Maak een oefenexamen van de volgende tekst: 1 ONDERWIJSDOELSTELLINGEN
Onderwijs wordt gegeven met het oog op het verwezenlijken van bepaalde doelstellingen. Deze onderwijsdoelstellingen worden benvloed door het heersende maatschappij- en persoonlijkheidsbeeld. De kleuteronderwijzer moet weten en formuleren welke aspecten van de ontwikkeling hij wil bevorderen (= leerplandoelen noteren). De kleuteronderwijzer vraagt zich af wat hij met die bepaalde activiteit nastreeft: Wat moeten de kleuters achteraf kunnen?
Algemeen kunnen we stellen dat doelen aangeven wat we met het onderwijsleerproces willen bereiken. Waar willen we naartoe met onze kleuters? Als we geen doelen formuleren, zijn we zomaar wat aan het doen en hebben we geen idee van de impact van ons handelen, of dit wel goed en zinvol is. Doelen moeten ook gevalueerd worden! Op het einde van je activiteit kijk je of je doelen bereikt zijn. Je reflecteert over je handelen. Welke doelen zijn niet bereikt? Hoe komt dit? Wat kan ik aanpassen zodat ze volgende keer wel bereikt worden (cfr. reflectiecyclus)? Dit komt nog uitgebreider aan bod in deel 6: Evalueren van spelactiviteiten.
Zoals je geleerd hebt in les 1, stelt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming eindtermen en ontwikkelingsdoelen op. Het vervolgens concretiseren van deze doelen in een leerplan is een bevoegdheid van de inrichtende macht van een school, maar in de praktijk worden de leerplannen meestal opgemaakt door de leerplanmakers van de onderwijskoepel van de inrichtende machten. De leerplannen worden dan ter goedkeuring voorgelegd aan de onderwijsinspectie. Voor zover er reeds eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het niveau in kwestie zijn opgesteld, gaat de inspectie na of de leerplannen daaraan beantwoorden. De bij de koepels aangesloten scholen nemen gewoonlijk de goedgekeurde leerplannen over. Zo gaan katholieke scholen dus bijvoorbeeld aan de slag met de leerplannen die worden opgesteld door het Katholiek Onderwijs Vlaanderen. Leerplannen geven scholen houvast bij het uitwerken van leerlijnen, jaarplannen en lessen. Daarnaast worden leerplannen gebruikt om de ontwikkeling van leerlingen op te volgen. Uitgeverijen gebruiken leerplannen om didactische materialen uit te werken (De Ruysscher & De Sadeleer, 2015).
Het didactisch model vereist dus van de leerkracht dat hij tijdens het plannen van zijn onderwijsactiviteit doelen gaat selecteren en formuleren. Voor het selecteren van doelen kan de leerkracht beroep doen op de leerplandoelen. Aangezien deze vaak omschreven zijn als overkoepelend over verschillende leermomenten heen, zal de leerkracht deze in bepaalde gevallen specifieker moeten gaan formuleren (bijvoorbeeld door het leerplandoel te verkorten of door gebruik te maken van de omschrijving van een ontwikkelstap) of afhankelijk van de ervaringskans die hij wil aanbieden - verder concretiseren.
1.1 Doelstellingen vanuit Katholiek Onderwijs Vlaanderen (2016a)
De in Vlaanderen sterkst vertegenwoordigde onderwijskoepel is het Katholiek Onderwijs Vlaanderen. Op dit moment gebruikt men binnen deze koepel het leerplanconcept Zin in leren! Zin in leven! (ZiLL!). Op stage (in katholieke scholen) gaan jullie hier meteen mee aan de slag. Je vindt het leerplanconcept op https://zill.katholiekonderwijs.vlaanderen/.
1.1.1 Het ordeningskader van ZILL!
Het opvoedingsconcept van Katholiek Onderwijs Vlaanderen zet zowel uniciteit als verbondenheid centraal. Dat elke leerling uniek is, maakt dat we in het onderwijs aan de slag gaan met individuele aanleg en ervaringen. We streven een harmonische ontplooiing van de totale persoon na. Toch staat die persoon ook in verbinding met anderen en (bij gelovige leerlingen) met God. De facetten van de persoonsgebonden ontwikkeling komen samen in de kern (binnencirkel) van het ordeningskader van het vernieuwd leerplanconcept. In de buitencirkel wordt er plaats gemaakt voor cultuurgebonden ontwikkeling. Elke leerling staat immers ook in verbinding met de werkelijkheid, de wereld en de samenleving.
De kern en de buitencirkel verhouden zich dynamisch ten opzichte van elkaar. Wanneer de buitencirkel rond de kern draait, merk je dat elk facet van de persoonsgebonden ontwikkeling gecombineerd kan worden met elk facet van de cultuurgebonden ontwikkeling. Dit verwijst naar de harmonische ontwikkeling.
De persoonsgebonden en de cultuurgebonden ontwikkeling worden respectievelijk uitgesplitst in vier en zes ontwikkelvelden (1). Elk ontwikkelveld wordt opgedeeld in een aantal ontwikkelthemas (2), die op hun beurt geconcretiseerd worden in generieke doelen (3). Deze doelen zijn generiek omdat ze gelden voor alle leerlingen van de basisschool. Dit geldt ook voor de ik-zinnen die bij elk ontwikkelveld en elk ontwikkelthema staan. Deze zinnen drukken uit waar we met een bepaald veld of thema naartoe willen; wat een leerling over zichzelf zou moeten kunnen zeggen.
Dat de ik-zinnen en de doelstellingen generiek zijn, is een belangrijke keuze binnen ZILL!. Dit betekent dat deze leeruitkomsten telkens bij alle kinderen (van alle leeftijden) nagestreefd worden. Op welke manier en hoe snel een kind ontwikkelt naar een leeruitkomst toe is uiteraard afhankelijk van zijn of haar individuele leerbehoefte.
Bij een beperkt aantal generieke doelen (3) worden bijkomend leerinhouden opgenomen. Zo staat er bij het generieke doel WDrv4 Handig hoofdrekenen de volgende inhoud: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met natuurlijke getallen, breuken en kommagetallen.
Bij de meeste generieke doelen is er tevens een leerlijn (4) ontwikkeld. Hierin krijg je zicht op de belangrijke ontwikkelstappen die verbonden worden met referentieperiodes op basis van de leeftijd van leerlingen. Doorgaans zijn deze referentieperiodes redelijk ruim genomen (bv. 5 tot 8 jaar), wat duidelijk maakt dat de ontwikkeling als een continu proces wordt beschouwd met individuele en leergebiedgebonden versnellingen en vertragingen.
De referentieperiodes zijn bedoeld als houvast om de ontwikkeling van leerlingen te situeren. Er wordt uitgegaan van een normale ontwikkeling van kinderen, voor zover die bestaat. Ze zijn in de eerste plaats een indicatie. Een aantal van de leerlingen zal namelijk sneller, trager of grilliger evolueren en zich daardoor onderscheiden van het beeld dat de leerlijn schetst. Leraren dienen daar rekening mee te houden, bijvoorbeeld bij het bepalen van de zone van naaste ontwikkeling. Afgaand op hun ontwikkeling zullen bepaalde leerlingen hoger en anderen lager ingeschaald moeten worden dan hun leeftijd doet vermoeden. Dat maatwerk ligt in handen van de leraren. Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie wordt er in ZiLL! expliciet voor breed gedefinieerde referentieperiodes gekozen die uitnodigen om geduldig te zijn bij de begeleiding van leerlingen. De leeftijdsintervallen van de referentieperiodes liggen bovendien niet vast, maar kunnen verschillen van leerlijn tot leerlijn.
Cyclisch: De referentieperiodes lopen altijd tot 12 jaar.
Geschakeld: De referentieperiodes haken op elkaar in.
Gemengd: Mix van cyclisch en geschakeld.
Katholiek Onderwijs Vlaanderen voegde aan de referentieperiodes ook nog de ontwikkelstappen toe die vr de leeftijd van 2,5 jaar worden doorlopen om maximaal te kunnen inspelen op de ontwikkelnoden van peuters en jonge kleuters. Deze extra ontwikkelstappen zitten verborgen achter het symbool met de drie streepjes. De stappen worden zichtbaar door op het symbool te klikken.
1.1.2 De inhoud van ZiLL!
In dit deel staan we stil bij de invulling van de verschillende ontwikkelvelden uit de persoonsgebonden en cultuurgebonden ontwikkeling. Een overzicht van het volledige ordeningskader van ZiLL! met inhouden kan je raadplegen via https://zill.katholiekonderwijs.vlaanderen/#leerinhoud. Tip: kies voor de weergave als lijst om meteen een overzicht te krijgen van ontwikkelvelden n hun ontwikkelthemas.
1.1.2.1 De persoonsgebonden ontwikkeling (binnencirkel)
Bij de persoonsgebonden ontwikkeling vormen de fysieke, psychische, sociale en spirituele basisbehoeften van de mens het uitgangspunt. Vanuit kennis, vaardigheden, inzicht en attitudes met betrekking tot deze basisbehoeften ontwikkelen leerlingen zin in leren en zin in leven.
De persoonsgebonden ontwikkeling bestaat uit de volgende ontwikkelvelden:
ontwikkeling van een innerlijk kompas (IK)
socio-emotionele ontwikkeling (SE)
ontwikkeling van initiatief en verantwoordelijkheid (IV)
motorische en zintuiglijke ontwikkeling (MZ)
Per ontwikkelveld alle ontwikkelthemas behandelen zou ons te ver leiden. We bespreken wel kort de invulling van de verschillende ontwikkelvelden.
Met de ontwikkeling van een innerlijk kompas wordt verwezen naar het ontwikkelen van persoonlijke waarden, doelen en interesses die richting en betekenis geven aan het leven van een persoon. Het gaat over keuzes maken in je identiteitsontwikkeling. De ik-zin bij dit ontwikkelveld is In dialoog met de a/Andere(n) leer ik mezelf en waartoe ik word uitgenodigd kennen. Ik kan richting geven aan mijn leven. Ik reageer veerkrachtig.
Bij de socio-emotionele ontwikkeling wordt verwezen naar de verbondenheid van leerlingen met zichzelf (ik), de andere (jij) en de anderen (wij). De ik-zin bij dit ontwikkelveld is Ik kan op een warme en communicatieve wijze in relatie treden met mezelf en met anderen.
De ontwikkeling van initiatief en verantwoordelijkheid zorgt ervoor dat de leerlingen vrij en (toch) verantwoord kunnen handelen, denken en voelen. We richten ons op het maken van persoonlijke keuzes en tegelijkertijd ook op het verantwoordelijk samenleven met anderen. De ik-zin bij dit ontwikkelveld is Ik neem verantwoordelijkheid op voor mezelf en voor anderen. Ik neem initiatief en kan vrij en zelfstandig functioneren. Ik ontwikkel kritische zin, kan dingen onderzoeken en ben creatief.
Het ontwikkelveld m.b.t. de motorische en zintuiglijke ontwikkeling richt zich op het uitbouwen van bewegingsmogelijkheden en zintuiglijke vaardigheden. Het vertrekt vanuit de verbondenheid tussen lichaam en geest. De ik-zin bij dit ontwikkelveld is Ik beschik over voldoende (psycho)motorische en zintuiglijke basisvaardigheden om zelfredzaam te functioneren.
1.1.2.2 De cultuurgebonden ontwikkeling (buitencirkel)
Om te kunnen deelnemen aan de huidige samenleving en de samenleving van de toekomst stimuleren we de cultuurgebonden ontwikkeling. Leerlingen verwerven kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes in functie van cultureel (zelf)bewustzijn.
De cultuurgebonden ontwikkeling bestaat uit de volgende ontwikkelvelden:
Ontwikkeling van orintatie op de wereld (OW)
Mediakundige ontwikkeling (ME)
Muzische ontwikkeling (MU)
Taalontwikkeling (TO)
Ontwikkeling van wiskundig denken (WD)
Rooms-katholieke godsdienst (RK)
Ook hier zou het behandelen van alle ontwikkelthemas per ontwikkelveld ons te ver leiden. We bespreken wel kort de invulling van de verschillende ontwikkelvelden.
Bij de ontwikkeling van orintatie op de wereld wordt er vanuit zes invalshoeken naar de wereld gekeken: samenleving, natuur, bewegingscultuur, tijd, ruimte en techniek. Het vat krijgen op de wereld gebeurt via doen en ervaren, via exploreren en experimenteren. De ik-zin bij dit ontwikkelveld is Ik ben nieuwsgierig naar de wereld waarin ik leef. Ik exploreer mijn omgeving en verwerf inzicht in de wereld in al zijn dimensies.
Met mediakundige ontwikkeling willen we dat leerlingen media (zinvol en creatief) kunnen inzetten om te leren en te communiceren. We maken ze wegwijs en vaardig in de gedigitaliseerde mediaomgeving. De ik-zin bij dit ontwikkelveld is Ik ga op een enthousiaste, zelfredzame en kritische manier om met media en mediacontent.
In de muzische ontwikkeling laten we leerlingen kennismaken met de muzische en kunstzinnige werkelijkheid. Hierbij staan ervaren, beleven en genieten centraal. Er is in het leerplan ook ruimte gemaakt om leerlingen te ondersteunen in het communiceren over muzische ervaringen. De vier muzische domeinen beeld, muziek, drama en dans komen gentegreerd aan bod in de verschillende ontwikkelthemas. De ik-zin bij dit ontwikkelveld is Ik geniet van kunst en expressie en kan me creatief en kunstzinnig uitdrukken.
Zowel Nederlands, Frans als vreemde talen krijgen een plaats binnen het ontwikkelveld taalontwikkeling. Leerlingen worden gestimuleerd om het nut van taal in te zien en zich met plezier in te zetten om betere taalgebruikers te worden. Uiteraard komen zowel de schriftelijke als de mondelinge taalvaardigheid aan bod. De ik-zin bij dit ontwikkelveld is Ik verken talen en talige diversiteit om me heen. Ik zet mijn talige vaardigheden steeds efficinter in om betekenisvolle situaties met taal aan te pakken.
Het ontwikkelen van basisvaardigheden om wiskundige problemen op te lossen, staat centraal in het ontwikkelveld ontwikkeling van wiskundig denken. Leerlingen leren wiskundige informatie interpreteren. Ze leren erover te redeneren en met elkaar in discussie te gaan. De ik-zin bij dit ontwikkelveld is Ik bedenk hoe ik mijn wiskundige bagage kan gebruiken om een probleem aan te pakken. Ik doe dit met vertrouwen en plezier.
Bij Rooms-katholieke godsdienst staat de identiteitsontwikkeling centraal. Leerlingen komen tot reflectie en communicatie over ervaringen die aanzetten tot het stellen van zinvragen. De christelijke godsdienst wordt grondig verkend, maar ook andere levensbeschouwingen komen aan bod. De ik-zin bij dit ontwikkelveld is Ik sta open voor een diepere dimensie in het leven. Ik maak kennis met en ga in dialoog met de katholieke geloofstraditie. Ik groei op levensbeschouwelijk, religieus en/of godsdienstig vlak.
2.1.3 De krachtige leeromgeving vanuit ZiLL!-perspectief
In een krachtige leeromgeving brengen we kinderen in ontwikkeling. ZiLL! beschouwt het uitbouwen van een onderwijsarrangement als een manier om te werken aan een krachtige leeromgeving. Het is hierbij belangrijk om eerst een duidelijke focus te bepalen (Katholiek Onderwijs Vlaanderen, 2018).
Het schema voor een krachtige leeromgeving vanuit ZiLL! zie je hieronder. Je zal in de cursus Kleuterdidactiek 1 zien dat er heel wat gelijkenissen zijn met het didactisch model dat wij in onze opleiding hanteren.
2.1.3.1 Focus bepalen
Leraren die ZiLL-ig werken gaan uit van een focus waarop ze hun aanbod en aanpak afstemmen. Die focus is het resultaat van een beslissingsproces waarbij drie vragen centraal staan (Katholiek Onderwijs Vlaanderen, 2018):
1. Wie zijn de leerlingen? Wat zijn hun opvoedings- en onderwijsbehoeften?
2. Wat biedt en vraagt de context?
3. In welke mate realiseren we het leerplan? Op welke manier inspireert het leerplan om ervaringen te verbreden en te verdiepen?
De leerling, de context n het leerplanconcept vormen dus de drie speerpunten van waaruit we een focus bepalen. Als het antwoord op de drie kernvragen is gegeven kan je als leraar starten met het ontwerpen van het efficintste onderwijsarrangement (zie ook 2.1.3.2 Onderwijsarrangementen). Daarbij benut je niet enkel dat wat al bij de kinderen ontwikkeld is, maar ga je voortdurend op zoek naar ontluikende groei (Katholiek Onderwijs Vlaanderen, 2018).
2.1.3.2 Onderwijsarrangementen
Wanneer binnen ZiLL gesproken wordt over een onderwijsarrangement, doelt men op de wijze waarop de vooropgestelde ontwikkeling en doelen worden nagestreefd. Het gaat met andere woorden over het pedagogisch en didactisch aanbod in de vorm van lessen, leeractiviteiten, geboden ervaringskansen, organisatie van leerlingengroepen, belangstellingscentra, projecten, leeruitstappen, . Op deze manier willen de leerplanmakers duidelijk maken dat onderwijs ontwerpen en uitvoeren meer is dan lessen maken of geven, maar ook dat alles wat we op school doen doelgericht gebeurt vanuit een focus en dat de term onderwijsarrangement zowel op kind-, klas- als schoolniveau gebruikt kan worden (Katholiek Onderwijs Vlaanderen, 2018).
1.2 Doelstellingen vanuit de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten (OVSG)
Ook de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten (OVSG) geeft eigen leerplannen uit. Zeer recent op 1 september 2023 lanceerde OVSG zijn nieuwe leerplan: Leer Lokaal. De werking hiervan gaat van start in september 2025. Een groot deel van de stedelijke en gemeentelijke scholen verdiept zich dit schooljaar (2024-2025) stapsgewijs in het nieuwe leerplanconcept.
Het Leer Lokaal werkt met 9 leergebieden die je hieronder in het overzicht kan zien.
De doelen in Leer Lokaal lees je per leergebied van onder naar boven. Onderaan vind je eenvoudige doelen en hoe hoger je in de leerlijn klimt, hoe complexer de doelen worden. De leerlijn beschrijft stapsgewijs hoe je groeit. Leer Lokaal geeft aan in welke leeftijdsperiode je nieuwe doelen aanbiedt vanuit een regulier ontwikkelingsperspectief. Als kinderen in een ander tempo evolueren, biedt de leerlijn los van de leeftijdsindicaties ondersteuning bij de opbouw van het curriculum voor deze leerlingen. Leer Lokaal wordt gebruikt bij het samenstellen van een schooleigen curriculum en een curriculum op maat voor een leerling met een IAC-verslag in gewoon of buitengewoon onderwijs. (OVSG, 2024)
Om al eens kennis te maken met het Leer Lokaal van OVSG kan je een kijkje nemen in beide leerplannen via Canvas, onder de Canvascursus EBAKLO Leerplannen en digitale materialen bij methodes. Onder de module OVSG vind je de nodige toegangscodes.
1.3 Doelstellingen vanuit Gemeenschapsonderwijs (GO!)
In het Gemeenschapsonderwijs (GO!) wordt er gewerkt met leerplannen die je vindt op de website van het GO!
Het GO! wil de kleuteronderwijzer(es) ontwikkelingslijnen aanreiken voor elk van de volgende gebieden: media, lichamelijke opvoeding, muzische vorming, Nederlands, wereldorintatie, wiskunde/wiskundige initiatie en dit, binnen elk leergebied, voor de verschillende domeinen die we erin kunnen onderscheiden. Het spreekt echter voor zich dat onze activiteiten in de kleuterklas gentegreerd verlopen (in horizontale samenhang). Gerichter binnen een ontwikkelingslijn werken (bijvoorbeeld voor taal aan luisteren), sluit uiteraard niet uit dat we simultaan andere gebieden en domeinen aan bod kunnen laten komen (binnen taal bijvoorbeeld spreken en taalbeschouwing of buiten het leergebied taal bijvoorbeeld wereldorintatie). In het huidige leerplan zijn niet de activiteiten, maar wel de vaardigheden de structurerende eenheden. Door meer gerichtheid op de doelstellingen en het bereikte niveau van het kind, m.a.w. op de plaats van het individuele kind in een bepaalde ontwikkelingslijn, zal de kwaliteit van ons onderwijs beslist aan waarde winnen.
Om al eens kennis te maken met de doelen die gehanteerd worden in het GO! kan je een kijkje nemen op: http://www.g-o.be/sites/portaal_nieuw/Prikbordvoorleerkrachten/ Basisonderwijs/leerplannen/Pages/default.aspx
2 BEGINSITUATIE
Een belangrijke taak van de leerkracht volgens het didactisch model tijdens de fase van het plannen is het vaststellen van het vertrekpunt of de beginsituatie. Dit houdt in dat men nagaat over welke kennis, vaardigheden, attitudes en ervaringen de lerenden (in ons geval kleuters) reeds beschikken bij de start van het onderwijsleerproces. Het kan daarbij gaan om zeer uiteenlopende aspecten van de beginsituatie: het ontwikkelingsniveau, de voorkennis, motivatie tot leren, sociale talenten, persoonlijkheidseigenschappen, emotionele situatie, handvaardigheid, muzische vaardigheden, etc. Kinderen zijn immers geen onbeschreven blad wanneer ze in jouw klas binnenwandelen. Ze nemen actief deel aan de samenleving en zijn getuige van wat er in de wereld rondom hen gebeurt (Katholiek Onderwijs Vlaanderen, 2016b).
Uiteraard richt de leerkracht zijn aandacht op die aspecten van de beginsituatie die voor het onderwijzen relevant zijn: zaken die leerlingen moeten weten om goed te kunnen volgen, zaken waarop je in het onderwijsleerproces wil voortbouwen, etc. Leren is immers een cumulatief proces. Het vertrekt van en bouwt steeds voort op de reeds aanwezige kennis, vaardigheden, attitudes en ervaringen. Je onderwijsleeractiviteit moet daarom altijd aanknopen bij datgene wat reeds gekend is.
Zo kan onderstaande beginsituatie relevant zijn wanneer je een fijn motorische activiteit voorziet waarbij de kleuters zullen meehelpen aan het maken van de versiering voor het schoolfeest. Er moeten namelijk stroken en mozaeken gescheurd worden om een groot vlak te vullen.
Voorbeeld beginsituatie: De kleuters kunnen reeds dunne papiersoorten vrij scheuren vanuit de vuist waarbij de handen zich van elkaar verwijderen.
Om het leerproces van de kinderen in gang te houden, zal de activiteit dus moeten voortbouwen op de reeds verworven scheurervaring van de kinderen. Met andere woorden, het zal moeten voortbouwen op de scheurtechniek vanuit de vuisten aangezien die reeds verworven is (ter info: het scheuren via de duim en wijsvinger van elke hand bouwt hierop voort).
Het vaststellen van de beginsituatie is belangrijk omdat dit het uitgangspunt is van de activiteit die volgt. De kleuteronderwijzer probeert de kleuters een stapje verder te brengen in hun ontwikkeling, vertrekkend vanuit de mogelijkheden die de kinderen reeds bezitten. Als kleuteronderwijzer dien je onvoorwaardelijk te geloven in de mogelijkheden van de kinderen in je klas om zich te ontwikkelen. Durf enerzijds hoge verwachtingen vooropstellen! Anderzijds moeten deze doelen realistisch en haalbaar zijn, op maat en binnen de mogelijkheden van elk kind (Katholiek Onderwijs Vlaanderen, 2016b). Denk hierbij aan de zone van naaste ontwikkeling (zie o.a. Ontwikkelingspsychologie)!
Er wordt hier gesproken over een beginsituatie in enkelvoud, maar uiteraard moeten we ons ervan bewust zijn dat niet alle kinderen in eenzelfde (klas)groep dezelfde beginsituatie hebben. In dat geval zal de leerkracht zo goed mogelijk moeten trachten te differentiren. In sommige gevallen (zeker bij een leefgroep) kan dit ertoe leiden dat de leerkracht een gedifferentieerde beginsituatie formuleert.
DEFINITIE: Differentiatie is het positief en planmatig omgaan met verschillen tussen leerlingen met het oog op het grootst mogelijke leerrendement voor elke leerling. Het start bij het erkennen van die verschillen en krijgt vorm telkens je als leerkracht probeert in te spelen op verschillen tussen leerlingen. Zo probeer je het leren bij elke leerling zo goed mogelijk te bevorderen (Vanderhoeven, 2008).
Voorbeeld van een gedifferentieerde beginsituatie: De kleuters kunnen reeds dunne papiersoorten vrij scheuren vanuit de vuist waarbij de handen zich van elkaar verwijderen. Enkele kleuters (Max, Jack en Lili) beheersen de scheurtechniek tussen duim en wijsvinger ook al, maar enkel bij dunne papiersoorten.
De beginsituatie bepalen is zeker niet altijd evident. Om het vertrekpunt zo correct en volledig mogelijk in kaart te brengen is er nood aan communicatie met en tussen kinderen, het schoolteam en ouders, aan goede observatievaardigheden van de leerkracht om gelijkheden of afwijkingen ten aanzien van de gemiddelde ontwikkeling vast te stellen. Al deze elementen vormen de puzzelstukken om de beginsituatie vast te leggen.
Om in te gaan op de zorgvragen van kleuters (binnen fase 0 : brede basiszorg, maar ook in de volgende fasen) is het belangrijk om zo snel mogelijk een duidelijk beeld te krijgen van elk kind: wat kan hij al, wat nog niet? Kinderen leren kennen is een belangrijk middel om een brede zorg voor de totale persoon van alle kleuters mogelijk te maken. Als kleuteronderwijzer leer je de kinderen kennen door hen te observeren (VVKBaO, 2000). Hoe voelt het kind zich in de klas (welbevinden)? Is het genteresseerd en intens bezig (betrokkenheid)? Wat zijn sterke en minder sterke kanten binnen de verschillende ontwikkelingsdomeinen (competenties)?
Kleuters observeren levert nuttige informatie op. Zo krijg je als KO de kans om
beter in te spelen op interesses van de kleuter(s): interesses, mogelijkheden, voorkeuren, gevoelens, ontwikkelingsdomeinen waarin hij goed is, vaardigheden of attitudes die nog niet helemaal ontwikkeld zijn ...;
gericht actie te ondernemen door bijvoorbeeld gepaste begeleiding op te zetten, de klasinrichting aan te passen, een BC te kiezen, het aanbod binnen het BC vorm te geven, impulsen te geven;
specifieke zorgvragen te formuleren en te zoeken naar oplossingen;
een duidelijk beeld te schetsen aan de ouders tijdens een oudercontact of bij het afhalen van de kleuter in de klas;
een duidelijk beeld door te geven aan andere betrokkenen binnen het schoolteam, denk bijvoorbeeld aan een duopartner, de zorgjuf, de leerkracht van de volgende klas.
In het opleidingsonderdeel ervaringsgericht onderwijs leer je hoe je kan observeren.
Eveneens zinvolle inspiratiebronnen om de beginsituatie van kleuters in je klas te bepalen en om te weten wat je van een bepaalde leeftijdsgroep mag verwachten, zijn het boek Groei- en leerlijnen in de kleuterschool (Boone, 2008) en Groot worden (Struyven, Baeten, Kyndt en Sierens, 2009). Verder vind je ook in de leerplannen leerlijnen met ontwikkelstappen op basis van referentieleeftijden. Hou er echter steeds rekening mee dat de gemiddelde kleuter en de gemiddelde kleuterklas niet bestaat en je dus niet alles achteloos kan overnemen. Vandaar dat deze inspiratiebronnen naast observatie dienen gelegd te worden.
3 CONCRETE DOELEN IN HET KEUZEFORMULIER
Alvorens je de vertaling van de doelen in de keuzefiche ten volle kan begrijpen, dien je de theoretische achtergrond uit puntje 1 De onderwijsdoelstellingen te hebben doorgenomen.
Je bepaalt per activiteit twee drie leerplandoelen waaraan je zal werken. De doelen voor het hoofdaanbod noteer je op het lesvoorbereidingsformulier, de doelen voor het keuzeaanbod noteer je op de fiches keuzeaanbod.
De leerplandoelen noteren doe je door de cijfer- en lettercode over te nemen uit het leerplan (zie verderop voor enkele voorbeelden) en vervolgens het leerplandoel over te nemen uit het leerplan. Leerplandoelen (zeker bij ZiLL!) zijn vaak breed omschreven en kunnen niet altijd in zijn geheel in een activiteit verwerkt worden. Als je niet het ganse leerplandoel in de activiteit verwerkt, noteer je (na de code) een verkort leerplandoel dat duidelijk aangeeft welk onderdeel van het leerplandoel aan bod komt in de lesvoorbereiding. Dat kan door het onderdeel van het leerplandoel dat niet van toepassing is weg te laten of te doorstrepen. In het geval van leerplandoelen uit ZiLL noteer je (na de code) eerst de generieke doelstelling, daarna (indien aanwezig) de leerinhoud en vervolgens is het sterk aangeraden nog de ontwikkelstap te noteren (indien aanwezig). Elk van die onderdelen (generiek doel, leerinhoud & ontwikkelstap) kan en mag trouwens verkort worden. Omdat je bij ZiLL erg veel onderdelen moet noteren, raden we aan om een pijl () te noteren voor de (verkorte) ontwikkelstap.
Indien je activiteit de ervaringskans geleid spelen en leren (GSL) creert, noteer je eveneens een concreet doel. Net zoals bij de beginsituatie is het mogelijk hier te differentiren tussen (groepen) kleuters. Concreet ga je als volgt te werk: je stelt de beginsituatie vast, vervolgens bepaal je doelen die de ontwikkeling een stapje verder brengen, pas daarna ga je nadenken over welke activiteit het meest geschikt is om de vooropgestelde doelen te bereiken. Op deze manier ga je doelgericht te werk.
Vanuit de visie van ZiLL! probeer je best een doel uit de persoonsgebonden ontwikkeling te combineren met een doel uit de cultuurgebonden ontwikkeling om zo een harmonische ontwikkeling na te streven bij kinderen. Met andere woorden n leerplandoel uit de binnencirkel en n uit de buitencirkel.
We hanteren voor de verwijzing naar de generieke doelen van ZiLL! de cijfer- en lettercodes (ofwel de afkortingen) die ook in ZiLL! gebruikt worden. De twee hoofdletters vooraan verwijzen naar het ontwikkelveld, de twee kleine letters erna verwijzen naar het ontwikkelthema en ten slotte volgt een getal.
Bijvoorbeeld:
Socio-emotionele ontwikkeling (SE)
o Relationele vaardigheden (SErv)
o Omgaan met gevoelens en behoeften (SEgb)
o Inlevingsvermogen (SEiv)
o Seksueel bewustzijn (SEsb)
Ontwikkeling van wiskundig denken (WD)
o Logisch en wiskundig denken (WDlw)
o Getallenkennis (WDgk)
o Rekenvaardigheid (WDrv)
o Meetkunde (WDmk)
o Meten en metend rekenen (WDmm)
Je kan voor het selecteren van doelen het best gebruikmaken van de selectietool van ZiLL! (Katholiek Onderwijs Vlaanderen, 2016c). Deze selector kan je raadplegen via volgende link: https://zill-selector.katholiekonderwijs.vlaanderen/.
Je kan hier bijvoorbeeld ook voor een stageperiode alle gekozen doelen selecteren (door op het plusteken te klikken) zodat je meteen een visueel overzicht krijgt van de geselecteerde ontwikkelvelden. Je kan zo nagaan of je alle domeinen (evenwichtig) aan bod laat komen.
3.1.1.1 Wat zijn concrete doelstellingen?
Bij de ervaringskans geleid spelen en leren (GSL) vermeld je eveneens concrete doelstellingen. Daarin staat klaar en duidelijk samengevat wat je met die activiteit wil bereiken. Er moet in vermeld staan wat de kleuters tijdens de activiteit leren, oefenen of ontwikkelen. Per gekozen vooropgestelde leerplandoel (maximaal twee voor n activiteit), formuleer je n concrete doelstelling (of meerdere indien je gaat differentiren1).
Een concrete doelstelling neemt een belangrijke plaats in bij de begeleiding van de activiteit. Doelen concreet en precies formuleren, stimuleert gerichte observatie waarmee vrij gemakkelijk kan gecontroleerd worden of je didactisch handelen efficint was (cfr. Deel 7 Evalueren van spelactiviteiten).
Aan de hand van de leerplannen gaan we concrete doelen formuleren. Die concrete doelen sluiten veel sterker aan bij de concrete activiteit en verwoorden wat de kleuter na de activiteit moet kennen en/of kunnen in waarneembaar gedrag. Belangrijk is dat de zinvolheid van het doel in het oog wordt gehouden. Om concrete doelen te kunnen formuleren, moet je de inhoud van de geplande activiteit duidelijk bepalen.
In de afbeelding hieronder zie je een stuk uit het ontwikkelveld Ontwikkeling van wiskundig denken, meer bepaald uit het ontwikkelthema Getallenkennis.
De notatie hieronder is een voorbeeld van hoe dit kan genoteerd worden op de lesvoorbereiding, nl. code leerplandoel + (verkort) generiek doel + (verkorte) leerinhoud (indien aanwezig) ) + (verkorte) ontwikkelstap (indien aanwezig) en tot slot het concreet doel (bij GSL).
WDgk1 Inzicht verwerven in hoeveelheden: hoeveelheden vergelijken en sorteren Gestructureerde hoeveelheden vergelijken door actief ervaringen op te doen en daarbij woorden te gebruiken zoals evenveel, niet evenveel.
Concreet doel: De kleuters kunnen na het gelijktijdig opwerpen van de maxi-dobbelstenen het geworpen aantal figuren (max. 5) op beide dobbelstenen vergelijken en verwoorden of het evenveel of niet evenveel is.
Ter info: De onderdelen van de ontwikkelstap die niet van toepassing zijn in de activiteit werden weggelaten. Doorstrepen kan ook, maar zorgt hier voor wat chaos (cfr. veel doorstreepte tekst). Laat de keuze voor weglaten of doorstrepen dus afhangen van de leesbaarheid en duidelijkheid voor jezelf en de lezer van je lesvoorbereiding.
De notatie van leerplandoelen op de lesvoorbereiding die uit een ander leerplan dan ZiLL! komt, is gelijkaardig. Je neemt ook daar de code van het leerplandoel over uit het leerplan en hanteert verder hetzelfde principe van verkorten. Je zal echter opmerken dat de leerplandoelen van OVSG (weliswaar voor het Doelenboek) en GO! meer afgebakend zijn en verkorten hier minder vaak nodig is.
Voorbeeld OVSG (obv het Doelenboek, nog niet het nieuwe Leer Lokaal):
DB-WI-GET-01.04: Concrete hoeveelheden vergelijken door de 1-1 relatie uit te voeren
Concreet doel: De kleuters kunnen hun verzamelde punten bij het visspel vergelijken met elkaar in functie van het bepalen van de winnaar door ze n voor n gelijktijdig weer in de vijver te werpen.
Voorbeeld GO!:
WI 2.1 Vergelijken van hoeveelheden: de kleuters kunnen de n-n-relatie leggen.
Concreet doel: De kleuters kunnen hun verzamelde punten bij het visspel vergelijken met elkaar in functie van het bepalen van de winnaar door ze n voor n gelijktijdig weer in de vijver te werpen.
3.1.1.2 Hoe worden concrete doelstellingen geformuleerd?
In wat volgt lichten we de regels bij het formuleren van een concrete doelstelling toe. Algemeen wordt gesteld dat concrete doelen steeds zo duidelijk en ondubbelzinnig mogelijk geformuleerd dienen te worden. Dit wil zeggen:
In termen van kleutergedrag
NIET: De KO zal de evolutie van rups tot vlinder tonen aan de hand van fotos.
WEL: De kleuters kunnen aan de hand van fotos vertellen hoe een rups een vlinder wordt.
In termen van concreet-waarneembaar/observeerbaar gedrag
NIET: De kleuters kennen de vijf weerkaarten van de weerkalender .
WEL: De kleuters kunnen het weer van op de vijf weerkaarten benoemen: zon, wolken, regen, wind of sneeuw.
Tip: Om hieraan te voldoen, werk je best met werkwoorden:
NIET WEL
kennen benoemen
weten opsommen
inzien construeren
begrijpen reconstrueren
beseffen namaken
nabootsen
vertellen
tekenen
De (leer)inhoud concreet aangeven
NIET: De kleuters kunnen figuren benoemen in de omgeving.
WEL: De kleuters kunnen figuren in voorwerpen die ze tegenkomen tijdens de wandeling naar het zwembad (bv. verkeersborden, het riooldeksel, enz.) benoemen met rond, driehoekig en vierhoekig.
Eventuele omstandigheden of hulpmiddelen aangeven
NIET: De kleuters kunnen hun schoenen aantrekken.
WEL: De kleuters kunnen hun schoenen aantrekken met behulp van een schoenlepel.
Eventueel de minimumprestatie of het criterium waaraan moet voldaan worden weergeven
NIET: De kleuters kunnen het gebruikte materiaal op tijd opruimen.
WEL: De kleuters kunnen het gebruikte materiaal opruimen voor het einde van het opruimliedje.
Enkelvoudige doelen opstellen (maar 1 doel tegelijkertijd)
NIET: De kleuters kunnen een aangeleerd liedje meezingen en de bewegingen erbij meedoen.
WEL: De kleuters kunnen een aangeleerd liedje meezingen. EN De kleuters kunnen de bewegingen bij een aangeleerd liedje meedoen.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 20.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question