Maak een oefenexamen van de volgende tekst: 2.2 ARISTOTELES (384-322 VC)
Bakende verschillende wetenschappelijke disciplines af en definieerde hoe ze systematisch met elkaar samenhangen.
Empirisch te werk
Observatie en beschrijving grote diersoorten => biologie (zologie)
EEN SYSTEMATISCHE WETENSCHAP
Nieuwe wetenschap: definieert de waarneming op de eerste plaats als het vaststellen van kwantitatieve gegevens.
VS
Aristoteles: waarneming en beschrijving van wat er te zien is, in al zijn aspecten. Observatie kan niet laatste woord hebben in de wetenschap: iedereen neemt waar maar niet iedereen is wetenschapper!
Alles omvattend systeem van het weten ontwikkelen
Model: THEORIA o Observatie belangrijk
o Levert op zich nog geen wetenschappelijke kennis op
o Kennis moet worden nagestreefd zonder praktisch nut, enkel omwille van de kennis zelf.
o Echte wijsheid is alomvattend: bestaat in kennis van de oorzaken die universeel zijn, en een verklaring bieden voor de vele afzonderlijk dingen.
DE CATEGORIEEN Methode = logica
Beschrijving van de werkelijkheid o Vertrekt onze Logos van basisvragen
- Kwantiteit
- Kwaliteit
- Plaats
- Tijd
- Ondergaan
- Aanhebben
- Activiteit
- Houding
- Relatie
- Substantie
Deze vragen wijzen erop dat ze beantwoorden aan structuren van ons verstand en van de werkelijkheid.
Eigenschap kan niet voorkomen zonder een drager.
o Substantie kan op zichzelf bestaan en is blijvend identiek met zichzelf
= een concreet aanwijsbaar object, een tastbaar zintuiglijk ding, dat voor de duur van zijn bestaan een blijvende identiteit bezit.
Accidenten kunnen veranderen maar substantie blijft onveranderd!
Werkelijkheid kan slechts bestaan als er stabiliteit is
(dat de dingen op zichzelf kunnen bestaan)
A is niet bereid dit ergens anders te plaatsen dan in de concrete zintuiglijke wereld Plato daarentegen ging dit in 2 werelden opdelen!
DE VIER OORZAKEN
Causa materialis (materie)
Causa formalis (vorm)
Een ding kan maar bestaan als de materialiteit ervan afgebakend is als er een bepaalde vorm of begrenzing is opgelegd aan een brok materie
Ding zal altijd worden voortgebracht, ontstaat niet zomaar:
Causa efficiens (bewerkende oorzaak) Alles heeft een maker
Causa finalis (doeloorzaak)
Iets maken met een bepaalde bedoeling
van wezenlijk belang voor ontstaan van dingen: belangrijkste oorzaak
VORM EN DOEL: TELEOLOGIE
Vorm is doelgericht
Doel bepaalt wat de dingen zijn
A: Natuur is doelgericht
Darwin: natuur is NIET doelgericht
gaat enkel over onbedoelde effecten van voorafgaande evoluties verklaring: waardoor
reactie A: we zien evolutie niet, maar we zien slechts de herhaling van steeds hetzelfde en als dat het geval is dan kan toeval geen verklarende waarde hebben.
Er moet wel doelgerichtheid zijn.
DE ZIEL ALS VORM
ARTEFACTEN
o Doel = extern
o Door externe maker aan materie opgelegd ORGANISMEN
o Eigen doelmatigheid die met vorm gegeven is
bij levend wezen: de ziel
VORM EN MATERIE: HYLEMORFISME
Onderzoeken wat hier en nu gegeven is (als substantie met accidenten), zonder voorlopig de veranderlijkheid of beweging ter sprake te brengen.
Vorm is datgene wat de materie bepaaldheid verschaft
Er kunnen geen dingen bestaan zonder stof of vorm.
kunnen niet op zichzelf bestaan
Vorm wel op zichzelf kenbaar.
Kennis komt erop neer:
Wezensvorm te abstraheren vanuit de waargenomen constellatie van stof en vorm:
1. dematerialiseren (ontdoen van de kenmerken)
2. desindividualiseren (ontdoen van de individuele en accidentele kenmerken)
Kennis = kennis van de vorm
VERANDERLIJKHEID: ACT EN POTENTIE
Volmaakte vorm is in eerste instantie in de dingen aanwezig als streefdoel waarnaar de individuele substantie kan evolueren.
ACT
= elke bestaande substantie (combinatie van stof en vorm), een actuele toestand.
POTENTIE
= elke act draagt in zich de mogelijkheid om een bepaalde modificatie te ondergaan.
Entelechie
= volmaakte realisering van de vorm (bereiken van het doel)
het doel in zich dragen
ETHIEK
Menselijk geluk = de hoogst mogelijke actualisering van de hoogst mogelijke vermogens van de mens
WETEN DAT
Universele principes
In gelijke mate voor ied op dezelfde manier toegankelijk
WETEN HOE
Particuliere richtlijnen
Individu en situatiegebonden
Geen exacte kennis vereist
Ervaring vereist
DOEN (praxis)
Handeling die owv zichzelf wordt nagestreefd
geluk bij uitstek: dient geen ander doel dan zichzelf
deugd voor vereist: houdt het midden tussen te vermijden extremen
MAKEN (poisis)
Op extern doel gericht
Deugd
= voortreffelijkheid is een karakterhouding die ons in staat stelt een keuze te maken die het midden houdt met betrekking tot ons, een midden dat bepaald wordt door de rede, dat wil zeggen, zoals een verstandig mens dat zou bepalen.
Hoogste geluk = theoretische activiteit
HET GODDELIJKE
God = zuivere denkact
enkel volmaakt zijn als: ze het hoogst denkbare object denkt
God op zichzelf het denkende denken
Hoogste oorzaak van elke beweging
Doel dat alles naar zich toetrekt
god kan niet door een nog hogere oorzaak in beweging zijn gezet
= onbewogen beweger
God is eeuwige streefdoel van alles in de natuur => kan geen schepper zijn
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 10.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question