Studybot answer

Ask a question ›
 
Question asked by: Elisaflore - 2 years ago

Maak een oefenexamen over het onderwerp: Hoorcollege 1: macronutrinten
Voeding valt onder chemische energie.
2 vormen van metabolisme zijn anabolisme en katabolisme. Bij anabolisme gebruik je energie om van meerdere kleine stoffen een grote stof te maken bv. fotosynthese.
Bij katabolisme breek je een grote stof af wat energie kost in kleinere stoffen bv celademhaling. Bij katabolisme komt energie vrij in de vorm van ATP wat je weer gebruikt voor de opbouw in je lichaam.

Energie haal je uit macronutrinten: dit zijn koolhydraten, eiwitten en vetten. De verhouding tussen deze kan je absoluut uitdrukken, in gram (gram KH/100 gram product) maar ook relatief in energiepercentage (kcal KH/kcal product). Koolhydraat is het minst verzadigend van de drie macronutrinten.

De voedingsmiddelen die het meest bijdragen aan de energieconsumptie in Nederland zijn graan en graanproducten, denk hierbij aan brood, rijst en pasta. Melkproducten staan op 2 en niet alcoholische dranken op 3.

Een kilocalorie is de energie die nodig is om de temperatuur van 1 kg water 1 graden Celsius te doen stijgen. Dit hoef je niet te weten voor het tentamen.

Verbranding calorimeter (volledige verbranding in het lab)
- Eiwitten
- Koolhydraten
- Vetten

De geschatte energie in lichaam is per gram (wat wordt verbrand in lichaam)
- Eiwitten: 4kcal = 17 kJ
- Koolhydraten: 4 kcal = 17 kJ
- Vetten: 9 kcal = 38 kJ
- Alcohol 7 kcal = 29 kJ

Met een koolhydraatarm dieet val je op langere termijn niet meer gewichtsverlies dan een ander dieet. Een KH-arm dieet zonder calorie-beperking leidt dus niet tot gewichtsverlies. Voordeel is dat je meer eiwitten binnenkrijgt. Nadelen zijn dat je meer verzadigd vet eet, een tekort van voedingsstoffen binnenkrijgt en

Energiedichtheid wordt uitgedrukt per voedingsmiddel en houdt in energie/ gram. De meeste invloed hierop is het gehalte water en vet.

De nutrint-dichtheid/ voedingsstoffendichtheid houdt in de hoeveelheid belangrijke nutrinten/ energie. Denk hierbij aan vezels en eiwitten.

Koolhydraten
Koolhydraten zijn de belangrijkste energiebron met 45%.
Totaal aantal KH:
- 35% Graan
- 11% Melkproducten, suiker, niet alcoholische dranken
- 7% Fruit, noten, olijven, aardappelen
- 2% Groente, vlees
Ken volgorde geen getallen voor tentamen

Je dagelijkse inname is 40-70 energie% uit KH Ondergrens: spierweefselafbraak

Koolhydraten bestaan uit waterstof zuurstof en water. Ze vormen samen een monosacharide. Belangrijke monosachariden zijn glucose, fructose en galactose. Disachariden (twee monosachariden). En polosachariden (vanaf 9 monosachariden).

Condensatie is anabool waarbij energie nodig is. Hierbij komt water vrij.
Hydrolyse is katabool waarbij energie vrijkomt. Hierbij is water nodig.

Alle koolhydraten worden afgebroken tot een van de monosachariden. In je lever worden deze allemaal omgezet in glucose. Dit wordt opgeslagen in glycogeen. 1/3 in je lever, 2/3 in je spieren en ook een klein beetje in je hersenen. Een glycogeen voorraad is goed voor 1 dag als je rust hebt een 1-3 uren bij fysieke inspanning. Pancreas maakt insuline en glucagon. Insuline zorgt ervoor dan glycogeen wordt opgeslagen. Glucagon zorgt er juist voor dat glycogeen wordt afgebroken. Als je te veel eet en het niet meer opgeslagen kan worden als glycogeen ga je het opslaan als vet. Je energiebronnen na 2-3 uur niet eten zijn glycogeen en een beetje vet. Bij 24 uur niet eten komen daar ook je spieren bij.
Bij type 1 diabetes kan je geen insuline aanmaken. Bij type 2 kan je insuline wel aanmaken maar is er resistentie.
De glycemische index (GI) geeft weer wat de snelheid is waarmee KH worden afgebroken tot glucose. Na consumptie is GI van KH afhankelijk van de snelheid van de bloedglucose stijging, de maximale hoogte van de bloedglucose een de snelheid van de bloedglucose daling.

Stelling: Natuurlijke suikers zijn gezonder dan toegevoegde suikers
Antwoord: niet juist (het is dezelfde chemische stof)

Wat zijn de belangrijkste voedingsbronnen van mono- en disachariden?
- 21% suiker en zoetwaren, niiet-alcoholische dranken, zuivelproducten
- 10% fruit
- 6% graanproducten

Oligosachariden
3-10 monosachariden, het zijn gezonde producten zoals peulvruchten, worden omgezet in dikke darm door bacterin wordt ook wel Prebiotica genoemd. Deze producten verlagen het LDL.

Polysachariden zijn polymeren van glucose. Gylcogeen (glucose opslag in mensen en dieren), zetmeel (glucose opslag in planten) en vezels.
Glycogeen is sterk vertakt en is op veel plaatsen nodig voor enzymatische omzettingen tot glucose.
Zetmeel is wel een belangrijke voedingsbron, dit krijg je binnen via bv mais en aardappelen. Het levert meestal 4 kcal/gram op, in een groene banaan minder omdat daar nog niet al het zetmeel is omgezet.
Onoplosbare voedingsvezels zijn onverteerbaar plantenvoedsel en wordt niet opgenomen in je dunne darm en ook niet verteerd in je dikke darm. Ze trekken wel water aan in je dikke darm. De vezels bevatten nauwelijks tot geen energie maar kunnen wel helpen bij verzadiging.
Oplosbare voedingsvezels kunnen ook niet worden verteerd in je dikke darm. Zitten in fruit, groenten en peulvruchten

Vetzuren gebruikt als energiebron is 2 kcal/ gram ipv 4 dus 50% voor tentamen!

Hoorcollege 2: Fysiologie maagdarmkanaal
Functie van het maagdarmkanaal (tractus digestivus) zijn vertering/ digestie, absorptie van voedingsstoffen en vocht in bloed/lymfe en excretie van afvalstoffen.
Eiwitten bestaat uit meerdere polypeptiden (aminozuren). De functie en vormen zijn enzymen, hormonen en transport. Essentiele aminozuren kan je niet aanmaken en moet je uit je voeding halen.
Vetten zijn triglyceriden dit bestaat uit glycerol met 3 vetzuren. Verzadigd heeft geen dubbele binding en onverzadigde hebben 1 dubbele binding. Je hebt ze ook meervoudig onverzadigd, die hebben meer dan 1 dubbele binding, dit zijn essentile verzuren zoals omega 3 en 6.
De spierlaag zorgt voor peristaltiek, dit zijn circulaire en longitudinale spieren. Er zijn meerdere sluitspieren in ons lichaam: bovenste en onderste slokdarmsfincter, pylorische sluitspier (maag darm), ileocaecale klep/ klep van Bauhin (dunne en dikke darm) en rectale spier.
Orofarynx (mond-keelholte) heeft een lengte van 15cm, bestaat veel uit speekselklieren want speeksel zorgt voor verdunnen, smaak en bescherming. Amylase begint hier al een beetje de vertering. Verder bestaat speeksel uit 95% water en IgA.
Oesofagus is 25-30cm lang en bevat spierlagen voor peristaltiek, 2 sfincters en zorgt voor transport van voeding en vocht.
De maag bestaat uit fundus, corpus, antrum en pylorus. Bovenste deel maag voor opslag van voeding. Bij corpus vooral mengen met ook maagsap wat nodig is voor vertering. Als je eet wordt het hormoon gastrine aangemaakt en die geeft aan dat je moet gaan verteren waardoor zuurtegraad maag omlaaggaat (1,5-3,5) dan wordt pepsinogeen omgezet in pepsine waardoor de eiwitvertering start. Ghreline en leptine zorgen voor je honger en verzadigd gevoel.
Dunne darm bestaat uit duodenum (12 vingerige darm), jejunum (nuchtere darm), ileum (kronkeldarm).
De papil van vater spuwt gal uit in het duodenum. Dit gal wordt aangemaakt in de lever. Daarnaast heeft de lever als functie metabolisme, ontgiften, generen en secretie en opslag (bijvoorbeeld glycogeen).
Gal wordt deels opgeslagen in de galblaas het andere deel in de lever, gal bestaat uit galzouten. CCK reguleert de afgifte van gal in de darm na het eten van vet. Gal is hydrofiel en hydrofoob waardoor de vetten al deels afgebroken kunnen worden.
Enterohepatische kringloop is het hergebruiken van de galzouten. Van het ileum naar lever, duodenum en weer terug naar ileum.
De pancreas heeft verschillende weefsels en die weefsels bepalen functie bij metabolisme en vertering. Staart heeft endocriene functie, insuline maken en eilandjes van langerhans. Kop heeft exocriene functie, produceren pancreassappen die via ductus pancreatucus worden afgevoerd. Beide kunnen koolhydraten, vetten en eiwitten afbreken.
Bicarbonaat zit in pancreassap is basische stof en zorgt dat ph van darm weer omhooggaat en enzymen weer gaan werken.
In jejunum wordt voeding nog verder afgebroken. Als lactase niet goed werkt worden koolhydraten niet verder afgebroken dit gaat naar dikke darm waar het gaat vergisten, dit zorgt voor opgeblazen gevoel, pijn en diarree. Oorzaken voor lactose-intolerantie is dat de werking afneemt met de leeftijd, beschadiging van de darmwand, medicatie en dat het aangeboren is.
Korte en middellange vetten kunnen worden opgenomen in het bloed. Grote vetten worden afgebroken door galzouten en vormen micellen die je lymfeklieren in gaan want zijn te groot om je bloed in te gaan.
Ileum bevat veel reabsorptie van vocht, zorgt voor opname B12, galzouten en overige vitamines en mineralen.
Dikke darm heeft als functie absorptie (water, elektrolyten en korteketenvetzuren uit vezels ook wel energie), opslag van feces en heeft een functie voor je afweer doordat het ook een microbioom heeft.
In ontlasting kan je vet, stikstof en energie meten.
Behandeling voor maaglediging (verminderde maagwerking, niet goed kunnen verteren) zijn aangepast dieet, gastric test (postpylorisch voeden), PEG-J, G-POEM (klein sneetje maken in sfincter om zo maag weer werkend te krijgen).

Hoorcollege 3: Lichaamssamenstelling
Hoe is een lichaam van een man 70kg opgebouwd?
1 kg calcium, 43 kg zuurstof, koolstof 16kg, waterstof 7kg, stikstof 1,8kg, fosfor 0,6kg, water 42 kg, eiwit 10kg (vooral in spieren), koolhydraat 0,5kg (glycogeen, zit kort in je spieren voor snelle inspanning) (glucose in bloedplasma), vet 13,5kg.
Calcium en fosfor zijn de belangrijkste mineralen.
Je huid is bijna 1 kg eiwit.
5% van kraakbeen zijn cellen de rest is een netwerk zelfde geldt voor botten.
Kyfose is verkromming van ruggengraat, gebogen gaan lopen. Lorodse is ook verkromming maar gierdoor ga je hol staat, sciliose is een ruggengraat die niet recht is.
BMI is goede maat voor mensen tussen 18-70 jaar
BMI is bij volwassen niet gecorreleerd met lengte.
BMI bij ouderen niet altijd juist omdat lengte vaak niet meer goed te meten is en korter lijkt dan dat werkelijke lengte is daarom komt BMI hoger uit. Aziatische mensen hebben meer lichaamsvet bij hetzelfde BMI ten opzichte van witte mensen.
Bmi is goed te meten alleen interpretatie is anders omdat je afknooppunten niet kan gebruiken. Doordat BMI wel afhankelijk is van lichaamslengte bij kinderen. Daarom bij kinderen Cole percentielen.
Midden van onderste rib en bovenkant van heup daartussen ga je middelomtrek meten.
Bij veroudering gaat vet meer bij buik zitten
MHV= middelomtrek/ heupomtrek. Maar deze maat is niet de beste vanwege ziekte. Omdat ze beide anders geassocieerd kunnen zijn met ziekte.
Armomtrek wordt veel gebruikt om ondervoeding te meten.
Arm en been hebben hoge weerstand.

Hoorcollege 4: Macronutrinten vetten
Lipiden zijn slecht oplosbaar in water maar zijn wel op te lossen in niet-polaire organische oplosmiddelen. Voedingsvetten bestaan voor 95% uit triglyceriden, dit is glycerol met daaraan vetzuren veresterd. Vetzuren zijn carboxylzuren met een koolstofketen.
Vetzuren kunnen verschillen in lengte van het molecuul, het aantal dubbele bindingen, cis of trans configuratie en de positie in triglyceride molecuul.
Er zijn verschillende typen vetzuren, zo is een verzadigd vet een vet zonder een dubbele bindingen. Enkelvoudig onverzadigde vetzuren (MUFA) hebben een dubbele binding en zijn cis of trans, een voorbeeld is olijfolie. Meervoudige onverzadigde vetzuren (PUFA) bevatten meerdere dubbele bindingen en een voorbeeld is zonnebloemolie.
Heeft een vetzuur de naam n-x of omega-x dan is de eerste dubbele binding geplaatst gerekend vanaf het methyl-einde (-CH3).
Heeft het vetzuur de naam -x dan is de eerste dubbele binding geplaatst gerekend vanaf het carboxyl-einde (-COOH).
X is in een standaard situatie 3,6 of 9

Vetzuren kunnen cis of trans zijn. Beide zorgen voor een andere functie van het vetzuur. Een poly met 1 of meer transverbindingen heeft geen functie als essentieel vetzuur.


Fosfolipiden bevatten een hoofdgroep, fosfaatgroep, glycerol groep en een vetzuurketen.

Vet oplosbare vitamines zijn vitamine A (retinol), E (tocopherolen), K en D.

De functies van vetten en vetzuren zijn dat ze dienen als energiebron. Dit doen ze direct maar ook doormiddel van opslag. Ze zijn essentieel, zorgen voor de opname en absorptie van vet-oplosbare vitamines en zorgen voor de structuur van membranen (samen met cholesterol.
Kijkend naar energieopslag dan zijn dit voornamelijk triglyceriden. Ook zit er energieopslag in adipocyten (vetcellen) in het vetweefsel en zijn de vetzuren in adipocyten meer verzadigd dan in het fosfolipiden celmembraan.

Vetweefsel regelt je lichaamstemperatuur en heeft een endocriene functie. Vetweefsel is er zo wel abdominaal en visceraal, het zorgt voor de bescherming van de interne organen maar is ook een risicofactor voor hartziekte en diabetes wanneer er teveel van is.

Het pulmonaire oppervlak, de longen, bestaat voor 85% uit lipiden die erg belangrijk zijn voor de longfunctie.
Cel signalering vindt ook plaats in de membranen door de lipiden.

Transport
Triglyceriden, vetzuren en monoglyceriden vormen in de darmmucosa cellen met eiwitten, deze heten chylomicronen. De vet oplosbare vitaminen die zijn opgenomen in de darm vormen vergelijkbare complexen. Chylomicronen komen via diffusie in de lymfe en komen in de bloedcirculatie via de ductus thoracicus, dit is de afvoerbuis van de lymfe. In deze route wordt de lever overgeslagen. Het is wel de belangrijkste route van transport van lipiden uit de darmen. Het doel van de chylomicronen is het afleveren van de vele triglyceriden naar de lichaamscellen zodat die als brandstof kunnen dienen.
In de lymfen worden de triglyceriden in het chylomicron door lipase in glycerol en 3 vetzuren waarvan elk vetzuur zijn eigen functie heeft. Zo is 1 vetzuur voor het vetweefsel/bloed en heeft het als functie opslag. De andere 2 vetzuren hebben als functie beiden energie alleen de een bij de skeletspier en de ander bij het hart. Hierna zal het chylomicron remnant (overblijfsel) de lever in gaan door middel van de receptoren LDLR en LRP.

Vrije vetzuren kunnen rechtstreeks de circulatie binnendringen, dit zijn NEFA. Ze zijn gebonden aan albumine, een serumeiwit. NEFAs komen de lever binnen via de poortader.

Lipiden worden in de lever opnieuw verpakt tot VLDL (very low density lipoprotein). Lipoproteinen worden geclassificeerd op basis van dichtheid en ze zorgen voor transport van lipiden naar de recht van het lichaam.
VLDL wordt gemaakt in de lever uit teveel koolhydraat en eiwit uit de voeding met het chylomicron remnant. Het wordt hierna uitgescheiden in het bloed. De functie is het afleveren van TGs aan lichaamscellen. Deze lijken op chylomicronen maar zijn in ander weefsel gemaakt.
Als VLDL veel van zijn TGs kwijt is wordt het LDL. Ook LDL wordt afgescheiden in het bloed maar met de functie cholesterol af te leveren aan lichaamscellen.

HDL wordt gemaakt in de lever en dunne darm en uitgescheiden in de bloedbaan. De functie is het oppikken van cholesterol uit lichaamscellen en deze terugbrengen naar de lever waar het kan worden uitgescheiden in gal of getransporteerd kan worden naar andere cellen (reverse cholesterol transport). Te veel cholesterol in de weefsels is schadelijk omdat de cel cholesterol niet kan afbreken, dit leidt tot atherosclerose. Ook wel een laag HDL zorgt voor een grotere kans op een hartinfarct.

HDL is hiermee dan ook goed cholesterol en (V)LDL de slechte cholesterol.

Hoorcollege 5: Gezondheidsraad
Strategie voor toekomst: meer aandacht voor leefstijl en gezondheidsgedrag, gezondheidsverschillen en gezondheid van toekomstige generaties,

Themas zijn vaccinatie, straling, voeding, innovatie, etc.
In het secretaat zitten gepromoveerde mensen die literatuur doorzoeken om adviezen te kunnen maken en deze mensen zijn in dienst bij de gezondheidsraad.
Commissies van de gezondheidsraad zijn ethiek en recht, voeding, vaccinaties, signalering gezondheid en milieu. Dit zijn vaste commissies, je hebt ook tijdelijke commissies die alleen worden opgezet als dat nodig is (bv strategie voor toekomst). Deskundigen in vaste commissies zijn allemaal lid van gezondheidsraad, wordt gescreend op expertise en belangen.

Commissie voeding richt zit op voeding en gezondheid. De voedingsnormen stellen zij vast maar ook kijken ze naar de duurzaamheid van voeding, voeding en gedrag, voeding en ziekte. Deze commissie werkt interdisciplinair. Waarnemers mogen niet meebeslissen maar wel meeluisteren. Secretarissen doen dus eigenlijk al het zoek werk.

Opzetten adviesplan
Begint met adviesvraag vanuit minister, ga een advies actualiseren dat al oud is. Ziektelast, verloren levensjaren en sterfte worden meegenomen bij het vormen van de Nederlandse top tien van ziekten, ook de causale risicofactoren zoals systolische bloeddruk, LDL-cholesterol en lichaamsgewicht.
Er zijn verschillende type studies waarnaar wordt gekeken, dit zijn eerst de voedingsfactoren waarnaar gekeken wordt, dan de uitkomstmaat en als die bekend is wordt het type onderzoek gekozen (RCT of cohort). Bij RCT is causaliteit goed te meten dat is bij cohort lastiger. Representativiteit is ook belangrijk voor maatschappij, bij RCT is dit lastig omdat je dan een kleine groep hebt (ouderen, kinderen. Cohort is breder want je test een grote groep, je kan dus een beter beeld geven over de volledige. Maatschappij.
Voor het trekken van conclusies wordt vaak verhoogd of verlaagd gebruikt, een verband is onwaarschijnlijk, het verband is niet eenduidig of er is te weinig onderzoek om een uitspraak te doen over het verband.

Openbare consultatieronde heeft nog een bepaalde tijd om kritiek te leveren op onderzoeken. Bv alleen gekeken naar thee studies en niet naar droge thee studies waardoor ze nog daar gingen kijken en het advies iets veranderden.
Als richtlijnen klaar zijn komt het advies uit. Soms komt er ook een wetenschappelijk artikel over uit.

Voedingscentrum zorgt ervoor om richtlijnen te vertalen naar de praktijk door ook te kijken naar de voedingsnorm.

Hoorcollege 6: Macronutrinten eiwitten
En% = % energie uit eiwitten. Dit kan per product, maaltijd of dag inname.

Voedingsbronnen
Meest eiwitrijk:
29% vlees
22-23% zuivel, granenbrood/rijst/pasta
3-4% vis, ei, fruit/noten/olijven, groente
0,4% peulvruchten

Vormen en functies
Een eiwit bestaat uit aminozuren. Voor elk eiwit is er een eigen code die is opgeslagen in het DNA in de celkern. Er bestaan 20 aminozuren waarvan 9 essentieel en 11 niet essentieel.

Eiwitten halen we oorspronkelijk uit dierlijke producten zoals vlees, vis en zuivel. Plantaardige bronnen zoals bonen, noten en zaden en microbile bronnen zoals bacterin en gisten.

25% van ons lichaamseiwit is collageen. Normaal wordt glutaminezuur omgezet in proline maar als je een trauma oploopt dan gaat die behoefte naar proline omhoog. Proline is dus semi-essentieel omdat sommige mensen meer proline nodig hebben dan andere.
Als je de ziekte phenylketonurie hebt dan mis je phenylalanine hydroxylase waardoor phenylalanine(essentieel) niet omgezet kan worden in thyrosine (niet essentieel). Doordat die omzetting niet kan plaatsvinden ontstaat er een ophoping van phenylalanine wat schadelijk is voor de hersenen. Daarnaast wordt thyrosine een essentieel eiwit omdat je het zelf niet meer kan aanmaken.

Een eiwit kan 4 structuren aannemen, primair, secundair, tertiair en quartair. De primaire structuur is de aminozuurvolgorde. De secundaire structuur bestaat uit de alfa helix en de beta sheet en loops. De tertiaire structuur is de phi-psi angle. En de quartaire structuur zijn verschillende polypeptidenketens bij elkaar, deze structuur komt alleen maar voor bij dieren en planten.

Een eiwit heeft drie functies in ons lichaam, zo dient het als bouwstof voor de huid, spieren, bloed, bot, haren en nagels, zorgt het voor de regulatie van onder andere enzymen en hormonen en dient het ook als energie. In ons lichaam zit dan ook ongeveer 10-12 kg eiwit waarvan 50% in je spier, bot en botweefsel en 50% intracellulair. Eiwitten zijn ook nodig voor transport denk aan hemoglobine, dit is het transport van O2 en CO2. Een andere functie is dat een eiwit ook dient voor de weerstand, immunoglobulinen bevatten eiwitten. Als enzym werken eiwitten ook, denk hierbij aan amylase wat een zetmeel losknipt door er maltose stukjes (2 glucosemoleculen) van te maken die later glucose worden. Insuline is een hormoon dat bestaat uit 51 aminozuren en 2 polypeptide ketens. Als laatste reguleren eiwitten ook de vochtbalans dit dot albumine bijvoorbeeld die de osmotische druk in de bloedvaten handhaaft.

Je haalt 4 kcal/ gram eiwit uit je voeding (atwater) waarbij energie vrijkomt door afbraak van aminozuren (deaminatie).

Metabolisme
De vertering en absorptie van eiwitten begint in de maag waar het enzym pepsine en het maagzuur al deels eiwitten afbreken. Daarna gaat het afbreken verder in je alvleesklier, waarbij in de cellen van je dunne darm de laatste delen van het eiwit worden afgebroken tot aminozuren. De aminozuren worden de portale ader in geabsorbeerd via waar ze inde lever terecht komen en zo ook in de algemene bloedstroom terecht komen. Als je te weinig eiwitten binnenkrijgt is dit terug te zien in je poep.
Bij Coeliakie en cystische fibrose is de vertering en absorptie van eiwitten verminderd.
Dit komt bij cystische fibrose doordat slijm de alveoli in de longen of de alvleesklierkanalen blokkeert.
Coeliakie is een auto-immuunreactie op gluten vanwege het eiwit dat in tarwe, haver en gerst zit.
Eiwitmetabolisme (aminozuurmetabolisme)


De aminozurenpool is de totale hoeveelheid aminozuren uit de voeding, eiwitrecycling en niet-essentile aminozuren die door het lichaam worden geproduceerd en die beschikbaar zijn voor metabolische verwerking. Deze pool is constant van ongeveer 100 gram en wordt gebruikt voor lichaamseiwitten, stikstof bevattende stoffen (serotonine/melanine), energie/ glucose en vet.

De stikstofbalans is het verschil tussen de stikstofinname uit voeding (voornamelijk eiwitten) en de hoeveelheid stikstof die in het lichaamsafval verloren gaat. Een positieve stikstofbalans komt veel voor bij kinderen, zwangere en mensen die herstellen van een ziekte. Bij deze positieve balans gaat er meer stikstof het lichaam in dan uit, ook wel de eiwitsynthese is groter dan de afbraak. Een negatieve balans vindt plaats bij uithongering/wonden en infectie er is dan in het lichaam afbraak van spiermassa en lichaamseiwitten om zo toch energie te krijgen. De stikstof inname is in dit geval kleiner dan de hoeveelheid stikstof die je lichaam uit gaat en de eiwitafbraak is dus groter dan de synthese.
Als er meer energie en eiwitopname is dan nodig wordt eiwit opgeslagen als vet dit is geen positieve stikstofbalans!

Voor de afbraak van aminozuren zijn er twee producten namelijk ketozuur en ammonia. Ketozuur wordt weer. Gebruikt voor glucose, niet-essentile aminozuren, vet en ketonlichamen. In de lever wordt ammonia samen met CO2 omgezet tot ureum dat naar de bloedbaan gaat en later via de nieren wordt uitgescheiden in urine.
Voedingsnormen
Voedingsnormen geven aan bij welke inname van een voedingsstof deficintieverschijnselen worden voorkomen en de kans op chronische ziekten zo klein mogelijk is. Deze normen zijn gericht op gezonde mensen met een gezond gewicht.
De voedingsnorm voor eiwitten bij volwassenen is 0,8g eiwit/ kg lichaamsgewicht. De spiereiwitsynthese is lager bij ouderen maar de afbraak is gelijk bij ouderen en jongeren. De synthese bij ouderen en jongeren is even hoog bij een hoge dosis van 40 gram eiwitten. Eiwitinname heeft een mogelijk gunstig effect op de vetvrije massa en de spierkracht indien deze gecombineerd is met meer fysieke activiteit. Het heeft geen invloed zonder fysieke activiteit en ook voor fysiek functioneren en je botgezondheid brengt eiwitinname niks bij.
In een wei eiwit (uit melk) zitten veel vertakte aminozuren zoals valine, isoleucine en leucine die mogelijk belangrijk zijn bij de spieropbouw.
Plantaardige eiwitten hebben mindere kwaliteit omdat ze een ander aminozuurpatroon hebben, minder eiwit/ gram bevatten en moeilijk te verteren zijn.
Hoorcollege 7: Energiebalans en overgewicht
Energie is in balans als er evenveel in- als uitgaat. Gaat er meer in dan uit dan heb je een positieve balans. Gaat er minder in dan uit dan heb je een negatieve balans en verlies je gewicht.
Energie inname
Energie inname is al het eten en drinken dat we binnenkrijgen. De hoeveelheid energie dat je hieruit binnenkrijgt ligt aan de voedingssamenstelling. De voedselbereiding (koken/bakken bv) speelt ook een grote rol op de hoeveelheid energie in een product.
Een Bomb-caloriemeter meet hoeveel warmte vrijkomt. Een product wordt verbrand en dan verwarmt water en komt water vrij, zo is aantal energie te meten. Als je indirect kijkt kijk je hoeveel O2 wordt verbruikt. Metaboliseerbare energie is de energie die je daadwerkelijk opneemt.
De hoeveelheid voedselinname speelt ook mee aan je energie inname. Beschikbaarheid, sport en hormonen benvloeden je innname.
Eetlust wordt vanuit hypothalamus naar maag gestuurd als je een lage bloedglucosewaarde hebt.
Verzadiging heeft twee soorten satiation dit is een vol gevoel tijdens de maaltijd (korte termijn) en satiety dit is het niet opnieuw gaan eten (lange termijn).
Stress en angst kunnen invloed hebben op je eetlust. Andere signalen zijn het tijdstip, beschikbaarheid van voedsel, zien/ proven van voedsel, portiegrootte, overvloed/verscheidenheid van voedsel en sociale interacties.
Welke voedingsproducten zijn het minst verzadigd (lage satiation)?
Vetrijke producten
Eiwitten zijn het meest verzadigend, ze zijn gekoppeld aan onze lichaamstemperatuur omdat deze verhoogd als eiwitten verteerd moeten worden. Vezelrijke producten hebben een lage energiedichtheid en zijn verzadigd op lange termijn. Ze vullen de maag en vertragen de absorptie van nutrinten. Vetrijke producten zijn erg smaakvol en hebben een hoge energiedichtheid. Vetten geven pas in dunne darm verzadigend gevoel door hormoon cholecysttokinine. Dit zorgt voor een hoge satiety en remt de voedingsinname maar pas erg laat.
Energieverbruik
Bij energieverbruik komt warmte vrij, thermogenese. Met een calorimeter kan je je energie verbruik bepalen, direct en indirect. Er zijn 4 componenten van energieverbruik.
Het basaalmetabolisme is het meten van zuurstofuitwisseling wanneer iemand ligt in rusttoestand. Het is het 2/3e van het dagelijkse energieverbruik, ademhaling, hartslag, filteren nieren, etc. BMR (basal metabolic rate) wordt vaak gemeten na slapen en wanneer je nuchter bent. Er is een verschil tussen mannen en vrouwen, mannen hebben meer spiermassa en die zijn hoog basaal metabolisch. Je gewicht speelt ook mee, bij een hoger vrije vetmassa heb je een hoger basaal metabolisme.
Je fysieke activiteit speelt ook mee. Je hebt energie nodig voor bewegen/sporten.
Thermische effect is alle energie dit nodig is voor vertering, absorptie, transport, opslag en uitscheiding. Dit is ongeveer 10% van je energie-inname. Als je in een keer heel veel eet is het thermische effect hoog.
Adaptieve thermogenese is de verbruikte energie wanneer iemand zich moet aanpassen aan veranderende omstandigheden. Bv als je brandwonden hebt dan kost dat 30-40% meer energie, ook bij extreme kou, warmte of hoogte.
De energiebehoefte verschilt per individu en voor het berekenen ervan hou je rekening met geslacht, groei/ontwikkeling,. Om dit te berekenen wordt gebruikt gemaakt van de Harris-Benedict formule (RER). Daarna doe je deze uitkomst x een PA factor en die uitkomst is de EER. Dit is je lichamelijke activiteit (geen tot veel beweging).
Overgewicht en obesitas
In Nederland heeft 50% overgewicht waarvan 14% obesitas. 1% heeft ondergewicht. Het minste overgewicht zit onder de mensen jonger dan 30 jaar en de hoog opgeleiden. Je lichaamsvet bestaat uit je aantal vetcellen en de grootte van vetcellen. In vetcellen zit triglyceride en daardoor gaan ze uitzetten. Bij een positieve energiebalans zullen de vetcellen uitzetten. Bij een negatieve balans zouden de vetcellen weer afnemen in massa alleen in de praktijk blijkt dat dit niet is. Daarom moet je in de kindertijd en puberteit preventie hebben om ervoor te zorgen dat je daar later geen last van hebt. Vetopslag rondom organen is gevaarlijk (visceral fat) maar je hebt ook vetopslag in vetweefsel (adipose tissue). Lipoproteinlipase (LPL) zorgt voor de opslag van triglyceriden in vetweefsel en spiercellen. Dit niveau is hoger bij mensen met overgewicht, de plaats in het lichaam (mannen in de buik, vrouwen in de heupen) en na gewichtsverlies. Je lichaam streeft naar homeostase door het metabolisme aan te passen. Door af te vallen gaat je energiebehoefte naar beneden. Je lichaam gaat in spaarstand door adaptieve thermogenese. Je vetcellen gaan in de stress door verhoogde LDL-activiteit. Als je meer wil afvallen moet je voedselinname laag blijven maar dat is lastig vol te houden op lange termijn.
Eiwitten die eetlust en energieregulatie benvloeden zijn leptinne en ghreline. Leptine wordt geproduceerd in vetweefsel en stimuleert de negatieve energiebalans. Ghreline wordt geproduceerd in de maag en stimuleert de positieve energiebalans. Een leptine effect komt niet echt voor. Bij muisstudies wel weggelaten maar die muizen werden zo rond als een tennisbal want hongergevoel werd niet onderdrukt.

Hoorcollege 8: Voedselverdeling wereldwijd
Volgens FAO is 2831 kcal per dag beschikbaar per persoon, 79,30g eiwit en 81,80g vet. Er is dus in principe genoeg voeding per dag voor iedereen. Oost-Afrika heeft maar 2103kcal beschikbaar terwijl in noord Amerika er 3659kcal beschikbaar zijn. Voor eiwitten en vetten geldt hetzelfde. Zuidoost-Azi zit op de rand met wat nodig is. Ondervoeding is het niet genoeg binnenkrijgen van macro of micronutrinten, deze mensen hebben meer kans op infectieziekten. 821 miljoen mensen in 2018 ondervoed waarvan 98% in ontwikkelingslanden (midden en oost Afrika). Sinds 2015 neemt het aantal mensen met honger/ die ondervoed zijn toe. Covid-19 heeft gezorgd voor vermindering van voedings- en gezondheidsdiensten en programmas daardoor zijn er 6,7 miljoen kinderen extra ondervoed geraakt. Ook nu zijn die programmas niet zoals ze waren. Deficinties is een tekort aan micronutrinten. Vitamine A tekort is een groot probleem. Door dit tekort kan je nachtblind worden en laten ook volledig blind worden (xertomie?). Er zijn veel verrijkingsprogrammas door bijvoorbeeld vitamine A toe te voegen aan suiker in Guatemala en in Nederland in margarine. Een gebrek aan jodium (Iodinne deficiency disorders) lijdt tot struma (goiter) dan krijg je een grote krop in je nek. Kan ook lijden tot cretinisme (dwerggroei) want dit kan je IQ aantasten. Om gebrek tegen te gaan wordt jodium toegevoegd aan het zout, ook in brood in Nederland. Tekort aan ijzer, foliumzuur of B12 (bloedarmoede) dit is een wereldwijd probleem. (Pellagra) 4 D/s diarhea, dermatitis, dementia, death dit komt door tekort aan vitamine B3 (niacine) Niacine tekort doordat het in mais weinig zit dus door limewater erbij te voegen bij het maken van tortillas meer niacine. Vitamine B1, hierdoor kan je niet meer goed op je benen staan (beriberi). Dit was eerste vitamine dat werd ontdekt. Nadeel met deficintieziektes en infectieziekten komen terug zodra ze de kans krijgen. Bij grote alcoholgebruiker is deficintie van vitamine B2 en B6 aanwezig. Schoolmelkvoorziening was belangrijk om extra vitamines en mineralen binnen te krijgen die ze thuis vaak niet binnenkregen. Na oorlog belangrijke voedingsmiddelen minder belasting te geven en luxeproducten zoals gebak meer belasting te vragen zodat mensen makkelijk voor gezonde keuzes gingen. Jodium ging in brood, vitamine A en D in margarine en Fluoride in drinkwater tegen caries (gaatjes in tanden). Andere toevoegingen waren niet toegestaan. Met fluoride in drinkwater gexperimenteerd, nu in tandpasta. Laagopgeleiden poetste minder goed hun tanden dus daarom ook in drinkwater. Sommige mensen kregen juist. Hierdoor te veel fluoride binnen waardoor mensen witte vlekjes kregen op tanden, vooral bij hoogopgeleiden, daarom uit drinkwater gehaald. Je ziet dat mensen die het, het minst nodig hebben het, het meest binnenkrijgen (hoog opgeleiden). Overvoeding is overgewicht, te. Veel macronutrinten, dit kan leiden tot chronische ziektes. Slechte voelding zorgt voor de double bourden, in een land: infectieziektes en chronische ziektes en in een persoon overgewicht/veel voeding en weinig nutrinten.
Oorzaken van chronische ziekten zijn het slechte voedingspatroon, beweging, leeftijd (meer volwassenen dan kinderen) en minder infectieziekten. Want die kunnen we bestrijden waardoor mensen ouder worden en hoe ouder je wordt hoe groter de kans. Obesitas was een probleem onder de rijken mar nu ook steeds meer onder de armen, vaak ook laagopgeleiden vaker overgewicht. Niet overdraagbare ziekten (NDSs) waarbij voeding in relatie staat. Denk aan tandbederf, hart- en vaatziekten, obesitas, diabetes type 2, osteoporose (botafbraak), voor sommige soorten kanker en mogelijk dementie, er is een aanwijzing voor maar geen duidelijke relatie. Type 2-diabetes leidt weer tot.

Hoorcollege 9: Micronutrinten vitaminen en mineralen
Vetten-eiwitten-koolhydraten. Energie en essentile voedingsstoffen
Alcohol Energie, geen essentile voedingsstof
Vitaminen-mineralen Geen energie maar wel essentile voedingsstoffen

Voedingsnormen
Voedingscentrum maakt een dagelijks advies op basis van voedingsnormen, denk aan de schijf van 5. De inname van populatie in Nederland wordt gevalueerd door RIVM. Zorgproffesionals kunnen op individueel niveau de inname afzetten aan de verwachte dag inname. Ook op etiketten vaak informatie.
Stelling 1: gemiddelde behoefte is de inname die voorziet in de behoefte van de helft van de bevolking. Correct.
Uitleg: Hoeveelheid die nodig is om de helft van de populatie (per groep kinderen, volwassenen) van voldoening te voorzien
Stelling 2: De aanbevolen hoeveelheid is het niveau van inname dat toereikend is voor vrijwel de gehele populatie (97,5%). Correct
Uitleg: formule om te berekenen = gemiddelde behoefte + 2 SD
Stelling 3: de aanvaardbare bovengrens staat gelijk aan het wenselijke niveau van inname. Incorrect
Uitleg: Aanvaardbare bovengrens geeft aan wat wij maximaal kunnen innemen zonder bijwerkingen, hierbij worden onzekerheidsfactoren meegenomen zodat als je erover heen gaat het niet gelijk toxisch is.
Adequate inname is het laagste niveau voor de hele populatie

Factoren die de behoefte kunnen benvloeden
Bio beschikbaarheid is de fractie van de inname van een voedingsstof die beschikbaar is voor normale fysiologische functies of voor opslag. Dit wordt benvloed door efficinte vertering, methode van voedselbereiding, structuur/ chemische vorm, matrix of andere voedingsmiddelen die tegelijk kunnen worden geconsumeerd
Bioconversie is wanneer een precursor wordt omgezet in een werkzame voedingsstof.
Leefstijl & omgevingsfactoren
Vitamines zijn complexe organische moleculen met specifieke functies. Ze zijn essentieel in kleine hoeveelheden
Vraag 1: Wat is geen kenmerk van wateroplosbare vitamines?
Velen hebben een transporteiwit nodig
Deze vitamines worden direct in de bloedbaan opgenomen
Vraag 2: Welke voedingsgroep is de voornaamste bron van foliumzuur
Groene bladgroente
Vlees
Vraag 3: Wat is een van de functies van vitamine c?
Cofactor samen met calcium in bloedstolling
Cofactor in de vorming van collageen
Wateroplosbare vitamines
Wateroplosbare vitamines zijn vitamine C en B. een overschot gaat verloren via urine dus je kan moeilijk een over inname hebben in je lichaam. Vitamine B6 kan wel toxisch worden als je te veel ingenomen hebt.
Foliumzuur heeft vitamine 12 nodig om actief te worden en vitamine 12 heeft foliumzuur nodig om actief te worden. Dit gebeurt door de methylgroep te pakken van
De aanvaardbare bovengrens geldt alleen voor synthetisch foliumzuur. Bij een vitamine B12 tekort is er kans op onherstelbare neurologische schade ook op een spina bifida en op megaloblastische anemie

Vraag 4: Welke van volgende is geen kenmerk van vet oplosbare vitamines?
Ze vormen lager risico op toxiciteit dan wateroplosbare vitamines
Ze worden voor lange tijd opgeslagen in het lichaam
Vraag 5: Wat is een van de eerste symptomen van vitamine A defficientie
Luchtweginfecties
Nachtblindheid
Vraag 6: vitamine D3 komt hoofdzakelijk voort uit [1] producten terwijl vitamine D2 voortkomt uit [2] producten
1 =dierlijk 2 =plantaardig
1 =plantaardig 2= dierlijk
Vetoplosbare vitamines
Vitamine A, D, E, K. onoplosbaar in waterige maagsappen, opgeslagen in lever en vetweefsel, deficinties ontstaan over tijd. Gal is nodig voor vertering en absorptie.
Vitamine D belangrijk voor botgroei en botmassa behoud. Ook van immuunsysteem. Voeding en zonlicht, kan niet te veel zelf aanmaken. 25 hydroxy vitamine D is nog niet actief maar is wel hetgeen wat gemeten wordt.
Vet in voeding is nodig voor absorptie. Ouderen hebben hogere dagelijkse behoefte van vitamine D, want hoe ouder je wordt hoe minder goed je huid zelf vitamine kan maken en verminderde nierfunctie speelt ook mee. Bij een deficintie neem je vitamine D niet op.

Vraag 7: Een vergroting van de schildklier wordt veroorzaakt door een tekort aan
Kalium
Jodium
Vraag 8: wat is geen kenmerk van een kaliumtekort?
Verminderde eetlust
Vertraagde groei bij kinderen
Vraag 9: Welke twee mineralen hebben de grootste rol in het behouden van de vochtbalans in jet lichaam?
Kalium en natrium
Natrium en magnesium
Hoorcollege 10: Klinische voeding
Door ondervoeding allemaal gevolgen zoals afname kwaliteit van leven, mortaliteit, hogere behandelingskosten, etc. ondervoeding wordt bepaald door je BMI, gewicht en vet Dit zijn fenotypes en wanneer 1 van deze verlaagd is spreek je nog niet van ondervoeding. Maar als er ook een ethologisch criteria aanwezig is zoals verminderde voedingsinname of inflammatie dan spreek je wel van ondervoeding. Hoe ouder ouderen worden hoe hoger de prevalentie voor ondervoeding is. SNAQ is een methode die wordt gebruikt om ondervoeding te bepalen.
Problemen met voedingsopname, verandering van metabolisme en verminderde voedingsinname zijn factoren die meespelen met ondervoeding. Verminderde voedingsinname kan komen door bij opname (links) en tijdens de behandeling (rechts).
Door screening proberen ze ondervoeding te voorkomen, als je het al hebt en een CT wilt maken is dit inefficint want kan niet bij iedereen en is duur. Ben je volgens screening positief dan gaat een ditist verdere analyse doen. Er wordt gekeken naar somatische, psychische, sociale en functionele factoren. Na lang niet eten moet je het langzaam weer opbouwen qua hoeveelheid. Bij inflammatie breekt je spiermassa af en is er veel behoefte aan aminozuren die je miss niet hebt en dan ga je je eigen stoffen gebruiken, grote oorzaak dus voor ondervoeding.
Wasting is het ondervoed zijn zonder ziekteverschijnselen, hierbij is er gebrek aan voedsel (honger gerelateerd) of is het socio-economisch of psychisch gerelateerd denk aan zelfverwaarlozing, vereenzaming, etc. Grootste oorzaak is verminderde voedingsinname. Behandeling is optimale voeding.
Cachexie is ondervoed zijn met ziekteverschijnselen (tumor), dit is veel bij oncologische en cardiologische patinten. Er is veel massa verlies wat leidt tot progressieve functionele beperkingen. Grootste oorzaken zijn inflammatie en endocriene. Patinten met chemotherapie hebben vaak ook smaakverandering, droge monden obstipatie.
Bij anorexia heb je vaak een verhoogd metabolisme maar wel een afname van voedingsinname.
Sarcopenie is een progressieve skeletspieraandoening die geassocieerd is met een verhoogde kans op negatieve uitkomsten denk aan vallen, fracturen, etc. Dit bestaat primair, dit is door leeftijd en secundair, dit is als gevolg van een secundaire invloed het proces wordt versneld. Grootste oorzaken zijn inactiviteit en neuromusculaire atrofie. Kan je behandelen door veel eiwitten in te nemen en te bewegen.
Spiermassa verlies komt door onvoldoende voedingsinname, inflammatie, inactiviteit, endocriene processen en neuromusculaire atrofie.
Energieverbruik is te bepalen aan de hand van je leeftijd, geslacht, lichaamssamenstelling, activiteit en ziekte.
Katabole toestand is wanneer je je eigen eiwitten gaat afbreken. Normaal heb je 0,8 gram/kg nodig maar als je ziek bent heb je 1,2 tot 1,7 gram nodig.
Sondevoeding krijg je binnen via een fles of slang, je krijgt dit vaak via een polymere vorm binnen, dit zijn grote moleculen (eiwitten, vetten en koolhydraten) die nog redelijk intact zijn. Het kan ook in oligomere vorm, hier zijn de moleculen al meer verteerd. Dit gebeurt als het probleem wat verder in het maagdarmkanaal zit. Vaak gaat slangetje via neus naar binnen en door paar keer slikken gaat die naar beneden. Tot maag is neusmaagsonde, verder de maag in is neusduodenumsonde, tot darm is neusjejunumsonde. Door limonade te drinken kan je makkelijk checken of slang goed ligt. Door percutane endoscopische gastronomie (PEG) kan je plaatselijk slang in maag of darm doen. Voeding via sonde gaat intermitterend (alleen s nachts, overdag niet gekoppeld) continue of bolus (bepaalde momenten op de dag). Naast sonde kan je ook nog normaal eten. Voordelen van sondevoeding is eenvoudig toe te dienen, je kan de darm integriteit handhaven en in stand houden van kolonisatieresistentie. Nadelen zijn complicaties (malpositie, misselijkheid, obstructie van naaldkatheter, bij PEG ook kans op wondinfectie) en dat het relatief belastend is, ook sociaal.
(Totale) parenterale voeding (T(PV)) houdt in dat nutrinten intraveneus worden toegediend in dezelfde vorm en onder dezelfde omstandigheden als na absorptie van de orale voeding door darmmucos (aminozuren, vetzuren en glucose). Je kan dan niks anders meer eten naast deze voeding. De toedieningsweg is via een groot bloedvat en dan het liefst naast het hart (vena subclavia of vena jugularis). Liefst eerst door stukje huid en dan pas in bloed i.p.v. gelijk in bloed, dus een getunnelde katheter, dit is wel lastiger toe te brengen maar brengt minder risicos met zich mee. Je kan het ook toedienen via een infuuspomp. Aseptisch werken is hierbij van groot belang. je krijgt dit alleen als het onmogelijk is om anders voeding tot je te krijgen, wanneer er. Een contra-indicatie is (fistels, acute pancreatis, etc.) en wanneer er sprake is van malabsorptie.
Hoorcollege 11: Voedselconsumptiemethoden
Waarom meten we voedselinname?
We meten de voedselinname om dat we genteresseerd zijn in de relatie van voeding en gezondheid maar ook in het geven van advies voor goede voeding en we voedingsmiddelen willen verrijken. Voeding is een belangrijke oorzaak van de ziektelast. Dus we hebben informatie nodig om de link tussen voedsel en gezondheid te achterhalen. Als je deze informatie hebt worden er richtlijnen opgericht door de gezondheidsraad. Hier wordt ook gekeken naar de richtlijnen in het buitenland om te vergelijken. Aanbevelingen worden vertaald naar de schijf van vijf door het voedingscentrum. Dit zijn de inzichten in de voedselinname. Van de gemiddelde Nederlander en hoe kunnen we de richtlijnen daarop aanpassen. Ook wordt er gekeken of voedsel verrijkt moet worden. Dit is het toevoegen van voedingsstoffen aan voedingsmiddelen/dranken die zijn van nature niet bevatten. Jodium is toegevoegd aan zout bijvoorbeeld, vitamine D aan margarine. Voor Foliumzuur in brood is er veel discussie. Calcium is ook een discussiepunt of het toegevoegd moet worden en waar. Omega 3 visvetzuren is ook de vraag waar toe te voegen.
Indirecte methoden
Food balance sheets maken gebruik van import, productie en exportgegevens en hiermee kan je herleiden hoeveel voedsel beschikbaar is over een gehele bevolking. Er wordt gerekend naar hoofd van de bevolking.
Biomarkers meet naar stoffen in het lichaam om een indruk te krijgen van de inname van een nutrint via voeding. Voordelen zijn dat het onafhankelijk is van rapportagefouten en van voedingsstoffen databank. Nadelen zijn dat er beperkte beschikbaarheid is van voedingsstoffen, lichaamsvloeistoffen of weefsels nodig zijn, er fouten ontstaan in het verzamelen opslaan en analyseren en dat het wordt benvloed door genetische factoren en ziekte. Indicatie voedselinname weinig biomarkers zijn hier goed in, indicatie van status bijvoorbeeld ijzer meten want ijzer in voedselinname is anders dan ijzer in bloed.
Directe methoden
Mondelinge technieken
Dietary history is het navragen naar een weekdag en weekenddag hierbij wordt een checklist en een crosscheck gedaan aan de hand van een interview. Voordelen zijn dat je het beeld van voedselgebruik gedurende een langere periode in het verleden kan achterhalen. Het is een open methode (je bent open voor alle antwoorden, wat heb je gegeten?), er is veel detail mogelijk en er is een grotere reproduceerbaarheid dan 24-uurs recall. Nadelen zijn dat het arbeidsintensief is, je goed getrainde interviewers nodig hebt, het afhankelijk van capaciteit van deelnemers is en dat er beperkte informatie over bijzondere consumptie of extraatjes is.
24-uurs recall is het navragen naar consumptie in de afgelopen 24 uur. Voordelen zijn dat het relatief eenvoudig is, open methode, je nauwkeurige en gedetailleerde gegevens krijgt en dat het weinig belastend is voor respondenten. Nadelen zijn dat het slechts gegevens zijn van 1 dag, het erg duur kan zijn, er beperkte informatie is over bijzondere consumptie of extraatjes en dat je goed getrainde interviewers moet hebben.
Schriftelijke technieken
Voedseldagboek houdt in dat respondenten noteren welke voeding ze hebben ingenomen op vooraf afgesproken dagen. Voordelen zijn wegen en noteren geeft vrij nauwkeurige gegevens, goed beeld van tijdstippen van consumptie, er hoeft geen beroep gedaan te worden op het geheugen en het is een open methode. Nadelen zijn dat de voeding tijdens het onderzoek kan veranderen door bewustwording, het is een momentopname en het vergt veel tijd en inzicht van de respondenten.
Voedselfrequentielijst
Dit is het navragen naar de frequentie van voedingsmiddelen die voor het onderzoek het meest essentieel zijn over een gedurende periode. Voordelen zijn dat het goedkoop is, zelf-ingevuld kan worden, je meet over een langere periode, kan grote tekortkomingen in de voeding identificeren en is goed te gebruiken voor voedingsstoffen die niet in veel producten voorkomen. Nadelen zijn dat het een gesloten methode is, het niet geschikt is voor een groot aantal voedingsstoffen en het relatief veel en grof schatten is van de inname.
Screeners
Hier geef je een verkorte vragenlijst om indruk te krijgen van de voedselinname waarbij de voedingsmiddelen van belang zijn voor een specifieke aandoening of risicofactor. Maar je kan ook kijken naar voedingsmiddelen die indicatief zijn voor een ongezond voedingspatroon. Er wordt gekeken naar de frequentie van inname en niet de hoeveelheid. Je kan ook kijken naar een maaltijdpatroon.
Validiteit
Reproduceerbaarheid is de matte waarin meerdere waarnemingen onder gelijkblijvende omstandigheden hetzelfde resultaat opleveren.
Validiteit is de mate waarin een meetinstrument daadwerkelijk meet wat het beoogt te meten, waardoor het legitiem is om conclusies te trekken.
Onderrapportage kan je validiteit benvloeden. Factoren die hiermee geassocieerd zijn zijn gewicht leeftijd, geslacht, gezondheid gerelateerde activiteiten en specifieke producten.
Nevo staat voor het Nederlandse voedingsstoffenbestand hierin staan voedingswaardegegevens van de in nederland meest gegeten voedingsmiddelen en specifieke producten.
VCP staat voor voedselcunsumptiepeiling en
Hoorcollege 12: De macht van het menu
Een ecologische afdruk van 0,9 gha of minder is het eerlijke aarde aandeel (wat per persoon beschikbaar is op de hele wereld). 1,6 gha is de gemiddelde. Voetafdruk voor de Nederlanders. 2740 liter water per dag is er beschikbaar per persoon in de wereld. Het gemiddelde van Nederlanders ligt op 3800 liter. Dit is intern en extern, dus ook het deel dat in het buitenland gebruikt wordt (voor gewassen etc). Water voor runderen, water dat nodig is om gebruikt water te reinigen, stal te reinigen, etc. Voor 1kg rundervlees is er 15 liter water nodig. Bij voedsel en landbouw wordt er gekeken naar de gezondheid, lokale effecten, verdeling welvaart en sociaal en fysieke houdbaarheid en schaarste. 53% van voedselverspilling is thuis door consumenten. Voedselverspilling is in Europa verantwoordelijk voor 6% van de totale uitstoot van broeikasgassen door menselijke activiteiten. Brood en deegwaren is de nummer een vast voedsel dat wordt verspild, zuivel is nummer 2. Bij vloeibaar voedsel is dit koffie en thee.
op
. De oefenexamen moet geschreven zijn op het niveau van de Universiteit. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 25.

Answer generated by AI Report answer

Ask a study question and we will try to answer it as best we can.

Ask a question
 
Log in via e-mail
New password
Subscribe via e-mail
Shopping Cart

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

[Inviter] gives you € 2.50 to purchase summaries

At Knoowy you buy and sell the best studies documents directly from students. <br> Upload at least one item, please help other students and get € 2.50 credit.

Register now and claim your credit