Studybot answer

Ask a question ›
 
Question asked by: shakirafinke - 2 years ago

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Kernfuncties:
Kwalificatie
Socialisatie
Subjectivering

Kwalificatie: Het eigen maken van kennis, vaardigheden en houdingen die leerlingen kwalificeren voor het leven in onze multiculturele samenleving.
Socialisatie: Het voorbereid worden op een leven als lid van een gemeenschap. Met eigen tradities, gewoonten, regels en praktijken. Cultuurkenmerken worden overgenomen.
Subjectivering: De vorming van een persoon. De basisschool draagt er aan bij dat leerlingen zich bewust worden van hun verantwoordelijkheid en dat ze ruimte krijgen om zich aangesproken te voelen door hun omgeving. Gaat over morelen van ik en de wereld.
Waarom taalonderwijs?
Leerlingen leren beter spreken, luisteren, lezen en schrijven.
De kennis van de wereld word vergroot door betere taalgebruikers.
Taal is belangrijk element van onze cultuur.
Door taal kunnen we onszelf uitdrukken.
1.2 Visies:
Traditioneel onderwijs:
Taal = drager van onze cultuur.
Nadruk ligt op de schriftelijke vaardigheden.
Grammatica is van belang afgeleid van oude, academische tradities.
Taalmethodes worden goed gevolgd!
Verdeeld in deelaspecten, nadeel hiervan is dat niet alles evenwichtig aan bod komt.
Het accent ligt op makkelijk meetbare aspecten van taal.
Thematisch cursorisch taalonderwijs:
Leerlingen leren taal door het te gebruiken in zinvolle gebruik situaties.
Leerlingen werken veel vanuit bepaalde themas.
Technisch lezen, spelling en grammatica.
Voordeel: De leerlingen kunnen werken met themas die ze zelf als zinvol ervaren.
Nadeel: Het kost veel tijd en er is lastig greep op te krijgen van wat de leerlingen al geleerd hebben.

(Vanaf jaren 70 toen de samenleving nadruk legde op zelfontplooiing van de mens en de maatschappelijke bewustwording.)

Taal bij alle vakken:

Door middel van taal kun je leren, taal gebruik je voor nieuwe inhouden en inzichten.
De leraar is sterk gericht op interactie binnen de groep.
Denkproces proberen te ontwikkelen door uitgekiemde instructies en goed omschreven taaltaken.
Voordeel: Taal wordt gebruikt in een situatie die betekenisvol is voor de leerling en transferproblemen worden voorkomen.
Nadeel: Niet alle taalonderdelen komen goed aan bod. Kunnen beter systematisch aangeleerd worden.

(Deze visie groeide vanaf het begin van de jaren 80. Deze methode is nog steeds populair.)

Communicatief taalonderwijs:
Het staat centraal dat de leerlingen leren om goed mondeling en schriftelijk te communiceren.
Accent ligt op leren spreken, luisteren, schrijven en lezen vanuit de volgende gedachte:
Zender Boodschap Ontvanger.
Voordeel: Leerlingen raken gemotiveerd door de gekozen situaties van de leerkracht die bij het leven passen.
Nadeel: Doordat de leraar steeds de situaties kiest kunnen ze gekunsteld worden. Niet alles kan in een rele communicatieve situatie aangeboden worden. (gekunsteld is gemaakt/geforceerd.

(Begin jaren 80.)

Whole language benadering:
Gaat ervan uit dat het onnatuurlijk is om taal op te delen in verschillende aspecten.
Taal wordt als een geheel aangeboden. (taalronde is een voorbeeld hierbij.)
Uitgangspunt bij taalronde is dat alle leerlingen wat te vertellen hebben.
Kinderen leren taal door taal te gebruiken.
Niet de lesstof, maar het taalgebruik staat centraal!
De ervaringen van kinderen zijn de uitgangspunten voor gesprekken.

Strategisch taalonderwijs:
Leerlingen moeten strategien beheersen voor het uitvoeren van communicatieve taken.
Leerlingen krijgen procedures aangereikt, bijv. stappenplan die ze kunnen opvolgen.
Voordeel: Leerlingen krijgen de beschikking over een middel om greep te krijgen op taal.
Nadeel: Is dat de leerkracht de procedure te rigide gebruikt en steeds weer hetzelfde stappenplan laat toepassen wat voor de leerlingen al snel als vervelend wordt ervaren.
(Midden van de jaren 80 populair geworden.)

Taakgericht taalonderwijs:
Gaat uit van het idee dat leerlingen niet alleen een taal leren om er taken mee uit te voeren , maar dat ze taal juist ook leren door zulke taken te doen!
Er is een kloof tussen wat de leerlingen aan taalvaardigheid bezitten en wat ze nodig hebben om de taak tot een goed einde te brengen.
Wat leerlingen zelf ontdekken blijft beter hangen. fundamenteel leren!
Inhoud is vaak afkomstig van zaakvakken.
(In de jaren 90 ontwikkeld.)

Interactief taalonderwijs:
Betrokkenheid en activiteit staan centraal.
Betekenisvol leren: kinderen leren het best uit contexten die voor hen belangrijk zijn.
Leren is een actief proces: taalaanbod, taalruimte, feedback.
Sociaal leren: leerlingen leren in samenwerking met anderen.
Strategisch leren: Leerlingen hebben concrete strategien nodig om bepaalde taalproblemen op een efficinte wijze op te lossen: modelgedrag/samenwerking, expliciete uitleg.
Balans tussen open leersituaties en gerichte instructies.

1.3 Inhouden:
Vaardigheden:
Spreken
Luisteren
Lezen
Schrijven

Woordenschat: = van fundamenteel belang voor de taalvaardigheid! Zonder woorden geen taal. Het speelt een rol op alle taaldomeinen.
Jeugdliteratuur: Via boeken en andere media komen leerlingen in aanraking met verschillende culturen, leven zich in anderen in en genieten van verhalen.
Taalbeschouwing: Niet alleen het gebruiken van taal maar ook het denken over taal. Door middel van reflectie gaan leerlingen zelfbewuster spreken, luisteren, lezen en schrijven. Taal is een belangrijk cultuurelement.


Functies van taal en het reflecteren hierop:
Communicatieve functie Hoe spreek je mensen aan?
Conceptualiserende functie Taal wordt gebruikt om de werkelijkheid te volgen.
Expressieve functie Uitdrukking geven aan persoonlijke emoties.
Doelen:
Kerndoelen: zijn overkoepelende doelen. Deze doelen moeten aangeboden worden op de school
Tussendoelen: zorgen voor concretisering van de kerndoelen, doormiddel van o.a. leerlijnen.
Leerlijn bestaat uit de leerstof die de leerlingen moeten kennen.
Onderwijslijn is op welke manier de stof aangeboden wordt.
Groeps- en individuele doelen: Doormiddel van differentiren, daagt de leerkracht de leerlingen op zijn/haar eigen niveau uit.
1.4 Didactiek van het taalonderwijs:
Een visie heeft invloed op de didactiek die er toegepast wordt.
2 manieren hoe leerlingen leren:
Intentioneel Bewust, zelf op onderzoek gaan.
Incidenteel Spontaan, onbedoeld.

2 soorten leersituaties:
Instructieve leersituaties: Leerlingen leren via directe instructie.
Constructieve leersituaties: De leraar gaat in op de leervragen van de leerlingen en laat hun via ankers taalactiviteiten uitvoeren. Routines komen ook aanbod: (Tijdens de fruitkring leest de boek altijd een boek voor en de leerlingen weten precies hoe dat gaat.)
(Ankers zijn rijke, probleem-georinteerde contexten die functioneren als gemeenschappelijke kennisbron. Deze dagen uit om nieuwe problemen te verkennen.

Hoofdstuk 2:
2.1: Wat is taal?
4 taaldomeinen:
Spreken
Luisteren
Schrijven
Lezen
Spreken en schrijven = een productief proces. (Je produceert spraakklanken en je schrijft lettertekens, je produceert het zelf.)
Luisteren en lezen = een receptief proces. (Je geeft betekenis aan klanken en tekens, je maakt ze niet zelf.)
2.1.2: Geletterdheid:
Geletterdheid is de vaardigheid in lezen en schrijven. We onderscheiden 3 soorten:
Ontluikende geletterdheid: Kinderen van 0 tot 4 jaar. Ze ontdekken geleidelijk dat er geschreven taal bestaat.
Beginnende geletterdheid: Kinderen van groep 1 t/m 3 die het alfabetisch schrift en het verband tussen gesproken en geschreven taal ontdekken.
(In deze fase leren kinderen eenvoudige woorden te verklanken, hechten ze er een betekenis aan en schrijven ze hun eerste woorden.)
Gevorderde geletterdheid: Kinderen uit groep 4 t/m 8. De kinderen leren steeds sneller woorden herkennen en lezen steeds gemakkelijker. Het proces loopt geautomatiseerd. Kinderen ontwikkelen hun eigen smaak en kunnen steeds beter hun gevoelens uitdrukken in geschreven taal.

De functies van taal:
Communicatie (communicatieve functie).
Greep krijgen op de werkelijkheid (conceptualiserende functie)
Middel tot expressie. ( Expressieve functie).
Voorbeelden hierbij zijn:
Conceptualiseren is de werkelijkheid ordenen < leerling komt te laat binnen omdat zijn wekker niet af ging.
Ik vind het heel vervelend dat ik te laat ben. --- Expressief
Het spijt me dat ik te laat ben. ----- Communicatief.

Monoloog: Situatie waarin maar 1 persoon aan het woord is.
Dialoog: Tweegesprekken: beide personen zijn zender en ontvanger tegelijk.

2.3 : Betekenis van taal:
Semantiek: Betekenis van woorden.
Lexicaal woord: Vorm van het woord.
Polysemie: Taalteken kan meerdere betekenissen hebben. Hetzelfde woord kan ik verschillende contexten een iets andere betekenis hebben.
Ik heb geen geld meer in mijn portemonnee.
Hij heeft het geld niet voor zon huis.
Vroeger had je in bijna elk Europees land ander geld.

Homoniem: Woorden die dezelfde klank hebben en dezelfde schrijfwijze maar een andere betekenis hebben.
Bank waar je op kan zitten.
Bank waar je geld op kan storten of af kan halen.

Synoniem: Woorden die ongeveer hetzelfde betekenen. Rijwiel is een synoniem voor fiets.
Label: Is het woord dat je aan een concept geeft. Bijvoorbeeld aan een stoel, geef je het label: Stoel.
Concept: Dit is het voorwerp zelf, hoe je het omschrijft.
Vaktaalwoord: Woorden die bij specifieke vakken op school terugkomen. (Bijv.: vulkaan bij aardrijkskunde.)
Schooltaalwoord: Dit zijn woorden die specifiek in schoolsituaties worden gebruikt. (Bijv.: Oorzaak en gevolg.)
Signaalwoord: Woorden die verwijzingen geven in een tekst. (omdat, als, zodat, daarom)

2.4 Systeem:
Foneem: Kleinste eenheid, een spraakklank. (klinkers, tweeklanken en medeklinkers).
Grafeem: Kleinste eenheid, een letter.
Fonologie: Klankleer. Bestudeert klanken.
Morfologie: Woordleer. Houdt zich bezig met woordstructuur en woordvorming.
Morfemen: Zijn de kleinste betekenisdragende delen van taal. Een woord heeft minstens 1 morfeem dat zelf als woord voor kan komen. (bijvoorbeeld; tuin dit is een vrij morfeem). Er zijn ook gebonden morfemen: woorddelen die niet zelfstandig voor kunnen komen als woord. ) (bijvoorbeeld: tuin tje , tje is dan het gebonden morfeem!)
Syntaxis: Zinsleer, houdt zich bezig met soorten zinnen en zinsopbouw. Het samenvoegen van woorden volgens de regels tot correcte zinnen.
Klinker: A, E, U, I, O.
Medeklinker: Alle andere letters dan hierboven beschreven staan.
Tweeklank: Combinatie van twee verschillende klinkers binnen een lettergreep. (voorbeeld: AU, EI, EU, OU).
Assimilatie: is de gehele of gedeeltelijke gelijk wording van een medeklinker aan een andere medeklinker.
Afleiding: Woorden die bestaan uit een woord met een affix. (aanplaksel) Het kan ervoor staan dan is het een voorvoegsel (prefix) of erachter, achtervoegsel (suffix).




De 7 componenten van kennis over taal:
Fonologische (klanken)
Semantische (betekenis)
Morfologische (woordstructuur/woordvorming).
Grammaticale/ Syntactische (zinsopbouw, grammatica, regels).
Tekstuele (zinnen samenvoegen tot betekenisvolle teksten).
Pragmatische (Regels ontwikkelen over taal en communicatie).
Orthografische (Kunst om volgens de regels te kunnen schrijven, spelling).
2.5 Meertaligheid:
Meertaligheid: Houdt in dat een persoon in het dagelijks leven meer dan een taal gebruikt.
Taalachterstand: Dit houdt in dat er een achterstand is in de beheersing van taal.
Dialect: Dit is een streektaal onder een officile taal. Bijvoorbeeld in Groningen en Amsterdam is er een dialect aanwezig.
Standaardtaal: Dit is een taalvariteit waarvoor een zogenaamde 'papieren norm' geldt; is niet alleen afhankelijk van het taalgevoel van de sprekers, maar staat ook in woordenboeken, grammaticaboeken, stijlgidsen en dergelijke beschreven.
Vreemdetalenonderwijs: Het lesgeven in vreemde talen. Dus voor ons in andere talen dan het Nederlands!
Taalvariatie: Het omvat de variatie binnen de woordenschat, grammatica en uitspraak. Het gaat over dialecten, regionaal taalgebruik en geografische variatie binnen de standaardtaal. Oftewel: Verschillen in onze taal!
Wat is het belang van meertaligheid in het onderwijs?
In een wereld waarin meerdere talen naast elkaar worden gebruikt, is het van belang ook echt meerdere talen te beheersen, dit geldt ook voor in het onderwijs. In het onderwijs is communicatie van groot belang. Zonder communicatie Geen goed onderwijs.

Hoofdstuk 3:
3.1 Taalverwerving via spreken en luisteren:
Bij de eerste taalverwerving gaat het over de verwerving van de moedertaal.
Visies:
Behaviorisme: Taalverwerving verloopt via imitatie (nadoen), positieve feedback (bekrachtiging goed gedrag) en conditionering (aanleren van nieuw gedrag door herhaling).
Nativisme: Aangeboren kennis en vermogens. Kinderen kunnen uit zich zelf de structuur van een taal doorgronden.
Interactionele benadering: Taalverwerving door imitatie en aangeboren taalleervermogens. Veel interactie met omgeving is nodig.
Taalgroeimiddelen hierbij zijn: Taalaanbod, Taalruimte en Feedback.
Nieuw onderzoek:
- Als kinderen genoeg taal aangeboden krijgen, herkennen ze algemene patronen in de taal die ze om zich heen horen. (concrete taal waarnemingen generaliseren).
- Omgeving = cruciaal.

Kritische periode: Tussen de geboorte tot 7 jaar zijn de hersenen sterk gericht op het verwerven van taal.
Tweede taalverwerving: Verwerving van een andere taal dan de moedertaal.
Visies:
Interfentietheorie: Het letterlijk vertalen van de ene taal naar de andere taal. Dit zorgt vaak voor veel interfentiefouten.
Universalistische theorie: De foutjes die gemaakt worden bij de taalverwerving zijn vaak universeel. Omgeving heeft wel invloed hierop.
Interactionele benadering: Nadruk ligt op het taalaanbod, interactie en feedback.

Hoe bevorder je de taalverwerving?
- Modelleren door volwassenen.
- Feedback.
- Ruimte voor taalproductie.
- Taal en denken dat elkaar stimuleert.
Metalingustisch bewustzijn: Het bewustzijn van taal en de structuur van woorden en zinnen.

3.1.2: Ontwikkeling van de taalcomponenten:
Al van jongs af aan luisteren wij naar onze omgeving zonder dat we zelf al kunnen praten.
Tot 7 maanden experimenteren babys nog met alle mogelijke klanken. fonologische component.
Vocaliseren is het herhalen van klanken.
Vanaf 10 tot 12 maanden gaan kinderen meer taal specifieke klanken produceren.
Alle kinderen verwerven de regels voor de vorming van woorden in het morfologische component. Kinderen combineren alle componenten.
Taalinhoud: Lexicale/semantische component hoort hierbij. (Belangrijke mijlpaal hierbij is dat kinderen aan bepaalde voorwerpen of personen vaste klanken gaan toekennen en vervolgens woorden gaan gebruiken.)
Receptieve woordenschat: De woorden die het kind wel begrijpt maar zelf niet gebruikt.
Productieve woordenschat: De woorden die het kind zelf gebruikt en begrijpt.
Semantisch veld: Groep woorden die bij een groep horen, (bijv; kleuren: rood, blauw, groen, geel.)

3.1.3: Fasen in de eerste taalverwerving:
Pre-linguale/pre-verbale fase: Huilen, vocaliseren, vocaal spel, brabbelen.
Vroeg-linguale periode: Eenwoord-fase, symboolbewustzijn.
Differentiatiefase: langere zinnen, grammaticaal in ontwikkeling, verfijning taalkennis.).
Voltooiingsfase: langere en complexere zinnen

3.1.4: Schema van de mondelinge taalverwerving:

Hierbij wordt gekeken naar de verschillende componenten.
Morfologisch: Het leren van inhoudswoorden en functiewoorden. In het begin maken kinderen weinig gebruik van dit component in de eerste taal. Bij de tweede taal gaat dit op dezelfde wijze.
Syntactisch: Bij beiden zal er een opbouw zijn van het aantal woorden in een zin. Bij NL als moedertaal is er de fase van eenwoordzinnen, vervolgens de fase van tweewoordzinnen en daarna de fase van meerwoordzinnen. Hierna wordt de grammatica complexer. Bij tweede taal zullen de kinderen al snel langere zinnen proberen te maken omdat ze dat vanuit hun eigen taal al gewend zijn.
Tekstuele component:
De kinderen leren geleidelijk de regels te ontwikkelen die betrekking hebben op gesproken en geschreven teksten. Hoe meer ruimte er is, hoe beter de kinderen zich ontwikkelen. Dit geldt ook voor kinderen die nl als tweede taal hebben. De grootte van hun woordenschat is echter vaak wel een probleem.
Pragmatische component:
Kinderen leren geleidelijk wat gepast is om te zeggen en wanneer dit gezegd kan worden. Dit is bij kinderen met NL als tweede taal ook zo alleen komen zij vaak uit een andere cultuur dus moeten ze hun cultuurelementen zien te balanceren en onderscheiden.
Fonologische component:
Pre-verbale fase in NL, bij tweede taal kinderen is dit niet, zij slaan deze fase over en beginnen meteen met het aanleren van woorden. Hun klanken zijn wel soms anders dus dat is lastig.

3.1.5 Factoren die de taalverwerving benvloeden:
Individuele factoren:
Intelligentie.
Taalgevoel.
Motivatie.
Sociaal-emotionele ontwikkeling.


Omgevingsfactoren:
Taalaanbod thuis.
Samenstelling van het gezin.
Taalruimte thuis.
Moedertaal heeft invloed op hoe je taal aanleert. Kinderen die thuis Nederlands al spreken zullen de taal makkelijker in andere omgevingen oppakken dan kinderen die thuis een andere taal spreken.

3.2.1: Vroeg schriftelijk taalaanbod thuis:
Mondelinge taalaanbod: De kinderen kunnen door gesprekken te horen en zelf gesprekken te voeren goed communiceren en hieruit betekenissen afleiden. Het is nodig om in onze samenleving te functioneren.
Schriftelijke taalaanbod: Bij het schriftelijke taalaanbod wordt er gebruik gemaakt van tweedimensionale afbeeldingen. Er is een gevarieerder taalgebruik en woordgebruik. (taal van kinderboekschrijvers is anders dan dat van de ouders van het kind.). De leerlingen komen in contact met andere werkelijkheden.
Doordat ouders vaak al op jonge leeftijd beginnen met het voorlezen aan hun kind komen ze al vroeg in aanraking met het schriftelijke taalaanbod.

3.2.2 Lezen en schrijven op school:
Hoe kunnen we het taalverwervingsproces versnellen?
Veel oefeningen uitvoeren binnen de taalmethodes.
Via boeken van een taalmethode taalzaken expliciteren (uitdrukkelijk omschrijven) , bespreekbaar maken en te beschouwen.
Leerkrachten met een goede kennis van taal, doorgaande leerlijnen en ontwikkeling van de kinderen in de groep.
Dit allemaal samen zorgt voor een sneller taalverwervingsproces!

Hoofdstuk 4: Mondelinge taalvaardigheid:
4.1.1 Mondelinge taalvaardigheid: luisteren, spreken, gesprekken voeren:

Luistervaardigheid: De luisteraar is in staat te begrijpen, interpreteren en integreren wat hij hoort en zet deze kennis om in handelingen.
(Taal, ontdekken van structuur en kern van het gezegde zijn hier aspecten van.)
Spreekvaardigheid: Het produceren van een juiste klank, klanken kunnen omzetten in betekenis en woorden in logische zinnen zetten.

Mondeling presenteren zijn individuele verschillen in:
Het verhaal boeiend, eigen en persoonlijk kunnen brengen, Ook moet je kunnen enthousiasmeren, uitleggen of beschrijven.
Aspecten van individuele spraak en waardering/ Hoe iemand beoordeeld wordt:
Klankkleur.
Accent.
Woordkeus.
Non-verbale communicatie.
Status.
(Omgeving heeft ook invloed op hoe iemand spreekt.)
Non verbale communicatie:
Mimiek, houding en gebaren. Ook wel lichaamstaal genoemd.
Er bestaan omgevingsbepaalde gespreksregels: Bijv. in de supermarkt als een kindje een snoepje krijgt zegt de ouder vaak: Wat zeg je dan? waarop het kind zegt: Dankjewel.

4.1.2 De rol van school bij mondelinge taalontwikkeling:

D.A.T. : Dagelijks Algemeen Taalgebruik: Ook wel omgangstaal of thuistaal genoemd. Dit is alledaagse mondelinge taal. Gaat veelal over zaken binnen de directe omgeving.
C.A.T.: Cognitief Academisch Taalgebruik: Abstracter taalgebruik, vindt zich buiten de eigen leefomgeving van het kind plaats. Ook wel schooltaal genoemd.
Cognitief niet veeleisend, zonder context : kinderrijmpjes opzeggen, luisteren naar een verhaal, verhalen van een ander navertellen.
Cognitief niet veeleisend, context: kennismaking, gesprekken over het weer, gebeurtenissen uit het eigen leven vertellen.
Cognitief veeleisend, zonder context: luisteren naar nieuws, reflecteren op gevoel.
Cognitief veeleisend, context: instructies geven over bepaalde taak, rollenspel, oplossingen zoeken, uitleggen en verklaren
4.2 Visies:
Bij mondelinge taalvaardigheid is het van belang dat een leraar doelgericht aandacht besteedt aan mondelinge taal. Ook wanneer hij taal als middel gebruikt moet hij zich bewust zijn wat dit met de taalontwikkeling van de kinderen doet.
De leraar moet taal betekenisvol en functioneel maken in een rijke taalomgeving.
Interactieve situaties zijn ook van belang, deze komen tot stand door feedback.


4.3: Doelen en inhouden:
Er zijn 4 kerndoelen wat betreft mondelinge taalvaardigheid:
De leerlingen leren info te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die info, mondeling of schriftelijk, gestructureerd te weergeven
De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van info, het uitbrengen van verslag, geven van uitleg en het instrueren en bij het discussiren.
De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in een gesprek dat informatief of opinirend van karakter is en leren met argumenten te reageren.
De leerlingen leren bij de doelen onder mondeling taalonderwijs en schriftelijk taalonderwijs strategien te herkennen, te verwoorden, te gebruiken en te beoordelen.
(Kort samengevat: De kerndoelen gaan over luisteren, spreken, gesprekken voeren en strategien.)
Er zijn 8 leerlijnen over mondelinge taalvaardigheid:
Deelname aan gesprekken
Interactief leren
Mondeling taalgebruik
Woordenschat
Begrijpend luisteren
Vertellen en presenteren
Reflectie op communicatie
Reflectie op taal

Leerlijn: Leerlijn bestaat uit de leerstof die de leerlingen moeten kennen.
Onderwijslijn: Hoe de leerstof aangeboden wordt.
Referentieniveau: 1F, 2F
Het basisniveau 1F is het niveau voor taal en rekenen dat het overgrote deel van de leerlingen aan het einde van de basisschool tenminste zou moeten beheersen. Daarnaast heeft de overheid de ambitie dat een groot deel van de basisschoolleerlingen een hoger niveau haalt: het streefniveau. Voor taal is 2F-niveau.

H4 vervolg:

Een optimaal taalaanbod is:

Correct: grammaticaal juist en de uitspraak van de leraar is correct.
Begrijpelijk: Het niveau van het taalaanbod is aangepast aan wat de leerlingen aankunnen.
Rijk: Leerkrachten moeten vooral niet stoppen met het aanbieden van moeilijke, nieuwe woorden en zinsconstructies te gebruiken. Inhoudelijk een goed aanbod dus.

De manieren om feedback te geven:
Taalontwikkelingsgerichte feedback: Gericht op het taalgebruik van het kind.
Interactiefeedback: De leerkracht onderbreekt dan bijv. een gesprek tussen leerlingen met een korte time out waarin hij feedback geeft op gesprekspatronen.
Inhoudelijk: De leraar reageert inhoudelijk op de leerling zodat de leerling gestimuleerd wordt om verder te praten en na te denken.
Vorm: Niet corrigeren, maar modelleren. (Herhaal de zin met de goede vervoeging of het juiste woord.)

Wat is een juiste houding van een leraar om taalonderwijs goed over te brengen?
Neem alle kinderen serieus.
Laat alle kinderen zelf praten.
Doe zelf actief mee in gesprekken.
Wees een goede gespreksleider.
Geef positieve feedback.

Verschillende soorten vragen:

Controle vragen: Bedoeld om te controleren of de leerling de leerstof, opdracht of instructie begrepen heeft. stimuleert het rapporteren.
Reproductievragen: Bedoeld om de leerling een deel van het vertelde zelf te laten verwoorden/ reproduceren. stimuleert het rapporteren.
Oplossingsgerichte vragen: Bedoeld om de leerling richting te geven bij het zoeken naar een oplossing voor een gesteld probleem. Stimuleert het redeneren.
Meningsvragen: Bedoeld om de leerling te stimuleren om zijn eigen mening te verwoorden en te voorzien van argumenten. stimuleert het redeneren.
Evaluatievragen: Bedoeld om te achterhalen wat de leerling al weet of kan, maar ook om zelfevaluatie te bevorderen bij kinderen. stimuleert het redeneren.
Alsof-vragen: Bedoeld om de leerling zich te verplaatsen in een ander persoon. stimuleert het projecteren.
Diagnostische vragen: Bedoeld om de ontwikkeling van leerlingen in kaart te brengen. stumuleert het reflecteren.
Gesloten vragen: Hierbij is er maar n correct antwoord.
Open vragen: Hierbij staat het goede antwoord niet bij voorbaat al vast. Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.
Convergente vragen: n antwoord is mogelijk!
Divergente vragen: De antwoorden kunnen alle kanten opgaan.
Cognitieve taalfuncties:
Rapporteren: Het benoemen of labelen van voorwerpen of gebeurtenissen.
Projecteren: Taal gebruiken om zich te kunnen verplaatsen in een ander.
Redeneren: beargumenteerde verbanden worden gelegd.

Verschillende organisatievormen voor spreken, luisteren en gesprekken:
Klassengesprek: Alle leerlingen zijn deelnemer van het gesprek. Er moet een gesprek tot stand komen tussen de leerlingen.
Gesprekken in kleine kring.
Dialoog
Coperatieve werkvormen: Gericht op samenwerking van de leerlingen.
Taalronde

Soorten van luisteren:

Technisch luisteren: waarbij het gaat om het horen van verschillen tussen klanken of het nazeggen van de aangeboden informatie.
Begrijpend luisteren: Het toekennen van betekenis aan gesproken taal.
Kritisch luisteren: Je krijgt bijv. een vraag waar je extra op moet letten en geeft hier antwoord op doordat je hier speciaal op hebt gelet tijdens het luisteren. Je focust je ergens op.

Voorbeelden van een monoloog: (alleenspraak)
Spreekbeurt.
Verhaal vertellen bij een foto of boek.
Uitleg van een spel of voorwerp.
Voordragen van een gedicht of eigen tekst.

Voorbeelden van gespreksvormen in een groep zijn:
Discussie.
Debat.
Gesprek met behulp van een voorwerp of plaat.





Hoe kunnen we de ontwikkeling en prestaties van leerlingen beoordelen?

Toetsen.
Observaties.
Portfolios.

Hoofdstuk 5: Geletterdheid: Lezen:

Tussendoelen voor beginnende geletterdheid:
Boekorintatie: Kinderen maken kennis met boeken en geschreven taal. Kan ook verwijzen naar het zich orinteren op een specifiek boek door de kaft te bekijken, te praten over de titel enz.
Verhaalbegrip: Begrijpt de leerling het verhaal?
Relaties tussen gesproken en geschreven taal
Functies van geschreven taal
Taalbewustzijn
Alfabetisch principe
Functioneel lezen en schrijven (Lijstjes, briefjes maken, zelfstandig (prenten)boekjes lezen.)
Technisch lezen en schrijven
Begrijpend lezen en schrijven

Objectivatie: Het maken van taal tot object van het denken.
Klankzuivere woorden: Een woord dat precies volgens fonologisch principe geschreven wordt. (maan, kip, moet).
Leesrichting: De manier waarop we van links naar rechts lezen in Nederland.
Visuele discriminatie: Letters van elkaar kunnen onderscheiden. (Deelvaardigheid in het proces van het leren lezen).
Teken klankkoppeling: Letters leren verklanken.
Auditieve synthese: Verklankte letters in de juiste volgorde plakken tot een woord.
Fonologisch bewustzijn: Het kunnen omgaan met klanken. (Rijmen, opsplitsen van woorden in lettergrepen/ hakken, verbinden van lettergrepen/plakken.)
Fonemisch bewustzijn: Kinderen zijn in staat om eenlettergrepige woorden in afzonderlijke klanken op te delen.
Grafemen: Letter, kleinste deel van een woord!
Fonemen: Die verwijst naar een verzameling klanken die alle dezelfde betekenis-onderscheidende functie hebben.

Rijke leesomgeving voor groep 1/2:

Materieel:
Leeshoek.
Themahoek.
Lettermuur.
Verteltafel.
Prikbord.
Woordstroken.
Pictogrammen.

Immaterieel:
Leerkracht wekt belangstelling.
Lezen en erover vertellen.
Strategien voordoen.
Gesprekken voeren over boeken.
Kinderen aanmoedigen boeken mee te nemen en erover te vertellen.

Rijke leesomgeving voor groep 3/4:

Groot aanbod van boeken.
Leeshoek.
Voorlezen.
Onderzoekhoeken.
Leerkracht is alert op mondeling/schriftelijk taalgebruik v.d. leerlingen.
Vrij lezen.
Informatieve boeken en teksten ook aanwezig.
Inspelen op de nieuwsgierigheid v.d. leerlingen.

Wat bevordert de leesmotivatie:

Vrij mogen lezen. (Je eigen boek mogen kiezen om te lezen.).
Leesomgeving. (fijne sfeer, groot aanbod).
Lezen voor een doel.




Hoofdstuk 8: Woordenschat:
8.1.1: Wat verstaan we onder woordenschat?

Passieve/receptieve woordkennis: De woorden die we begrijpen.
Actieve/productieve woordkennis: De woorden we zelf gebruiken.

Woordrelatieschemas:
Woordparachute: 1 woord en daaronder allemaal woorden die erbij passen. (Bijv. zwemkleding: bikini, zwembroek, badpak, zwembril, snorkel.)
Woordkast: Twee tegenovergestelden. (bijv. grote en kleine voorwerpen.)
Woordweb: 1 woord in het midden en eromheen wat er bij past.
Woordtrap: Van klein naar groot. (bijv. fluisteren, praten, roepen, schreeuwen.

8.1.2: vormaspecten:

Enkelvoudige woorden: (vrije morfemen) , Die een eigen basisvorm hebben. (brood, geluk, mobiel, dus, gaan.).
Samenstellingen: Woorden die voor komen als delen die ook zelf als woord voor kunnen komen. (bijv. brood-rooster, tafel-poot.).
Afleidingen: Bestaan uit een woord met een affix (aanplaksel, voorvoegsel, achtervoegsel). (on-juist, pracht-ig, natuur-lijk.).
Uitgangen volgens een vervoegingssyteem: Bij werkwoorden: werk-t, ge-wan-deld.
Uitgangen volgens een verbuigingssyteem: Bij bijv. naamwoorden. (mooi-e, leuk-st, onduidelijk-e) en voornaamwoorden: (ons-onze, dit-deze.).
Idiomatisch taalgebruik: uitdrukkingen, spreekwoorden en gezegden.

8.1.3: Betekenisaspecten:

Label: De naam die je aan een voorwerp geeft.
Concept: Hoe je het voorwerp beschrijft.



Er zijn verschillende betekenisaspecten hieronder volgen enkele voorbeelden:
Concreet VS abstract: Bij Concrete woorden is de inhoud te koppelen aan een visueel beeld. (Zoals stoel, lopen, het weer.) Abstracte woorden zijn woorden die je niet vast kunt pakken (zoals verdriet, geluk, liefde.)
Letterlijk VS figuurlijk: Letterlijk is wat er echt bedoeld wordt, figuurlijk = te herleiden aan de letterlijke betekenis maar is niet reel.
Inhoudswoorden VS functiewoorden: Voorbeelden van inhoudswoorden zijn: zwemmen en lopen, deze kan je opzoeken in een woordenboek. Functiewoorden geven relaties aan tussen zinnen. (grammaticale betekenis).
Dagelijkse woorden VS schooltaalwoorden en vaktaalwoorden: In de omgangstaal worden vooral dagelijkse woorden gebruikt. Onder schooltaal verstaan we talige elementen die voornamelijk op school gebruikt worden op te leren.

8.1.5: Woordenschatopbouw: vorm/betekenis:
De relatie tussen vorm en betekenis is toevallig. Behalve bij afleidingen, verbuigingen en vervoegingen.

8.1.6: Het mentale Lexicon:
Woorden worden opgeslagen in netwerken van woorden die op de een of andere manier bij elkaar passen. Mentale lexicon zo worden ze opgeslagen in ons geheugen.
Het mentale lexicon maakt deel uit van ons lange termijngeheugen.
Verbreden: Steeds meer nieuwe woorden en grote variatie aan contexten komen erbij.
Verdiepen: Steeds meer betekenisverbindingen bij een bepaald woord: (bijv. het woord kip: hierbij denk ik aan broeden, eieren, haan, toktok, plofkippen, kuikentjes.)

Soorten informatie in het mentale lexicon:
Semantisch: De betekenis van het woord.
Akoestisch: Geluiden, hoe je iets hoort. (fonologisch: klanken).
Morfologisch: Verbuigingen en vervoegingen.
Syntactisch: Hoe het woord wordt gebruikt in een zin.
Pragmatisch: In welke situaties je het woord gebruikt.
Orthografisch: Hoe het woord geschreven moet worden.




8.1.7: Woordenschatverwerving:
Ontwikkeling van de woordenschat:
Kinderen leren woorden begrijpen:
Derde levensjaar = opname van woorden het grootst.
Kind dat op de basisschool komt begrijpt ongeveer 3350 woorden en gebruikt er 2150.
Wanneer een kind gelijktijdig twee talen leert, kan de woordenschat zich in beide talen even snel ontwikkelen.
Er wordt een grote groeispurt gezien rond het 9de jaar. De kinderen hebben dan het lezen geautomatiseerd. Zaakvakken worden ook aangeboden.
Aan einde van de basisschool kunnen Nederlandse kinderen ongeveer 17.000 woorden en anderstaligen 9800.
Ruime woordenschat is van groot belang voor alle domeinen van taal.
8.1.8: Uitbreiding van de woordenschat:

Intentioneel woordenschatonderwijs: Als het leren van woorden het expliciete doel is. Doelbewust en gestructureerd.
Incidenteel woordenschatonderwijs: Als leerlingen in of buiten de leersituatie spontaan nieuwe woorden leren, per ongeluk dus eigenlijk!

De factoren om zelf geschikte woorden te vinden voor je leerlingen:
Frequentie
Nut
Context

De didactische fasen van de viertakt:

Voorbewerken: context voor de aan te leren woorden. Onderdeel hiervan is:
Aanbieden: Nieuwe woorden worden aangeboden in clusters.
Semantiseren: 3 uitjes uitbeelden, uitleggen en uitbreiden.
Consolideren: Activiteiten waarbij de leerlingen oefenen met de woorden.
Controleren: Tussentijdse observaties en controle-opdrachten.
Leren over woorden hoort bij het onderdeel van de taalbeschouwing.




De 4 strategien om woordbetekenissen te achterhalen:
Woorden analyseren
Gebruik van non- verbale en verbale context
Gebruik van een bron
Letten op overeenkomsten
De 3 strategien om woordbetekenis te onthouden:
Herhalen/ opschrijven
Ophalen uit het geheugen, waar denk je erbij aan?
Woord produceren

Voorbeelden om een rijke leeromgeving te maken:
- Woordwebben
- Woordenboeken
- Aandachtstafel
- Voorlezen
- Interactief voorlezen in de kring
- Veel gevarieerde werkvormen

De verschillende manieren om prestaties van leerlingen te beoordelen:

Methode gebonden toetsen:
- Meet in hoeverre de leerling de woorden kent die aangeboden zijn
- Mondeling of schriftelijke toets.
Niet- methode gebonden toetsen:
- Dienen om het niveau van de leerling vast te stellen, bijv. als je leerlingen van dezelfde leeftijd gaat vergelijken met elkaar.
Observaties:
- Woordkennis, diepere woordkennis, gebruik van de aangeleerde strategien en houding ten opzichte van het leren van nieuwe woorden.
- Gebruik van observatieformulieren.






Hoofdstuk 10: Jeugdliteratuur:
10.1.1: Waarom boeken lezen?

Waarom is lezen belangrijk?
Je doet kennis op van de wereld.
Je vergoot je taalontwikkeling.
Je leert je inleven in andere culturen en mensen.
Je ontwikkelt zelfreflectie.

10.1.2: Door de eeuwen heen:
Ontwikkeling van de jeugdliteratuur:
Rond de 18e eeuw kwam de jeugdliteratuur op met stichtelijke en moralistische kinderboekjes scheiding tussen boeken voor volwassenen en kinderen.
In de 19e eeuw gaan ook professionele schrijvers aan de slag. Voorbeelden hiervan zijn historische boeken maar ook boeken zoals Pinoccio en dik trom.
Na de 2e wereldoorlog neemt de jeugdliteratuur een grote vlucht de stijl wordt scherper en kunstiger.
Door middel van welke aspecten kan je een volwassene boek onderscheiden van een kinderboek?
Woordkeuze.
Zinsbouw.
Vertelperspectief.
Tijd.
Thematiek
De toepassing van de illustraties.
Bij kinderboeken is er vaak een alwetende verteller.
Hoe worden genres ingedeeld?
Genres worden ingedeeld op basis van:
Thema
Woord en beeld
Doelstelling
Vorm
Klassieke kinderboeken: Voorbeelden hiervan zijn pluk van de petteflet, Jip en Janneke, Sjakie en de chocoladefabriek.
Historische kinderboeken: Hierin speelt de geschiedenis een belangrijke rol. Het hoeft niet volledig waar te zijn maar wel voor het grootste deel. Een historisch feit of figuur wordt als uitgangspunt genomen bij het schrijven van zon boek.

10.1.5: Literaire genres:

Volkssprookjes: Deze sprookjes zijn ooit eeuwen geleden bedacht en later opgeschreven. Door middel van orale literatuur. Sprookjes werden aan elkaar doorverteld vol volkswijsheden en symboliek. De auteur is vaak onbekend. (assepoester, klein duimpje, roodkapje.)
Cultuursprookjes: Hierbij is de auteur wel bekend. Schrijvers maken zelf de sprookjes.

Bibliotheken baseren hun indeling op de technische moeilijkheidsgraad en de emotionele inhoud van de boeken.
Prentenboeken:
Deze boeken prikkelen de aandacht van de leerlingen. Het kan zorgen voor meer begrip van het verhaal.
Counterpoint (contrapunt) = tekst en beeld verhouden zich met elkaar.
Complementair: aanvullend op elkaar.

Rijmpjes/versjes zijn vaak kleine gedichtjes. Gedichten kunnen lang en kort zijn maar hoeven niet altijd ook te rijmen.
Wat gebeurt er landelijk op kinderboekengebied?
Prijzen
Kinderboekenweek
Nationale voorleesdagen

Soorten argumenten waarmee we het verschil tussen literair en niet-literair kunnen vinden:
Emotivistisch (emotie)
Moreel (morelen, waarden en normen)
Structureel (structuur)
Realistisch (realiteit)
Stilistisch (stijl)
Intentioneel (intentie van het verhaal)
Niet literaire teksten hebben vaak een voorspelbaar plot, goedkope humor en slecht uitgewerkte karakters.
Literaire teksten zijn vaak pozie, verhalen en romans. Er zit vaak erg veel diepgang in deze verhalen en het is een stuk complexer.



Jeugdliteratuur kan beoordeeld worden door middel van de volgende invalshoeken:
Literair. (Beoordelen van de tekst staat centraal).
Pedagogisch. (Het kind en zijn ontwikkeling staan centraal).
Ideologisch. (De maatschappij en het functioneren van het kind in de maatschappij staat centraal).

Manieren om kinderen bewust te maken dat er meer in boeken zit:
door selectie van boeken.
door vragen te stellen die leerlingen ontdekkingen laten doen.
literaire elementen te benadrukken (o.a. tijd, perspectief en ruimte).

Hoe lees je een boek succesvol voor?

Voorbereiding:
Lees zelf veel om goede keuzes te kunnen maken. Als je je hebt voorbereidt weet je beter wanneer en hoe je je stem moet gebruiken. (Fluisteren, schreeuwen, boos, lachen, bang, gillen etc. etc..)
Het publiek:
Kies een goede opstelling, oogcontact kunnen maken is van belang. Ook moet iedereen het goed kunnen zien. Maak er een leuke activiteit van door een leeshoek te maken.
De leerkracht:
Bekijk jezelf en geef jezelf feedback, wees kritisch. Neem jezelf bijvoorbeeld op en luister dit terug. Zo krijg je een goed beeld van hoe jij voorleest.
Interactief voorlezen:
Taalstimulering is hier het doel, dit doe je door vragen te stellen over het verhaal

De verschillen tussen voorlezen en vertellen:
Als je vertelt gebruik je je eigen taal terwijl als je voorleest je de taal overbrengt van de auteur.
Je moet kunnen improviseren als goede verteller.
Voorlezen moet meer en op een andere manier voorbereid worden dan vertellen. Een voorlezer heeft een boek voor zich dit geeft meer afstand dan als je gewoon zelf wat vertelt.
Bij voorlezen ben je afhankelijk van de opstelling terwijl vertellen gemakkelijk kan in alle opstellingen zolang je maar oogcontact kan blijven houden.


Boekpromotie hoe doe je dat?
Lees eruit voor.
Vertel over het boek of laat er over vertellen.
Laat veel soorten boeken zien.
Nodig de auteur op school uit.
Leg een verantwoorde collectie boeken aan.
Thematische exposities met boeken.
Door zelf veel boeken te lezen kan je beter keuzes maken uit de juiste boeken.
Het stimuleren van de leerlingen is van groot belang dus lees veel verschillende soorten teksten voor en doe mee aan voorleeswedstrijden.

Het gebruik van informatieve boeken:
Minder makkelijk om uit voor te lezen dan fictieboeken.
Geschikt om individueel te lezen.
Studerend lezen met welk doel? (instructies, uitleg en kennis opdoen).

Hoe verwerk je sprookjes in de klas?
Poppenkast
Schimmenspel
Dramatiseren
De leerlingen zelf sprookjes laten schrijven.
Sprookjes zijn multicultureel, dus niet alleen als wijze les maar ook voor vermaak!

Wat zijn de verschillen tussen voorlezen en interactief voorlezen?
Bij voorlezen richt je je enkel alleen op het lezen en overbrengen van het verhaal.
Maar bij interactief voorlezen zoek je actief de interactie op met de leerlingen door vragen te stellen voordat je met het boek begint maar ook tijdens het verhaal. Je zorgt er voor dat de taal gestimuleerd wordt bij de leerlingen. Ook laat je actief plaatsjes zien als die in het boek aanwezig zijn en maak je bespreekbaar wat er te zien is. je stimuleert het denkproces van de leerlingen.







Werkvormen met gedichten:
Schrijven van gedichtjes.
Verhaaltje schijven, korte zinnen, deze losknippen en husselen en vervolgens weer op een andere manier in elkaar plakken.
Memoriseren: gedicht uit je hoofd leren.
Gedicht zingen of zelfs rappen.
Poetry slam: Dichtkunst, voordracht.
Gedichtenverzameling aanleggen in de klas.

Welke technische leesniveaus zijn er allemaal?

Avi-niveau: Heeft 12 niveaus. Elk niveau bestaat uit een cijfer en een letter. Begin = AVI-START en eind = AVI-PLUS. Het is gericht op het technisch lezen.
CLIB-niveau: CLIBSTART -1-2-3-4-5-6-7-8- CLIBPLUS, Gericht op het begrijpend lezen.
DMI: Drie Minuten Toets. Test op het verklanken van afzonderlijke woorden.
Leeslat: Leeservaringsschaal AVI en Thema. Boeken met A = Makkelijk, Boeken met H = Complex.


Artikelen:

Keuzes maken prentenboek:
Ga na wat je doelgroep is.
De volgende vragen kun je hierbij stellen:
o Wordt er in dit boek een thema uitgewerkt dat mijn doelgroep aanspreekt?
o Is het niveau goed? Niet te simpel, niet te moeilijk?
o Sluit het aan bij het referentiekader van mijn doelgroep? Kunnen de leerlingen iets herkennen in het thema, hoofdpersonage?
o Wat maakt dit prentenboek interessant voor mijn doelgroep?
o Heeft het prentenboek voldoende kwaliteiten?
Dus kort samengevat: Je kijkt naar: doelgroep, thema, niveau, referentiekader/herkenning, interesses, kwaliteit.





Korte analyse is van belang bij een prentenboek zie hieronder waar je op moet letten bij zon analyse:
o Thema van het boek
o Wat wil de illustrator duidelijk maken?
o Opgeroepen verhaalwereld: fantasie of realistisch
o Compositie, chronologisch of flashbacks aanwezig?
o Wijze van illustreren
o Relatie tekst-illustraties : Zit er een groot verband tussen?
o Tekstniveau: zijn er begrippen die van tevoren toegelicht moeten worden?

Hoe maak je een goede doelstelling?
Stel jezelf deze vragen:
o Wat wil ik dat de kinderen bij dit boek ontdekken en ervaren?
o Waarop kunnen ze reageren?
o Waarover ben ik benieuwd naar hun mening?

Opstelling:
Ga zo zitten dat alle kinderen de prenten kunnen bekijken. halve kring of 2 halve kringen met kinderen nog vooraan op de grond of stoeltjes.
Afspraken maken!
Maak afspraken van tevoren zoals: Ik laat de prenten zien wanneer ik het stukje tekst heb gelezen.
Laat de leerlingen eerst alleen kennis maken met het verhaal en vervolgens geef je ze de gelegenheid om te reageren.
Wat doe je als de leerlingen toch reageren?
Als de leerlingen toch reageren geef je ze enkel een gebaar of zeg je dat de leerling nu eerst moet luisteren en straks ook mag vertellen.
Vaker een prentenbroek voorlezen? JA, dat kan!
o Kinderen gaan de eerste keer zo op in het verhaal waardoor hen bepaalde dingen ontgaan.
Bij de volgende keer kan je wijzen op bepaalde details of grapjes in de prenten of op iets dat een belangrijke rol speelt in het verhaal.
Kijken naar de illustraties. Hoe is het gemaakt?

Hoe kies je een boek om interactief voor te lezen?
Kies boeken die jezelf leuk vindt en die passen bij het opleidingsniveau van de leerlingen.
Kies boeken met een goed verhaal waarin de leerlingen zich kunnen inleven.
Bereidt je goed voor! Lees het boek zelf al door en bedenk alvast vragen die je kunt stellen.


De drie fasen van het interactief voorlezen zijn:
Voor Tijdens Na
Voor: Stap 1: vanuit de werkelijkheid, ervaringen kinderen Stap 2: naar het boek, boekorintatie.
Tijdens: Stap 1: Interactief voorlezen Stap 2: Vragen over het boek. (geen eigen ervaringen!)
Na: Stap 1: Vanuit het boek Stap 2: Naar de werkelijkheid, ervaringen kinderen.

Activiteiten per fase:
Voor:
Voorkennis over het onderwerp activeren. (illustraties, voorwerpen, versjes.)
Voorkennis over het boek activeren: boekorintatie. (titel, hoofdpersonen, kaft etc)

Tijdens:
Af en toe vragen stellen tussendoor maar niet te vaak! (samenvattende vragen, voorspellende vragen, vragen over het hoofdpersonage, vragen over de werkelijkheid.

Na:
Sta enkele opmerkingen toe, hieronder wat voorbeelden:
Geef de kinderen de kans op spontaan te reageren.
Ga in op wat centraal stond.
Maak een korte samenvatting samen door vragen te stellen.
Verhaal laten navertellen
Kritiek laten geven, mening onderbouwen.

Boekorintatie en verhaalbegrip passen bij het interactief lezen omdat je van tevoren bij het interactief voorlezen georinteerd naar een boek kijkt en je door interactief met de leerlingen aan de slag te gaan de leerlingen een beter begrip krijgen op het verhaal.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.

Answer generated by AI Report answer

Ask a study question and we will try to answer it as best we can.

Ask a question
 
Log in via e-mail
New password
Subscribe via e-mail
Shopping Cart

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

[Inviter] gives you € 2.50 to purchase summaries

At Knoowy you buy and sell the best studies documents directly from students. <br> Upload at least one item, please help other students and get € 2.50 credit.

Register now and claim your credit