Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Kwalificatie:
Het eigen maken van kennis, vaardigheden en houdingen die leerlingen kwalificeren om deel uit te maken van onze maatschappij.
Socialisatie:
Het voorbereid worden op het leven als lid van een gemeenschap. Het leren kennen van de tradities, normen en waarden staan hierbij centraal.
Subjectivering:
Mensen worden als subject gezien en niet als een object. Verder gaat het over ik n mijn wereld.
Behavioristische leertheorien:
Ontdekt in de 20e eeuw door aanhangers van Watson en Skinner. Gelooft in oefening baart kunst. Straffen en belonen worden ingezet om de motivatie te vergroten.
Cognitivisme theorie:
Opgekomen rond 1930, manier van denken sluit aan bij Jean Piaget en Benjamin Bloom. Voortbouwen op bestaande kennis kapstokken
Constructivisme theorie:
Begin jaren 60 en maakt onderscheid tussen kennis het leren. Leren is een actief proces en reflecteren op eigen werk hoort hierbij. De denkwijze van Vygotsky en John Dewey past bij het onderzoekend leren en bij deze leertheorie.
Traditioneel onderwijs:
Nadruk ligt op schriftelijke vaardigheden en de grammatica van de taalvorming. Leerstof wordt overgebracht door de leerkracht. Overzicht op de deelaspecten waarin taal is verdeeld maakt het overzichtelijk om de resultaten te analyseren. Aandacht voor de verschillende domeinen is ongelijk verdeeld.
Thematisch/ cursorische taalvorming:
Komt uit de jaren 70. Themas worden gecombineerd met andere vakken samen. Het accent ligt op lezen, grammatica en spelling. Leerlingen zijn actief en praten veel, de leerkracht begeleid. Leren door de taal in zinvolle situaties te gebruiken. Voor de leerkracht koste het veel tijd om de lessen voor te bereiden en de resultaten zijn moeilijker te analyseren.
Taal bij alle vakken:
Het leren door taal te gebruiken voor nieuwe inhouden en inzichten, hierdoor worden transferproblemen voorkomen. Het denkproces wordt ontwikkeld door uitgekiemde instructies en goed omschreven taken. Interactie binnen de groep is belangrijk. Bij sommige taalonderdelen lijkt deze visie niet geschikt, deze kunnen beter systematisch aangeleerd worden.
Communicatief taalonderwijs:
Opgekomen in 1980, correctheid van taalgebruik. Leren lezen, schrijven, spreken en luisteren door het volgende principe: Zender(s) boodschap (tekst) ontvanger(s). Leerlingen raken gemotiveerd door de gekozen situaties die aansluiten op hun belevingswereld. De situaties kunnen gemaakt worden door de leerkracht en niet alles kan in rele situatie aangeboden worden.
Whole language benadering:
Taal als geheel aangeboden, komt uit Amerika, leerlingen leren door taal te gebruiken. Eigen ervaringen zijn gespreksstoffen. Een voorbeeld van een werkvorm is een taalronde: : leerkracht roept reactie op door eerst zelf een verhaal te vertellen (denk aan Ritas les over stout zijn)
Strategisch onderwijs:
Doormiddel van stappenplannen en strategien leren de leerlingen om communicatie taken uit te voeren. Midden 1980 bekend geworden en strategien kunnen een doel worden i.p.v. middel.
Taakgericht onderwijs:
Taal leren door uitdagende taken uit te voeren, en andersom. In 1990 ontwikkeld als steunpunt voor het n2 onderwijs.
Interactief taalonderwijs:
Leerlingen leren taal door betrokken te zijn bij de lesactiviteiten, samenwerken is belangrijk . Uitgangspunten/ drie pijlers: betekenisvol, sociaal en strategisch leren.
Betekenisvol leren:
Leren is een actief proces. Leerrijk, uitdagend, functioneel, motiverend en herkenbaar.
Sociaal leren:
De leerkracht doet het voor (modelleren), gesproken en geschreven taal. Het leren gebeurt veelal samen en het is je eigen verantwoordelijkheid om te leren.
Strategisch leren:
Ook hierbij wordt veel samengewerkt. Combinatie van concrete strategien en expliciete instructie (vooral voor leerlingen die moeite hebben met taal).
6 van de 21e eeuwvaardigheden:
Communiceren, creativiteit, kritisch denken, zelfregulering, samenwerken en digitale geletterdheid.
Jeugdliteratuur:
door boeken kom je in aanraking met cultuur, inleven en taalverwerving
Taalbeschouwing:
reflecteren op taalgebruik, nadenken over taal en de functies van taal.
Woordenschat:
woordkennis en belangrijk voor alle domeinen.
Kerndoelen:
Globale eisen voor het aanbod waaraan de leerkrachten moeten aan voldoen daarvoor zijn er in 1990 verplichte kerndoelen gemaakt.
Tussendoelen:
Vormen een concretisering van de kerndoelen voor scholen die zoeken naar inhouden van taalonderwijs.
Referentiekader taal en rekenen:
Basisscholen moeten een beeld hebben van de eindniveaus 1f en 2f
Systematische instructie heb je nodig voor:
lezen, schrijven en spellen.
Incidenteel leren:
spontaan en onbedoeld leren, bijv door een spel.
intentioneel leren:
bewust, zelf op onderzoek gaan
instructieve leersituatie + voorbeeld:
leerlingen leren door directe instructie. Leerkracht geeft les/ instructie, daarna gaan de lln aan het werk.
constructieve leersituatie + voorbeeld:
De leraar gaat in op de leervragen van de leerlingen en laat hun via ankers taalactiviteiten uitvoeren. Bijv. tijdens het fruit eten leest de leerkracht een boek voor, de leerlingen weten wat er van ze verwacht wordt.
Communicatieve functie:
Hoe spreek je mensen aan?
Conceptualiserende functie:
Taal wordt gebruikt om de werkelijkheid te volgen.
Expressieve functie:
Uitdrukking geven aan persoonlijke emoties.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 20.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question