Maak een oefenexamen van de volgende tekst:
Artikel 1: definities
Wegen = alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.
- Een algemene parkeerplaats maakt wel deel uit van de voor het openbaar verkeer opengestelde weg, maar het afgeschermde gedeelte van de parkeerplaats (voor bijvoorbeeld bewoners of medewerkers) niet.
- Het bord E1 duidt een parkeerverbod aan voor parkeren op de rijbaan. Parkeer je dus in de berm, dan zou dit wel toegestaan zijn, want het is geen onderdeel van de rijbaan.
- Een weg, kan uit n of meerdere rijbanen bestaan. Een rijbaan bestaat uit verschillende rijstroken.
Motorrijtuigen = alle voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders, met uitzondering van fietsen met trapondersteuning.
- Personenautos, bestelautos, vrachtwagens, trekkers, motorfietsen en voertuigen met een bromfietskenteken.
- Mechanische kracht: voertuig waar een motor op zit. De wijze van aandrijving (elektriciteit) of welke brandstof de motor gebruikt (gas, benzine of dieselolie) is niet van belang.
- Voor een motorrijtuig geldt een kentekenplicht en voor de bestuurder een rijbewijsplicht.
Bestuurder van een motorrijtuig = degene die het motorrijtuig bestuurt of degene die, overeenkomstig de bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarde, wordt geacht het motorrijtuig onder zijn onmiddellijk toezicht te doen besturen.
Begeleiden = het actief coachen, het geven van suggesties ter verbetering van het rijgedrag, het wijzen op fouten en onzorgvuldigheden in het rijgedrag van de bestuurder van een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B die op de leeftijd van zeventien jaren zijn rijbewijs B heeft behaald totdat die bestuurder de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.
Begeleider = op de begeleiderspas vermelde persoon die is gezeten op de zitplaats naast de bestuurder die de bestuurder van een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B die overeenkomstig art. 111a lid 1, zijn rijbewijs heeft verkregen begeleidt.
Artikel 5: Gevaar en hinder
Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.
- Een ieder: ook mensen die niet aan het verkeer deelnemen, maar wel invloed hebben op de veiligheid en de vrijheid van het verkeer op de weg.
Vb. de man die in een weiland dat langs een drukke weg ligt, hooi verbrandt. Door de rook wordt het zicht op de weg ernstig belemmerd. Hierdoor ontstaat er een onveilige situatie op de weg: artikel 5 WVW.
- Gevaar op de weg:
Ieder gedrag waardoor gevaar op de weg wordt veroorzaakt
Ieder gedrag waardoor gevaar op de weg kan worden veroorzaakt
Een bestuurder rijdt door rood, hierdoor moet ander verkeer uitwijken om een aanrijding te voorkomen: mogelijk artikel 5 WVW
- Voorwaarde artikel 5 WVW: er moet ten minste een rele kans op een ongeval ontstaan zijn.
- Hinder op de weg:
Het verkeer op de weg wordt gehinderd
Het verkeer op de weg kan worden gehinderd
- Een bestuurder rijdt met 60 km/u over de autosnelweg, waardoor veel voertuigen moeten afremmen en uitwijken. Dit snelheidsgedrag kan onder de norm van artikel 5 WVW vallen.
Strafbaarstelling
Overtreding van artikel 5 WVW is volgens artikel 177 lid 1 WVW strafbaar.
. wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie (hechtenis, dus overtreding) En art. 178 WVW benoemt specifiek dat de in art. 177 WVW strafbaar gestelde feiten overtredingen zijn.
Bij veroordeling voor dit feit kan volgens art. 179 lid 2 WVW aan de bestuurder van een motorrijtuig een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd met een maximumtermijn van twee jaren. Deze termijn kan maximaal vier jaar worden als er sprake is van recidive (art. 179 lid 5 WVW). Recidive wil hier zeggen herhaling van het soortgelijke feit binnen twee jaar na een eerdere ontzegging van de rijbevoegdheid.
Artikel 5a WVW: Zeer gevaarlijk rijgedrag zonder gevolgen
1. Het is een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Als zodanige verkeersgedragingen kunnen de volgende gedragingen worden aangemerkt:
a. Onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen;
b. Gevaarlijk inhalen;
c. Negeren van een rood kruis;
d. Over een vluchtstrook rijden waar dit niet is toegestaan;
e. Inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats;
f. Niet verlenen van voorrang;
g. Overschrijden van de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid;
h. Zeer dicht achter een ander voertuig rijden;
i. Door rood licht rijden;
j. Tegen de verkeersrichting inrijden;
k. Tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden;
l. Niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van daartoe op grond van deze wet bevoegde personen;
m. Overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die onder a t/m l genoemd.
2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt mede in aanmerking genomen de mate waarin de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld, in art. 8 lid 1 t/m 5. (Rijden onder invloed) Het gaat hier om een omstandigheid waaronder het verkeersgevaarlijke gedrag plaatsvindt maar die wel medebepalend is voor de ernstige mate waarin de verkeersregels worden geschonden.
- De opzet moet duidelijk blijken, waardoor de verkeersregels ernstig worden geschonden.
Een bestuurder negeert op de autosnelweg meerdere keren het rode kruis boven een rijstrook. Vervolgens rijdt hij langere tijd over de vluchtstrook om zo de file te ontwijken: artikel 5a WVW
Overschrijding maximumsnelheid door met 150 km/u over de autosnelweg te rijden. Zeer dicht achter een ander voertuig rijden terwijl hij zijn mobiele telefoon in de hand heeft: artikel 5a WVW.
- Het gaat om een combinatie van meerdere feiten die leiden tot roekeloos weggedrag en onaanvaardbaar risico. (minimaal twee)
- Voor wat betreft de handhaving is artikel 160 lid 1 WVW van toepassing. Ook artikel 165 WVW (vordering aan kentekenhouder bekend maken identiteit bestuurder) is van toepassing omdat artikel 5a WVW een misdrijf is.
- Artikel 175 lid 2: van roekeloosheid is in elk geval sprake als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a lid 1 kan worden aangemerkt.
Strafbaarstelling: artikel 176 lid 1. Gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van de vierde categorie. Bij veroordeling voor art. 5a kan een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd voor max. vijf jaar. Bij recidive max. tien jaar. (recidive hier is herhaling van soortgelijke feit binnen vijf jaar na een eerder ontzegging van de rijbevoegdheid).
Artikel 6 WVW: Dood en letsel door schuld in verkeer
Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.
- Het verbod richt zich op iedere verkeersdeelnemer; het verbod heeft ook betrekking op verkeersongevallen die buiten de weg plaatsvinden, zoals terreinen en weilanden.
- Verwijtbaar gedrag van de verdachte leidt tot het verkeersongeval.
- Op zich levert het schenden van een verkeersnorm nog niet de schuld op van art. 6 WVW. Maar dit is wel het geval als de verdachte bijvoorbeeld de voorrangskruising met een forse snelheid nadert en zonder acht te slaan op het verkeer op de voorrangsweg een aanrijding veroorzaakt.
- Ook als er geen geschreven verkeersregel uit het RVV 1990 wordt overtreden, kan er sprake zijn van overtreding van art. 6 WVW.
Bestuurder rijdt opzettelijk met een lagere snelheid op een autosnelweg waardoor andere verkeersdeelnemers gevaarlijke uitwijkmanoeuvres moeten maken. Veroorzaakt zon gevaarlijke uitwijkmanoeuvre een ernstig ongeval, dan kan dit tot de schuld in art. 6 WVW leiden.
- Dubbele causaliteit: een causaal verband tussen:
De schuld (oorzaak) en het verkeersongeval (gevolg);
Het verkeersongeval (oorzaak) en de doof of het letsel (gevolg).
1. Een automobilist nadert met grote snelheid een voorrangskruising en rijdt deze op zonder voorrang te verlenen aan een naderende motorrijder: schuld = oorzaak
Hierdoor ontstaat een verkeersongeval: gevolg = verkeersongeval
2. De aanrijding: oorzaak = verkeersongeval
De dood van de motorrijder als gevolg van de aanrijding: gevolg = dood of letsel
De strafmaat van artikel 6 WVW is afhankelijk van het gevolg van het gedrag... Hoewel de schuld aan het ongeval gelijk kan zijn, is er een hogere strafbedreiging als door het ongeval iemand overlijdt. Ook is de strafmaat afhankelijk van het type slachtoffer. (Letselgevoelige hoogbejaarde, gezonde jongvolwassene, reed hij in een auto met kreukelzones en airbags of op een motorfiets?)
Altijd VH bij overtreding artikel 6 WVW
Art. 175 lid 2: schuld bestaat in roekeloosheid
Van roekeloosheid is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 kan worden aangemerkt.
Artikel 175 lid 3: strafverzwarende omstandigheden voor artikel 175 lid 2 en 3.
- Indien de schuldige in een toestand verkeerde, als bedoeld in artikel 8 lid 1 t/m 5;
- Weigeren medewerking te verlenen aan een verplicht ademanalyseonderzoek;
- Weigeren medewerking te verlenen aan een verplicht bloedonderzoek;
- Weigeren toestemming te geven tot onderzoek van het bloed dat na het ongeval is afgenomen bij een niet aanspreekbare verdachte;
- Weigeren van de leden 2, 6 en 7 van art. 163 WVW(ademanalyseonderzoek, bloedonderzoek of weigeren toestemming te geven tot onderzoek bloed dat afgenomen is na ongeval bij een niet aanspreekbare verdachte door de begeleider bij 2toDrive.
Artikel 7: verlaten plaats ongeval
1. Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
a. Bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel aan een ander is toegebracht;
b. Bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, schade aan een ander is toegebracht;
c. Daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, is niet van toepassing op degene die op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat motorrijtuig.
- Met een verkeersongeval wordt bedoeld een botsing met een voertuig, een aanrijding met een voertuig, een overrijding met een voertuig en een handeling ter voorkomen van n van deze drie genoemde gevallen.
- Lid 2 geldt alleen voor onderdelen a en b. Het achterlaten van een briefje achter de ruitenwisser of het informeren bij het slachtoffer wat er aan de hand is, is niet genoeg. Hij moet de gelegenheid hebben geboden tot vaststelling van zijn identiteit en indien hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van het motorrijtuig.
- Bij betrokkene in lid 1 onder c is het niet van belang of en in hoeverre de betrokkene aan het ongeval schuld draagt. Wel is vereist voor c, dat de betrokkene/veroorzaker weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat door het verkeersongeval een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.
- Ook een getuige van een ongeval heeft een verantwoordelijkheid tegenover het slachtoffer. Verkeert het slachtoffer in ogenblikkelijk levensgevaar of hulpeloze toestand en verleent de getuige geen hulp zonder zichzelf daarbij in gevaar te hoeven brengen en overlijdt het slachtoffer, dan overtreedt de getuige art. 450 WvSr.
Getuige = geen betrokkene in de zin van artikel 7 WVW.
Twee personenautos komen elkaar tegen op een smalle weg. Om een aanrijding te voorkomen, wijkt n personenauto uit. De andere personenauto rijdt door. De personenauto die uitweek, botst tegen een hekwerk aan. Gevolg = schade aan voertuig en hekwerk.
De eigenaar van het beschadigde voertuig en de eigenaar van het beschadigde hekwerk zijn direct betrokkenen, de bestuurder van de andere personenauto is indirect betrokkene.
- Als een auto moet uitwijken voor een voetganger die bij een rood voetgangerslicht de weg oversteekt, is de voetganger indirect betrokkene in de zin van artikel 7 WVW.
Strafbaarstelling
- Als je geheel vrijwillig je meldt bij de politie binnen 12 uur, gaat artikel 7 lid 1 A en B WVW niet op ivm artikel 184 WVW. Is de politie eerder bij de deur, dan gaat art. 184 WVW niet op.
- Alle gedragingen van artikel 7 WVW zijn aanwezen als misdrijf ivm art. 176 lid 2 en 5 en art. 178 lid 1 WVW.
- Art. 7 lid 1 A en C WVW zijn genoemd in art. 67 WvSV en daarom dus VH-feiten. Niet bij blikschade.
Artikel 8 WVW = Besturen onder invloed
1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.
- Het verbod geldt voor een ieder, dus ook voor de bestuurder van een fiets, tram, trein, metro of een wagen. Niet voor de ruiters of de geleiders van rij- en trekdieren of vee, omdat zij geen bestuurders van voertuigen zijn.
- Ook op een privterrein of op een fabrieksterrein kan artikel 8 lid 1 worden gepleegd.
Weg ontbreekt in de feittekst.
- Met doen besturen wordt de rijinstructeur bedoeld die niet zelf rijdt, maar naast een leerling (feitelijke bestuurder) zit en rijles geeft (doen besturen).
2. Het is een ieder verboden om een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcohol dat:
- Het alcoholgehalte van zijn adem hoger is dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht (220 ug/l);
- Het alcoholgehalte van zijn bloed hoger is dan een halve milligram alcohol per milliliter bloed (0,5 promille).
- Als de uitslag van de ademanalyse onder de 220 ug/l blijft terwijl uit het gedrag van de bestuurder blijkt dat hij niet in staat is om zijn voertuig behoorlijk te kunnen besturen, kun je altijd nog teruggrijpen op artikel 8 lid 1 WVW.
De wettelijke grens is 220 ug/l (0,5 promille), maar in de praktijk wordt pas PV opgemaakt als de uitslag boven de 235 ug/l (0,54 promille) is.
3. In afwijking van het tweede lid is het de bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, verboden dat motorrijtuig te besturen of te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. Het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel
b. Het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram per milliliter bloed;
Indien diegene nog beginnend bestuurder is. Wanneer ben je beginnend bestuurder?
1. Je bent nog geen 18 jaar op het moment dat je je rijbewijs voor de categorie AM of T behaalt. Vanaf het moment dat je je rijbewijs behaalt ben je zeven jaar beginnend bestuurder.
2. Je bent 18 jaar op het moment dat je voor het eerst een rijbewijs behaalt. Vanaf het moment dat je je rijbewijs behaalt ben je vijf jaar beginnend bestuurder.
3. Je bent nog geen 18 jaar oud op het moment dat je je eerste rijbewijs voor de categorie B behaalt, ongeacht of je op dat moment al in het bezit bent van een rijbewijs voor de categorie AM of T. Vanaf het moment dat je je B-rijbewijs behaalt, ben je vijf jaar beginnend bestuurder.
4. Artikel 8 lid 4 is van toepassing op de bestuurder van een motorrijtuig die zonder een rijbewijs een motorrijtuig bestuurt waarvoor een rijbewijs vereist is. Dit zijn dus bestuurders aan wie nooit een rijbewijs is afgegeven. Dit geldt dus niet voor die bestuurders wiens rijbewijs ongeldig is verklaard.
- Voor deze bestuurder is het gestelde in lid 3 van toepassing. Dus voor deze bestuurder gelden dezelfde regels als een beginnend bestuurder m.b.t. de maximaal toegestane ug/l en promille.
- Je legt bij deze bestuurder dus artikel 8 lid 4 WVW ten laste.
5. In dit lid gaat het om een verbod aan een ieder om een voertuig te besturen, te doen besturen of als begeleider op te treden als men onder invloed is van n of meer van bij AMvB aangewezen drugs en als uit onderzoek is gebleken dat de waarden waarboven het gebruik van die drugs een gevaar voor het verkeer oplevert zijn overschreden.
Meervoudig gebruik:
Wanneer er een combinatie plaatsvindt van drugs/drugs of drugs/alcohol dan geldt een zero tolerance-beleid en zullen de gedragsgerelateerde grenswaarden in het bloed worden verlaagd.
Combineer je bijvoorbeeld amfetamine en alcohol, dan wordt de grenswaarde voor amfetamine verlaagd van 50 naar 25 microgram/L en alcohol van 0,5 naar 0,2 microgram/L.
Lid 5 is niet gelijk te bewijzen, omdat eerst het bloed onderzocht zal worden. Hierna zal blijken of er een overtreding van lid 5 heeft plaatsgevonden.
Poging rijden tot invloed is mogelijk!
Een verdachte die op de bestuurdersplaats zat, de motor van de auto had gestart en de lichten had ontstoken, werd door de politie om zijn medewerking aan een blaastest gevorderd. Uit dit voorlopige onderzoek en de ademanalyse bleek dat de bestuurder te veel gedronken had. Hierop werd de bestuurder vervolgd tot een strafbare poging tot artikel 8 WVW. Wel is dit een heel dun lijntje met het aanstalten maken.
6. In een lesauto kennen we een juridische bestuurder = rijinstructeur en een feitelijke bestuurder = degene achter het stuur (leerling). Indien de feitelijke bestuurder onder invloed rijdt van alcohol of drugs is de juridische bestuurder strafbaar voor overtreding van artikel 8 lid 6 WVW. Lid 6 zegt wel dat de juridische bestuurder weet, of redelijkerwijs moet weten dat de feitelijke bestuurder onder invloed rijdt van alcohol of drugs.
- De mogelijkheid om ook de feitelijke bestuurder aan een voorlopig onderzoek te onderwerpen als bedoeld in artikel 160 lid 5 WVW wordt geboden in artikel 168 WVW waarin de feitelijke bestuurder voor een aantal artikelen gelijk wordt gesteld met de juridische bestuurder.
Voorlopig onderzoek
Artikel 160 lid 5 van de WVW gaat over de bevoegdheid van het uitvoeren van de ademtest, de speekseltester en het uitvoeren van een psychomotorisch onderzoek.
Op de eerste vordering van een van de in artikel 159 onder a, bedoelde personen zijn de bestuurder van een voertuig, degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen en de begeleider, verplicht hun medewerking te verlenen aan:
a. Een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid,
b. Een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid, of
c. Een onderzoek van speeksel, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, vijfde lid, alsmede de aanwijzingen die die persoon in dat kader geeft, op te volgen.
- Weigert iemand medewerking te verlenen aan a/b/c en heb je geen indicatie dat deze bestuurder onder invloed rijdt van alcohol of drugs, dan kan er een bekeuring worden gegeven: K155A/B/C.
- Door middel van artikel 158 lid 1 WVW worden de in artikel 159 WVW genoemde opsporingsambtenaren aangewezen als toezichthouders en beschikken daarbij over de in artikel 160 lid 5 genoemde bevoegdheid.
Artikel 159 WVW verwijst naar art. 141 en 142 SV waar wij als agent/opsporingsambtenaar genoemd staan.
- Geeft de speekseltest aan dat drugs zijn gebruikt, wordt de betrokken bestuurder als verdachte aangemerkt en meegenomen alwaar volgens de bestaande regels een bloedonderzoek wordt verricht.
- Op basis van de uitslag van de blaastest kan de politie beslissen wat er verder moet gebeuren. Is er niets aan de hand, dan kan de bestuurder verder rijden. Wijst de blaastest op gebruik van te veel alcohol, dan kan de politie de bestuurder of begeleider een rijverbod opleggen en verplichten om mee te werken aan een ademanalyse.
- Maakt iemand aanstalten om te gaan rijden, dan kan alleen een rijverbod opgelegd worden op basis van de PMT/speekseltest/blaastest.
- Artikel 160 lid 5 is een toezichtsbevoegdheid. Je hebt dus geen verdachte of verdenking van een strafbaar feit nodig.
Ademanalyse
Als een bestuurder verdacht wordt van overtreding van artikel 8 lid 2 of 3 WVW, dan kan de opsporingsambtenaar de bestuurder of begeleider bevelen dat hij meewerkt aan een ademanalyse volgens artikel 163 lid 1 of 9 WVW.
Medewerking ademanalyse = het meegaan naar het politiebureau of een andere plaats voor bloedafname of ademanalyse en aldaar de ademanalyse te voltooien. Want in art. 163 lid 2 en 9 staat dat de bestuurder en de begeleider ook gevolg dienen te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
Wordt er niet voldaan aan de medewerking hiervan, dan is sprake van overtreding van artikel 163 lid 2 WVW wat strafbaar is gesteld als misdrijf in artikel 176 lid 5 WVW.
Aanhouding van de verdachte verdient wel de voorkeur in die gevallen waarbij de verdenking van overtreding van artikel 8 WVW op grond van interpretatie van gedrag is gebaseerd. Aanhouden alleen mogelijk bij een vermoeden van alcoholgebruik zonder dat dit vermoeden is ontstaan door achtereenvolgens gebruik te maken van de sniffer en de ademtester of uitsluitend de ademtester.
Verdachte heeft altijd recht waarvoor hij of zij verdachte is en zul je voorafgaan aan het eerste verhoor de cautie moeten meedelen en dat hij recht heeft op rechtsbijstand zowel voor als tijdens het verhoor.
De ademanalyse een opsporingsbevoegdheid, je hebt hier dus een verdenking voor nodig. Van verdenking is sprake als:
1. De uitslag van de blaastest daar aanleiding toe geeft;
2. Het (rij)gedrag van de bestuurder daar aanleiding toe geeft;
3. De adem van de bestuurder naar alcohol ruikt.
- De bestuurder of begeleider die een ademanalyse weigert, heeft geen recht op een bloedproef.
- De ademanalyse mag niet eerder worden gedaan dan twintig minuten na het moment waarop van de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Is er geen vordering gedaan dan mag de ademanalyse niet eerder worden gedaan dan twintig minuten na het eerste contact tussen opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te bevelen zijn medewerking te verlenen aan het ademonderzoek.
- Het ademonderzoek wordt verricht door een opsporingsambtenaar, ook de beveling tot medewerking aan het ademonderzoek. Het resultaat van het ademonderzoek wordt onmiddellijk medegedeeld aan de verdachte. De verdachte heeft recht op tegenonderzoek, de opsporingsambtenaar moet hem hierop wijzen.
Bij een tegenonderzoek wordt een bloedproef uitgevoerd, de kosten hiervoor zijn voor de verdachte en hij heeft vier weken de tijd om de kosten hiervoor te betalen.
- Invordering rijbewijs bij ervaren bestuurder vanaf 570 ug/l / 1,3 promille en bij beginnend bestuurder vanaf 350 ug/l / 0,8 promille.
- Invordering rijbewijs bij weigering van ademanalyseonderzoek.
Bloedproef: artikel 163 lid 4 WVW
Bij een bloedproef neemt een arts of een verpleegkundige in aanwezigheid van een opsporingsambtenaar enig bloed af, dat daarna wordt onderzocht door het NFI.
Dit bloedmonster geldt als bewijsmiddel tijdens de vervolging ter zake van artikel 8 lid 1, 2 onder b, lid 3 onderdeel b of lid 5 WVW.
Een opsporingsambtenaar vraagt de medewerking van de verdachte aan een bloedproef als:
- Een ademanalyse om bijzondere geneeskundige redenen niet gewenst is;
- Een ademanalyse, ondanks de medewerking van de verdachte, niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek;
- De verdachte vermoedelijk niet onder invloed van alcohol is, maar van medicijnen of drugs.
Een opsporingsambtenaar vraagt de verdachte om medewerking aan de bloedproef. Weigert de verdachte zijn medewerking, dan kan de (H)OvJ of alle politieambtenaren in schaal 8 of hoger, de verdachte een bevel geven zich te onderwerpen aan een bloedproef. Een verdachte die zich niet houdt aan dit bevel is strafbaar ivm artikel 163 lid 6 WVW.
- Bloedonderzoek moet binnen 90 minuten plaatsvinden nadat;
1. Verdachte gevorderd is medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek naar speeksel of een voorlopig onderzoek van de psychomotorische functies en oog- en spraakfuncties;
2. Als de vordering niet gedaan is, na het eerste contact tussen opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek.
- Is er geen voltooid ademonderzoek, maar moet er wel bloed worden afgenomen, dan is er geen termijn.
- Als op straat uit de voorlopige onderzoeken blijkt dat er naast alcohol ook drugs zijn gebruikt, dient de ademanalyse te worden overgeslagen en ga je direct naar het bloedonderzoek.
- Er worden twee buisjes bloed afgenomen, een buisje voor politieonderzoek en het andere buisje wordt gebruikt voor het tegenonderzoek. Tegenonderzoek = eigen kosten.
- Is de verdachte door zijn lichamelijke toestand of psychische toestand niet in staat zijn wil kenbaar te maken of door het overmatige alcoholgebruik, dan wordt er bloed afgenomen, maar er wordt gewacht tot dat de verdachte in staat is zijn wil kenbaar te maken. Weigering = 163 lid 7 WVW
- Is de verdachte overleden, dan wordt er geen bloedproef gedaan. Onderzoek kan daarna nog altijd als er opdracht tot sectie is gegeven.
- Weigeren bloedproef of weigeren bloedonderzoek na bewusteloosheid = invorderen rijbewijs.
Rijverbod = artikel 162 WVW
- Een rijverbod kan worden opgelegd door de opsporingsambtenaar (IVM artikel 159) aan de bestuurder van een voertuig, als uit het onderzoek als bedoeld in artikel 160 lid 5 (speekseltest/voorlopig ademonderzoek/PMT), of als het naar het oordeel van die persoon is gebleken dat hij onder zodanige invloed van het gebruik van een stof als in artikel 8 lid 1 WVW verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een voertuig behoorlijk te besturen.
- Het rijverbod geldt voor ten hoogste 24 uren.
- Het rijverbod kan tevens aan degene die aanstalten maakt om te gaan besturen worden opgelegd.
- Is de bestuurder of aanstalten maker tevens geregistreerd als begeleider, dan geldt het opgelegde rijverbod tevens als begeleidingsverbod.
- De opsporingsambtenaar die het rijverbod oplegt, legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van het verbod bevat.
Rijverbod is pas rechtskracht na de vastlegging in een beschikking en de bekendmaking daarvan aan de betrokkene.
Lid 3 en 4 = misdrijven
Het is verboden om een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen gedurende de tijd waarvoor dat rijverbod geldt.
Alle bepalingen gelden ook voor de begeleider. Rijverbod = verbod tot begeleiden.
Artikel 9 WVW Besturen tijdens ontzegging / ongeldigverklaring / invordering / schorsing
1. Het is verboden aan degene die weet/redelijkerwijs weet dat door rechterlijke uitspraak/strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd op de weg een motorrijtuig te besturen of te doen besturen. Dit verbod geldt gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid is ontzegd.
2. Verboden om met een ongeldig verklaard rijbewijs dan wel een rijbewijs dat voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, een motorrijtuig te besturen of te doen besturen. Als B ongeldig is verklaard, maar AM niet, dan geldt het rijbewijs nog wel voor de categorie AM.
Als het rijbewijs al ongeldig verklaard was, en opnieuw ongeldig wordt verklaard voor art. 6 met strafverzwaring, dient degene bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs de rijvaardigheid en de lichamelijke en geestelijke geschiktheid aan te tonen en zolang hij dit niet doet is het voor degene verboden een motorrijtuig te besturen of te doen besturen.
3. Lid 2 geldt niet voor de bestuurder van een motorrijtuig die ter verkrijging van een rijbewijs voor de categorie/categorien waarop de ongeldigheidverklaring betrekking heeft, rijonderricht wordt gegeven en gedurende de tijde dat door hem een rijproef wordt afgelegd voor een onderzoek naar zijn rijvaardigheid en geschiktheid.
4. Verboden aan degene van wie door art. 130 lid 2 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs is gevorderd, of wiens rijbewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, verboden een motorrijtuig van de categorie/categorien waarvoor dat rijbewijs is afgegeven te besturen/doen besturen.
5. Het is degene die weet/redelijkerwijs weet dat het rijbewijs geschorst is op basis van 131(educatieve maatregel/rijvaardigheid en geschiktheid) voor een of meer categorie/categorien verboden een motorrijtuig van de categorie/categorien waar de schorsing betrekking op heeft te doen besturen/besturen.
6. Het vierde en vijfde lid gelden niet voor de bestuurder die bezig is met een rijproef of rijonderricht.
7. Het is verboden aan degene wiens rijbewijs ter zake artikel 164 WVW (invordering op basis van art. 8/snelheid) is ingevorderd en niet is teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie/categorien waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, te besturen/doen besturen. Ook internationaal rijbewijs.
8. Het is verboden aan degene wiens rijbewijs ingevolgde de WAHV/mulder de inlevering is gevorderd of wiens rijbewijs ingevolge WAHV/mulder is ingenomen, een motorrijtuig waarvoor dat rijbewijs is afgegeven te besturen/doen besturen.
Tijdstip loopt vanaf de vordering volgens WAHV. = overtreding (177)
- Artikel 9 geldt ook voor een daartoe bevoegd gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs
- Alleen lid 8 is een overtreding, de rest is een misdrijf.
Artikel 12 WVW = overtreding
1. Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de aanwijzingen die de ambtenaren bedoeld in art.159(politieambtenaar o.a.), geven.
2. De aanwijzingen mogen slechts worden gegeven in het belang van de veiligheid op de weg, de instandhouding van de weg en de bruikbaarheid daarvan, of de vrijheid van het verkeer dan wel in het belang van met toestemming van Onze Minsister verrichte onderzoeken ten behoeve van het verkeer.
3. Er kunnen regels worden opgesteld omtrent het eerste lid, alsmede met betrekking tot:
- De opleiding en examinering van verkeersregelaars en de afgifte, weigering van afgifte, geldigheidsduur van examencertificaten/herhalingscertificaten.
Artikel 36 Kenteken/ kentekenbewijs / eisen / aansprakelijkheid (overtreding)
1. Aan de eigenaar of houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen op de weg dienst bij AMVB vastgestelde wijze door de Dienst Wegverkeer een kenteken voor dat voertuig te zijn opgegeven.
2. Ter zake van de in het eerste lid bedoelde opgave dienst bij AMVB vastgestelde regels door de Dienst Wegverkeer een kentekenbewijs te zijn afgegeven aan de eigenaar of houder van het voertuig.
3. Het kentekenbewijs dient:
- Te voldoen aan de bij ministerile regeling vastgestelde eisen inzake inrichting en uitvoering;
- Zijn geldigheid niet te hebben verloren;
- Niet te zijn ingevorderd;
- Behoorlijk leesbaar te zijn.
Artikel 37 Uitzonderingen kentekenplicht
De kentekenplicht geldt niet voor de volgende voertuigen:
- Fietsen met trapondersteuning;
- Motorrijtuigen die niet harder kunnen dan 6 km/u;
- Motorrijtuigen die bestemd zijn om door een voetganger te worden meegevoerd;
- Bromfietsen in het internationale verkeer waar in het land van de herkomst van de bromfiets geen kentekenplicht geldt voor de bromfiets en de aanhangers ervan als deze uitsluitend bestemd zijn om hierdoor voortbewogen te worden.
- Aangewezen landbouw- of bosbouwtrekkers
- Mobiele machine
- Gehandicaptenvoertuigen en de aanhangers ervan als deze uitsluitend bestemd zijn om hierdoor voortbewogen te worden.
- Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van 750 kg;
- Meer dan 750 kg afkomstig uit een land waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven.
Een bromfiets is een snorfiets als hij is geconstrueerd voor een maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/u. Boven 25 = bromfiets.
Artikel 40 zichtbaarheid kenteken
- Het kenteken dient behoorlijk zichtbaar op of aan het motorrijtuig of de aanhangwagen aanwezig te zijn, is dit niet het geval, dan is er sprake van een overtreding.
- Er worden regels vastgesteld over inrichting, verlichting en aanbrenging van het kenteken.
- Degene die aansprakelijk is voor de overtreding, is:
a. De eigenaar of houder die het motorrijtuig op de weg laat staan of daarmee over de weg laat rijden, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder, en
b. Hetzelfde geldt voor de aanhanger.
Artikel 41 slecht zichtbaar/ vast kenteken / aansprakelijkheid
Alle onderdelen van lid 1 zijn een misdrijf!
1. Op een motorrijtuig of een aanhangwagen enig teken of middel aan te brengen of te doen aanbrengen met het oogmerk de herkenning van het kenteken te bemoeilijken;
2. Een motorrijtuig / aanhangwagen op de weg te laten staan of daarmee over de weg te rijden wanneer op dat motorrijtuig of aanhangwagen enig teken of middel is aangebracht om de herkenning van het kenteken te bemoeilijken.
3. Op een motorrijtuig of aanhangwagen een teken, niet zijnde het opgegeven kenteken, aan te brengen of te doen aanbrengen met het oogmerk om dat dat teken te doen doorgaan voor een zodanig kenteken (of buitenlands kenteken).
4. Een teken aanbrengen, niet zijnde het opgegeven kenteken, op een motorrijtuig of aanhangwagen, dat door kan gaan voor een zodanig kenteken (of buitenlands kenteken)
5. Op een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig/aanhangwagen een teken aanbrengen, niet zijnde het aldaar opgegeven kenteken, met het oogmerk dat teken te doen doorgaan voor een zodanig kenteken
6. Een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig/aanhangwagen op de weg laten staan of over de weg te rijden, als er een teken is aangebracht, niet zijnde het aldaar opgegeven kenteken, en dit teken kan doorgaan voor een zodanig kenteken.
Artikel 107 Rijbewijsplicht / eisen rijbewijs ART. 177 = overtreding
1. Aan de bestuurder van een motorrijtuig op de weg dient door de bevoegde autoriteit een rijbewijs te zijn afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe dat motorrijtuig behoort.
2. Het rijbewijs dient:
- Te voldoen aan de bij ministerile regeling vastgestelde eisen inzake inrichting, uitvoering en invulling,
- Zijn geldigheid niet te hebben verloren, en
- Behoorlijk leesbaar te zijn.
Artikel 160 Vordering stilhouden / rijbewijs / kentekenbewijs / getuigschrift / ontheffing / gehandicaptenparkeerkaart
Alle genoemde leden zijn overtredingen (art. 177)
Lid 1 De bestuurder van een motorrijtuig is verplicht op eerste vordering van de algemene opsporingsambtenaar dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven:
- Kentekenbewijs motorrijtuig (+aanhangwagen);
- Rijbewijs;
- Getuigschrift m.b.t. vakbekwaamheid bestuurders;
- Ontheffing;
- Gehandicaptenparkeerkaart of een kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten;
- De begeleiderspas.
Lid 4 De opsporingsambtenaren zijn bevoegd voor de naleving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften en zo nodig een voertuig ten aanzien waarvan zij een onderzoek wensen in te stellen, naar een nabijgelegen plaats te voeren of te doen voeren. De bestuurder is verplicht des gevorderd hun tot het onderzoek noodzakelijke medewerking te verlenen en desverlangd de opsporingsambtenaar in hun voertuig te vervoeren.
Lid 5 = vordering voorlopig ademonderzoek/ speekseltest / PMT
Lid 6 = De bestuurder/begeleider van een voertuig die door een opsporingsambtenaar in overtreding wordt bevonden van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, is verplicht de hem door die persoon ter bescherming van bij het verkeer betrokken belangen gegeven bevelen op te volgen.
In veel artikelen wordt gesproken over een der in art. 159 WVW bedoelde personen. Artikel 159 zegt dat met de opsporing van de feiten die strafbaar zijn gesteld bij of krachtens deze wet (WVW), de personen zijn die genoemd worden in art. 141 en 142 WvSV.
Ik noem het opsporingsambtenaren, omdat dit specifiek benoemd staat in artikel 141 WvSV. In artikel 141 staat: De politieambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.
Ook staan daar de OvJs benoemd, de opsporingsambtenaren van de KMAR (legends), BOAs voor zover zij de opsporingsbevoegdheid hebben.
Artikel 165 Informatieplicht eigenaar of houder motorrijtuig
Eerst het begrip eigenaar en houder motorrijtuig.
Eigenaar = degene die het eigendom heeft over het motorrijtuig in eerste instantie, op deze persoon zijn/haar naam staat het kenteken in het kentekenregister.
Houder = degene die het voertuig op grond van een overeenkomst van huurkoop onder zicht heeft, in vruchtgebruik heeft of anderszins, anders dan als eigenaar of bezitter, tot duurzaam gebruik onder zich heeft.
Als er een in de Wegenverkeerswet vastgesteld misdrijf wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, is de eigenaar of houder van dat motorrijtuig verplicht op vordering van een opsporingsambtenaar binnen tenminste 48 uur, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend te maken. Dit geldt niet als de eigenaar of houder niet weet of niet heeft kunnen weten wie de bestuurder was. Bijvoorbeeld bij diefstal van het motorrijtuig.
Deze vordering kan niet aan een verdachte gedaan worden.
Strafbaarstelling = artikel 177 WVW, dus een overtreding.
Artikel 166 kan gebruikt worden, als er sprake is van onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, waarmee een aanhangwagen waarvoor een kenteken is vereist, wordt voortbewogen.
Artikel 166 is ook een overtreding.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question