Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Cel: kleinste eenheid van leven:
o Ze kan op zichzelf bestaan dankzij het metabolisme = stofwisseling
Metabolisme = het geheel van chemische reacties in ons lichaam.
Vb. de verbrandingsreacties in de cel. V+O2 A +H2O +CO2
Ze kan haar soort in stand houden dankzij de voortplanting.
o Het aantal individuen neemt toe voortbestaan.
o Het vermogen om te reageren op prikkels van buitenaf.
o Groei.
o Adaptatie.
Meercelligen zijn ontstaan uit ncelligen. Ook ons lichaam bestaat uit meerdere cellen. Deze verschillende cellen in ons lichaam hebben een eigen taak en hebben hun bouw aangepast aan hun functie. Dit heet differentiatie.
Tekening:
CEL MEERCELLIGEN
Er is nood aan verversing van het inwendig milieu (interstitieel vocht) om te overleven, want de cellen vervuilen dit door hun metabolisme. Ze nemen voedingsstoffen (V) hieruit op en geven afvalstoffen (A) hierin af. Dit heet homeostase.
o Homeostase is het vermogen om het inwendig milieu constant te houden. Alle systemen in het lichaam veroorzaken veranderingen in het inwendig mileu, doordat deze mekaar benvloeden worden deze veranderingen heel snel weer gecorrigeerd.
o Vb: Sporten (productie van koolstofdioxide).
Bloedvaten met bloed zijn nodig om voedingsstoffen ( V ) aan te voeren en
afvalstoffen ( A ) af te voeren.
Maar dit leidt op zijn beurt tot vervuiling van het bloed. Daarom zijn
orgaanstelsels ingeschakeld op de bloedbaan om het bloed te zuiveren: zij staan in verbinding met de buitenwereld waaruit voedingsstoffen worden opgenomen en afvalstoffen worden afgegeven.
De cordinatie van de werking van de orgaanstelsels gebeurt door
Hormoonstelsel ( traag ) en autonome zenuwstelsel ( snel ) = onwillekeurige zenuwstelsel.
De mens kan in wisselwerking treden met zijn omgeving via:
o Sensoriek = prikkels opvangen uit de buitenwereld
o Motoriek = reageren op de prikkels met o.a. beweging
Dit wordt gecordineerd door: animale of willekeurige zenuwstelsel.
2.2 BOUW VAN DE CELLEN: P.24
Tekening
1. Celmembraan
2. Celkern = nucleus
3. Cytoplasma met celorganellen
2.2.1 CELMEMBRAAN
BOUW:
Het celmembraan is opgebouwd uit:
o Een dubbellaag vetten (fosfolipiden), met tussenin cholesterol moleculen ter versteviging.
o Tussen beide lagen bevinden zich eiwitmoleculen.
FUNCTIE: P. 25
o grens tussen 2 waterige milieus het intersttieel vocht en het
cytoplasma.
o Het celmembraan is noodzakelijk, bij beschadiging van het celmembraan gaat de cel dood.
o Het regelt ook het transport en de uitwisseling tussen celinhoud en de omgeving. Het celmembraan gedraagt zich als een moleculaire zeef.
MEMBRAANTRANSPORT: DIFFUSIE EN ACTIEF TRANSPORT.
o Passief membraantransport. Dit lijkt vanzelf te gaan. Toch is
het een kracht,nl. een concentratieverschil tussen twee plaatsen dat de
deeltjes doet verplaatsen. Stoffen streven namelijk altijd naar een evenwichtssituatie, ze proberen overal in gelijke concentratie aanwezig te zijn:
Diffusie
Deeltjes verplaatsen van een plaats met hoge concentratie naar een plaats met lage concentratie, totdat de deeltjes overal gelijkmatig verspreid zijn. Vb. klontje suiker in tas koffie
Tekening:
De deeltjes kunnen ook verplaatsen doorheen een semi-permeabel
(= half doorlaatbaar ) membraan als dit doorlaatbaar is voor de deeltjes.
Vb O2 en CO2
Tekening:
Osmose
Als de deeltjes niet door het membraan kunnen, verplaatst het oplosmiddel in omgekeerde zin dus van een plaats met lage
concentratie naar een plaats met hoge concentratie. Dit proces
heet osmose
Tekening:
Actief transport
Dit verloopt niet vanzelf maar vergt energie, geleverd door ATP (zie verder)
( vgl. water wordt bergop gepompt !).
De deeltjes worden door middel van pompen in het membraan getransporteerd van een plaats met lage concentratie naar een plaats met hoge concentratie.
vb. ionenpompen ( Na /K ) , Ca / P , suikerpompen.
2.2.2 CYTOPLASMA EN ORGANELLEN P.26
CYTOPLASMA
De naam voor alles wat in de cel aanwezig is me uitzondering van de kern. Het cytoplasma bestaat uit 2 delen; cytosol (celvloeistof) en de organellen.
CYTOSOL
Celvloeistof bestaat uit water en eiwitten, vetachtige stof, mineralen.
CELORGANELLEN
o Mitochondrin:
Energiecentrales van de cel. Hier wordt ATP (adenosinetriphosfaat) aangemaakt, waarin onmiddellijk bruikbare energie zit opgeslagen. Bij het afsplitsen van een fosfaatgroep van ATP komt energie vrij.
Deze energie wordt oa. gebruikt voor spiercontractie en actief membraantransport,
Vb levercellen en spiercellen hebben veel mitochondrien, want zij gebruiken veel energie.
o Endoplasmatisch reticulum:
Gangennetwerk in de cel voor transport van stoffen (vgl. een metro).
Glad ER: zonder ribosomen (SER)
Ruw ER: met ribosomen (RER)
o Golgi-apparaat:
vgl. met een inpakdienst van stoffen voor export. Stoffen worden verpakt in blaasjes die zich begeven naar het celmembraan en hun inhoud uitstorten buiten de cel = exocytose.
Vb Kliercellen hebben een goed ontwikkeld golgi-apparaat.
o Lysosomen:
Zorgen (met behulp van enzymen) voor afbraak van stoffen binnen de cel.
o Ribosomen:
Hier gebeurt de eiwitsynthese. (vgl. fabriekjes langs de metro). Ze komen los voor in de cel, aan de buitenkant van de celkern en op het Ruw ER.
CELKERN - NUCLEUS P.26
Is de grootste organel binnen de cel.
Alle cellen hebben 1 of meerdere kernen, RBC geraken hun celkern kwijt tijdens hun rijpingsproces.
De celkern is omgeven door een dubbelwandig membraan, de ruimte tussen de beide membranen staat in verbinding met het ruw endoplasmatisch reticulum. Op verschillende plaatsen zien we porin in het membraan. Door deze openingen kan uitwisseling plaatsvinden tussen de celkern en het cytoplasma van de cel.
De celkern speelt een belangrijke rol bij de vermenigvuldiging en deling van ons erfelijk materiaal.
DNA EN RNA
o Nucleolus: bestaat uit RNA.(= ribonuclenezuur) zit in de kernlichaampjes
o Chromatine: bestaat uit DNA (=desoxyribonuclenezuur ); dit vormt voor een celdeling de chromosomen. ( = opngeplooid DNA )
MENSELIJKE CHROMOSOMEN
o Dragers van de erfelijke eigenschappen vb. lengte, aanleg muziek,.
o Aantal: 46, 23 paar:
22 paar autosomen, dit zijn onze lichaamschromosomen
1 Paar = 2 gelijkvormige chromosomen, even groot en met genen voor dezelfde genetische eigenschap op dezelfde plaats.
n paar geslachtschromosomen: : xx of : xy.
2 SOORTEN CELLEN
o Diplode cellen (2n) bevatten 46 chromosomen (2 exemplaren per chromosoom).
o Haplode cellen (n) bevatten 23 verschillende chromosomen (van elk paar slechts 1 exemplaar in celkern).
vb eicel bij de vrouw en zaadcel bij de man.
EIWITSYNTHESE P.33
DNA
Zit in de kern en kan de kern niet verlaten.
Bouwstenen van het DNA zijn aan n gekoppeld tot n keten.
Tekening
DNA is een dubbele keten:
Het bevat 4 basen: 2 aan 2 complementair: A-T/G-C
( adenine thymine )
( guanine cytosine )
Tekening
Helix (dubbelspiraal)
RNA:
Is een copie van een stukje DNA, het is enkelstrengig en bevat de complementaire basen. Het kan de kern verlaten.
Is een boodschappermolecule dat de info om n eiwit mee te maken uit de kern overbrengt naar de ribosomen.
EIWIT:
Wordt aangemaakt t.h.v. de ribosomen op het ER en dus buiten de kern
Drie basen op het RNA coderen voor n bepaald type aminozuur. De aminozuren worden alzo in een bepaalde volgorde achter elkaar gekoppeld tot een eiwit.
Tekening
De opnvolging van de basen in het DNA (= de genetische code) bepaalt de opnvolging van de aminozuren in het eiwit en dus het type eiwit.
2.3 CELDELING P. 36
2.3.1 MITOSE
Wat? n (moeder)cel splitst in twee volledig identieke (dochter)cellen met:
Hetzelfde aantal chromosomen, 2n= diplod (46 chromosomen).
Dezelfde genetische samenstelling.
Waar? Overal in het lichaam:
Voor groei (foetus, kind, volwassen).
Voor herstel (schaafwonde).
2.3.2 MEIOSE
Wat? n (moeder)cel splitst in (dochter)cellen met:
De helft van het aantal chromosomen, n= haploid (23 chromosomen).
Eventueel gewijzigde genetische structuur.
Waar? In ovaria & testes bij vorming van eicellen en zaadcellen
( 2x /22 ) + x/x eicellen: 22+ x
( 2x /22 ) + x/y zaadcellen: 22+ x
22+ y man bepaalt geslacht
Bij bevruchting : (22+x:eicel) + (22+x:zaadcel) (2x22)+xx=
(22+x:eicel) +(22+y:zaadcel) (2x22)+xy=
2.4 ORDENING VAN DE VELE SOORTEN WEEFSELS P. 39
2.4.1 WEEFSELS
Zijn cellen met eenzelfde bouw en functie.
Vb. epitheel-, bot-, kraakbeen-, spierweefsel.
2.4.2 ORGANEN
Zijn verschillende weefsels die samen een functie vervullen.
Vb. hart, maag,
2.4.3 ORGAANSTELSELS
Zijn organen die samen een levensfunctie vervullen.
Vb. uitscheidingsstelsel, spijsverteringsstelsel,
3. DE WEEFSELS
3.1 DEKWEEFSEL (EPITHEEL WEEFSEL) P.45
BOUW P.48.
Cellen:
o Dicht tegen mekaar gelegen met zeer weinig
tussenstof.
o Regelmatig van vorm: plaveisel, kubisch, cilindrisch.
o Bestaan uit n of meerdere lagen.
FUNCTIES.
Oppervlakte-epitheel:
Bedekkend, beschermend, uitwisseling van stoffen met de omgeving.
Vb.
o Huid:
Bedekkend, beschermend tegen micro-organismen / uitdroging. Uitwisseling van stoffen.
Vb. zweet.
o Darmepitheel / mucosa:
Schermt af van de buitenwereld, uitwisseling van stoffen:
afscheiding sap en slijm, opname voedingsstoffen, diffusie in de longen van O2 en CO2.
Klierepitheel:
Productie en secretie van stoffen.
Vb.
o Endocriene klieren:
Produceren hormonen in het bloed (= in het lichaam).
vb. insuline uit pancreas.
o Exocriene klieren:
Produceren en scheiden stoffen af naar de buitenwereld.
vb. zweetklier.
Zintuigepitheel:
Prikkels waarnemen/ opvangen vanuit de buitenwereld.
Vb.
o Staafjes & kegeltjes in het netvlies v/h oog: licht omzetten in elektrisch signaal.
o Waarnemen van tast- en pijnprikkels op de huid.
3.2 STEUNWEEFSEL P.52
BOUW.
Cellen verspreid gelegen in veel tussenstof
waarin ook vezels (vb. collageen ) gelegen zijn.
SOORTEN STEUNWEEFSELS MET PLAATS VAN VOORKOMEN EN HUN FUNCTIES P. 53
Bindweefsel (los):
Verbindt weefsels.
Vb.
o Pezen verbinden spierweefsel met botweefsel.
o Ligamenten verbinden botten.
o Kapsel rond gewrichten verbinden botten.
o Lagen in een wand worden verbonden: epitheel met spierweefsel.
Opm: Bloed en vetweefsel zijn speciale soorten van bindweefsel.
Kraakbeen (vaster):
Geeft vorm & stevigheid (plooibaar).
Vb.
o Oorschelp, neuspunt, ribkraakbeen, meniscus,..
Botweefsel (vast):
Vorm & stevigheid, niet vervormbaar.
Vb.
o Skelet, compact botweefsel , spongieus botweefsel.
3.3 SPIERWEEFSEL P. 63
EIGENSCHAP:
Contractie.
SOORTEN:
Dwarsgestreept spierweefsel:
Willekeurig, motorisch bezenuwd.
Vb.
o Skeletspieren, uitwendige sfincters.
Glad spierweefsel:
Onwillekeurig/ autonoom bezenuwd.
Vb.
o In de wand van holle organen : maag, urineblaas,
o En in kanalen: bloedvaten, spijsverteringskanaal, ureters, luchtwegen.
Hartspierweefsel:
Onwillekeurig/ autonoom bezenuwd.
t.h.v. hart = myocard.
3.4 ZENUWWEEFSEL P.65
NEURONEN P.65
BOUW
1: dendrieten, 2: cellichaam, 3: axon en 4: myelineschede met knopen van Ranvier.
Tekening:
PRIKKELGELEIDING IN ZENUWWEEFSEL P.67.
Functie:
o Electrische prikkels opvangen via dendrieten.
o Voortgeleiden van de elektrische prikkel via cellichaam en axon.
o Overbrengen van de electrische prikkel t.h.v. een synaps. (zie verder thema 10).
Opm: de myelineschede zorgt voor een snellere prikkelgeleiding.
DE STEUNCELLEN GLIACELLEN.
Functie:
o steun, voeding, bescherming (bloed-hersenbarrire) en afweer.
4. HET BLOED
4.1 INLEIDING
4.2 SAMENSTELLING EN FUNCTIES VAN HET BLOED P.139
SAMENSTELLING:
Bloedplasma :
water als oplosmiddel met opgeloste stoffen:
voedingsstoffen, afvalstoffen, hormonen - eiwitten.
Bloedelementen: 6.2 6.3
o Erythrocyten: rode bloedcellen meeste hebben geen kern meer.
o Leucocyten: witte bloedcellen verschillende soorten.
o Thrombocyten: bloedplaatjes geen echte cel.
Hematocriet zie ook p.146
o Verhouding van het volume bloedelementen t.o.v.het totale bloedvolume.
volume bloedelementen = 45 ml= 0,45 of 45% Totale bloedvolume 100 ml
Na centrifugeren
Vloeibaar = bloedplasma = 55ml Bloed: 100ml
Vaste = bloedelementen = 45 ml
FUNCTIES VAN HET BLOED P.139
Transport van opgeloste stoffen: in het water, om het inwendig milieu optimaal te houden.
Verversen van het inwendig milieu : voedingsstoffen aanvoeren en afvalstoffen afvoeren.
Bescherming : afweer: wbc & antistoffen =Ig..
Bloedstelping: bloedplaatjes & stollingseiwitten.
Verdeelt warmte over het hele lichaam.
4.3 RODE BLOEDCELLEN
VORM P.144
Biconcave schijfjes.
Voordeel:
o Plooibaar / vervormbaar.
o Hierdoor kunnen ze door nauwe capillairen.
Volwassen RBC hebben geen celkern (chromosomen) of organellen aanwezig.
1/3 gevuld met hemoglobine Hb.
AANMAAK VAN RODE BLOEDCELLEN (P.143)
Aanmaak, t.h.v. het rode beenmerg, gelegen in spongieus bot.
Erythropoietine (EPO) is een hormoon afgescheiden door de nier bij verminderd zuurstoftransport doorheen het lichaam. Dit hormoon stimuleert de productie van rode bloedcellen.
Nodig voor de aanmaak zijn: Fe = ijzer: bestanddeel van hemoglobine (Hb).
Vit B12 / foliumzuur : voor celdeling.
Levensduur, gemiddeld 120 dagen.
AFBRAAK VAN DE RODEBLOEDCELLEN
Hoofdzakelijk t.h.v. de milt.
Afbraakproduct = bilirubine, dit wordt verwijderd uit het lichaam via lever:
o Lever gal duodenum faeces
o Lever bloed nier urine
Fe (=ijzer) komt vrij en wordt opnieuw gebruikt of opgeslagen in de lever, milt of beenmerg.
EN: HEMOGLOBINE FUNCTIE VAN DE RODE BLOEDCELLEN P. 145-146
Zuurstoftransport: Hb + O2 oxy Hb (dit noemen we oxyhemoglobine).
Hemoglobine is het onderdeel van een rode bloedcel dat zuurstof kan binden.
!! CO koolstofmonoxide is giftig en neemt de plaats in van O2 op de hemoglobine.
4.4 WITTE BLOEDCELLEN
SOORTEN WITTE BLOEDCELLEN MET HUN FUNCTIE P. 147
Granulocyten
Bezitten korrels/granulen van bepaalde kleur in cytoplasma.
o Eosinofiele granulocyten:
o temperen van een allergische reactie.
o Basofiele granulocyten:
o lokken een allergische reactie uit door histamine.
o Neutrofiele granulocyten, worden ook microfagen genoemd:
o Gaan bij een ontstekingsreactie fagocyteren.
T- en B- lymfocyten:
o Specifieke immuniteit (zie volgende pagina).
Macrofagen en monocyten:
o Zijn de grootste witte bloedcellen.
o Gaan bij een ontstekingsreactie fagocyteren (= in zich opnemen en verteren (mbv lysosomen) van binnendringers).
o Macrofagen zijn gelijk aan de monocyten die de bloedbaan verlaten hebben. Ze kunnen zich nestelen in het bindweefsel.
ALGEMENE AFWEER
Algemene reactie van het lichaam op elke lichaamsvreemde stof = antigen (Ag). Dit leidt tot ontsteking : reactie v.h. lichaam op elke weefselbeschadiging.
Lokale symptomen zijn:
o Roodheid : rubor
o Warmte : calor
o Zwelling : tumor
o Pijn : dolor
o Functieverlies : functio laesa
Algemene symptomen zijn: koorts ,malaise ( moe, geen eerlust,)
Het Ag wordt gefagocyteerd door microfagen en macrofagen.
As = antistof Ig = immunglobuline.
Ag = cellen met lichaamsvreemde antigen = indringers.
Andere afweer dat zorgt dat MO niet kunnen binnendringen: Huid dekweefsel. Niezen, hoesten, braken, diarree, tranen. Maagzuur, commensale flora.
SPECIFIEKE AFWEER
Tegen specifieke micro-organismen.
ANTISTOF-PRODUCTIE DOOR B-LYMFOCTEN (HUMORALE IMMUNITEIT)
Antistoffen zijn immunoglobulines Ig bestaande uit:
Twee korte ketens = variabel deel, passend bij n bepaald Ag.
n lange keten = niet-variabel deel, herkenbaar door de macrofagen.
CELVERNIETIGING DOOR T-LYMFOCYTEN (CELLULAIRE IMMUNITEIT)
T-lymfocyten hebben een receptor voor:
Lichaamseigen cel + virus/ Ag of
Vreemde cel/ transplantaatcel.
Specifieke immuniteit moet opgebouwd worden bij het eerste contact. Dit duurt 7 tot 14 d, waardoor men ziek wordt (onsteking door algemene afweer). Bij een tweede contact met hetzelfde Ag is er specifieke immuniteit: er is een geheugen voor het Ag ziek wordt.
Vandaar dat we iedere griepsoort maar 1x krijgen, er bestaan vele verschillende stammen van het griepvirus.
BLOEDGROEPEN.
Wanneer men bloed van een donor wil geven aan een ontvanger= acceptor moet men rekening houden met twee systemen:
o ABO-systeem.
o Rhesussysteem.
Het gaat om antigenen die aanwezig kunnen zijn op de rode bloedcellen. Zo heb je een bepaalde bloedgroep en ben je rhesus-positief of rhesus-negatief.
ABO- SYSTEEM
Er bestaan hierbij twee mogelijke antigenen op de rode bloedcellen:
Antigen A
Antigen B
In het plasma zijn antistoffen aanwezig tegen het antigen dat niet voorkomt op de rode bloedcellen: mogelijke antistoffen zijn: anti-A en anti-B.
Bloedgroep Antigen op RBC AS in het plasma
A
Antigen A Anti B antistof
B
Antigen B Anti-A antistof
AB
Antigen A + Antigen B Geen antistoffen
O
Geen antigenen Anti-A + Anti- B
RHESUS-SYSTEEM P.170
Op de rode bloedcellen kan een derde antigen aanwezig zijn, de rhesusfactor of het D-antigen genoemd.
Wanneer deze aanwezig is ben je rhesus-positief (Rh+), indien afwezig ben je rhesus-negatief (Rh-).
In het plasma zijn van nature geen antistoffen aanwezig tegen de rhesusfactor, deze kunnen wel gevormd worden door een rhesus- negatief persoon die in contact komt met rhesus positief bloed.
Hiermee moet dus eveneens rekening gehouden worden bij bloedtransfusie!
De Rh-As gaan Rh+ bloedcellen afbreken + coaguleren.
BLOEDTRANSFUSIE
Een kleine hoeveelheid bloed geven ( donor) aan een ontvanger (acceptor) met een grote hoeveelheid bloed: altijd rekening houden met de antistoffen die aanwezig zijn in het plasma van de acceptor. Deze vallen de antigenen aan op de rode bloedcellen van de donor bloedafbraak = hemolyse + klontering = coagulatie.
Donor: bloedgroep B acceptor: bloedgroep A
Acceptor heeft anti-B-As in zijn bloed gaat gekregen bloed met B-antigenen aanvallen en afbreken.
O = universele donor
Deze heeft geen antigenen op zijn RBC de acceptor heeft niks om aan te vallen. Dit bloed wordt verdragen.
AB = universele acceptor
Deze heeft geen antistoffen in zijn plasma en kan dus geen enkel bloed afbreken. Elk bloed wordt aanvaard.
BLOEDTRANSFUSIESCHEMA: = BLOED GEVEN
Opmerking: 6.5.7 Rhesusantagonisme bij zwangerschap. p.170
Nota: bloedtransfusie heeft als doel het zuurstoftransport te verhogen, bloedvolume te herstellen, immuniteit te versterken, stollingsproblemen te behandelen. Dit wordt enkel gegeven als andere behandelingen niet helpen. Vb na een ongeval, bij operaties, na behandeling tegen kanker en bloedziekten.
4.5 BLOEDPLAATJES P. 151
Aanmaak:
o In het rode beenmerg.
Ontstaan uit megakaryocyten (blijft in het beenmerg). Bloedplaatjes ontstaan door afsnoering van stukjes uit het cytoplasma.
Functie:
o Bloedstelping, een beschadigde vaatwand herstellen.
Levensduur:
o 8 10 dagen.
BLOEDSTELPING P. 165
NUT:
Bloeding uit een gescheurd bloedvat stoppen.
PROCESSEN
1. Vaatvernauwing:
Vasoconstrictie is een fysiologisch reflex na vaatwandbeschadiging (30 sec).
Doel : minder bloedstroom minder bloedverlies.
Tekening:
2. Thrombocytenprop:
Opnstapeling van bloedplaatjes t.h.v. de vaatwandbeschadiging door:
Plaatjesadhesie:
o Bloedplaatjes hechten zich aan de beschadigde vaatwand.
Plaatjesaggregatie:
o Bloedplaatjes hechten zich aan mekaar.
Op het einde van fase 2 vormt zich een niet-stabiele bloedklonter.
3. Bloedstolling:
12 Stollingsfactoren en bloedplaatjes:
o Er ontstaat een fibrine-netwerk dat de bloedplaatjes en andere bloedelementen samenhoudt. stabiele klonter.
12 stollingsfactoren ( stollingseiwitten) zitten in het plasma in inactieve vorm. Bij weefselbeschadiging wordt 1 stollingsfactor geactiveerd. Deze zal op zijn beurt de volgende stollingsfactor actief maken, enz. Het is een soort kettingreactie waarbij de ene actieve stollingsfactor de andere activeert met als resultaat: een fibrinenetwerk.
4.6 SAMENSTELLING EN FUNCTIES VAN HET PLASMA P.151
SAMENSTELLING
Water, voedingsstoffen (glucose, vetzuren, aminozuren), vitaminen, mineralen, eiwitten, zouten, hormonen en afvalstoffen (oa.ureum, urinezuur, bilirubine)
FUNCTIES
Plasma-eiwitten:
Globulines : o.a. antistoffen functie in afweer.
Stollingseiwitten functie in bloedstelping.
Albumine:
o transporteiwit: voor geneesmiddelen, hormonen, bilirubine.
o speelt een rol bij de uitwisseling van stoffen tussen bloed en weefselvloeistof d.m.v. de COD.
COD = collod-osmotische druk = de vochtaantrekkende kracht van de plasma-eiwitten vanuit de weefsels naar de bloedbaan.
Plasma-eiwitten kunnen niet uit de bloedvaten. (te groot voor de porin) Wanneer onder invloed van de bloeddruk aan de arterile zijde water in de weefsels gepompt wordt, worden de plasma-eiwitten zelf meer en meer geconcentreerd (COD stijgt) en trekken op den duur ( omdat de bloeddruk geleidelijk daalt) door osmose water aan naar de bloedbaan (veneuze zijde). Te weinig COD kan leiden tot oedeem!
DE ZOUTEN VAN HET PLASMA
Electrolyten:
Na+, K+,Ca2+,Cl-,PO43- en HCO3- zitten in bepaalde concentraties in het bloed.
FUNCTIES VAN HET PLASMA
Transport van opgeloste stoffen: voedingsstoffen, afvalstoffen, hormonen, zouten, mineralen, eiwitten. Vetoplosbare stoffen gebonden aan albumine.
Invloed op vochtverdeling in het lichaam COD vooral door albumine. Door COD en bloeddruk (BD): uitwisseling van stoffen tussen bloed interstitieel vocht.
Invloed op zuurtegraad (= 7= neutraal ) ( lager= zuur & hoger = basisch):
o De PH van het bloed is licht alkalisch (7.35-7.45).
o Het bloed vangt kleine schommelingen in zuurtegraad op.
o De voornaamste zuurbuffer van het plasma is natriumbicarbonaat NaHCO3.
Invloed op lichaamstemperatuur:
o Plasma is warmtebuffer.
o Warmte kan vanuit de kern via het bloed naar het lichaamsoppervlak vervoerd worden om daar afgegeven te worden. (diameter van de huidbloedvaten kan geregeld worden!).
Bescherming:
o Afweer : door antistoffen
o Stolling : door stollingsfactoren. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question