuw conservatief rechts
Just deserts
Afschrikkingstheorie
Normatief en inhoudelijk
Gemeenschappelijke kenmerken
Idee van de mens als rationele actor: vrije wil
Pragmatische aanpak/doelstelling gedreven door twijfels aan positivistische interventies: verminderen van (gelegenheid tot) criminaliteit
Rationele keuzetheorie (Cornish & Clarke, 1986):
Criminaliteit = functie van opportuniteiten en rationele redeneerprocessen (kosten-baten)
o Maar rationaliteit is beperkt: mensen proberen beslissingen te nemen als ze denken dat de waarde hoger zal zijn dan de kost maar ze maken soms fouten in hun inschattingen omdat ze maar beperkte rationaliteit hebben (ze komen vaak tot conclusie dat de kosten hoger zijn dan de waarde en het dus niet voordeling en nuttig is om criminaliteit te plegen
Onderzoek naar
o Besluitvormingsprocessen bij daders proberen te reconstrueren voor specifieke criminaliteitsvormen (onderzoek doen naar elke criminaliteitsvorm en niet langer algemeen, proberen te achterhalen wat de opportuniteiten zijn van de daders)
o Techno- en sociale preventie
Focus op concrete misdrijfvormen!
Rationele keuzetheorie: Crime specific focus:
Routine activiteitentheorie (Cohen & Felson, 1979):
Macro-sociologische verklaring van criminaliteit: welvaart sterk gegroeid (veel meer aantrekkelijke voorwerpen die gestolen kunnen worden) en vrijheid => tijdens de dag staan huizen leeg, vrouwen gaan werken, dus veel minder controle
Ze ontwikkelen hieruit een specifieke theorie: criminaliteit is functie van toeval, wanneer drie factoren tegelijkertijd optreden:
1. Aanwezigheid van gemotiveerde dader(s): mensen die bereid zijn criminaliteit te plegen,
2. Aanwezigheid van aantrekkelijk doelwit, en
3. Afwezigheid van adequaat toezicht (m.a.w. van opportuniteiten/gelegenheid= mogelijkheid om criminaliteit te plegen zonder betrapt te worden)
Situationele criminaliteitspreventie is de beste oplossing, betere bescherming nodig (vb. van huizen en bezittingen)
Omgevingscriminologie:
Onderzoek naar karakteristieken omgeving
1. Ruimtelijke spreiding van criminaliteit (vb. in een stad, er zijn bepaalde hotspots voor criminaliteit)
2. Processen die spelen bij herkennen van delictgevoelige sites en gelegenheden
3. Ruimtelijke en bouwtechnische aspecten van criminaliteitspreventie
o Crime Prevention Through Environmental Design (Jeffery, 1971)
o Defensible Space (Newman, 1972)
o Broken windows theorie (Wilson & Kelling, 1982)
Crime Prevention Through Environmental Design (CPTED)
Hij zegt dat onze steden onveilig zijn omdat er te veel opportuniteit is, hij pleit voor de reductie van hagen, grote ramen, kleine interventies die de informele sociale controle op straat zouden kunnen doen stijgen
Defensible Space
Vele van moderne gebouwen zijn niet verdedigbaar, mensen voelen niet echt dat de gebouwen van hen zijn, omdat ze bvb te groot of impersoneel is, het is volgens hem belanrgijk om verdedigbare ruimte te maken zoals op de foto, pleintje op einde van de straat, alle huizen kunnen controleren wat er op het pleintje gebeurd en ze kunnen zo ook elkaar controleren, mensen voelen zich zo verantwoordelijk voor hun buurten en zo zullen ze criminaliteit vermijden en helpen bestrijden
Broken windows
Criminaliteit gaat zich concentreren in buurten waar men ook kleine bepaalde vormen van overlast toelaat zoals vandalisme, graffiti, als men dit toelaat geeft men een signaal dat ook zwaardere vormen van criminaliteit zullen toegestaan zijn, op deze manier gaan de goede mensen deze buurten ook verlaten (weinig empirisch bewijs voor deze theorie maar wel heel invloedrijk geweest in de VS in jaren 80 en heeft het beleid sterk benvloed)
Normatieve neoklassieke bestraffingstheorien:
Nieuw conservatief rechts (Wilson, 1975)
o Beleid moet vooral gericht zijn op verhogen van kosten van criminaliteit door afschrikking
o Wel nadruk op de zekerheid, en niet op de zwaarte van de straf
Just deserts (von Hirsch, 1976)
o Rechtspositie van de (potentile) delinquent moet worden hersteld
o Straf moet proportioneel zijn aan ernst van delict
Inhoudelijke theorien en Empirisch onderzoek rond afschrikking:
Specifieke preventie
Afschrikken dader zelf
Gevangenis straffen contraproductief
Politiewerk en andere factoren belangrijker
o Vb. psychologische kenmerken, sociale omstandigheden, aard van delict, informele gevolgen
Algemene preventie
Afschrikken leden van samenleving
Heeft algemeen effect
MAAR: hangt van bepaalde voorwaarden af
o Kennis en begrip van norm bij doelgroep
o Draagvlak voor te handhaven norm
o Hoge subjectieve vattings- en bestraffingskans
Algemene conclusie
Herwaardering van zekerheid, snelheid en proportionaliteit van straf
Zwaarte van straf minder belangrijk
Strafrecht is geen effectieve sturingsmechanisme
Evaluatie van neoklassieke stroming:
Vernieuwende en pragmatische aanpak
o Veel impact op beleid en praktijk, vooral door situationele criminaliteitspreventie
Onrealistische visie van mens als rationele actor
o Bv. rationele keuzetheorie, afschrikkingstheorie, just deserts, nieuw conservatief rechts
Geen interesse voor dader
o Bv. omgevingscriminologie en routine activiteitentheorie
Onderschatting van morele waarden
o Niet doden, niet stelen is niet alleen kwestie van kosten/baten
Zorgwekkende politieke toepassingen daarvan
o Toenemende investeringen in surveillance en technopreventie en punitiviteit van strafbeleid
CONCLUSIE
Meerdere kritische stromingen maar gemeenschappelijke focus op ongelijke verdeling middelen:
o Voor conflict criminologen: conflicten
o Voor radicale/kritische criminologen: kapitalistische relaties
o Voor feministische criminologen: gender relaties
Herontdekking normatief perspectief is positief maar soms te veel politieke activisme
Neoklassieke stroming vertrekt uit assumptie van rationele mens
o Maar doen we echt kosten/baten analyses mbt criminaliteit?
Focus op gelegenheid/ opportuniteiten is innovatief en zeer nuttig
o Situationele criminaliteitspreventie heeft grote bijdrage geleverd tot criminaliteitsdaling
Normatieve theorien en empirisch onderzoek rond bestraffing
o Onderzoek heeft vele claims van normatieve theorien in vraag gesteld
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 10.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question