Studybot answer

Ask a question ›
 
Question asked by: elenavc - 2 years ago

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Samenvatting
Inleiding in het Nederlandse recht

Hoofdstuk 1 recht in het algemeen
1 Inleiding
Eerste functie: het doel van het recht is het gedrag van mensen in hun onderlinge verkeer te ordenen en te uniformeren, waarbij vanuit een perspectief van een rechtvaardige samenleving ieders belangen zo veel mogelijk worden gerespecteerd en veiliggesteld.

Tweede functie: die uit de eerste functie volgt. De regels moeten worden gehandhaafd, dat wil zeggen dat er toezicht wordt uitgeoefend op de niet-naleving ervan en dat conflicten daarover aan een rechter kunnen worden voorgelegd.

Het recht kent daarom veel regels die betrekking hebben op het beslechten van deze geschillen.

Samenvattend: het recht ordent menselijk gedrag door het stellen van regels. Daarnaast zorgt het recht dat die regels worden gehandhaafd door geschilbeslechting.

2 de rechtsbronnen
Onder de term recht verstaan we het geheel van geldende rechtsregels. We gebruiken daarvoor de term positief recht. Synoniem met de term positief recht is de term objectief recht. In Nederland bestaat het positieve recht uit de optelsom van alle rechtsregels die hier op dit moment gelden.

Het positieve (of objectieve) recht betreft dus alle nu in Nederland geldende rechtsregels.

De rechtsregels van het objectieve recht ordenen de verhouding tussen personen door aan hen bevoegdheden en verplichtingen toe te kennen.

Subjectief recht: daaronder verstaan we de bevoegdheid die iemand in een concreet geval aan een regel van objectief recht ontleent. Individueel.

Het woord recht heeft dus twee betekenissen: algemene regel(s) en individuele bevoegdheid. De Engelse taal is hier veel duidelijker, want zij kent twee aparte woorden voor de beide betekenissen van recht: law (algemene regel objectief recht) en right (individuele bevoegdheid subjectief recht).

Rechtsbronnen zijn de bronnen waaruit geldend recht als het ware voortvloeit. Bij de rechtsbronnen gaat het om de vorm waarin rechtsregels zich voordoen, en niet om de inhoud van de regels.

In het Nederlandse recht worden tegenwoordig als rechtsbron beschouwd:
1. De wet;
2. De jurisprudentie (de rechtsspraak);
3. De gewoonte;
4. Verdragen en sommige besluiten van internationale organisaties;
5. Algemene rechtsbeginselen;
6. Gepubliceerde beleidsregels.

Zie blz. 6


3 nationaal en internationaal recht
Binnen zijn grondgebied bepaalt ieder land de omvang en inhoud van zijn nationale rechtsstelsel. Het staat ieder land in beginsel vrij in zijn wetgeving te regelen wat het nodig acht, en te bepalen welke bevoegdheden aan het bestuur en de rechterlijke macht toekomen. Dit verschijnsel wordt soevereiniteit genoemd. Soevereiniteit geldt zowel naar buiten als naar binnen. Soevereine staten oefenen hun overheidsmacht in volledige onafhankelijkheid uit. Zij dulden daarbij geen inmenging van andere staten.

Het deel van het internationaal recht dat rechtsregels bevat over het verkeer tussen staten onderling en het verkeer tussen staten en Internationale organisaties, wordt het volkenrecht of het internationaal publiekrecht genoemd.

Een verdrag kan worden omschreven als een schriftelijke, bindende regeling tussen staten onderling of tussen staten en internationale organisaties.

Een belangrijk voorbeeld van een rechtstreeks werkend verdrag is het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (afgekort als EVRM). Het EVRM bevat een aantal grondrechten die in Nederland zonder meer gelden. Voorbeelden zijn het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM).

Raad van Europa blz. 8

Het incorporatiesysteem: rechtsregels uit een verdrag kunnen deel uitmaken van het nationale recht zonder dat eerst omzetting in nationaal recht nodig is.

Art. 94 Grondwet, daarin is bepaald dat een regel of besluit van internationale herkomst voorrang heeft boven de nationale regel.

Conclusie. Door de werking van het incorporatiesysteem van art. 93 Grondwet en de voorrangsregel van art. 94 Grondwet die op dat systeem berust, neemt het internationaal recht een dominante plaats in binnen de Nederlandse rechtsorde.

4 materieel en formeel recht
Regels die betrekking hebben op de rechten en plichten van personen in hun onderlinge verkeer, worden regels van materieel recht genoemd. Zij zijn op de inhoud gericht. Regels over de wijze van procederen bij de rechter worden regels van formeel recht genoemd. Pas als er moeilijkheden ontstaan, komt het procesrecht in beeld. Als gezegd kennen we dus handhaving van het recht op terreinen van het strafrecht, het bestuursrecht en het burgerlijk recht. Het procesrecht op elk van deze drie gebieden heeft een eigen structuur, eigen rechters en eigen regels van procesrecht.

5 de rechtsgebieden
1. Het staatsrecht
- Het staatsrecht bevat de regels die betrekking hebben op de organisatie van de staat en zijn organen en op de bevoegdheden van die organen.
- Het wettelijk fundament van het staatsrecht wordt gevormd door de Grondwet. Zij bevat een summiere, geschreven regeling met daarin een aantal hoofdlijnen van de organisatie van onze staat.
- De grondrechten vormen een bijzondere categorie rechten die berusten op de gedachte dat de mens meer is dan alleen onderdaan van een staat en dat de overheid dat meerdere heeft te eerbiedigen.
- Op een aantal essentile levensgebieden moet de mens autonoom en in vrijheid kunnen leven zonder dat de staat zich daarmee bemoeit. Tegen een eventuele inmenging op die gebieden door de staat bieden de grondrechten bescherming.
- Het grootste deel van de Grondwet is gewijd aan de inrichting van de staat en de bevoegdheden van de belangrijkste overheidsorganen.
- Op een aantal plaatsen in de Grondwet wordt aangegeven dat over een bepaald onderwerp nadere regels moeten worden gemaakt in een wet. Een wet die een uitwerking bevat van zon bepaling in de Grondwet wordt een organieke wet genoemd.

2. Het bestuursrecht
- Het bestuursrecht heeft de juridische bestuursactiviteit van de overheid tot onderwerp.
- De belangrijkste wettelijke regeling van het bestuursrecht is de Algemene wet bestuursrecht (afgekort als Awb)
- In het bestuursrecht staat de rechtsverhouding tussen overheid en burger centraal. Deze relatie komt voor een groot deel tot uiting in de zogenoemde beschikking. Onder een beschikking wordt verstaan; een besluit van een bestuursorgaan in een individueel geval.
- In tegenstelling tot wettelijke regels zijn beschikkingen overheidsbesluiten die slecht gelden voor n persoon; deze wordt in de beschikking dan ook bij naam genoemd. De inhoud van een beschikking kan heel verschillend zijn.
- Beschikkingen zijn alleen rechtsgeldig als ze in overeenstemming zijn met (onder meer) de wet en met de zogenoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbbs).
- In het formele bestuursrecht het bestuursprocesrecht is geregeld dat de burger tegen een beschikking bezwaar kan maken bij het bestuursorgaan dat de beschikking uitvaardigde.

3. Het strafrecht
- Kenmerkend voor het strafrecht is dat het bepaalde gedragingen bedreigd met straf.
- Het materile strafrecht geeft aan welke gedragingen strafbaar zijn, wie de dader is en welke straffen voor het plegen van strafbare feiten kunnen worden opgelegd.
- Het formele strafrecht of strafprocesrecht bevat voorschriften omtrent de gang van zaken bij de opsporing van strafbare feiten, het onderzoek ter terechtzitting en de tenuitvoerlegging van de straf.
- Een in de wet met straf bedreigde gedraging heet een strafbaar feit.
- Het vervolgen en berechten van strafbare feiten is bij uitsluiting opgedragen aan de overheid. De bevoegdheid om tot strafrechtelijke vervolging van een strafbaar feit over te gaan is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie.
4. Het burgerlijk recht
- Het burgerlijk recht of privaatrecht heeft de juridische betrekkingen tussen personen onderling tot onderwerp.
- In het materile privaatrecht kan men twee hoofdgroepen van relaties onderscheiden: regels betreffende de persoon en regels betreffende het vermogen van een persoon.
- Personen- en familierecht, rechtspersonenrecht en vermogensrecht (blz. 15).

5. Het arbeidsrecht
- Het arbeidsrecht wordt omschreven als het geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op de arbeidsverhouding van personen die in de loondienst werkzaam zijn.
- In de vorige eeuw is als onderdeel van het arbeidsrecht geleidelijk het collectief arbeidsrecht ontstaan. Daarin wordt de rechtspositie geregeld van groepen werkgevers en werknemers in het sociaal overleg.



6 publiekrecht en privaatrecht
Publiekrecht omvat het staatsrecht, het bestuursrecht, het strafrecht en het internationaal publiekrecht en betreft de regels over de inrichting van de Staat, de bevoegdheden van zijn organen en de uitvoering van exclusief aan de overheid opgedragen taken.

Privaatrecht, dit heeft onderlinge betrekkingen tussen personen tot onderwerp.

Volgens sommige rechtsgeleerden zit het beslissende criterium voor het onderscheid tussen publiek- en privaatrecht in het verschil in de belangen die worden beschermd, verschil in rechtsverhouding of het verticaalhorizontaal is.
- Publiekrecht is verticaal en privaatrecht is horizontaal.

Het publiekrecht gaat kort gezegd over de inrichting van de overheid (het staatsrecht) en de wijze waarop exclusief aan de overheid toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend naar de burger toe (het bestuursrecht en het strafrecht). Het privaatrecht daarentegen is gebaseerd op een in beginsel gelijkwaardige rechtsverhouding tussen personen.

Schema publiekrecht en privaat recht op blz. 18.

7 andere indelingen van het recht
Het geschreven recht is het recht dat in wetten en verdragen is vastgelegd. Gepubliceerde beleidsregels worden eveneens gerekend tot het geschreven recht.

Het gewoonterecht en algemene rechtsbeginselen behoren daarentegen tot het ongeschreven recht. Daartoe wordt traditioneel ook de rechtspraak of jurisprudentie gerekend.

Precedentwerking (zie blz. 19)

Hoofdstuk 2 recht en staat
1 verdeling van overheidsmacht: de Trias Politica
Voor de bescherming van zijn vrijheid is het individu aangewezen op de staat. Tegelijkertijd kan de staat een bedreiging voor die vrijheid vormen, want de staat heeft in tal van opzichten macht over de burger.

Oplossing: Trias Politica, en is afkomstig van de Franse denker en rechter Montesquieu (1689-1755).

Als alle staatsmacht in n hand of bij een kleine groep machthebbers zou berusten, vormt de staat een regelrechte bedreiging voor de vrijheid van de burger.
Dan is er sprake van machtsconcentratie en moet voor tirannie gevreesd worden. Machtsconcentratie leidt tot machtsmisbruik.

Om deze gevaren te keren is het volgens Montesquieu beter om binnen de staatsmacht onderscheid te maken tussen de verschillende taken van de staat en deze vervolgens te verdelen over verschillende organen.

De leer van de machtenscheiding

De leer van de machtenscheiding komt op het volgende neer:
1. De staatsmacht moet worden verdeeld over drie machten: een wetgevende macht, een uitvoerende macht en een rechtsprekende macht. Elk van deze machten oefent een aparte overheidstaak uit.
2. Er dienen dus drie organen te zijn: een wetgevend orgaan, een uitvoerend orgaan (bestuursorgaan) en een rechtsprekend orgaan.
3. Elk orgaan wordt belast met niet meer dan alleen zijn eigen taak of functie: f wetgeving, f bestuur f rechtspraak. In verschillende organen mag niet tegelijkertijd dezelfde persoon zitten.

Door een staat op deze manier in te richten wordt volgens Montesquieu machtsmisbruik voorkomen en is de vrijheid van de burger het best gewaarborgd.

Volgens de leer van Montesquieu zijn alleen een scheiding en spreiding van macht onvoldoende voor het goed functioneren van een staat.

Tweede mechanisme om machtsmisbruik te voorkomen: er hoort in het staatsbestel een systeem te zijn van checks en balances. Bij checks gaat het om het houden van toezicht van het ene orgaan op het andere, terwijl met balances is bedoeld dat er tussen de staatsorganen onderling een zeker machtsevenwicht is waarbij bevoegdheden gelijkelijk worden gedeeld.

Volgens Montesquieu moet de rechtspraak worden toevertrouwd aan een rechtsprekende macht die volledig onafhankelijk is van de andere staatsorganen en waarvan de leden onafzetbaar zijn.

In de visie van Montesquieu is de taak van de rechter heel beperkt. Bij een strikt doorgevoerde machtenscheiding mag de rechter niet meer dan de wetten precies toepassen. Hij is slechts spreekbuis van de wet.

Montesquieu beperkt de taak van de rechter dus tot het nederig naprevelen van de van de woord van de almachtige wet. In zijn ogen behoort de wet verreweg de belangrijkste rechtsbron te zijn.

Het legisme houdt in dat het gehele (positieve) recht uitsluitend door de wetgever wordt geschapen. De wet is dan de enige rechtsbron.

Rousseau > zie blz. 27

Als gezegd houdt het legistisch ideaal in dat al het recht in de wet zou moeten worden vastgelegd. Dat gebeurt in die tijd zowel in Frankrijk als in Nederland tot dan toe nauwelijks. In de loop van de negentiende eeuw ontstaat de behoefte om het recht geleidelijk aan zo veel mogelijk in wetgeving op te nemen, te codificeren. (Codificatiegedachte).
- Codificatiegedachte: het recht moet op systematische wijze in wetboeken worden opgenomen.

De leer van de machtenscheiding heeft grote invloed gehad bij het ontstaan van de grondwetgeving in verschillende landen van de achttiende- en negentiende-eeuwse wereld.










2 de trias politica in Nederland
In Nederland is destijds bij de verdeling van de drie functies wetgeving, uitvoering (bestuur)ven rechtspraak over de drie staatsorganen een strikte scheiding van organen en functies niet beoogd.

1. De wetgevende macht
- In Nederland is de wetgevende macht opgedragen aan de regering en de Staten-Generaal tezamen. Art. 81 Grondwet.
- De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk en bestaan uit de Tweede en Eerste Kamer.
- Overigens worden de Staten-Generaal ook aangeduid met de term parlement.
- Daarnaast bezit de regering een zelfstandige bevoegdheid om wetgeving te maken. Daarbij is de rol van de Staten-Generaal niet meer dan een controleerde.

2. De uitvoerende macht
- De uitvoerende macht berust in Nederland bij de regering. Deze bestuurt het land.
- De regering wordt gevormd door de koning en de ministers.
- De regering vormt de hirarchische top van een zeer omvangrijk bestuursapparaat.
- De regering is binnen de wettelijke kaders op zich vrij in het bepalen van het beleid. Staten-Generaal oefenen daarop achteraf toezicht uit, zoals we nog zullen zien.
- Als de regering een besluit neemt, heet zon besluit altijd koninklijk besluit (afgekort als KB).
- De inhoud van koninklijk besluiten is echter heel verschillend. Dit hangt af van de vraag of de regering de bestuurlijke dan wel de wetgevende bevoegdheid uitoefent.
- Als de regering zijn bestuurlijke bevoegdheid gebruikt, leidt dat gewoonlijk tot een beschikking. Een beschikking is een rechtsvaststelling ten aanzien van een individuele persoon.
- De regering ontwikkelt op tal van terreinen beleid. Denk aan onderwijs, cultuur, milieu en defensie. Vaak wordt beleid uiteindelijk vastgelegd in wetgeving. In tal van wetten is aan de regering (en soms ook aan ministers) de bevoegdheid verleend om binnen het kader van een wet zelfstandig nadere regels te maken. Als de regering dat doet, dan gebeurt dit in een koninklijk besluit. In de regel wordt daarbij advies van de Raad van State ingewonnen (art. 72 lid 1 Grondwet). In dat geval noemen we zon koninklijk besluit een algemene maatregel van bestuur (afgekort als AMvB). De regering maakt dus AMvBs.
Samenvattend. Ieder besluit van de regering heeft altijd de verschijningsvorm van een koninklijk besluit (KB). De inhoud van een KB betreft bestuur f wetgeving. Als de inhoud van een KB uit wetgeving bestaat, is bij totstandkoming ervan in de regel advies van de Raad van State ingewonnen. In dat geval wordt het besluit een AMvB genoemd.

3. De rechtsprekende macht
- In de leer van de Trias Politica hoort de rechtspraak thuis in een aparte macht: de rechtsprekende macht.
- De belangrijkste taak van de rechterlijke macht is de beslechting van geschillen op basis van algemene regels, zoals deze zijn vastgelegd in de wetgeving.
- In sommige gevallen wordt de rechter ingeschakeld om voor een burger iets vast te stellen zonder dat er sprake is van een geschil. De uitspraak van de rechter heet in zon geval vaak beschikking in plaats van vonnis of arrest.
- De onafhankelijkheid van de rechter is van belang, omdat aan hem een oordeel kan worden gevraagd over de rechtmatigheid van daden van wetgeving of van bestuur.
- De rechter is niet bevoegd om zelf wetgeving te maken.
- In deze bepaling is een strikte toepassing van Trias Politica zichtbaar: alleen de wetgever mag wetten maken, niet de rechter. (Zie blz. 32). Art. 12 zie wetsartikel.
- Hoge Raad (zie blz. 33).
- Weliswaar kan de rechter in de hem voorgelegde gevallen (een zekere) controle uitoefenen over daden van wetgeving en bestuur. Rechterlijke controle is wezenlijk iets anders dan het maken van algemeen verbindende voorschriften.

3 Nederland: een democratische rechtsstaat
Nederland is een democratische rechtsstaat.

1. Democratie
- Nederland is een democratie.
- Belangrijkste kenmerk van een democratie is dat aan de bevolking volledige zeggenschap toekomt over de overheid. Kort en krachtig: in een democratie regeert het volk.
- Representatieve democratie.
- Nederland kent sinds 1917 het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging. (Zie blz. 35).
- In een democratie als onze die gebaseerd is op een stelsel van vertegenwoordiging is de belangrijkste bestaansvoorwaarde dat burgers de bevoegdheid hebben om zelf hun vertegenwoordigers te kiezen in de belangrijkste staatsorganen. De burgers hebben dus kiesrecht.
- Actief kiesrecht: dat is het recht om leden van de vertegenwoordigende organen te kiezen.
- Passief kiesrecht: dat is het recht om in zon orgaan te worden gekozen.
- In art. 4 Grondwet is het actief en passief kiesrecht voorbehouden aan Nederlanders.
- In art. 130 Grondwet is bepaald dat ingezetenen die geen Nederlander zijn, kunnen deelnemen aan de verkiezingen voor de gemeenteraad.
- De zeggenschap van de burger vindt op landelijk niveau plaats in het parlement. Een andere term voor parlement is de Staten-Generaal.
- Eerste Kamer zitting: zij woorden niet rechtstreeks gekozen, maar via de leden van de provinciale staten. We noemen dit getrapte verkiezingen, omdat de leden van de Eerste Kamer niet rechtstreeks door de kiezer worden verkozen, maar door de leden van de twaalf provinciale staten.
- We noemen onze monarchie een constitutionele monarchie: in ons staatsbestel is de plaats van de koning omschreven en vastgelegd in de Grondwet (de constitutie). Zijn positie is daarmee ook begrensd.
2. Rechtsstaat
- De Nederlandse democratie is verankerd in de rechtsstaat. Bij het beginsel van de rechtsstaat staat de bescherming van het individu centraal.
- Om het individu te beschermen, is in de loop van de tijd de rechtsstaat ontwikkeld. In de rechtsstaat regeert het recht. De overheid is daaraan onderworpen en is verplicht zich aan het recht te houden.
- Zie voorbeeld blz. 37
- De verplichting van de overheid om zich aan zijn eigen rechtsregels te houden, heeft gevolgen voor het geval dat de overheid dat niet doet en daardoor meestal een of meer rechten van de burger schendt.
- De overheid is dus aan haar eigen rechtsregels gebonden.
- Zo moet een besluit zorgvuldig worden genomen door alle in aanmerking komende belagen af te wegen (zorgvuldigheidsbeginsel), en mag het overheidsorgaan opgewekte verwachtingen niet beschamen (vertrouwensbeginsel).
- Voorbeelden van dergelijke algemene beginselen zijn het bevorderen van een eerlijk proces en het binnen een redelijke termijn afhandelen van een rechtszaak.
- Tot het beginsel van de rechtsstaat behoort ook het legaliteitsbeginsel. Dit houdt in dat elk overheidsoptreden moet berusten op een algemene regel. Deze moet op zijn beurt uiteindelijk direct of indirect te herleiden zijn tot de Grondwet.
Samenvattend. De overheid is bij haar taakuitoefening gebonden aan haar eigen rechtsregels. Dit is het beginsel van de rechtsstaat en een wezenlijk kenmerk van de democratie.

3. Parlementair stelsel
- Onder de democratische rechtsstaat valt ook het parlementair stelsel. Dit gaat over de verhouding tussen de regering en het parlement. De kern van het parlementair stelsel is de zogeheten vertrouwensregel. Deze houdt in dat de regering het vertrouwen moet hebben van het parlement om te kunnen regeren.
- Beginsel van de ministerile verantwoordelijkheid. Art. 42 Grondwet (zie blz. 39). De Koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk.
- In de Grondwet van 1848 werd vastgelegd dat de ministers politiek verantwoording schuldig waren aan het parlement. Zij werden politiek aansprakelijk voor hun daden en voor die van de koning.
- Bij een conflict tussen Tweede Kamer en regering kan de regering aan het bewind blijven, de Kamer ontbinden en nieuwe verkiezingen uitschrijven. Indien echter na de verkiezingen de nieuwe Kamer opnieuw haar afkeuring uitspreekt over het regeringsbeleid of een onderdeel daarvan, kan de regering de Kamer vanwege het conflict niet nogmaals ontbinden. Zij is dan verplicht om af te treden. Dit betekent dat de regering voor haar voortbestaan is aangewezen op het vertrouwen van een Kamermeerderheid. Dit heet de vertrouwensregel.
- Geleidelijk aan is namelijk de volgende ongeschreven regel ontstaan: bij fundamentele onenigheid met de Kamer biedt het kabinet zijn ontslag aan bij het staatshoofd, het staatshoofd houdt dat in beraad en beslist daarover pas na het aantreden van een nieuw kabinet.
- Kabinetsformatie (zie blz. 41). Uitgangspunt bij elke kabinetsformatie is dat een regering moet worden gevormd die tijdens haar bestaan kan rekenen op de steun van een meerderheid van de Tweede Kamer. Een kabinet dat aantreedt zal altijd het vertrouwen van een Kamermeerderheid moeten hebben. Om te bevorderen dat die Kamermeerderheid blijft bestaan tijdens de regeerperiode van het nieuwe kabinet, worden tijdens de kabinetsformatie tussen de partijen die het kabinet zullen steunen, zogenoemde regeerakkoorden gesloten.
- Ministerile verantwoordelijkheid is in 1848 in de Grondwet opgenomen. Bij deze grondwetswijziging werden aan de beide Kamers twee rechten toegekend: het recht van interpellatie en het recht van enqute.
- Het recht van interpellatie houdt in dat de leden van elk van beide Kamers aan ministers (of staatssecretarissen) mondeling of schriftelijk kunnen vragen om inlichtingen.
- Overigens kan de minister weigeren inlichtingen te verschaffen indien het verschaffen hiervan in strijd is met het belang van de staat.
- Voor het verkrijgen van informatie van de zijde van de regering biedt het vragenrecht een eenvoudiger vorm dan uitoefening van het recht van interpellatie.
- Recht van enqute. Een tweede belangrijk instrument dat de Kamers in verband met de ministerile verantwoordelijkheid ter beschikking staat, is het recht van enqute (onderzoek).






4 grondrechten
De meest fundamentele rechten in onze democratische rechtsstaat worden gevormd door de grondrechten.

De grondrechten (of mensenrechten) worden fundamenteel genoemd, omdat ze de staatsmacht beperken ter wille van de menselijke vrijheid en waardigheid.

Verder zijn grondrechten onvervreemdbare rechten.

In het Nederlandse recht zijn de grondrechten vastgelegd in hoofdstuk 1 van de Grondwet.

Daarnaast gelden hier te lande ook grondrechten van internationale herkomst, omdat Nederland bij een aantal mensenrechtenverdragen is aangesloten. We noemen daarvan de voornaamste:
- EVRM: belangrijkste mensenrechtenverdrag in Nederland is het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
- IVBPR of BUPO-verdrag (IVESCR)
- ESH
- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Zie blz. 45

Voor het EVRM is kenmerkend dat de erin genoemde grondrechten in Nederland merendeels een ieder verbindende bepalingen in de zin van art. 94 Grondwet zijn.

De grondrechten zijn aanzienlijk in aantal. Ze worden op verschillende manieren ingedeeld: klassieke en sociale grondrechten.

1. Klassieke grondrechten
- Andere denkers over de staat en vrijheid van het individu zijn onder meer geweest John Locke (1632-1704) en eerder in dit hoofdstuk genoemde Jean-Jacques Rousseau (1712-1778).
- Typerend voor het denken van Locke is de volgende redenering. De mens heeft in de maatschappij behoefte aan ordening, veiligheid en rust. > wetgeving en rechtspraak (zie blz. 46).
- Hij ontvangt van de staat veiligheid en bescherming. Maar daarnaast heeft de mens een aantal onvervreemdbare rechten: de grondrechten. Locke spreekt hier van drie rechten: life, liberty and property.
- De grondrechten op leven, vrijheid en eigendom worden de klassieke grondrechten genoemd, omdat de meeste ervan al eeuwen zijn erkend en in diverse eerste constituties zijn opgenomen.
- Wezenlijk voor de klassieke grondrechten is dat ze garanties bieden tegen inbreuken van de overheid.
- De meeste klassieke grondrechten gelden niet onbeperkt. (Zie blz. 46).
- De klassieke grondrechten kunnen als volgt worden ingedeeld:
1. De vrijheidsrechten betreffen essentile aspecten van het menselijk bestaan waarmee de overheid zich in beginsel niet heeft te bemoeien.
2. De politiek rechten betreffen de vrije uitoefening van de democratische bevoegdheden van de burgers. Bij de politieke grondrechten gaat het om de actieve deelname van de burgers aan de democratie.
3. De gelijkheidsrechten verbieden aan de overheid het maken van onderscheid tussen burgers op tal van terreinen.


Ter illustratie van de klassieke grondrechten bespreken we nu een tweetal vrijheidsrechten:

Eerste voorbeeld:
- Een eerste punt inzake de vrijheid van meningsuiting is het verbod aan de overheid om ten aanzien van geschriften censuur te plegen.
- Drukpers blz. 48
- De overheid is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad verplicht het gebruik van bepaalde (nieuwe) middelen van openbaarmaking toe te staan.

Tweede voorbeeld van een klassiek grondrecht bespreken we in het kort het huisrecht, art. 12 Grondwet.
- Art. 12 Grondwet. Daarin is strafbaar gesteld degene die een woning tegen de wil van de bewoner binnendringt. Het ligt voor de hand dat de politie bevoegd moet zijn om een woning te betreden.
- In de leden 2 en 3 van art. 12 Grondwet worden drie algemene eisen gesteld aan het binnentreden van een woning door de overheid: de ambtenaar moet zich voorafgaand legitimeren, hij moet een mededeling doen van het doel van het binnentreden en hij moet nadien aan de bewoner schriftelijk verslag van het binnentreden uitbrengen.
- Beroep op de rechter doen als de overheid bij welke gedraging dan ook ongeoorloofd een inbreuk maakt op een grondrecht. Bescherming bij de rechter betreft klassieke grondrechten van zowel nationale als internationale oorsprong en vindt zowel bij Nederlandse als bij internationale gerechten plaats.

Relatie tussen overheid en burger is verticale verhouding en relatie tussen burgers onderling is een horizontale werking.

2. Sociale grondrechten
- Naast de klassieke grondrechten bevat onze Grondwet een aantal sociale grondrechten. In art. 18 lid 2 t/m art. 23 lid 1 Grondwet.
- De sociale grondrechten zijn voorwerp van zorg der overheid. Art 19 e.v. Grondwet.
- De sociale grondrechten uit de Grondwet leggen aan de overheid algemeen geformuleerde beleidsverplichtingen op. Bij sociale grondrechten wordt van de overheid geist om actief zorg te dragen voor de verwezenlijking van deze rechten, meestal door het ter beschikking stellen van geld.
- Daarmee is het recht op onderwijs behalve een sociaal grondrecht ook een klassiek vrijheidsrecht. Zie blz. 52.
- Verschil tussen de klassieke en de sociale grondrechten: sociale grondrechten leggen aan de overheid de plicht om zich zo veel mogelijk in te spannen om deze grondrechten te verwezenlijken door het treffen van voorzieningen, terwijl bij klassieke grondrechten de overheid zich nu juist van actief ingrijpen dient te houden.
- Ander verschil is: sociale grondrechten zijn niet meer dan instructienormen voor de overheid. Dus je kan niet bij de rechter terecht. Dat is anders bij de klassieke grondrechten. Daar heeft de rechter wel een taak.
o Als de overheid verondersteld wordt in gebreke te blijven bij de verwezenlijking van een sociaal grondrecht, dan kan de rechter dat niet toetsen. De rechter kan wel controleren of er sprake is van een inbreuk op een klassiek grondrecht.






5 decentralisatie
Het staatsrecht kent echter nog een tweede vorm van spreiding van macht, namelijk die over de centrale overheid en de lagere overheden. Deze spreiding van macht over verschillende niveaus (Rijk, provincie, gemeente en waterschap) wordt decentralisatie genoemd en voorkomt dat in ons land alle wetgeving uitsluitend afkomstig is van regering en Staten-Generaal tezamen en dat alle bestuur uitsluitend door de regering geschiedt.

Het staatsrecht kent twee vormen van decentralisatie. We spreken van territoriale en functionele decentralisatie:
1. Territoriale decentralisatie:
- Is spreiding van macht over bepaalde gebieden.
- De macht is toegekend aan lagere overheden. Zij hebben bepaalde bevoegdheden die zij uitoefenen binnen een bepaald grondgebied, zoals provincies en gemeenten.
- Voor wat betreft de gemeenten is de gemeenteraad bevoegd tot het maken van wetgeving (de gemeentelijke verordeningen).
2. Functionele decentralisatie:
- Betekent dat aan publiekrechtelijke lichamen wetgevende en bestuurlijke bevoegdheden zijn toegekend met het oog op het verwezenlijken van specifieke doelstelling.
- Waterschappen: specifiek maatschappelijk doel is het beheer van de waterhuishouding.

Gemeenten en provincies kunnen hun bevoegdheden op het terrein van wetgeving en bestuur binnen twee verschillende kaders uitoefenen.
1. Autonomie
- Van autonomie is sprake als gemeenten en provincies de bevoegdheid hebben om zelfstandig bepaalde gelegenheden te regelen en te besturen.
- Zoveel is zeker dat gemeenten en provincies bevoegd zijn om de zaken die zich op hun werkgebied kunnen voordoen, op eigen gezag en naar eigen inzicht wettelijk of bestuurlijk te regelen.
2. Medebewind
- Bij medebewind moeten gemeenten en provincies op grond van de wet meewerken aan de verwerkelijking van hetgeen op centraal niveau al is geregeld of besloten.

Hoofdstuk 3 de wetgeving
1 de wet als rechtsbron
De voornaamste bron van het positieve recht is de wet. Een wet bevat vrijwel altijd algemeen verbindende voorschriften.
- De inhoud van algemeen verbindende voorschriften bestaat meestal uit rechten en plichten voor een bepaald geval.

De tegenpool van algemeen verbindend voorschrift (dat in beginsel voor iedereen geldt) is de beschikking. Dit is een overheidsbesluit dat gericht is op een individueel geval.

1. Wetten in materile zin en wetten in formele zin
- De term wet kan in twee betekenissen worden gebruikt.
a. Wet als naam voor een algemeen verbindend voorschrift, ongeacht van welk orgaan de wet afkomstig is.
b. Wet als naam voor een besluit van regering en Staten-Generaal tezamen.

Bij a gaat het om de inhoud en bij b gaat het om van wie het besluit afkomstig is.

Bij het begrip wetten in materile zin letten we alleen op de inhoud van het overheidsbesluit: als de inhoud van dat besluit bestaat uit algemeen verbindende voorschriften is het een wet in materile zin.

Bij het begrip wet in formele zin letten we niet op de inhoud, maar uitsluitend op de herkomst van het besluit: alleen besluiten van regering en Staten-Generaal tezamen noemen we een wet in formele zin.

Een wet kan ook een wet in materile zin zijn tevens een wet in formele zin.
Voorbeeld: het Wetboek van Strafrecht is een wet in formele zin, want het is afkomstig van regering en Staten-Generaal tezamen, maar tegelijk ook een wet in materile zin, want het bevat algemeen verbindende voorschriften.

Draagt een besluit in de titel de term wet, dan gaat het vrijwel zonder uitzondering om een wet in formele zin.

Uit de titel kan worden afgeleid om welk type wetgeving het dan wel gaat:
- Algemeen verbindende voorschriften van de regering worden AMvBs genoemd. De term: reglement of besluit.
- Als een minister een algemeen verbindend voorschrift maakt, heet dat een ministerile regeling.
De term: regeling.
- Algemeen verbindende voorschriften die afkomstig zijn van gedecentraliseerde wetgevers:
De term: verordening.

Schema op blz. 64
1. De Grondwet
Organieke wetten: deze wetten die in de Grondwet zijn voorgeschreven en die van belang zijn voor de inrichting van de staat.

Herziening van de Grondwet is geregeld in art. 137 e.v. Grondwet.
a. Eerste lezing:
- Eerst wordt bij een gewone wet in formele zin vastgesteld welke wijzigingen de nieuwe Grondwet dient te ondergaan.

b. Tweede lezing:
- Volgt pas nadat er na de verkiezingen een nieuwe Tweede Kamer is aangetreden.
- Het voorstel voor de nieuwe Grondwet kan slechts worden aangenomen als zowel die nieuwe Tweede Kamer als de Eerste Kamer het voorstel met ten minste een twee derde meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen aanneemt.

2. Wetten in formele zin
We bespreken nu de procedure die wordt doorgelopen bij de totstandkoming van wetten in formele zin. Zie blz. 68
1. Een wetsvoorstel art. 82 Grondwet. Afkomstig van de regering.
- Andere mogelijkheid is dat een wetsvoorstel afkomstig is van een of meer leden van de Tweede Kamer. Dit wordt het recht van initiatief genoemd.
2. Na indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer moet het vervolgens eerst naar de Raad van State. Deze voorziet het voorstel van een openbaar advies. Art. 73 lid 1 Grondwet.
3. Nadat de Raad van State het wetsvoorstel van een advies heeft voorzien, wordt het ingediend bij de Tweede Kamer. Dit geschiedt namens de Koning. Koninklijke boodschap. Verder is aan elk wetsvoorstel een memorie van toelichting toegevoegd.
- Het recht van amendement: biedt aan de Tweede Kamer de mogelijkheid om zelfstandig een of meer artikelen in een wetsvoorstel te wijzigen.
4. Zodra het wetsvoorstel door de Tweede Kamer is aangenomen, gaat het naar de Eerste Kamer. Keuze tussen aanvaarden of verwerpen van het wetsvoorstel.
5. Als het wetsvoorstel door beide Kamers is aangenomen, moet het ter bekrachtiging worden ondertekend door de Koning.
- Van de zijde van de regering wordt de wet ondertekend door de minister in wiens portefeuille de wet valt en de minister van Justitie en Veiligheid.
- De wet treedt pas in werking nadat hij is bekendgemaakt.

MC: Ministerraad stelt wetsvoorstel vast Koning voegt Koninklijke Boodschap toe regering dient wetsvoorstel in bij Tweede Kamer - Tweede Kamer neemt wetsvoorstel aan Eerste Kamer neemt wetsvoorstel aan contraseign onder wet publicatie wet in Staatsblad.

3. Algemene maatregelen van bestuur
- In het voorgaande zagen we dat de regering op het terrein van de wetgeving twee functies vervult.
- Achtergrond van deze dubbelfunctie is de gedachte dat de wetgever in formele zin een bepaalde materie niet tot in alle details zelf kan regelen.
- De taakverdeling tussen formele wetgever en regering houdt in de praktijk in dat de formele wetgever de hoofdzaken regelt en de details ter regeling overlaat aan de regering. Deze legt die details dan vervolgens vast in een algemeen maatregel van bestuur (AMvB).
- Algemene maatregelen van bestuur bevatten (vrijwel) altijd algemeen verbindende voorschriften en zijn dus wetten in materile zin.
- Een AMvB wordt bekendgemaakt door publicatie in het Staatsblad.

4. Ministerile regelingen
- Er zijn twee mogelijkheden.
1. De formele wetgever kan de nadere regeling van bepaalde onderwerpen in een wet in formele zin overlaten aan de minister. Deze brengt dan een ministerile regeling tot stand.
2. Een andere mogelijkheid is dat de regering in een AMvB een dergelijke opdracht aan de minister verstrekt.
- Het voordeel: van een ministerile regeling is dat zij op betrekkelijk eenvoudige wijze tot stand kan komen en al even eenvoudig kan worden gewijzigd.

De Raad van State
- De Raad van State is in ons staatsbestel een belangrijk orgaan.
- De Koning is voorzitter van de Raad van State.
- De feitelijke leiding berust bij de vicevoorzitter. Afgezien van de Koning bestaat de Raad van State uit ten hoogste 28 leden. Zij worden benoemd bij koninklijk besluit.
- De Raad van State dient de regering en de Staten-Generaal van advies bij de totstandkoming van elke wet in formele zin.
- Naast een adviserende taak heeft de Raad van State ook nog een taak op het terrein van de rechtspraak.




Vereisten voor elke wet
- Een wet in ons recht is pas verbindend als hij aan de vier vereisten voldoet.
- Deze worden legaliteitsvereisten genoemd en zijn:
1. De wet moet afkomstig zijn van een overheidsorgaan dat bevoegd is tot wetgeving.
2. De wet moet voldoen aan een aantal wettelijke vormvereisten, waarvan het belangrijkste is dat de wet behoorlijk is bekendgemaakt.
3. De wet mag niet in strijd zijn met een hogere wettelijke regel.
4. De wet moet in overeenstemming zijn met algemene rechtsbeginselen.

2 de bevoegdheid tot wetgeving
Attributie is het scheppen van nieuwe wetgevende bevoegdheid en de toekenning van die bevoegdheid aan een bepaald orgaan. Delegatie is het overdragen van bestaande wetgevende bevoegdheid tot het ene orgaan aan het andere om nadere regels over een bepaald onderwerp vast te stellen.
1. Attributie
- De Grondwet van 1983 kent aan de volgende organen wetgevende bevoegdheid toe:
a. Regering en Staten-Generaal tezamen
b. Regering
c. Provinciale staten en de gemeenteraad
d. Besturen van openbare lichamen in het Caribische deel van Nederland
e. Besturen van waterschappen
f. Besturen van openbare lichamen voor beroep en bedrijf

- Dit is een complete opsomming van alle organen die in ons staatsbestel door attributie bevoegd zijn tot wetgeving.
- De organen waaraan in de Grondwet wetgevende bevoegdheid is toegekend, en de wetgeving die zij produceren: schema op blz. 74
- De wetgevende bevoegdheid die door attributie is verkregen, kent een aantal beperkingen: zie blz. 74 en 75
2. Delegatie
- Delegatie is overdracht van bestaande wetgevende bevoegdheid in het kader van een specifieke wettelijke regeling.
- Het delegerende orgaan heet de delegans en het orgaan waaraan is gedelegeerd wordt de delegataris genoemd.
- De minister is dus uitsluitend door delegatie bevoegd tot wetgeving.
3. Subdelegatie
- Soms draagt een orgaan dat zijn wetgevende bevoegdheid door delegatie heeft verkregen, die bevoegdheid op zijn beurt over aan een ander orgaan. Dit verschijnsel heet subdelegatie.
Bij het gebruik van subdelegatie moet onderscheid worden gemaakt tussen de methode die daarvoor in de Grondwet wordt gebruikt, en de methode in wetten in formele zin:
1. Delegatie toegestaan bij bij of krachtens de wet, de wet regelt of de wet geeft regels. Delegatie verboden bij bij de wet of de wet bepaalt.
2. Als een wet in formele zin aan de regering delegeert, gebruikt hij daarvoor de formule bij algemene maatregel van bestuur. Ingeval van delegatie aan een minister luidt de formule door Onze minister.






3 de bekendmaking van wetten
Een tweede vereiste voor de rechtsgeldigheid van wetgeving is dat deze eerste behoorlijk is bekendgemaakt.

Volgens art. 4 Bekendmakingswet geschiedt de bekendmaking van wetten in formele zin. En AMvBs door publicatie daarvan in het Staatsblad. Het Staatsblad is het officile publicatieblad van de centrale overheid. Het wordt alleen gebruikt voor bekendmaking van wetten in formele zin en AMvBs.

Uiteindelijk bevatten een wet in formele zin en een AMvB drie handtekeningen: die van het Staatshoofd, die van de verantwoordelijke minister (art. 47 Grondwet) en die van de minister van Justitie en Veiligheid, die zodanig verantwoordelijk is voor de bekendmaking. Door die ondertekening is de wet bekrachtigd.

Art. 5 Bekendmakingswet bepaalt dat ministerile regelingen worden bekendgemaakt in de Staatscourant (afgekort als Stcr.). De uitgifte daarvan is toevertrouwd aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Inwerkingtreding
- Volgens art. 10 lid 1 Bekendmakingswet treden wetten, AMvBs en andere algemeen verbindende voorschriften van de rijksoverheid in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van bekendmaking.

4 voorrang van wetgeving
Ons recht kent de volgende drie voorrangregels:
- De hogere regel heeft voorrang boven de lagere regel
- De nieuwe regel heeft voorrang boven de oude regel
- De speciale regel heeft voorrang boven de algemene regel

1. Hirarchie: de hogere regel
- Ons recht stelt nog een derde voorwaarde: voor zijn rechtsgeldigheid is het nodig dat een wettelijke regel niet in strijd is met een hogere wettelijke regel.
- De hirarchie van wetgeving ziet er in een schema als volgt uit: zie schema op blz. 82
- In het algemeen kan men stellen dat een wettelijk voorschrift dat in het schema lager in hirarchie is, niet in strijd mag zijn met een hoger geplaatst voorschrift. Blijkt dat wel het geval te zijn, dan zal de rechter in een aan hem voorgelegd geschil het lagere voorschrift niet toepassen: hij verklaart deze wet of wettelijke bepaling dan onverbindend wegens strijd met een hogere regeling.
- De toetsing van de rechter van wetgeving aan een hogere regel is niet onbeperkt. Art. 120 Grondwet bepaalt namelijk dat de rechter niet treedt in beoordeling van de grondwettigheid van wetten. Het is de rechter hier dus verboden te beoordelen of een wet in formele zin in strijd is met de Grondwet.
- De wetten zijn onschendbaar.
- Gesteld dat de rechter wl de grondwettigheid van wetten in formele zin zou mogen beoordelen, dan zou hij zich daarmee als het ware boven de formele wetgever verheffen.
2. Overgangsrecht: de nieuwe regel
- Als hoofdregel geldt dat de oude wet niet meer geldt vanaf het moment dat de nieuwe wet in werking treedt. Art. 5 Wet algemene bepalingen
- Romeinse recht: de latere wet ontkracht de eerdere wet dus de nieuwe wet vervangt de vorige.
- Voor de vraag hoe en wanneer de nieuwe wet precies moet werken, heeft de wetgever de keus uit verschillende mogelijkheden.
a. Exclusieve werking
b. Eerbiedigende werking
c. Terugwerkende kracht
Zie blz. 85
- Het is wetgevende organen dus niet toegestaan aan hun wettelijke voorschriften terugwerkende kracht te verlenen.
3. Specialiteit: de speciale regel
- De bijzondere wet gaat voor de algemene wet, omdat hij meer specifiek is.
- Specialiteitsregel.

5 algemene rechtsbeginselen
Zie blz. 87
- In het arrest inzake. De Harmonisatiewet heeft de Hoge Raad beslist dat wetten in formele zin niet mogen worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen.
- Willekeurbeginsel.
- De rechter: zijn taak is immers dat hij volgens de wet rechtspreekt en niet de (innerlijke) waarde daarvan mag beoordelen.

7 het verdrag als rechtsbron
Nederland kent een systeem dat de doorwerking van verdragsrecht in onze rechtsorde mogelijk maakt. Dat systeem wordt het incorporatiesysteem genoemd. Zie blz. 96

Een ieder verbindende verdragsbepalingen
- Bevat een verdrag zon bepaling die naar haar inhoud een ieder kan verbinden, dan spreken we van een een ieder verbindende verdragsbepaling.
- Of een verdragsbepaling een ieder verbindt, is ter beoordeling aan de rechter. Hij is bevoegd daarover te beslissen in een hem voorgelegd geval.
- Als de rechter eenmaal heeft beslist dat een bepaalde verdragsbepaling een ieder verbindt, kan deze bepaling vervolgens telkens bij de rechter worden ingeroepen door iedereen die daar belang bij heeft.

Plaats in de hirarchie van wetgeving
- Art. 94 Grondwet waarin met zoveel woorden staat dat een ieder verbindende verdragsbepalingen een plaats hebben boven alle nationale wetten in materile zin.
- Het is de rechter die bevoegd is om wettelijk recht van Nederlandse herkomst te toetsen aan een verdragsbepaling die een ieder verbindt, omdat deze hoger staat in de hirarchie.
- Verdragsbepalingen die een ieder verbinden, kunnen dus worden beschouwd als de hoogste rechtsregels binnen de Nederlandse rechtsorde.
- En als de rechter van oordeel is dat een wet in formele zin in strijd is met een verdragsbepaling die een ieder verbindt, moet hij die wet buiten toepassing laten.
- Het verbiedt de rechter namelijk ook de beoordeling van de grondwettigheid van verdragen. Dat betekent dat de rechter ook niet mag toetsen of een verdrag tot stand is gekomen volgens de door de Grondwet voorgeschreven wijze.
- Gaat een verdragsbepaling die naar haar inhoud een ieder verbindt, boven elk wettelijk voorschrift.






Hoofdstuk 4 de rechtspraak
Afdeling 1 beginselen van behoorlijke rechtspraak
1. De zitting is openbaar
- Rechtspraak moet in het openbaar plaatsvinden. Art. 6 lid 1 EVRM. Dit biedt de belangrijkste ingang om de werkzaamheden van de rechter te kunnen controleren.
- Door de openbaarheid is de rechtspraak controleerbaar voor iedereen, niet alleen voor procespartijen, maar ook voor buitenstaanders, de media en de publieke opinie.
- Overigens heeft de wetgever voor een aantal procedures bepaald dat de zittingen standaard niet openbaar zijn. Bijvoorbeeld bij personen- en familierecht. In dat soort zaken heeft de wetgever het privbelang van betrokkenen zwaarder laten wegen dan het belang van de openbaarheid van rechtspraak.
2. De uitspraak is openbaar
- Alle rechterlijke uitspraken moeten in het openbaar worden gedaan. Ook in zaken die ter terechtzitting met gesloten deuren zijn behandeld, geschiedt de uitspraak in het openbaar.
3. De rechter is onafhankelijk
- De onafhankelijkheid van de rechter bestaat in de kern hierin dat geen enkel overheidsorgaan de rechter benvloedt bij het nemen van zijn beslissing enerzijds, en dat anderzijds de rechter bij het uitvoeren van zijn taak aan geen enkel overheidsorgaan ondergeschikt is (zijn ambtgenoten daarbij inbegrepen).
- Verder noemen we enkele belangrijke waarborgen voor de onafhankelijkheid van de Nederlandse rechter: zie blz. 109
a. Volgens art. 117 lid 1 Grondwet worden de leden van de rechterlijke macht die met rechtspraak zijn belast, voor het leven benoemd.
b. Rechters kunnen alleen door de Hoge Raad worden geschorst en ontslagen.
c. Het aantal rechters is bij de wet geregeld.
d. De rechtspositie van rechters hun salaris inbegrepen is ingevolge art. 117 lid 1 Grondwet eveneens bij de wet geregeld.
- Deze regelingen passen in de leer van de Trias Politica. Zij bieden een zekere garantie dat de invloed van bestuur en wetgever op de rechtspraak zo gering mogelijk is.
4. De rechter is onpartijdig
- Een belangrijke opdracht aan iedere rechter in ieder geschil is dat hij zich neutraal opstelt.
- De eis van onpartijdigheid van de rechter is in verschillende wettelijke voorschriften te vinden: zie blz. 110
- Art. 6 lid 1 EVRM een onpartijdig gerecht.
- Hoge Raad
5. De uitspraak is gemotiveerd
- De rechter is verplicht zijn beslissing te motiveren.
- De rechter is dus verplicht in zijn beslissing uit te leggen op welke overwegingen hij zijn oordeel baseert. Als hij zich niet of onvoldoende aan deze verplichting houdt, is dit een goede reden voor het instellen van hoger beroep.


6. Beide partijen worden gehoord
- Hoor ook de andere partij.
- Recht op een eerlijke behandeling van een zaak.
- De rechter is verplicht beide partijen de kans te geven zich uit te laten over elk punt van geschil en alle processtukken.
7. De behandeling geschiedt binnen een redelijke termijn
- Voor elke procedure geldt dat deze binnen een redelijke termijn moet worden afgehandeld.
8. Rechtspraak geschiedt door beroepsrechters
- De rechtspraak wordt in beginsel alleen uitgeoefend door beroepsrechters.
- Art. 116 lid 3 Grondwet opent de mogelijkheid dat aan de rechtspraak wordt deelgenomen door personen die niet tot de rechterlijke macht behoren.

Afdeling 2 de rechterlijke macht
1 handhaving van het recht
Voor een efficinte vervulling van zijn ordenende taak moet het recht kunnen worden gehandhaafd.

De handhaving van het recht heeft een drietal aspecten: er moet zicht zijn op naleving van de regels, er moeten sancties zijn bij niet-naleving van de regels, en als er geschillen ontstaan, moet een rechter deze beslechten.

De handhaving van het recht art. 112 e.v. Grondwet opgedragen aan de rechterlijke macht.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (afgekort als ABRvS) is in de regel de bevoegde rechter in bestuurszaken in hoger beroep.

In art. 2 Wet RO is voorgeschreven dat de volgende gerechten tot de rechterlijke macht behoren: de rechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad der Nederlanden.

Nederland kent zestien gerechten: elf rechtbanken, vier gerechtshoven en de Hoge Raad.

De rechterlijke organisatie heeft een eigen overkoepelend bestuursorgaan: de Raad voor de Rechtspraak. De taak van de Raad bestaat uit het bieden van ondersteuning aan activiteiten van de gerechten die gericht zijn op uniforme rechtstoepassing en bevordering van de juridische kwaliteit.

Een andere belangrijke taak van de Raad bestaat uit het adviseren van de regering en Staten-Generaal over wetgeving en het te voeren beleid van het Rijk op het terrein van de rechtspleging.

2 het openbaar ministerie
De rechterlijke macht bestaat uit de zittende en de staande magistratuur.
- Zittende magistratuur: de rechters.
- Staande magistratuur: leden van het Openbaar Ministerie.

Vervolgingsmonopolie.
Het Openbaar Ministerie heeft bij elke rechtbank een zogeheten arrondissementsparket. De hoofdofficier van justitie. Zie blz. 117

Bij de vier gerechtshoven bestaat het Openbaar Ministerie uit de zogenoemde ressortparketten. De leiding berust bij de hoofdadvocaat-generaal.

De politieke verantwoordelijkheid voor het Openbaar Ministerie berust bij de minister van Justitie en Veiligheid.

De staande magistratuur verschilt van de zittende magistratuur (de rechter) op ten minste drie wezenlijke punten.
- Ten eerste is de rechter bevoegd in burgerlijke zaken, strafzaken en bestuurszaken, terwijl het Openbaar Ministerie vrijwel alleen in het strafrecht actief is.
- Ten tweede is het in een strafzaak de hoofdfunctie van de rechter om een oordeel te geven, terwijl het Openbaar Ministerie als vervolgende instantie om een oordeel vraagt (de zogenaamde eis).
- Het derde verschil is het meest fundamenteel van aard: de rechter is onafhankelijk, terwijl het Openbaar Ministerie een hirarchisch en ambtelijk overheidsapparaat is dat onder gezag staat van het College van procureurs-generaal en de politiek verantwoordelijke minister van Justitie en Veiligheid.
Dit betekent dat de rechter bij beslissen in de hem voorgelegde gevallen aan niemand verantwoording is verschuldigd, terwijl elk lid van het Openbaar Ministerie in beginsel is onderworpen aan gezagsuitoefening en verplicht kan worden verantwoording af te leggen over zijn optreden.

3 rechtspraak in eerste aanleg
Als een zaak voor het eerst voor de rechter wordt gebracht en door hem wordt behandeld en beslist, spreken we van rechtspraak in eerste aanleg.
- Rechtspraak/in eerste aanleg door rechtbank
- In hoger beroep door gerechtshof
- In cassatie door Hoge Raad

Schema absolute bevoegdheid van de gerechten: blz. 119

3.1 De bevoegdheid van de rechtbank zie blz. 119

Drie rechtsgebieden
- Als gezegd vinden in de rechtbank drie soorten processen plaats, afhankelijk van om welk rechtsgebied het gaat.

In de rechtbank vormen de kantonrechters een eigen afdeling, de sector kanton. De zaken die zij behandelen worden kantonzaken genoemd. De kantonrechter heeft een taak op alle drie rechtsgebieden, dus in (sommige) burgerlijke zaken, strafzaken en bestuurszaken.

De regels van de absolute bevoegdheid van de rechtbank in de drie genoemde rechtsgebieden en de afdeling kanton zien er in schema als volgt uit: zie blz. 121

Enkelvoudige en meervoudige kamers
- De rechtspraak van de rechtbank vindt plaats in enkelvoudige en meervoudige kamers.
- In meervoudige kamers hebben drie rechters zitting: een rechter als voorzitter en twee andere rechters als zogenoemde bijzitters.
- Alleen in grotere strafzaken is rechtspraak in een meervoudige kamer.

3.2 De bevoegdheid van de kantonrechter
- De kantonrechter is een alleensprekende rechter.
- Afhankelijk van het aantal te behandelen kantonzaken kunnen in de rechtbank twee of meer kantonrechters werken, maar in de rechtszaak zit de kantonrechter alleen.
- Op deze regel bestaat een uitzondering. Over pachtzaken oordeelt de pachtkamer die uit drie leden bestaat: daarin hebben de kantonrechter en twee deskundige leken zitting. Zie lid 2 van art. 48 Wet RO.





1. Bevoegdheid in burgerlijke zaken
- Uit de wet blijkt dat de zaken waarvan hij in eerste aanleg kennisneemt, uiteenvallen in vier categorien. Deze zijn:
a. Zaken met een vordering t/m 25.000, inclusief de rente
b. Zaken met een vordering van onbepaalde waarde
c. Zaken betreffende arbeidsovereenkomst, consumentenkoop, huurovereenkomst en huurkoop.
- Kantonrechter altijd bevoegd.
d. Andere zaken ten aanzien waarvan de wet dit bepaalt

2. Bevoegdheid van strafzaken
- De wetgever heeft aan een alleensprekende rechter als de kantonrechter de berechting van overtredingen opgedragen.

3. Bevoegdheid in bestuurszaken
- Slechts in n wet is aan de kantonrechter rechtspraak in bestuurszaken opgedragen: de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.

De bevoegdheid van de kantonrechter in een schema: zie blz. 125

3.3 Relatieve bevoegdheid van de gerechten
- Relatief bevoegd is de rechter van de woonplaats van de gedaagde. Zie blz. 126
- Heeft de gedaagde geen bekende woonplaats in Nederland, dan is de rechter van zijn verblijf bevoegd.
- In strafzaken is de hoofdregel voor de relatieve bevoegdheid dat de rechter bevoegd is binnen wiens rechtsgebied het strafbare feit is gepleegd. Hier bepaalt dus de plaats van het delict de relatieve bevoegdheid.

Relatieve bevoegdheid in de 3 rechtsgebieden:
- Burgerlijke zaken: relatief bevoegd is de rechter van de woonplaats van de gedaagde.
- Strafzaken: in strafzaken is de hoofdregel voor de relatieve bevoegdheid dat de rechter bevoegd is binnen wiens rechtsgebied het strafbare feit is gepleegd.
- Bestuurszaken: bepalend is hier welk bestuursorgaan het bestreden besluit heeft vastgesteld. Is het besluit afkomstig van een bestuursorgaan van de centrale overheid, dan is de rechtbank van de woonplaats van belanghebbende bevoegd. Is het besluit afkomstig van een bestuursorgaan van een lagere overheid, zoals provincie of gemeente, dan wordt het beroep ingesteld bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan bestuursorgaan zijn zetel heeft.

De wet kent vier officile termen, te weten vonnis, arrest, beschikking en uitspraak.
- Als de strafrechter of de burgerlijke rechter in eerste aanleg een beslissing neemt, wordt deze vonnis genoemd. En: de rechter wijst vonnis.
- De term arrest is gereserveerd voor uitspraken van de gerechtshoven en van de Hoge Raad. En: het hof (of de Hoge Raad) wijst arrest.
- Van een beschikking door de burgerlijke rechter of de strafrechter is sprake als de rechter in een verzoekschriftprocedure een beslissing neemt (bijvoorbeeld over voornaamwijziging). En: de rechter geeft een beschikking.
- In het bestuursrecht wordt voor een beslissing van een bestuursrechter de term uitspraak gehanteerd. En: de rechter doet uitspraak.



4 rechtspraak in hoger beroep en cassatie
Het hoger beroep bestaat in het gewone geval uit een nieuwe behandeling van de zaak op basis van de tegen de beslissing in eerste aanleg aangevoerde bezwaren.
Voor de drie rechtsgebieden is de regeling als volgt: zie blz. 128

4.1 De gerechtshoven
- De voornaamste taak van het gerechtshof is rechtspraak in hoger beroep. Art. 60 lid 1 Wet RO.
- Het zogenoemde enqute recht
De rechtspraak in eerste aanleg en in hoger beroep ziet er naar rechtsgebied als volgt in schema uit: zie blz. 129

4.2 De Hoge Raad der Nederlanden
- Hoofdregel is dat n keer hoger beroep kan worden ingesteld en dat daarna alleen nog kan worden geprocedeerd bij de Hoge Raad. Bij de Hoge Raad is geen sprake van hoger beroep, maar van beroep van cassatie (cassatie betekent vernietiging).
- Het belangrijkste verschil in behandeling van hoger beroep en van cassatie is dat in cassatie de feiten niet opnieuw ter discussie staan.
- De Hoge Raad is met andere woorden geen feitenrechter.

Toegang tot de Hoge Raad
- De toegang tot de Hoge Raad is niet onbeperkt.
- Sinds 2012 bestaat binnen het civiele recht de mogelijkheid voor rechtbanken en gerechtshoven om aan de Hoge Raad zogenoemde prejudicile vragen te stellen.
- De Hoge raad behandelt geen feitelijke vragen, maar beoordeelt alleen of de lagere (feiten) rechter het recht goed heeft toegepast. Hij doet dat op twee gronden, de zogenoemde cassatiegronden.

We bespreken deze twee cassatiegronden nu afzonderlijk: zie blz. 132
1. Verzuim van vormen
2. Schending van het recht

Zij zijn in arresten van de Hoge Raad vrijwel altijd terug te vinden, vaak in combinatie met elkaar: onvoldoende gemotiveerd (vormverzuim), onbegrijpelijk (vormverzuim) en/of onjuiste rechtsopvatting (schending van het recht). Als dus een lagere rechter bijvoorbeeld een regel uit de rechtspraak van de Hoge raad onjuist zou hebben toegepast, kan men daarover in cassatie klagen bij de Hoge Raad.

4.3 De procureur-generaal bij de Hoge Raad
- Binnen de organisatie van de Nederlandse rechtspraak neemt de procureur-generaal bij de Hoge raad een unieke positie in.
- Zij zijn aan niemand ondergeschikt of verantwoording verschuldigd.
- Een geheel onafhankelijke positie.
- Hun belangrijkste taak bestaat uit het nemen van conclusie in zowel burgerlijke zaken als strafzaken.
- Een conclusie is een openbaar advies aan de Hoge Raad dat in elke zaak voorafgaand aan de uitspraak van de Hoge Raad wordt gegeven.
- Overigens is een conclusie niet meer dan een advies, de Hoge Raad is er niet aan gebonden.
- We noemen nog twee bijzondere taken van de procureur-generaal bij de Hoge Raad.
a. Hij kan op grond van art. 46o Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren het ontslag van rechterlijke ambtenaren vorderen bij de Hoge Raad.
b. Verder kan hij bij de Hoge Raad een strafvervolging instellen tegen leden van de Staten-Generaal, ministers, staatssecretarissen en hoge ambtenaren wegens ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen die door hen zijn begaan.
In art. 119 Grondwet is bepaald dat de opdracht tot vervolging alleen door de regering of Tweede Kamer kan worden gegeven.

5 vindplaatsen van de rechtspraak
Tot slot van deze afdeling besteden we aandacht aan de vindplaatsen van rechterlijke uitspraken.

Veel jurisprudentie is op internet te vinden: zie blz. 136
1. De Rechtspraak van de Week (RvdW)
2. De Nederlandse Jurisprudentie (NJ)
3. De Administratiefrechtelijke Beslissingen (AB)
4. De website www.rechtspraak.nl

9 afdeling 4 de gewoonte en algemene rechtsbeginselen als rechtsbronnen
We zullen zien onder welke twee voorwaarden gewoonte een rechtsbron is, en dat de gewoonte vooral in het burgerlijk recht en in het staatsrecht een rol speelt.

In het recht geldt gewoonte als rechtsbron alleen als aan twee voorwaarden is voldaan. Dit zijn:
1. Bepaald gedrag moet ononderbroken gedurende lange tijd zijn gevolgd en herhaald in een bepaalde maatschappelijke kring.
- Bestendig gebruik
2. Het bestendig gebruik moet als rechtsnorm worden ervaren. Er is pas een regel van gewoonterecht als een bestendig gebruik wordt ervaren als een rechtsnorm.

Het gewoonterecht speelt voornamelijk een rol in het burgerlijk recht en het staatsrecht.
De belangrijkste regel van gewoonterecht is de vertrouwensregel. Deze houdt in dat het kabinet voor zijn voortbestaan is aangewezen op het vertrouwen van de Kamer.
- De kwestie van Mijer en de Luxemburgse kwestie. Zie blz. 158

In de verhouding tussen regering en Staten-Generaal waarover de Grondwet en andere wetgevers zwijgen en er voor de rechter geen taak is weggelegd, is men aangewezen op het gewoonterecht. Daarmee speelt het gewoonterecht in het staatsrecht een hoofdrol als bron van recht. Ten slotte zij nog vermeld dat in het internationaal publiekrecht het gewoonterecht een belangrijke rechtsbron is.

10 algemene rechtsbeginselen
Zij worden traditioneel gerekend tot het ongeschreven recht en worden beschouwd als rechtsbron naast de andere rechtsbronnen.
In dit boek komen de algemene rechtsbeginselen op diverse plaatsen aan de orde:
1. Rechtspraak
2. Bestuursrecht
3. Burgerlijk recht
4. Strafrecht: het belangrijkste strafrechtelijke beginsel is het legaliteitsbeginsel.
Zie dit op blz. 159 en 160





Hoofdstuk 10 burgerlijk procesrecht
9 andere vormen van geschiloplossing
We bespreken nu een drietal vormen van geschilbeslechting zie blz. 394
1. Arbitrage
- Bij arbitrage is sprake van rechtspraak door andere rechters dan de overheidsrechter
- Partijen geven daar vaak de voorkeur aan eigen rechters boven overheidsrechter.
- Arbitrage kan op twee manieren zijn overeengekomen
a. De eerste bron van arbitrage is het arbitraal beding. Als partijen een overeenkomst sluiten (zoals een koopovereenkomst of een aannemingsovereenkomst), kunnen zij daarin een beding opnemen waarin staat dat zij eventuele latere geschillen over de overeenkomst aan arbiters zullen voorleggen.
b. De tweede bron van arbitrage is een aparte overeenkomst tot arbitrage. Deze is genaamd compromis. Het compromis bevat een schriftelijke aanduiding van hetgeen partijen aan arbitrage wensen te onderwerpen.

- De wet schrijft voor dat het arbitraal beding plaatsvindt voor een zogenoemd scheidsgerecht.
- Het scheidsgerecht doet uitspraak in een arbitraal vonnis, dat op schrift is gesteld. Het kan pas ten uitvoer worden gelegd nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank daartoe verlof heeft verleend.

Voordelen van arbitrage:
- Snelle afwikkeling van een geschil, omdat er bij arbitrage geen verplichte procesvertegenwoordiging bestaat en omdat aan de leden van het scheidsgerecht de opdracht kan worden gegeven te beslissen als goede personen naar billijkheid. Daarbij zijn ze niet gebonden aan de wettelijke procesregels. Zie blz. 395
- Om deze redenen komt over het algemeen een arbitraal vonnis aanmerkelijk sneller tot stand dan een gewoon vonnis.

2. Bindend advies en bindende partijbeslissing
- Zie blz. 396

3. Mediation
- Mediation is een vorm van conflictbemiddeling waarbij getracht wordt partijen in een gesprek hun conflict te laten oplossen met behulp van een bemiddelaar, de zogenoemde mediator.
- Bij mediation komt het geschil in al zijn aspecten aan de orde.
- Doel van mediation is onder meer die emotie(s) bespreekbaar te maken en daarmee verschillen te overbruggen waardoor het conflict kan worden opgelost.
- Mediation wordt vanuit de rechterlijke macht meer en meer gesteund als een alternatieve mogelijkheid van conflictoplossing.





. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.

Answer generated by AI Report answer

Ask a study question and we will try to answer it as best we can.

Ask a question
 
Log in via e-mail
New password
Subscribe via e-mail
Shopping Cart

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

[Inviter] gives you € 2.50 to purchase summaries

At Knoowy you buy and sell the best studies documents directly from students. <br> Upload at least one item, please help other students and get € 2.50 credit.

Register now and claim your credit