Studybot answer

Ask a question ›
 
Question asked by: Aurele - 1 year ago

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: HOOFDSTUK 7: Embryologie
1. Bevruchting - spermatozoa zijn bij aankomst in vrouwelijk genitaal stelsel nog niet in staat om te
bevruchten - eerst 2 processen ondergaan: capacitatie en acrosoomreacties - capacitatie: - verblijf van ongeveer 7 u in vrouwelijke tractus - mantel van glycoprotenen en plasmaprotenen wordt verwijder uit plasmamembraan
(bedekt acrosomale regio spermatozon) -acrosoomreactie: - treedt op in directe omgeving ocyt - onder invloed van stoffen die afgescheiden worden door cellen van corona radiata en
ocyt -op verschillende punten contact tussen plasmamembraan en buitenste acrosomale
membraan --> daardoor kunnen bestanddelen nodig voor penetreren corona radiata en zona pellucida
vrijkomen -tijdens acrosoomreactie komt ... vrij:
1) hyaluronidase: om corona radiata te penetreren
2) trypsineachtige substantie: om zona pellucida op te lossen
3) zona-lysine: zit vast aan binnenzijde acrosomaal membraan, maakt mogelijk dat
spermatozoa zona pellucida penetreren
1.1 Fase 1: penetratie van corona radiata - van 200 miljoen spermatozoa die binnenkomen bereiken slechts 300 de plaats van
bevruchting - hiervan slechts 1 nodig voor bevruchting - overige spermatozoa helpen met doorbreken beschermende laag corona radiata - activiteit spermatozoa en enzymen slijmvlies eileider zorgen ervoor dat cellen van corona
losgemaakt werden
1.2 Fase 2: penetratie van zona pellucida -enzymen uit binnenste acrosomale membraan helpen 2e laag penetreren - als spermatozoa in contact is met zona pellucida: hecht zich vast en dringt naar binnen - permeabiliteit zona pellucida verandert zodra kop spermatozoa in contact komt met
oppervlak ocyt --> hierdoor: substantie komt vrij: geeft verandering in eigenschappen zona pellucida
= zonareactie
1.3 Fase 3: fusie van de celmembranen van de ocyt en het spermatozon - zodra spermatozoa celmembraan van ocyt aanraakt: versmelting - fusie komt tot stand door verdwijning plasmamembraan die acrosomale kernkap bedekte - bij mens: zowel kop- en staartgedeelte van spermatozoa dringen in cytoplasma van ocyt
binnen - celmembraan spermatozoa blijft achter op oppervlak ocyt - zodra binnendringen spermatozoa in eicel reageert ocyt op 3 manieren:
1) corticale en zonale reacties - gevolg vrijkomen corticale ocytgranula:
a) membraan ocyt wordt ondoordringbaar voor andere spermatozoa
b) samenstelling en structuur zona pellucida veranderen
2) Hervatten 2e meiotische deling: - ocyt beindigde 2e meiotische deling na binnendringen spermatozoa - 1 van dochtercellen krijgt bijna geen cytoplasma= 2e poollichaampje - andere dochtercel: definitieve ocyt - chromosomen worden gerangschikt in vesiculaire nucleus= vrouwelijke pronucleus
3) Het activeren van het metabolisme van de eicel - activerende factor: meegedragen door spermatozoa - beweegt zich verder tot het bij vrouwelijke pronucleus ligt - kopgedeelte zwelt en vormt mannelijke pronucleus - staartgedeelte laat los en degenereert - tijden groei mannelijk en vrouwelijke pronucleus moet iedere pronucleus DNA verdubbelen --> als niet zou gebeuren: iedere cel van 2cellig stadium zygoot zou helft normale
hoeveelheid DNA bevatten -onmiddellijk na DNA-synthese: chromosomen rangschikken in spoelvorm: voorbereiding
mitotische deling - 23 chromosomen moeder en 23 dubbele chromosomen vader splitsen in centromeer - zusterchromatiden gaan naar tegenovergestelde polen --> iedere cel zygoot krijgt weer normale hoeveelheid DNA -terwijl: ontstaan diepe groeve aan oppervlak cel: cytoplasma langzaam in 2 gedeeld - belangrijkste gevolgen bevruchting: - herstel diplode aantal chromosomen - bepaling geslacht nieuwe individu - begin klievingsdelingen
2. Embryonale ontwikkeling
2.1 Eerste klievingen - direct na bevruchting: zygoot begint met snelle opeenvolging mitotische delingen - eerste klievingen niet gepaard met groei cytoplasma: morula ontstaat= trosje cellen - klievingen gaan door - nieuwgevormde cellen (blastomeren) gaan in midden cellen vloeistof afscheiden --> daardoor: blastomeren rondom holte (= blastocoel) als bol liggen
-blastocoel: gevuld met vloeistof, geen opening naar buiten - embryo= blastula - daarna serie verschuivingen: nodig om embryo definitieve vorm en structuur te geven
= gastrulatie: -uit 2 laagige structuur embryo 3 laagig kiemblad gevormd --> begint bij primitiefstreep (vogels en zoogdieren) of oermond (amfibien) -via premitiefstreep: cellen epiblast stulpen naar binnen - eerste golf cellen samen met cellen epiblast= endoderm - tweede golf vormt derde laag tussen endoderm en ectoderm= mesoderm - hypoblast: weefseltype: vormt zicht uit binnenste celmassa tijden vroege embryonale
ontwikkeling - ligt onder epiblast - leidt tot dooierzak - dooierzak laat chorion ontstaan -epiblast geeft via 3 kiemlagen (endo, ecto, meso) aanleiding tot embryo zelf -trofoblastcellen: vormen buitenste laag blastocyst - voorzien embryo van voedingstoffen - ontwikkelen zich tot groot deel placenta - vormen zicht tijdens eerste fase zwangerschap - eerste cellen die zich differentiren van bevruchte eicel tot extra-embryonale structuren - dragen niet rechtstreeks bij tot embryo - na gastrulatie: grenst aan ectoderm van embryo= trofectoderm - na eerste differentiatie: cellen verliezen totipotentie - cellen zijn niet langer totipotente stamcellen - polifereert en differentieert in cellagen:
*cytotrofoblast: eencellige binnenlaag trofoblast
* syncytiotrofoblast: buitenste laag, mist celgrenzen, groeit uit tot endometriumstroma
(Scheidt hCH af om secretie progesteron te behouden en zwangerschap te steunen)
* intermediate trofoblast: implantatieplaats, chorion, villi: afhankelijk van subtype -patroon klievingen en verschuivingen hangt sterk af van hoeveelheid dooier in ei -voedselvoorraad werkt remmend op klievings- en gastrulatieprocessen - ei met meer dooier: minder klievingen in vegetatieve veld --> klievingen ongelijk over ei verdeeld en celgrootte tussen beide polen sterk
uiteenliggend -ectoderm blijkt over te gaan in buitenste lichaamslaag - uit endoderm ontstaat binnenste lichaamslaag: epitheellaag van spijsverteringskanaal - uit mesoderm ontstaan tussenliggende weefsels (bv. Spierweefsel, bindweefsel) - belangrijke uitzondering: -Tussen darm en huid zit weefsel dat niet uit mesoderm voorgekomen is: zenuwweefsel - direct na gastrulatie: neurulatie: neurale buis ontwikkelt uit ectoderm - ectoderm wordt in 2 componenten verdeeld: epidermis en neurale buis - pas gevormde darm en chorda buigt zich naar binnen: vormt groeve - embryo= neurula - dorsale randen groeve versmelten zodat groeve buis wordt - neurale buis maakt zich los van epidermis van rug, ontwikkelt later tot ruggenmerg en
hersenen - morfogenetische verschuivingen geven dus embryo vorm en brengen ze op de juiste
plaats: om te kunnen differentiren tot hoofdweefsels volwassen organismen
GASTRULATIE
NEURULATIE
Ingressie: op cellaag heb je verschillende cellen en daarop gaat sommige cellen uit
bovenste laag treden en die vormen een nieuwe laag
Invaginatie: zie tekening OneNote celrij die volledig naar binnenstulpt en een nieuwe
cellaag geeft
Involutie: grotere massa van cellen die bewegen om een nieuwe cellijn te gaan vormen
Intercallatie: 2 lagen zetten zich tussen elkaar en vormen nieuwe lijn
Epibolie: laatste cellaag bv gaat een compleet andere vorm krijgen en gaat dan van
ectoderm naar endoderm of omgekeerd
Convergente extensie: meer cellijnen die van bv 4 tot 2 gereduceert worden en een nieuwe
cellaag mesodermaal vormen --> Verschillende manieren hoe vanuit ectoderm en endoderm mesoderm wordt gevormd
ORGANOGENESE
Interne organen extremiteiten
2 belangrijke principes: - -
Organen vormen --> Interne organen: bv hart
Extremiteiten vormen
Bevat pacemaker cellen, hartspiercellen, endothele cellen en bindweefsel (hartzakje)
Allemaal een andere oorsprong
Maar vanuit eenzelfde kiemblad En van daaruit wordt dat georganiseerd
Bv arm: bot, spiermateriaal en huid --> integratie van mesodormale en ectodormale
componenten + er moet uitgroei zijn zodat armen uit lichaam komt
Er moet uitgroei zijn van de ectordermale cellijn en die zorgt voor ruimte voor mesodermale
organisatie
2.2 Latere embryonale stadia - nog veel gebeuren voor gastrula klaar is voor geboorte: - afzonderlijke weefsel en orgnanen moeten ontstaan - transportsysteem moet op gang komen - zenuwstelsel moet gevormd worden
2.2.1 Postembryonale ontwikkeling - verdubbeling en differentiatie cellen - grootte neemt toe - groeiproces eerst langzame fase, daarna snellere en dan weer trager --> soort S-curve --> zelden het geval want veel benvloedende factoren op groeifase -niet alle lichaamsdelen groeien op zelfde tijdstip evenveel
2.2.2 Veroudering en dood - veroudering= veranderingen lichaam, leidt tot achteruitgang en ten slotte dood - na 30 jaar verlies je 0,8 % van functioneel vermogen - veroudering hangt dus samen met vermogen van cel tot specialisatie - cellen die niet tot specifieke functies beperken verouderen bijna niet - weefsels die geen celdeling meer ondergaan verouderen sneller - dieren die hele leven groeien vertonen minder verouderingsverschijnselen - beperkte voeding vertraagt groei waardoor ze pas op latere leeftijd tekenen van ouderdom
vertonen - veroudering= achteruitgang en dood van cellen en weefsel die niet te vervangen zijn
2.3 Apoptose en necrose - dood van afzonderlijke cellen is noodzakelijk voor vormgeving en functioneren meercellige
organismen - celdood massaal bij dieren die gedaanteverandering ondergaan - voorbeeld: verandering kikkervisje tot kikker: staart en kieuwen worden volledig afgebroken
voor volwassen vorm ontstaat - apoptose= actieve celdood= onmisbaar bij ontwikkeling organisme - cel verliest door vormverandering contact met buren - wordt aanzienlijk kleiner - meeste blijven wel intact - complex DNA en eiwitten in kern condenseert tot halvemaantjes langs kernmembraan - vaak valt celkern na tijd uiteen - cel krijgt dan instulpingen - vaak worden stukken snel opgenomen door naburige cellen -Necrose: - celdood ten gevolge van zuurstoftekort of vergiftiging - cel zwelt op - celstructuren raken onherstelbaar beschadigt - cel barst uit elkaar en verliest inhoud - cellen gaan massaal ten gronde: ontstekingsreactie -diverse processen bij ontwikkeling bevruchte eicel tot volwassene: - celdeling, differentiatie, migratie en ook apoptose -actieve celdood voorbeeld: aangroei handen en voeten: in tussenliggende gebieden komt
apoptose voor zodat weefselgroei afgeremd wordt (indien dit niet gebeurt ontstaan
aaneengegroeide vingers= syndactylie)
3. Na de geboorte - ook nog celdood (bv. In slijmvlies maag en darmen) -cellen slijmvlieslaag iedere paar dagen vervangen door nieuwe - bij opbouw afweermechanismen: belangrijk dat lymfocyten bij opruimactiviteit onderscheid
maken tussen lichaamsvreemde en lichaamseigen stoffen - onrijpe reageren met beide stoffen, cellen met lichaamseigen eiwitten gaan ten gronde - apoptose: veel varianten, veel manieren tot activatie - meestal factoren buiten cel verantwoordelijk: - bv. Hormonen: - hechten aan receptormoleculen in celmembraan of cytoplasma - op hun beurt activeren moleculaire boodschappers of zoeken weg in celkern - eindresultaat: DNA vertaald in eiwitten verantwoordelijk voor apoptose - kan ook dat cellen van nature al klaar zijn om een actieve celdood te sterven maar
daarvan worden weerhouden door overlevingsfactoren --> concentratie aan overlevingsfactoren daalt: onmiddellijke gevolgen --> kan ruzie veroorzaken want hoeveelheid voorziening staat niet altijd vast -mogelijk voorkomt apoptose dat onherstelbare schade aan DNA wordt overgedragen op
volgende generatie
3.1 Differentiatie
= proces waarbij cel verandert van ene celtype naar andere -meestal evolueert naar meer gespecialiseerd type -vindt plaats tijdens ontwikkeling meercellig organisme -verandert van zygoot in complex systeem van weefsels en celtypes -blijft doorgaan tijdens volwassenheid -volwassen stamcellen delen zich en creren gedifferentieerde dochtercellen tijdens
weefselherstel - enige differentiatie als reactie op blootstelling aan antigenen - verandert celgrootte, vorm, membraanpotentiaal, metabole activiteit en reactie op signalen --> veranderingen te wijten aan wijzigingen in genexpressie en epigenetica -cellulaire differentiatie omvat bijna nooit verandering in DNA-sequentie --> verschillende cellen kunnen dus verschillende fysieke kenmerken hebben ondanks
zelfde genoom
-terminale differentiatie: van belang in bv. Gewerveld zenuwstelsel, gestreepte spier,
epidermis en darmkanaal - precursorcel verlaat permanent celcyclus - ontmantel celcyclusmachinerie - brengt reeks genen tot expressie kenmerken voor uiteindelijke functie cel -differentiatie kan blijven plaatsvinden na terminale differentiatie als capaciteit en functies cel
verdere wijzigingen ondergaan - celpotentie= vermogen cel om zich te differentiren --> meerdere niveaus celpotentie bij delende cellen --> grotere potentie: groter aantal celtypen dat kan afgeleid worden -pluripotent= cel die kan differentiren in alle celtypen van volwassen organisme
= merismatische cellen -kan differentiren in meerdere verschillende maar nauw verwante celtypen -oligopotente: beperkter maar nog steeds differentiren in nauwe verwanten -kunnen differentiren in 1 celtype maar kunnen zichzelf vervangen
3.1.1 De klievingen - cytoplasma onbevruchte eicel niet overal hetzelfde - dooiermateriaal veroorzaakt polarisatie - animale veld meer pigment in cytoplasma --> ook ander materiaal ongelijk verdeeld over plasma ten gevolge van celdeling --> kan dan ook onverdeeld zijn bij dochtercellen -stoffen uit cytoplasma kunnen genen uit kern benvloeden (belangrijke rol in embryonale
ontwikkeling)
- bepaalde stand klievingsvlakken door ongelijke verdeling: sleutel voor beter begrip
ontwikkelingsproces -fysische milieufactoren bepalen hoe materiaal in cytoplasma van eicel verdeeld is
3.1.2 Weefselinteracties - celplasma staat bloot aan veel factoren buiten cel - factoren kunnen van buiten embryo komen maar ook van andere cellen in embryo - cel staat in contact met buren via diffusie - mechanisch contact kan gevolgen hebben voor bewegingsvrijheid en delingsmogelijkheden
3.1.3 Organisatoren en inductiestoffen - cellen ook via chemische weg in verbinding - inductie kan toch plaatsvinden dankzij stof die door filter kon funderen
3.1.4 Hormonen - welke kant gaat ontwikkeling op: afhankelijk van of er op kritieke momenten in embryonale
ontwikkeling mannelijke geslachtshormonen aanwezig zijn, anders ontwikkelt embryo tot
vrouw - gewoonlijk: hormonale situatie en genetisch geslacht komen overeen - uitzonderlijk: embryo ontwikkelt organen die niet passen bij genetisch geslacht
3.2 Dedifferentiatie
= integratie
= cellulair proces dat wordt waargenomen in basale levensvormen -gedeeltelijk of terminaal gedifferentieerde cel keer terug naar eerde ontwikkelingsfase - onderdeel regeneratief proces - vind ook plaats in planten - cellen in celkweek kunnen eigenschappen verliezen die ze oorspronkelijk hadden - reversine zet dedifferentiatie in myotubes in gang - gededifferentieerde cellen kunnen opnieuw deffirentieren tot osteoblasten en adipocyten . De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.

Answer generated by AI Report answer

Ask a study question and we will try to answer it as best we can.

Ask a question
 
Log in via e-mail
New password
Subscribe via e-mail
Shopping Cart

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

[Inviter] gives you € 2.50 to purchase summaries

At Knoowy you buy and sell the best studies documents directly from students. <br> Upload at least one item, please help other students and get € 2.50 credit.

Register now and claim your credit