Maak een oefenexamen van de volgende tekst: HET ZORGCONTINUM
Elk kind heeft recht op kwaliteitsvol, uitdagend en motiverend onderwijs. Iedere
school zorgt ervoor dat alle kinderen zich kunnen ontplooien met aandacht voor
mogelijkheden, talenten en specifieke onderwijsbehoeften.
Het zorgcontinum van Prodia (2024) beschrijft de organisatie van zorg binnen
onderwijs. Scholen voeren een kwaliteitsvol zorgbeleid met een bijzondere
aandacht voor een sterke brede basiszorg en verhoogde zorg. Hiervoor werkt ze
op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met de leerling,
diens ouders, de pedagogische begeleidingsdienst, het centrum voor
leerlingenbegeleiding en het leersteuncentrum.
Het zorgcontinum omvat vier fasen: brede basiszorg, verhoogde zorg,
uitbreiding van zorg en handelen en evalueren op basis van een verslag
individueel aangepast curriculum (of een verslag opleidingsvorm 41).
1Verslag OV4 is voor buitengewoon secundair onderwijs.
Herdrukt van zorgcontinuum, door Prodia (2024). Geraadpleegd van https://prodiagnostiek.be
Brede basiszorg is verankerd in de zorgwerking van de school en geldt voor alle
leerlingen. Indien de brede basiszorg onvoldoende toereikend is voor een
leerling(groep), wordt verhoogde zorg voor deze leerling(groep) ingeschakeld.
Wanneer ook verhoogde zorg onvoldoende tegemoetkomt aan de noden van een
individuele leerling, dan schakelt de school het CLB-team in via uitbreiding van
zorg.
Wanneer, na een handelingsgericht diagnostisch traject, blijkt dat voor een
bepaalde leerling het volgen van een gemeenschappelijk curriculum bijzonder
moeilijk verloopt, stelt het CLB een IAC-verslag of OV4-verslag op. De school
geeft dan op basis van dat verslag het handelen en evalueren vorm. Hiervoor
bouwt de school verder op de reeds aanwezige zorg op school. Zo versterkt zij
de brede basiszorg voor alle leerlingen en laat ze de leerling optimaal
participeren aan het klas- en schoolgebeuren. De school voor gewoon onderwijs
wordt hierbij ondersteund door het leersteuncentrum, de school voor
buitengewoon onderwijs maakt hiervoor gebruik van de eigen expertise (type en
opleidingsvorm).
Het doel is om leerlingen zoveel mogelijk samen met leeftijdsgenoten te laten
participeren in een inclusieve schoolomgeving. Zowel scholen voor gewoon als
buitengewoon onderwijs leveren systematisch inspanningen om een meer
inclusieve leeromgeving te creren. Dit doen ze binnen buitengewoon onderwijs
door aandacht te geven aan een mogelijke (gedeeltelijke) terugkeer naar het
gewoon onderwijs en binnen gewoon onderwijs door een faire afweging van de
redelijkheid van aanpassingen en waar aangewezen de mogelijkheid tot
gedeeltelijke lesbijwoning in het buitengewoon onderwijs.
Het zorgcontinum vertrekt dus vanuit de zorg voor alle leerlingen en evolueert
geleidelijk naar zorg voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Het
continum is een driehoek omdat het over steeds minder leerlingen gaat. De
zorg wordt steeds specifieker. Wanneer een leerling overgaat naar een volgende
fase blijft/blijven de vorige fase/n ook van kracht. Zo blijven in de fase
uitbreiding van zorg ook de acties uit de brede basiszorg en verhoogde zorg van
toepassing.
In wat volgt gaan we dieper in op de verschillende fasen van het zorgcontinum.
1.1 Brede basiszorg: de motor van leerlingenbegeleiding
De school met de leerkracht als spilfiguur stimuleert de totale ontwikkeling van
alle leerlingen via de vormgeving van onderwijsleersituaties (zie didactisch
model) en een krachtige leer- en leefomgeving: een positief, veilig en rijk
leerklimaat, betekenisvol leren, rijke ondersteuning en interactie.
De (kleuter)onderwijzer vertrekt vanuit de verschillen tussen kleuters om het
aanbod uit te werken en bij te sturen, hij heeft daarbij aandacht voor talenten en
mogelijkheden. Stimuleren, differentiren en eventueel remediren staan in
functie van de optimale ontwikkeling van alle kleuters (Prodia, 2015).
Deze principes maken de didactiek universeler, waardoor de leeromgeving
aansluit bij de onderwijsbehoeften van een diverse groep leerlingen. Zo hebben
minder leerlingen nood aan specifieke maatregelen en gaan ze bijgevolg niet of
minder vlug over naar de fase van verhoogde zorg (Prodia, 2015).
Het schoolteam begeleidt de leerlingen en werkt actief aan het versterken van
positieve factoren en het verminderen van belemmerende factoren. Ook worden
alle leerlingen systematisch opgevolgd in een leerlingvolgdossier en is er nauw
contact met de ouders via formele oudercontacten en/of extra oudergesprekken.
De verantwoordelijkheid voor de regie n voor de begeleiding van leerlingen op
klas- of schoolniveau ligt bij de school. Bij de uitbouw en invulling van de
basiszorg kan de school een beroep doen op de pedagogische begeleiding en het
CLB.
1.2 Verhoogde zorg: leerlingenbespreking als scharniermoment
Indien de krachtige leer- en leefomgeving in de brede basiszorg niet meer
volstaat om tegemoet te komen aan de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van
een leerling, wordt de verhoogde zorg ingeschakeld. Het gaat om extra
maatregelen die ervoor zorgen dat de leerling met specifieke onderwijsbehoeften
het gemeenschappelijk curriculum kan blijven volgen.
Tijdens de leerlingenbespreking bekijkt het zorgteam samen met de leerkracht,
ouders en leerling welke aanpassingen nodig zijn. Deze aanpassingen worden bij
voorkeur gerealiseerd door de klasleerkracht(en) in samenspraak met het
zorgteam. Om tot goede interventies te komen, wordt gewerkt vanuit de
uitgangspunten van het handelingsgericht werken (HGW). Zo worden doelen
bepaald, waarbij langetermijndoelen dikwijls in haalbare (tussen)doelen worden
opgesplitst. Het evalueren en zorgvuldig registreren van deze interventies in het
kindvolgsysteem van de school is een belangrijke verantwoordelijkheid van de
klasleerkracht en het zorgteam.
Om leerkrachten en schoolteamleden te coachen en te ondersteunen bij het
bieden van deze zorg kan de school de pedagogische begeleiding en het CLB
aanspreken. Het CLB biedt versterking aan de school bij problemen van
individuele leerlingen of groepen van leerlingen door de kernactiviteit
consultatieve leerlingenbegeleiding.
1.3 Uitbreiding van zorg: bijschakelen wanneer nodig
Voor een aantal leerlingen volstaan de acties binnen verhoogde zorg niet. In dit
geval betrekt het schoolteam in samenspraak met de ouders en/of de leerling
tijdig het CLB-team. Als schoolexterne dienst is het CLB ook steeds rechtstreeks
toegankelijk voor leerlingen en ouders.
In de fase van uitbreiding van zorg krijgt het CLB een actievere rol. Het CLB gaat
samen met leerling, ouders en schoolteam actief op zoek naar oplossingen en
kan dit onder meer doen door het lopen van een handelingsgericht diagnostisch
traject. De CLB-medewerker onderzoekt (via observaties, tests e.d.) wat de
leerling met specifieke onderwijsbehoeften nodig heeft en welke
ondersteuningsbehoeften de leerkracht heeft. Op basis van dit onderzoek
formuleert het CLB adviezen. De opvolging van deze adviezen kan gebeuren
binnen de verschillende fasen van het zorgcontinum. Doorheen de uitbreiding
van zorg zet de school dus de maatregelen uit de vorige fasen (basis- en
verhoogde zorg) verder.
Het CLB kan een GC-verslag opmaken dat toegang geeft tot leersteun wanneer
dit, in combinatie met eerdere maatregelen, nodig en voldoende geacht wordt
om de leerling het gemeenschappelijk curriculum (= GC) te laten volgen.
Wanneer de maatregelen die nodig zijn ofwel disproportioneel, ofwel
onvoldoende zijn, kan het CLB een IAC-verslag opmaken. De zorgnood van de
leerling bevindt zich dan in de bovenste punt van het zorgcontinum.
1.4 Handelen en evalueren op basis van een IAC- of OV4-verslag
Bij een IAC wordt dus afgeweken van het gemeenschappelijk curriculum: wat de
leerling moet kennen en kunnen om een diploma of studiebewijs te kunnen
halen. Een IAC wil zeggen dat leerdoelen op maat van de leerling worden
opgesteld en hij dus de doelen van het gemeenschappelijk curriculum niet hoeft
te halen.
Hoewel een IAC loskomt van het gemeenschappelijk curriculum, kan het in
bepaalde gevallen alsnog leiden tot een getuigschrift. Het handelingsplan wordt
dan afgetoetst aan de doelen voor gewoon (basis)onderwijs en op basis daarvan
kan de onderwijsinspectie het getuigschrift alsnog uitreiken.
Een leerling met een IAC-verslag kan les volgen in het gewoon of het
buitengewoon onderwijs. Binnen dit traject wordt gestreefd naar continuteit in
de zorg. Interventies uit eerdere fasen worden verder gezet en er wordt in
overweging genomen of eventuele externe hulpverlening aanvullend kan zijn.
Het opmaken van een IAC-verslag kan een schoolverandering inhouden. Door in
te zetten op een warme overdracht bevorderen scholen het voortzetten van wat
werkt voor de leerling.
Via handelingsplanmatig werken wordt het traject van de leerling opgevolgd en
bijgestuurd. Binnen gewoon onderwijs, kunnen leerlingen met een IAC-verslag
rekenen op intensieve leersteun van een leersteuncentrum. Binnen
buitengewoon onderwijs wordt de zorg voor de leerling georganiseerd binnen een
continum van zorg.
De opmaak van een IAC-verslag houdt dus geen automatische overstap in naar
een school voor buitengewoon onderwijs. In het Leersteundecreet staat dat
leerlingen met een IAC-verslag de keuze hebben tussen een traject in een
(eventueel andere) gewone school of een school voor buitengewoon onderwijs. . De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 20.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question