Maak een oefenexamen van de volgende tekst: 3.1 DE SYNTHESE VAN THOMAS VAN AQUINO (1225-1274)
Poging tot verzoening: aristotelische filosofie met de christelijke leer
Er kunnen geen 2 waarheden zijn!
REDE EN GELOOF
Geloof is GEEN weten
mensen geloven in de verrijzenis maar kunnen dit niet weten
Rede heeft rol in geloof o Articulatie geloof onmogelijk zonder redelijkheid o Rede kan nooit de tegengestelde positie definitief uitsluiten
Rede kan bepaald zaken aanreiken waarop geloof kan voorbouwen
voorbodes van het geloof (praeambula fidei)
IQM (id quo maius cogitari nequi) iets wat groter is en niet gedacht kan worden
men moet niet in god geloven om dit te doen
Idee waar de werkelijkheid aan beantwoord
Concept waar de werkelijkheid niet aan beantwoord
DE KENNIS (EPISTEMOLOGIE)
Er kan niets in het intellect aanwezig zijn dat niet eerst in de zintuigen is geweest o Het eigenlijke voorwerp van de menselijke geest de inzichtelijke vorm van de materile verschijnselen is.
o Geen kennis mogelijk tenzij op basis van waarneming
Mens uit zichzelf in staat tot kennis van de natuur:
Mogelijk om zonder goddelijke ingreep door te dringen tot kennis van de inzichtelijke vormen.
Mens beschikt over natuurlijk licht waarmee het zichzelf verlicht
nog voordat er zintuiglijke informatie binnenkomt heeft het verstand denk-principes die de basis vormen van elke denk-act.
eerste intelligibele dingen (prima intelligibilia)
DE UNIVERSALIA
Universalia debat o Bestaan universalia reel of slechts in geest?
o Als ze reel bestaan, zijn ze dan stoffelijk of onstoffelijk?
o Bestaan ze in de tastbare dingen of gescheiden ervan?
Universalia bestaan op 3 manieren o Als exemplaria (in gods geest)
o In de dingen ( als vorm gecombineerd met materie) o In het verstand (als geabstraheerde universele vorm)
GOD
Behoudt termen en definities van Aristoteles, maar vult ze zo in dat ze in overeenstemming zijn met de christelijke godsopvatting.
Idee schepping niet aanwezig, god kan geen schepper zijn.
ESSENTIE
Het wezen ( de aristotelische vorm)
Universeel begrip
EXISTENTIE
Rele (actuele) bestaan van dingen Zijnsact
Essentie gaat aan existentie vooraf!
Ontologische hirarchie:
o Substantie= essentie = existentie (ipsum esse subsistens)
GOD is het zijn zelf dat op zichzelf bestaat
Pure zijnsact en einddoel van alle geschapen werkelijkheid o Substantie= essentie + existentie (forma subsistens) = scheppen o Substantie= essentie + existentie + stof
God is causa finalis en causa efficiens
DE MENSELIJKE ZIEL
Ziel is als vorm gebonden aan het lichaam.
Denken overstijgt lichamelijkheid.
o Denken gericht op het onlichamelijke
o Denken kan onafhankelijk van het lichaam opereren
Ziel = specifiek wezen: als vorm aan het lichaam gebonden en toch tegelijk op zichzelf kan bestaan als substantie.
Ziel kan eeuwig voortbestaan
ZIEL ALS FORMA SUBSISTENS:
eigen essentie en existentie, los van het lichaam
ETHIEK
Onvolmaakte geluk vs volmaakte geluk
Ultieme doel = het goede o Alles wat u doet doet u omdat u denkt dat dit het goede is o Indien men iets onrechtvaardig doet dan is dit omdat men denkt dat het rechtvaardig is.
FACULTAS
Capaciteit, technische vaardigheid om een bepaalde handeling te stellen.
Bepaald theoretisch inzicht verwerven
USUS
Gebruik dat wij van die facultas maken
Praktische toepassing
Per definitie altijd moreel
Deugden :
1. Deugden van het verstand o Beschouwend verstand
- Inzicht (kennis principes)
- Weten (kennis conclusies) - Wijsheid (kennis hoogste principes)
o Praktische verstand
- Kunde (weten hoe iets te maken)
- Verstandigheid (weten hoe iets juist te doen)
2. Deugden van het streven o de wil: rechtvaardigheid o de zintuiglijke strevingen
- begeervermogen (concupiscibile): matigheid
- weerstreefvermogen (irascibile): dapperheid
3. Theologale deugden o Mbt het verstand: geloof (begrijpen van het laatste doel) o Mbt de wil:
- Liefde (beminnen laatste doel)
- Hoop ( vertrouwen in het bereiken van het laatste doel)
Kardinale deugden o Verstandigheid
o Matigheid - Nevengeschikt aan andere deugden o Dapperheid - Hebben elk eigen werkterrein o Rechtvaardigheid - Rechtvaardigheid: prominente rol
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 10.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question