Studybot answer

Ask a question ›
 
Question asked by: chinederieuw - 2 years ago

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Semiotiek is het wetenschappelijk veld rond tekens, betekenis en taal.
Fonologie: studie van klanken en de kleinste eenheden (letters) in de semiotiek.
Syntaxis: studie van hoe verschillende tekens worden gecombineerd tot betekenisvolle patronen.
Pragmatiek: relatie tussen de eigenlijke betekenis van de tekens en de gebruiker van het teken = de context en sociale factoren waarin iets gecommuniceerd word vullen de betekenis aan.
Semantiek: relatie tussen een teken en de betekenis die eraan word toegekend, los van de context iemand verstaat een teken als iets.
De Saussure: Een teken is de kleinste eenheid van communicatie, en heeft enerzijds een:
Betekenaar(signifant): fysiek verschijnsel (bv een woord, signaal, symbool, )
Betekende(signif): het eigenlijke Concept, begrip, beeld, idee waarnaar dat fysieke verwijst
Roland Barthens: voor de volle betekenis (significatie) van een teken bepalen verdelen we teken in:
Denotatie(primair): letterlijke betekenis/definitie van het teken, waar consensus over de betekenis over bestaat
Connotatie(secundair): Figuurlijke of subjectieve betekenis waar verschillende mensen verschillende associaties kunnen maken, kan gesplitst worden in 2 componenten:
o Evaluatieve lading: verwijst naar is het goed, slecht of neutraal
o Referentile lading: variabele betekenis of verwijzing, bv ironie/analogie/bij het woord auto een ander soort auto in hoofd hebben
(Verborgen 3de) Ideologie: manier waarop de boodschap gestuurd en georganiseerd word, wat de onderliggende en heersende ideen van de samenleving weerspiegelt.
o Mythe: cultureel verhaal of idee dat diepgewortelde waarden, overtuigingen en idealen van een samenleving weerspiegelt en versterkt, dit is de manier waarop ideologie van een teken invloed uitoefent.

Er zijn veel tekensystemen over tekens, wij focussen ons op die van: (PS)
Peirce: gefocust op meer filosofisch/psychologisch perspectief

o Representamen het symbool/teken (bv het woord/tekening/geluid student)
o Object is het objectieve concept, de realiteit van het teken/denotatie (bv het concept, definitie van een student)
o Interpretant is het mentale begrip dat daarbij word opgeroepen, kan verschillen tussen individuen (subjectief, door persoonlijke ervaring) (bv een boomer die in gent woont denkt bij een student aan feestbeesten)

Saussure: gefocust op ook taalkundige dementie. Onderliggende relaties tussen tekens

o De Betekenaar (signifiant) staat telkens voor een Betekende(Signifi), en de betekende geeft telkens extra betekenaar voor een ander teken, n ding doet je denken aan een ander en zo voort (zoals een maaltijd je doet denken aan een dessert.)
o Horizontaal: Syntagma: selecties
o Verticaal: Paradigma: combinaties

Peirce: Bestudeerde de relatie tussen teken en object en onderscheid daarin:
Icoon: teken dat op visueel/auditief vlak gelijkenis toont aan een object, direct herkenbaar maar kunstmatig, bv een foto/schilderij/klanknabootsing
Index: moet aangeleerd worden, relatie van oorzaak en effect met object, het herinnert ons aan iets anders, bv rook is een index voor vuur
Symbool: is het minst rechtstreeks, krijgt betekenis op basis van maatschappelijke afspraak, de linklegging is uiteindelijk toevallig, bv gloeilamp voor een idee, ringen voor olympische spelen

Peters: bestudeerd tekenindeling van deze 3, wijkt een beetje af van Peirce

o Index wanneer teken op natuurlijke wijze met object is verbonden, geen tussenkomst van de mens
o Apart onderscheid tussen gemotiveerd of arbitrair (willekeurig) verband
Arbitrair = conventionele = door bepaalde patronen/ uit gewoonte beslist
Gemotiveerd kan icoon (gelijkenis) of symbool (associatie) zijn
Hoofdstuk 1 Deel 2
5 Bouwstenen van de communicatie: (BED TOC)
Communicator: Actor die boodschap uitzend
o Sommige communicatie is niet bewust, zoals de opvolger van Bill gates (communiceert niet intentioneel hoe nerveus hij is.
o Kan zowel een individu als een groep zijn
o Fysieke aanwezigheid (co-presence) heeft belang! (coach die in je gezicht komt schreeuwen is effectiever dan op zijn telefoon bellen)
o Feedback door ontvanger
o Feedforward: als de communicator al anticipeert op hoe hij denkt dat de ontvanger zal reageren

Boodschap: verschillende aspecten (RIEVRA)
o Referentile/inhoudelijke: de feiten, wat word er echt bedoeld met de boodschap (ironie eruit filteren) -> representationeel en referentieel
o Expressieve/vormelijke: verpakking, lay-out, hoe word het gesteld (terwijl hij huilt)
o Relationele/appellerende: ontvanger oproepen tot bepaalde handeling (aangeven dat je iets moet doen)

Encoderen/Decorderen:
o Coderen = Encoderen (zender denkt aan iets, vormt het om naar een boodschap) + Decoderen (ontvanger ontvangt dat woord en vormt het naar een ding)
+ codes:
1. digitale of conventionele: aangeleerd, geen gradatie in betekenisintensiteit, letters, taal, cijfers
2. analoge of natuurlijke code: beeldende taal, gradatie in betekenis, situatie gebonden
->worden door elkaar gebruikt
Encoderen: taak van de zender/communicator, inhoud omzetten naar symbolen of tekens en via kanaal (zie hieronder) doorsturen naar ontvanger
Decoderen: taak van de ontvanger
Het dubbel proces van decoderen:
o Syntactisch proces: zinsbouw, structuur analyseren
o Semantisch proces: woord in een context steken om beter te begrijpen naar wat er verwezen word.
Soorten decodering: zie jij de boodschap op de bedoelde manier?
o Dominante/Hegemonische decodering (zie het als hoe de boodschap bedoeld was)
o Abberrante decodering (zie het niet hoe de boodschap bedoeld was)
o Onderhandelde decodering (snapt deels hoe het bedoeld is maar voegt er zijn eigen interpretaties toe waardoor boodschap aangepast word)
o Er zijn diepere of minder diepe presentaties, er is een gemakkelijkheidsgraad aan elke boodschap
o Maak het onderscheid tussen Digitale en Analoge code.
Digitale/conventionele code: code die betekenis krijgen door overeenstemming binnen een taal of cultuur (bv symbolen)
Analoge/natuurlijke code: natuurlijker, vaak situatie gebonden, moeten niet aangeleerd zijn om te begrijpen (het directe, vaak fysieke of natuurlijke relatie tussen betekenaar en betekende bv gezichtsuitdrukking)

Transmissieproces: overbrengen van de gencodeerde boodschap
o Kanaal (= fysische drager van een signaal) is wat nodig is om transmissie over te doen (bv, de lucht, radiogolven, ...), het is fysiek dus het is begrensd door externe factors (=ruis).
o Signaal = wat door het kanaal gedragen word (bv klank omgezet in digitale code in elektronisch signaal, of bv vibraties in de lucht) -> drager of verspreider van een teken
o Medium = technisch middel om tijd en ruimtelijke beperkingen te overwinnen (bv telefoon, maar ook mond/stem)
o Ruis: Probleem dat tussen het transmissieproces loopt
Externe ruis: fysiek buiten het transmissieproces, iets dat de boodschap waziger maakt zonder dat het deel was van de transmissie (bv veel achtergrond lawaai, moeilijk om te zien door donker, ..)
Interne ruis: er gaat iets mis na de transmissie van de boodschap
Psychologisch ruis: verschillende manier van denken/kijk op wereld
Semantische ruis: verschillende woordbetekenis hanteren, niet genoeg taalkennis of wat een woord eigenlijk betekend/andere taal
Mechanische/Fysieke ruis: fysieke beperkingen (bv moeilijk leesbare letters, slecht gehoor, slecht signaal)

Ontvanger
o Wanneer boodschap toekomt na ruis: Details toevoegen voor gaten, aanpassen, realiteitsreductie/versterking maken.
o Selectieve ontvanger krijgt niet alle info binnen omdat hij selectief kiest welke info binnenkomt. Tegenovergestelde is passieve ontvanger die alle info binnenkrijgt.
Selectieve kennisneming (alleen wat overeenkomt met wat ze al denken/weten)
Selectieve aandacht
Selectieve waarneming
Selectief onthouden
Selectief aanvaarden

Wanneer is communicatie succesvol/geslaagd?: 3 criteria:
o Intentionaliteit: zender heeft bewust doel voor boodschap verzenden.
o Effectiviteit: boodschap heeft dat gewenste doel bereikt (kan ook bv informatie overbrengen zijn)
o Interactiviteit: zowel zender als ontvanger zijn actief betrokken in proces om doel te bereiken, en het proces kan zelfs verdergaan hierdoor (bv antwoord geven te maken met doel).

Hoofdstuk 1 Deel 3
Communicatiemodellen: versimpelde beschrijving van communicatie. Bestaan telkens uit elementen, eigenschappen en relaties. (La ShaWe Ne ScraGeJa)
Lasswell: Eerste poging (1948) om basis van communicatie te vatten

Zeer lineair model (een ontvanger die een bericht krijgt van een communicator)
Wie zegt wat (inhoudsanalyse), in welk kanaal (media-analyse), tot wie (publieksonderzoek), met welk effect (effectenonderzoek)
Kritiek: geen feedback/tegenreactie na ontvangst (=interactie), geen intentie (=intentionaliteit), geen aandacht voor omgeving en context.
Shannon & Weaver: 2de poging (1949), werkte bij een van de eerste telecommunicatie bedrijven, dus model gemodelleerd op telefoon interactie
technische verloop van het transmissie-proces, waardoor ook een kanaal, medium, signaal (+)
Lineair, maar ruis komt erbij (+), hoewel nog steeds geen effect voor sociale context, intentie, interactie (-)
Geen aandacht meer voor wat het effect van de boodschap is (-)


Newcomb: in 1953, het ABX model bestudeerd attitudeverandering van A en B, tegenover X
theorien rond punten A en B (de zender en ontvanger) tegenover X (de sociale factor, iets waarover gecommuniceerd word: een gedeelde ervaring met gedeelde sociale context)
Imbrication: proces waarbij de standpunten van A en B over X steeds meer in elkaar overlopen. Hier is communicatie op gericht volgen hem.


Schramm: in 1945, model gefocust op interpersoonlijke communicatie

Hoe word het bericht gecodeerd door de Zender en gedecodeerd door de ontvanger
o eerste model dat implementeert dat berichten niet altijd perfect worden verstaan (=semantische ruis en context).
Interessant voor massacommunicatie (hoe decoderen en encoderen mediakanalen boodschappen)
Eerste circulaire model: ontvanger en zender kunnen wisselen (=interactie)
Gerbner: in 1956, probeerde een model te maken waar ALLE vormen van communicatie insteken (niet volledig gelukt), richt zich op lang termijn effecten van media (zie later cultivatietheorie) en de realiteit vs de perceptie
Implementeert dat er onderscheid is tussen Perceptie dat een persoon kan hebben en de realiteit:
o transsectionele perceptie (betekenis boodschap kan veranderen door (eerdere) interacties)
o psychofysische perceptie (psychologische en fysieke toestand heeft effect op hoe we iets verstaan bv als je boos bent)
Veel context (selectieprocess, en sociale omgeving):
o communicatiesituatie: bv in een cinema.
o Communicatiecontext: bv de serie mission impossible, als je die achtergrond niet hebt voor je de film kijkt kan je hem anders ervaren
Effect op ontvanger


Jakobson: Nadruk op verschillende functies van taal en alles wat de boodschap mee heeft: (REP FaMe)
Expressieve functie: emotie erachter die de zender vertoont
Referentile f: context waarin het plaatsvind kan refer lading vertalen
Poetische f: formaliteit van relatie rekening houden
Fatische f: een conversatie hebben niet voor info uitwisselen maar gewoon uit gevoelens en gezelligheid (bv Euhm zeggen)
Metalinguistische f: misverstand voorkomen door expliciet taal(gebruik) zelf uit te leggen
Conatieve functie: het gedrag van de zender bij het overdragen van het bericht helpt bij de connotatie overdragen
Oomkes: niet meer lineair maar circulair

Geeft betekenis; betekenis word gecreerd en aangepast aan elkaar in dit proces
Heel transmissieprocess met Encoderen/Decoderen
Veel sociale en fysieke Context
Vereist Feedback (reactie van ontvanger) en Feedforward (info voorafgaand aan boodschap kan ontvanger voorbereiden)

McQuaill en zijn 4 Verschillende visies op wat het communicatieproces inhoud (TEAR)
1. Transmissievisie
a. Zender naar ontvanger
b. Incompleet maar interessant voor snelle, simpele, ruwe communicatie, bv crisissituatie
c. Meest dominante visie
2. Rituele Visie/Expressiemodel
a. Boodschappen hebben een emotionele en sociale lading (gemeenschappelijke normen en waarden) + een effect
b. Hoe gaan mensen om met de boodschap
c. Deelname aan gemeenschappelijke normen of waarden; gemeenschappelijke rituelen bv met het gezin TV kijken. Ook symbolische achterliggingen worden waargenomen.
3. Attentievisie/Publiciteitsmodel (heel interessant voor advertenties (clickbait, celebertie usage, )
a. Aandacht trekken en die aandacht proberen houden. Aandacht is iets economisch
b. Ontvanger als spectator, feit van aandacht is belangrijker dan kwaliteit ven de aandacht
c. Focus op economische aspect/persuave
4. Receptievisie (ecoding decoding- model)
a. Boodschap met verschillende betekenissen (open boodschap) bij toekomst bij de ontvanger (zien we duidelijk in schramm, Oomkes)
John Fiske met zijn Theoretische Scholen:
Processchool: (oude model) studie van onderhandelingen tussen zenders en ontvangers bij het communicatieproces, en Juist/efficint de boodschap toekomt
o Psychologie en Sociologie, actieve rol van publiek in het vormen van betekenis, communicatie als lineaire transmissie
o Acts of Communication: focus op proces van communicatie zelf en hoe goed de boodschap verstuurd word met ecnoderen/decoderen
Semiotische school: (nieuwer model) studie van tekens en symbolen als dragers van betekenis in communicatie: Deze school richt zich op hoe mensen samen proberen te begrijpen wat er wordt gecommuniceerd door tekens te interpreteren op basis van hun eigen ervaringen en context, en hoe dit proces leidt tot een meer gedeelde betekenis van de boodschap
o Taalkundige en humane wetenschappen, tekens en symbolen gebruiken om betekenis te geven, communicatie als uitwisseling van betekenis = interpretaties van een ander over iets snappen
o Works of Communication: focus op communicator EN ontvanger hun wederkerigheid om betekenis te construeren
4 Vormen van communicatie: (MINI)
Intrapersoonlijke communicatie:
o Communiceren met jezelf (niet perse vocaal)
o Vaak als voorbereiding tot communicatie met anderen
o Reflexiviteit (in een standpunt van iemand anders naar jezelf kijken)
Interpersoonlijke communicatie:
o Face-to-face communicatie (maar kan nog steeds met technologie)
o Privaat/persoonlijk karakter (communicatie met beperkt aantal, bedoelde mensen)
o Je krijgt feedback als communicator
Massacommunicatie:
o Met grote groep van anonieme mensen
o Organisatie als communicator
o Gebruik van een medium (televisie, computer, megafoon, )
o Standaardisatie van de boodschap (hij mag gezien worden hoe de mensen het willen)
o Open karakter (mag gezien worden door wie het wil)
o Weinig feedback
Non-verbale communicatie:
o Communicatie zonder het gebruik van woorden (Betekend zeker niet dat het minder duidelijk is)
o het is een metataal = een extra instrument dat verbale taal kan begeleiden. Wanneer we zoeken naar waarheid, gaan we zoeken naar wat de non-verbale taal toont (=een incongruentie)
o Kan verschillen per cultuur
o Mehrabians regel: we kennen non-verbale communicatie meer gewicht toe wanneer het niet overeenstemt met de verbale communicatie
o Bv: sociale functies van een lach =
Belonende functie
Expressie van sociale status (persoon voelt zich goed in deze sociale situatie)
Bindende functie: goed voor cohesie vormen door emotional mimicry (mensen imiteren automatisch emoties de andere commpartner)
o Vormen van code in non-verbale taal:
Representationele code: works of communication (wat word overgebracht/welke betekenis houden tekens)
Presentationele code: acts of communication (hoe word de boodschap overgebracht/het proces)
o Verschillende vormen: (sterk cultureel afhankelijk, alhoewel gezichtsuitdrukkingen intercultureel ongeveer hetzelfde zijn)
Informatief (teken zelf is informatie overdragen)
Communicatief (intenties en emoties aangeven)
Interactief (aangeven wiens beurt om te spreken)
o Grammatica van lichaamstaal:
Proxemics (afstand van de persoon)
Ruimtelijke orientatie (waar je je bevind, bv leunend tegen de muur)
Kinesics (lichaamstaal, alles wat je met je lichaamsdelen kunt communiceren)
Paralanguage (snelheid; intonatie etc)
HOODSTUK 2

Status:
Er is veel kritiek op de discipline van communicatiewetenschappen, vooroordelen en onwetendheid van wat het echt inhoud, omdat het niet genoeg kritische analyse heeft (objectief evalueren om tot oordelen te komen)
o Ook zelfkritiek van comwschappers: vage grenzen, te breed waardoor het gefragmenteerd word. positief bekijken: ruimte voor flexibiliteit, creativiteit + blijvende breder worden van het veld is goed.
Relevantie? Ja: met toename van mediatisering word comw meer nodig en breder
Ontstaan van de Comw:
Retoriek:
o Al in de Romeinse tijd hadden we deze wetenenschap: Cicero
o In de griekste tijd ook al beginselen met Aristoteles, Plato
o 1690: eerste universitaire dissertatie in Duitsland (T. Peucer)
Duistland comw ontwikkeling:
o Einde 19de eeuw: Zeitungswissenschaft (=geestwetenschappen)
o Begin 20ste eeuw: Karl Bcher met zijn leersinstituut
o Duitsland en Engeland hebben veel intresse in het veld communicatie
VS comw ontwikkeling:
o John Dewy met zijn pragmatisme (comw zien als manier van voorspellen, problemsolving (microsociologisch: toepassing van theorien op individueel niveau)) en actie ipv beschrijven + Chicago school
o Nieuwe velden ontstaan:
antropologie (gedrag en comm in verschillende samenlevingen)
semiotiek (herkennen van tekens)
speech communication: allemaal geesteswetenschappen
o Journaliste scholen, gebruiken de theorien van comw, een professionele praktijk.
4 Founding fathers van comw:
o Harold D. Lasswell (eerste communicatiemodel in Hoofdsuk 1)
o Paul F. Lazarsfeld (founder van emperische sociologie)
o Kurt Lewin (social psycholoog met goed inzicht in veld)
o Carl Hovland (Experimenteel psycholoog, hij teste veel in de praktijk)
1 Founder voor de institutionalisering van comw: Wilbur schramm
Met institutionalisering word officieel herkent als een wetenschap onder voorwaarden:
o Netwerk met andere instituties hebben
o Eigen onderzoeksmethodes, objecten hebben
o Aparte curricula, tijdschriften, congressen,
o Moet een eigen wetenschappelijke gemeenschap hebben
Administratief onderzoek (empirische school) en Kritisch onderzoek:
o Administratief:
Onderzoek ten dienst van overheid, voor praktische toepassing
Persuasieve (overtuigende) effecten van comw bestuderen (om het volk te controleren), en objectieve beschrijving
Kwantitatieve methoden (Empirisch)
Mainstreamparadigma (zoals semiotische en processchool)
o Kritisch:
Kritiek op administratief voor eenzijdig te zijn en voor de machtsstructuren te behouden te werken.
Theorie, normatief (niet enkel objectief wat is, maar ook hoe dingen zouden kunnen/moeten zijn), gericht op sociale verandering
Kwalitatieve methoden
Andere, kritische paradigmas gebruiken
Theorie en Paradigmas:
Een paradigma is een manier/invalshoek waarop je de werkelijkheid kunt bekijken
o Samenhangend geheel met modellen en theorien
o Word universeel gedeeld (dus goed voor communicatiewetenschappen maar minder voor sociologie)
Thomas Samuel Kuhn: vond het concept paradigma uit in zijn structure of scientific revolutions
Relevantie van paradigma voor de sociologie is beperkt:
o Wereldbeschouwing, maatschappijbeeld is anders voor iedereen
Maar relevantie van paradigmas de communicatiewetenschappen is uitgebreid: comw is geen lineaire vooruitgang, maar Cumulatief: maakt progressie door verschillende paradigmas te gebruiken, die elkaar niet perse concurreren, maar ook geen lineaire vooruitgang op elkaar zijn de verschillende paradigmas bouwen op elkaar verder op en progresseren of regresseren de comw zo op verschillende niveaus. Bevinden zich in 2 klassen binnen de communicatiewetenschappen:
o Mainstreamparadigma:
1940-50, VS: institutionalisering
Liberaal-pluralistisch beeld
Media als 4de macht, sterk controlerend effect in maatschappij
Onderzoek: kwantitatief, positivistisch (observeerbaar), voor administratieve onderzoek
Theorie: stimulus-response (conditionering), en functionalisme (alle aspecten van iemand worden uitsluitend gevormd door de functie die zij hebben)
o Alternatieve (kritische) paradigma:
1970: Europa: kritiek op mainstream
Media is manipulatief, systeembevestigend, ideologisch niet als 4de macht want eerder systeembevestigend dan om te controleren
Onderzoek: Kwalitatief
Theorie: Frankfurter School (Duitsland), politieke economie, culturele studies
Verschillende theoretische scholen, 1 school heeft:
o Zelfde context, tijd en ruimte
o Zelfde onderwerpen
o Zelfde invalshoeken, paradigma
o Allemaal goede reputaties, dus niet willen veranderen
4 pro theorie concepten:
o Betekenis geven aan processen en gebeurtenissen in de sociale wereld
o Theorie draagt bij aan het bewaren van afstand en abstractie
o Draagt ook bij aan het opnemen van een kritische-normatieve positie
Verschillende theorien:
o Een theorie is een Way of thinking (Barlow & Mills)
o Het zijn ankerpunten in onderzoek om relaties aan te duiden/verklaren
o Worden geclassificeerd op basis van dichotomien (fundamentele verschillen waarmee theorien vaak werken)
Dichotomien: (met als vb centrale vraag: hoe veranderd de maatschappij?) (SACC MaGee)
o Actie vs. Structuur:
Actie: samenleving is het resultaat van eigen acties van mensen
Structuur: structuur van de samenleving bepaalt de acties van de mensen
o Consensus vs. Conflict: (vooruitgang van de samenleving)
Consensus: samenleving ontwikkeld grotendeels lineair naar vooruitgang, en sociale verandering komt dus uit voortdurende groei en integratie
Conflict: wereld is in permanente sociale wanorde en crisis, door fundamentele breuklijnen die de bevolking verdelen, en er is dus geen lineaire vooruitgang maar schoksgewijze.
o Materie vs. Geest: (met centrale vraag: wat mag/moet de wetenschap onderzoeken)
Materie: nadruk op feiten en objectiviteit (materialistische theorien/mainstream paradigma)
Geest: geen onderscheid tussen feiten en waarden, maatschappij = sociale constructie (culturalistische theorien/Kritische paradigma)


HOOFDSTUK 3
Historische context van ComWet atm(1947): had al meteen slechte reputatie:
o Negatieve gevolgen: indusrtile revolutie, verstedelijking, modernisering
o wereldoorlogen en propagandas net ervoor
o Economische depressie
De massamaatschappij:
Angst voor massamedia: (fase 1)
o Word gelinkt aan Morele paniek (= morele zorgen over massamedia gebruiken voor corruptie, denk aan nazi recruitment posters (=mediapaniek))
Massamaatschappij word gezien als:
o domme, gewone mensen met geen orde en structuur.
o Makkelijk gemanipuleerd door media: propaganda
Mediapaniek ontstaat door nieuwe technologie (bv radio)
Namen van sociale wetenschappers mogen wel door elkaar gebruikt worden in deze mediatheorin
Psychologische benaderingen!! -> stimulus-respons model
Injectienaald en magische kogels
1: Massamaatschappijtheorie: Geschikt voor het begrijpen van de invloed van massamedia op uniforme, passieve massa's in een samenleving.
vele verschillende ideen uit verschillende disciplines
Allerlei ideen over massamaatschappij over verschillende domeinen
o Media is te machtig, teveel destructieve kracht (negatieve zicht op media vooral doordat wereldoorlog juist gebeurt is (propaganda werd gebruikt voor destructie))
o De gewone mensen worden benvloed, eenrichtingsverkeer communicatie
o Ontvangers: passief, kwetsbaar voor extremisme, hulpeloos
o Gevolgen op lange termijn (bv iemand die aan gewelddadige media word blootgesteld word op een duur zelf gewelddadig)
o Sociale chaos, zal leidden tot totalitaire sociale orde?
o Leid tot sociale chaos/verval van beschaving, Elites zien kans om zichzelf cruciale rol te geven
Kritiek erop:
o Weinig empirisch bewijs
o Elites die nostalgisch idealiseren over totalitaire orde
o Ziet ontvangers als te dom
o Biased CW geschiedsschrijving:
Negeren alternatieve visies
Negeren complexiteit van inspiratiebronnen
Negeren kritiek op stimulus-respons-model
Niet Iedereen is een passieve couch potato die alles op zich laat afkomen zonder veel bij na te denken
Te stimulus gericht
Geen sociale context
Propaganda: het opzettelijk, systematische attempt om percepties te delen, manipuleren,
Media is het beste medium geworden om zeer snel informatie te spreiden en mensen aan een kant te krijgen.
Lasswell met zijn Propagandatheorie: De kwetsbare geest van individu en samenleving is de bron van succes van propaganda (zie ook Lasswell zijn Lineair communicatie-model).
o Hij ziet media, in tegenstelling tot de massamaatschappijtheorie, media ook als iets positief met propaganda als rol. Zeker ook met het Stimulus-response model
o Propaganda is een manier voor de overheid om de attitudes van het volk aan hun kant te krijgen
o Propaganda = Symbolen manipuleren om collectieve attitudes beheren
Symbolen hebben 2 functies:
Expressieve functie: attitude uitdrukken (bv een hemdje aan = professionele status)
Propagandistiche functie: significante symbolen gebruiken om te herdefiniren (bv hakenkruis was eerst een teken voor vrede)
o Techniek propaganda:
Significante symbolen creren en vormgeven zodat mensen er bepaalde emoties aan linken
Stimuleren door: cultureel materiaal met herkenbare betekenis in de best gepaste vorm te gebruiken
Kritische propaganda studies kwamen op na 1930
o Vertrekt uit een Progressieve, Humanistische benadering
Progressief: Kritisch analyseren van sociale benvloeding via persuasieve communicatie (propaganda)
Humanistisch: aandacht voor communicator EN ontvanger (John Fiske Semiotische school, in tegenstelling tot Laswell zijn lineaire)
o Propagandatechnieken van Kritische studies: (PlaNaTe TraBaCaGli 7)
Name calling (slechte bijnamen aan rivalen geven) (bv sleepy joe)
Glittering generality (hoop en positieviteit algemeen linken met iets)
Transfer (subtiele onbewuste boodschappen, zoals amerikaanse vlag achter je hebben terwijl er een speech gegeven word, positiviteit transfereren, linken aan iets)
Testimonial (echt uit interesse of goedheid iets doen, niet voor de #ad, bv een quote die gebruikt word van een blije customer)
Plain folk (zeggen dat iedereen iets vind of doet, om de massa mee te krijgen) (bv: iedereen vind dat er teveel buitenlanders zijn, dus stem VB)
Bandwagon (fear of missing out gebruiken, je word achtergebleven als je iets niet doet, bv als je deze limited edition skin nu niet koopt ga jij hem niet hebben en andere wel!)
Card stacking (de goede dingen voor jouw op ingaan en veel opbrengen, terwijl de negatieve dingen niet worden naar voor gebracht, zeer selectief kiezen wat je zegt en wat niet)
(DEZE GAAN GEVRAAGD WORDEN OP EXAMEN)
Paradigmatische strijd (eind 1930): Propaganda-analyse vs communicatieonderzoek
o Propaganda-analyse = kritische propaganda studies
o Communicatieonderzoek + Laswell zijn paradigmatheorie = voorganger van mainstreamparadigma
Andere methodologie: exacte wetenschap = legitiemer
Blijft neutraal: niet over de sociale status quo
Doelen gesteld voor overheid en bedrijven te helpen
Minder kritische vragen over propaganda dus bedrijven financieren het

Hoofdstuk 4

2: Functionalistische mediatheorie: Toepasbaar bij het onderzoeken van hoe media bijdragen aan sociale cohesie en het in stand houden van de sociale orde, waarden en normen (+ status verlenen, controleren, narcotiserend, conformerend). Erkent selectieve ontvanger en gebruikt daarom agenda setting (maar geen kritische theorie want focust op de positieve conservatieve aspecten mainstreamparadigma).
Functionalisme = elk deel van de maatschappij (subsystemen) vervult zijn rol, zo ziet het de maatschappij als een groot stelsel van sociale structuren dat samen werken om stabiliteit en solidariteit te behouden
Functionalistische mediatheorie dient sociale praktijken/instituties die individuele behoeften dienen te verklaren. (bv media = collectief middel om individuele behoeften te vervullen)
Maatschappij = harmonieus, coherent, gentegreerd. (focus op status quo en vereniging)
Focus op Parsons zijn AGIL-schema (de 4 functionele vereisten van de maatschappij)
o Adaptation (aanpassing aan de status quo)
o Goal-attainment (doelen zetten en bereiken)
o Intigration (samenhang tussen de subsystemen)
o Latency (in stand houden van waardepatronen)
Laswell geeft 3 basisfuncties aan media:
o Surveillance: observatie en controle van samenleving
o Correlatiefunctie: samenhang van de subsystemen
o Transmissiefunctie: zelfde waarden en normen behouden
Merton en Lazarsfeld: aanvulling op Laswell (SuCoNa TransCoSta)????
o Onderscheid eufunctie (+) en disfunctie (-) van media in maatschappij:
Eufunctie: positieve media aspect dat evenwicht versterkt/behoud
Disfunctie: negatieve media aspect dat evenwicht verstoort
o Conformiteitsfunctie: Ze bevestigen wat je al dacht en wijken af wat je niet wil denken, zo heeft media automatisch een socialiserende functie
o Statusverlenende functie: als je aan de media gexposeerd word krijg je automatisch een status, een bekendheid. (bv volgers op insta)
o Narcotiserende functie: het kan het volk verdoven voor het negatieve, snappen niet goed meer hoe erg iets is. (bv elke dag beelden van dode kinderen in Palestina en Isral leid tot narcotiseren)
Verdere aanvulling Charles Wright: Actiegerichte benadering
o Nog een 4de functie: ontspannende functie: media consumeren als ontspanning
o Niet enkel Eufunctie/Disfunctie, ook onderscheid tussen Latente en Manifeste functie:
Latent: onbedoelde, minder obeserveerbare gevolgen
Manifeste: bedoelde, obeserveerbare gevolgen
Nog Verdere aanvulling Dennis McQuail (naam niet kennen)
o Nog een 5de functie: Mobiliserende functie: propaganda in breed veld van sectoren (religie, politiek, oorlog, ) aanzetten tot iets
Kritieken op Functionalisme in media:
o Te algemeen idee van systeem, daarom alle aanvullingen nodig
o Doelstellingen en concepten te vaag
o Conservatieve bias: ten dienste van Elite?

Actiegerichte benaderingen: Divers geheel van kleine theorien (micro level) over media met focus op actie (actie van individu vormt maatschappij, niet omgekeerd) bij het individu, mediaconsumptie is niet passief. Bv een vlogger/twitter gebruiker (consumeert media en creert tegelijk zelf media-inhoud)
Symbolisch interactionisme:
o Focus op rol communicatie, symbolen en taal bij menselijke interactie
o Communicatie en socialisatie = mensen geven betekenissen aan symbolen en wisselen deze uit, controleren deze en gebruiken ze, dat is de rol van media
o Intrapersoonlijke communicatie (tegen jezelf praten) om te zien hoe andere mensen op jou zouden kunnen reageren
Fenomenologie:
o Media helpt in het Bewustzijn van wat andere mensen weten en denken om sociaal te handelen (door bv in media te zien hoe andere mensen iets zien ik moet dat ook zo zien/ik moet dat anders zien), om zo een sociale werkelijkheid te vormen op basis van die fenomenen, die we dan gaan typificeren (bv is deze groene geldbillet wel erkend als geld in deze afrikaanse stam? Nee want zij kennen dat niet als geld) (bv in een muslim-community zeggen dat je moslims leuk vind en in een niet muslim community dat je ze haat)
o Typificatie: acties rondom ons kunnen classificeren en onze eigen (re)acties erop te structureren
Etnomethodologie:
o Niet kennen*
De 3 bovenstaand benaderingen zijn Interpretatief = betekenis die de individuele actoren zelf toekennen aan realiteit.
o Belangrijke aspecten:
Reflexiviteit: vermogen om met zichzelf te communiceren weliswaar vanuit het standpunt van anderen (bv breaking the 4th wall)
Iedereen maakt zijn eigen leefwereld waarin ze invloed uit op omgeving
Kritiek actiegerichte theorien:
o Idealisme en vaagheid
o Weinig aandacht voor structuur en macht, en omgekeerd teveel focus op het feit dat actie van individuen de maatschappij vormt

Congruentiehteorie: denken op de psychologische manier in de communicatiewetenschappen: mensen zijn geneigd om overlapping van attitudes tussen mensen te hebben, denk bv aan Asch elevator experiment
Cognitieve dissonantietheorie: mensen ervaren ongemak (dissonantie) wanneer ze tegenstrijdige cognities, zoals overtuigingen, attitudes of gedragingen, hebben, en gaan zich dus psychologisch aanpassen
o Onevenwicht: cognitief, affectief, conatief (wilskracht) vormt dissonantie
o Van dissonantie (spanning) naar consonantie (geen spanning) willen gaan
o Actief zoeken naar consonante informatie (bevestigende info), selectief omgaan/actief vermijden: zeer actieve ontvanger
o Kritiek:
Niet enkel psychologisch, soms ook gedrag overnemen zonder attitude over te nemen
Niet altijd gesloten voor dissonantie (mensen willen geen verkeerde keuzes maken, dus pakken ze soms de minder leuke keuze)
Sociale context? Verschillende culturen
Sociolingustiek: aandacht voor sociale context voor wanneer taal gebruikt word in de COMW
Focus op communicatiepartners en sociale context: communiceert wat met wie? meer voorspelbaar, minder keuzevrijheid (denk aan tegen boomers praten in een rusthui
Ondersheid langue parole manieren waarop taal werken
o Langue: gestructureerd taalsysteem, zelfde voor iedereen (domein lingustiek)
o Parole: gesproken taal, verschilt van elke taalgebruiker (domein sociolingustiek) (bv jongeren in sms willen geen punt meer gebruiken, klinkt te agressief)
Taalgemeenschappen:
o Speech community: groep met specifiek, gemeenschappelijk taalgebruik (bv de taal die programmeerders met elkaar hebben)
Goed voor sociale grenzen afbakenen
Sterk territorium gebonden
o Interpretatieve gemeenschap: gelijkaardige interpretatie van een boodschap (bv mensen die 88 zien als extremistisch symbool)
o Virtuele gemeenschappen: gebaseerd op ICT communities
Niet territorium gebonden
Sapir-Whorf hypothese:
o Lingustisch-relativisme hypothese: taal bepaald hoe we de wereld waarnemen
(bv het Duitse woord schadenfreude, kennen wij dat begrip/gevoel niet omdat wij het niet hebben?)
o Lingustisch-determinisme hypothese: taal bepaald hoe we denken over dingen, dingen structureren
Codetheorie of deficithypothese: (Basil Bernstein) communicatieprobleem is omdat de ontvanger een gebrek aan begrip/ability heeft, dan word er voorgesteld dat begrip te verbeteren door middel van educatie, training
o Taalgebruik bij kinderen hang af van sociale klasse en onderwijssysteem
o Wanneer mensen je (actief, niet passief) proberen te begrijpen en decoderen kunnen we 2 soorten codes onderscheiden: Elaborated en restricted code
Restricted code:
eenvoudig, vooral oraal, voorspelbaar voor diegene die code delen in hun nauwe gemeenschappen
sterk afhankelijk van de context, voor het delen van praktische informatie
gebruikt wanneer we spreken tegen mensen die dezelve interesses en ervaringen delen
Elaborated code:
Ook schriftelijk, rijkere woordenschat, moeilijk te voorspellen
Gebruikt wanneer minder focus op groepsrelaties, voor meer individuele, meer abstracte ideen uit te drukken of in formele situaties. Betekend niet dat het voor iedereen hetzelfde is, iedereen heeft wat zij denken dat een meer context-onafhankelijk taal is.
Communicatieproblemen ontstaan wanneer er 2 individuen verschillende codes (taalregisters) hanteren (behalve als ze restricted code binnen dezelvde nauwe gemeenschap gebruiken ofc). Dit kan door verschillende restricted codes, maar ook door verschillen in elaborated codes (zeldzaam)
Wanneer kinderen beginnen met school beginnen ze met restricted code van in hun famillie, terwijl de school er onmiddellijk van uit gaat dat ze elaborated code hebben, wat de leerkracht gebruikt.
o Kritiek hierop van Labov:
Stelt Differentie-hypothese op waarin hij over Codetheorie zegt:
Onderscheid is te evaluatief, restricted code is niet inferieur, maar heeft zijn eigen systematische regels en structuren die even complex en geldig zijn.
competenties van de ontvanger niet voldoende is om communicatieproblemen te begrijpen
Belang van taalgemeenschappen word ondermijnt

Evolutie van kijk op relatie tussen media en ontvanger
o 1900-1940: almacht van de media (media = gevaarlijk, rechtstreeks en voorspelbaar gedrag, passief publiek)
o 1940-1960: leer van de beperkte effecten (TUM) (geen rechtstreekse injectie, gedrag word ook benvloed door mediating factors (dus niet voorspelbaar), selectievere ontvanger)
o 1960-1980: sturende macht van de media (ZAC) (kan gebruikt worden op complexe manieren: agenda setting, langdurige effecten, congruentietheorie)
o 1980- nu: negotiated media-invloed (actieve ontvanger geven hun eigen betekenis aan media-inhoud (=semiotische school))

1900-1940: almacht van de media:
Sociologische benaderingen: Nadruk op morele verwarring
o Niet kennen*
Psychologische benaderingen: Nadruk negatieve zienswijze media
o 2 verschillende modellen worden toegepast om te denken over benvloeding en effecten van massamedia
Stimulus-responsmodel: De media is een stimulus dat, wanneer afgevuurd, directe en voorspelbare gedragsverandering zal brengen bij de ontvangers, zoals bij Pavlovs hond bv.
Effect na herhaling, conditionering
Injectienaaldmodel/Magische kogels: media is een naald dat een boodschap rechtstreeks in geest van ontvanger steekt.
Direct effect
sporen van theorievorming:
o Massamaatschappijtheorie: Relatie media en brede maatschappij
o Propaganda: Relatie media en ontvanger/publiek
1940-1960: leer van de beperkte effecten: van psychologie naar sociologie, wat doet media met mensen (TUM)
Nieuw tijdperk van theorien met nieuwe manier van denken:
o Two-/multi-step flow: niet rechtstreeks van media naar publiek, maar van media naar opinieleiders (Invloedrijken binnen gemeenschap), en dan pas naar publiek, dus geen directe injectie
o Mediating factors: idee van Klapper, media-boodschap gaat gepaard met tussenliggende factoren: sociale invloed (bv familie, medialandschap, persoonlijke meningen, motivatie/perceptie, ) die boodschap benvloed door die interactie
Ook gaan individuen bewust selectief vaker voor media-inhoud kiezen dat overeenkomt met wat ze al dachten, wat dan confirmatie geeft (=Reinforcement-effect)
fundamentele opinie verandering is zeldzaam, maar wel veel effect bij nieuwe onderwerpen of mensen met geen mening.
o Uses and Gratification: Publiek heeft een actieve rol bij het consumeren van media: mensen kiezen bewust welke media ze willen consumeren (=Uses) op basis van hun behoeftes (=gratifications) (ontspanning, intresse, informatie, )

1960-1980: sturende macht van de media: hernieuw geloof in macht van media: lange termijn (cumulatief), Manifeste en latente effecten (zie functionalisme), ontvanger als actieve actor en rol van andere sociale factoren. (ZAC)
Agenda setting: media bepaald niet hoe je denkt maar waarover je denkt. Waaraan aandacht besteden word is wat mensen belangrijk gaan vinden en over praten. sturend want verzwijgt ook bepaalde informatie
Cultivatie-onderzoek: Gerbner zegt dat langdurige blootstelling aan bepaalde thema's en representaties in de media kan leiden tot een verandering van de perceptie van individuen over de werkelijkheid
Zwijgspiraal: Individuen vrezen sociale isolatie als hun mening afwijkt van de massa dat kan leiden tot ontmoediging om hun mening openlijk te uitten, en zelfs verandering van mening zodat hij overeenkomt met de massa. Dit is een spiraal waar de mening van de massas uiteindelijk als de enige mening kan lijken.

. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.

Answer generated by AI Report answer

Ask a study question and we will try to answer it as best we can.

Ask a question
 
Log in via e-mail
New password
Subscribe via e-mail
Shopping Cart

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

[Inviter] gives you € 2.50 to purchase summaries

At Knoowy you buy and sell the best studies documents directly from students. <br> Upload at least one item, please help other students and get € 2.50 credit.

Register now and claim your credit