Maak een oefenexamen van de volgende tekst: 4.5 FILOSOFIE ALS MAATSCHAPPELIJKE PRAKTIJK: KARL MARX (1818-1883)
Vervreemding als centraal uitganspunt
Mens gekenmerkt door gespletenheid tussen concrete bestaan en de boven hem geprojecteerde idee van de mens.
HISTORISCH MATERIALISME
Vervreemding: concrete mens vs de mens o Libert, galit, fraternit
Gaat niet noodzakelijk hand in hand.
Heeft ongelijkheid en onvrijheid doen ontstaan.
Oorzaak: historisch materialisme
Suprastructuur is ideologische weerspiegeling infrastructuur o Ideologische bovenbouw
Gaat terug op de onderbouw die socio-economisch is
Bewustzijn o Ideologische onderbouw
Productiekrachten + productieverhoudingen
Hoe is de economische sfeer georganiseerd?
Bovenbouw houdt onderbouw in stand (legitimering)
KRITIEK OP HEGEL
Model Hegel moet omgekeerd worden:
Onderbouw = voor Hegel vervreemding (rechtspraak, ethiek,..)
Hegel= louter begrippelijk, idealistisch o niet het bewustzijn bepaalt het leven, maar het leven (onderbouw) bepaalt het bewustzijn (bovenbouw)
o Vervreemding is niet verzoenbaar
Gevolg van objectieve geest o De mens is geen abstract idee
Niet deel van een schema o De mens is een arbeider
Klassenstrijd (proletariaat + bourgeoisie)
Subjectiviteit mens vs objectiviteit arbeid
Arbeid vs privbezit
Niet bezittende arbeiders vs niet- arbeidende bezitters
Marx zegt:
- H idee van vervreemding is naef
- Misvatting van de vervreemding te beschrijven in termen van objectivering.
- H denkt niet over de levende mens na, maar spreekt slechts over de mens als abstract idee.
Menselijke zelfvervreemding is terug te voeren tot een vervreemding in de arbeid en de arbeidsverhoudingen?
ARBEID
Mens is behoeftig wezen en fundamenteel arbeidend wezen.
Nood aan andere dingen dan zichzelf
Mensen gaan meer behoeftes ontdekken
nieuwe behoeften arbeidsindeling
Zorgt voor 1e moment van vervreemding o Handen vs verstandsarbeid
Zelf maken of nadenken plannen
(de planner is de baas van die met handenarbeid) o Meesters vs knechten
Privbezit
Verschuiving van bezit: behoort toe tot de meester
Die bezit het goed maar arbeid niet => kapitaal
(met bezit meer bezit genereren, niet om eigen behoeften te voorzien) o Uitbuiting
o Meerwaarde wordt winst
Vervreemding religie als opium van het volk o Geen band meer tussen product en de maker
o Geen trots want niet meer zelf gemaakt (bv. In fabriek werken)
o Proletariaat van de kapitalist: hoe beter de arbeider werkt, hoe armer deze arbeider zal worden (meer productie maar loon berekent op de basis van de levensduurte)
ARBEIDSDELING, PRIVE-BEZIT EN UITBUITING
Arbeidsverdeling aan de basis van de menselijke zelfvervreemding.
o Door deze verdeling is de mens zich op bepaalde deelaspecten van zijn zelfrealisatie gaan concentreren.
Priv bezit o Splitsing meesters en knechten o Strijd macht en bezit o Gevolg: uitbuiting
Arbeider krijgt loon dat hij niet zelf kan bepalen.
La proprit, cest le vol
ZELF-VERVREEMDING
Mens voelt zich niet langer thuis in deze wereld:
Gaat betere wereld fantaseren in de religie projecteerden machtelozen hun reel ervaren onmacht in een religieuze verhouding tot een almachtig goddelijk wezen.
Kapitalist zelf is vervreemd geraakt o Bovendien overgeleverd aan machten die hij niet zelf beheerst
KLASSENSTRIJD
Historisch proces
Nieuwe, dialectische fase = revolutie
(these + antithese = synthese) o Collectivisering productiemiddelen (alles opnieuw van iedereen) o Klasseloze maatschappij
o Einde van de geschiedenis (ook einde politiek)
Filosofie als maatschappelijke praktijk Zal uitmonden in klassenloze maatschappij
FILOSOFIE ALS MAATSCHAPPELIJKE PRAKTIJK
Marx begeeft zich in utopie
Filosoof moet actief zijn men moet de wereld veranderen
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 10.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question