Studybot answer

Ask a question ›
 
Question asked by: helenaneus - 1 year ago

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Inleiding cel

1.Celafmetingen

Microscopische afmetingen

7 tot 40 mm

Soms groot: vb. ei van struisvogel (= 1 cel)

Grootte afh. Van:

*diffusiemogelijkheid= transportmogelijkheid: verhouding oppervlakte/grootte

*controle van kern om de rest van de cel te dirigeren

Algemene regel: hoe lager metabolisme (hoe minder actief de cel), hoe groter de cel

celvolume: onafhankelijk van grootte organisme

Als cel te groot wordt gaat cel delen



2.Celvorm

Wisselend: vb. leucocyten, macrofagen (vrije cellen): ruimen bacterin op en moeten dus overal doorheen geraken en beweeglijk zijn= vorm is zeer veranderlijk

Constant: vb. zaadcel (vrije cel), en algemeen de vaste cellen van een meercellig organisme: vb. Epitheelcellen: hebben flagel (staart) om beweeglijkheid te realiseren



3. Celbouw

Drie grote delen:

Cytoplasma, met de verschillende celorganellen

Nucleus (= celkern)

Celmembraan



HOOFDSTUK 1: Celmembraan

- Dikte: + 7,5 nm

- Oplossing van:

Georinteerde lipiden

* globulaire eiwitten



1.Structuur

- oplossing van georinteerde lipiden en globulaire eiwitten (heel dynamisch)

1.1 Lipiden

- meerderheid van lipiden: fosfolipiden

--> vormen een dubbele laag

--> opgebouwd uit:

* polair-hydrofiel gedeelte= fosfaatgroep: richt zich naar waterig milieu

(Vriend van water)

* apolair-hydrofoob gedeelte= vetzuurketens: richten zich naar het midden membraan (vijand van water)



1.2 Eiwitten

- verdeeld volgens mozaek patroon

- komen niet enkel voor aan oppervlakte

- geen continue laag

- onderscheid tussen:

* integrale eiwitten: overspannen membraan

* perifere proteinen: komen enkel voor aan binnen- of buitenzijde

-functies:

* structureel (als bouwelement)

* transport protenen: maken transport van specifieke moleculen tegen elektrochemische gradint mogelijk

* ionenkanalen

* pompen: maken transport van ionen in celmembraan mogelijk

* receptoren: kunnen binden met bv. Hormonen of geneesmiddelen en intercellulaire processen uitlokken

* enzymen: katalyseren omzettingen ter hoogt van celmembraan



1.3 Glycocalyx

= dunne filamenteuse laag die uitwendig de plasmamebraan bedekt

Bestaat uit vertakte filamenten aanwezig op eiwitten

Grootste deel: glycoprotenen (koolhydraat verbonden met eiwit)

Kleiner deel: glycolipiden (koolhydraat verbonden met vet

--> combinatie= glycocalex

Functies:

* bescherming plasmamembraan tegen fysische en chemische invloeden

* transmembranaire transport

* celadhesie: cel verbindt zich aan een oppervlak

* contactinhibitie: (afstoting) ter hoogte van glycocalix wisselen aanpalende cellen de nodige informatie uit om onderling beweging af te remmen

* herkenning van cellen: oppervlakte-antigenen bv. Van Covid werden we ziek omdat ons lichaam het herkent als lichaamsvreemd en tracht af te stoten via inhibitie

Celadhesie: op bepaalde plaatsen gaat de glycocalex zo gevormd zijn dat bepaalde cellen daar zo aan kunnen binden en opnemen

Bepaalde stoffen kunnen ook schadelijk zijn voor de cel: contactinhibitie



2. Speciale vormen van de celmembraan

2.1 Aan de extracellulaire ruimte: microvilli en cilia

2.1.1 Microvilli



- uitstulpingen

- Zorgen voor vergroting van het contactoppervlak

- cel kan hierdoor heel veel opnemen



2.1.2 Cillia en flagella

- cillia= trilharen

- gecordineerde beweeglijkheid/ borstelen deeltjes in bepaalde richtingen

- ingepland op basaal lichaampje



2.2 Aan de intercellulaire ruimte: celjuncties, juntionele componenten

- epitheelcellen: vertonen hoogst ontwikkelde junctionele complexen: cellen zitten in samenhangend weefselverband aan elkaar vast

- onderscheid:

* zona occludens (tight junction)

* zonula adharens (intermediate junction)

*macula adhaerens (desmosome)

* nexus (gap junction)



2.2.1 Zonula occludens (tight junction)

- gordel rond de cel

- afsluiting intercellulaire spleet tegen lumen

- op sommige plaatsen gedicht door puntvormige contacten tussen buitenbladen van celmembraan

- zeer grote plasticiteit

- bestaan uit dichte (tight) epitelen

- afhankelijk van de functie is de hechting steviger of losser



2.2.2 Zonula adhaerens (intermediate junction)

- gordel rond de cel

- Celmembranen van twee naast elkaar liggende cellen verlopen strikt parallel met intercellulaire spleet gevuld met fijn filamenteus materiaal

- aan cytoplasmatische zijde: dikke laag ineengevlochten microfilamenten

- spelen een rol in de intercellulaire transmissie van actieve, intern voortgebrachte spanningen tussen d cellen van een weefsel. Zij maken dus reproduceerbare contracties en relaxaties van samenhangend weefsel over

--> functie: overbrengen van spanning tussen cellen



2.2.3 Macula adhaerens (desmosoom)

- schijfvormige membraanzone

- vrij analoge structuur aan zonula adhaerens

- 2 celmembranen blijven gescheiden, lopen strikt parallel, met behoud van intercellulaire spleet

- vlak tegen cytoplasmatisch blad: elektronendense plaat: hierin lopen microfilamenten met een haarspeldbocht



2.2.4 hemidesmosoom

- halve desmosomen

- komen voor aan basale zijde waar epitheelcellen op onderliggend bindweefsel rusten

- Functie:

*knopvormige connectoren tussen cytoskelet (= hechting aan onderliggend lamina basalis)

*Verspreiden van mechanische druk of kracht over groot oppervlak op passieve wijze



2.2.5 Nexus (gap junction)

- ter hoogte van nexus: speciale partikels ingebouwd in membraan

- beslaan volledige dikte lipidenlaag

- komen ter hoogte van intercellulaire spleet in contact met corresponderend partikel in celmembraan van aangrenzende cel

- centrum partikel: hydrofiel kanaaltje: vormt directe communicatiebuis tussen cytoplasma van beide aangrenzende cellen

-functie:

* functionele koppeling van cellen voor intercellulaire communicatie (door kanaaltje van gap junction kunnen zeer snel micromoleculen uitgewisseld worden: lage elektrische weerstand)



3. transport door celmembraan

3.1 Diffusie

Schets zie blaadje

-voorwaarden:

*verschil in concentratie (altijd van hoog naar laag)

* permeabele membraan (stof moet doorkunnen): afhankelijk van: grootte, lading, vetoplosbaarheid

-passieve diffusie kan enkel volgens concentratiegradient en/of elektrische gradint



3.2 rol van transporteiwitten

- niet- of weinig permeabele stoffen kunnen toch door de celmembraan geraken via gespecialiseerde mechanismen/ eiwitmoleculen

- minstens enkel van proteinen werken als transporteiwitten= permeasen

- elk type moet eigen permease bezitten want permeabiliteit kan verschillend zijn

- Verloop:

*binding substraat op permease

*gevolg: conformatieverandering

*substraat verschuift van ingang naar uitgang

-2 types

* gefaciliteerde diffusie: geen extra energie van buitenaf nodig: transporteiwit versnelt verplaatsing van deeltje door penetratie membraan te vergemakkelijken, maar richting van verplaatsing hangt af van bestaande concentratiegradient

* actief transport: wel energie van buitenaf nodig: er wordt tegen de concentratiegradient in gewerkt: transporteiwitten= ATP-asen: halen energie uit afbraak van ATP

-Soorten transporteiwitten:

*uniport: transport van 1 substantie

*symport: transport van meerdere in dezelfde richting

*antiport: transport van meerdere in tegengestelde richting

3.3 Endocytose en exocytose

= binnen- of buitendringen zonder door de celmembraan heen te dringen

3.3.1 Endocytose

-ontstaan vesikel: celmembraan invagineert en omsluit op te nemen molecule, na sluiten invaginatie wordt molecule omgeven door membraan

- 2 types:

* Fagocytose:

- grotere partikels die opgenomen worden door endocytoseproces

- cel vormt hierbij uitsteeksels= pseudopia: omsluiten dat materiaal en vormen vesikel

- nu is vesikel= fagosoom



* Pinocytose:

- vloeistoffen of kleinere deeltjes worden omsloten

--> macropinocytose: verloopt analoog met fagocytose

--> micropinocytose: vloeistof wordt opgenomen in minuscule invaginaties membraan

-2 mechanismen:

* vloeibare-fase-pinocytose:

- niet selectief proces

- opgeloste stof wordt in functie van concentratie samen met oplosmiddel genomen

- vesikel die ontstaat: smooth concourted vesikel

* absorptiepinocytose:

- vasculaire invaginaties zijn aan cytoplasmatisch oppervlak gecoat met fijne haartjes en glycocalyx

-aard van concentratie van van opgenomen materiaal: afhankelijk van aantal affiniteit van bindingsplaatsen

- selectief proces



3.3.2 Exocytose (= stoffen afgeven)

- materiaal gaat in vesikels naar de rand van de cel waar blaasjesmembraan fuseert met celmembraan, openspringt en materiaal afgeeft

--> veel afscheidinsmateriaal komt vrij uit de cel



3.4 Osmose

- voorwaarden:

* cel is semipermeabel

* verschil in osmotische waarde tussen vloeistofcompartimenten

3.4.1 Hypertoon

- osmotische waarde extracellulair is groter dan intracellulair

- buiten de cel meer osmotisch actieve partikels dan binnen de cel

- celmembraan is impermeabel voor betreffende partikels maar niet voor water --> water wordt onttrokken aan cel om tot evenwicht te komen tussen vloeistofcompartiementen: cel krimpt

3.4.2 Isotoon

- osmotische waarde extracellulair is gelijk aan intracellulaire waarde

- concentratie van osmotisch actieve partikels binnen en buiten de cel is gelijk

- evenwicht tussen buitentreden en binnentreden water

- geen vormveranderingen

3.4.3 Hypotoon

- osmotische waarde extracellulair is kleiner dan intracellulair

- concentratie van osmotisch actieve partikels binnen cel is groter dan erbuiten

- cel neemt water op

- cel barst als er geen actief mechanisme is om water weg te werken



4. Membraanpotentiaal zie apart blaadje grafische voorstelling

4.1 Rustmembraanpotentiaal (zie tekening)

- tussen intercellulaire en extracellulaire vocht is er potentiaalverschil

- potentiaalverschil berust op 3 factoren:



4.1.1 NA+ K+ ATP-ase pompactiviteit (drijvende kracht)

- natriumcioncentratie is kleiner in de cel dan buiten de cel

- kaliumconcentratie is groter in de cel dan buiten de cel

- NA+ K+ ATP-ase pomp pompt

Natrium van intracellulair vocht naar extracellulair vocht

Kalium van extracellulair vocht naar intracellulair vocht

Gebeurt tegen concentratiegradient in

-pompactiviteit vraagt energie

-3 natriumionen worden naar extracellulair vocht overgebracht en uitgewisseld voor 2 kalium-ionen die naar het intracellulair vocht overgaan

Door onevenwicht: ontstaan potentiaalverschil waarbij intercellulair vocht negatief geladen is tegenover extracellulair vocht





4.1.2 Membraanpermeabiliteit (lekkanalen) voor ionen:

- permeabiliteit voor natrium en kalium is zeer beperkt

-permeabiliteit voor kalium is groter dan voor natrium (er zijn meer kalium-lekkanalen dan natrium-lekkanalen)

--> gevolg: volgens de concentratiegradient zal er meer kalium lekken van intercellulair vocht naar extracellulair vocht dan natrium van extracellulair vocht naar intracellulair vocht: intracellulair vocht wordt hierdoor nog negatiever

-lekken van kaliumionen wordt beperkt door elektrische gradint: werkt naar buiten vloeien van positieve ladingen tegen

4.1.3 verschil in samenstelling tussen het extracellulair vocht en het intracellulair vocht

- intracellulair zijn negatieve ladingen afkomstig van protenen en fosfaten: kunnen niet door celmembraan diffunderen want zijn te groot

- celmembraan is in zekere mate doorlaatbaar voor chloor via chloorkanalen

--> gevolg: chloorionen vloeien massaal, onder invloed van elektrische gradint, van intracellulair vocht naar extracellulair vocht

Membraanpotentiaal wordt minder negatief

Chloorreflux wordt beperkt door steeds groter wordende concentratiegradient

Chloorreflux is onvoldoende om potentiaal, opgebouwd uit NA+ K+ pomp, te compenseren

--> Intracellulair vocht is negatief geladen tegenover extracellulair vocht

4.2 De actiepotentiaal

= kortstondige voortgeleide omkering van rustmembraanpotentiaal

4.2.1 Fasen

- naast lekkanalen ook spanningsafhankelijke kanalen

hebben poorten

Spanningsafhankelijk natriumkanaal: 2 poorten: snellen poort (=activeringspoort) en trage poort (= inactieveringspoort)

Kalium- en calciumkanaal: elk 1 poort (traag bij kalium)

-in rusttoestand: snelle poort natriumkanaal dicht, trage poort open

Poort kaliumkanaal dicht

Poort calcium dicht

Fase -1:

Membraanpotentiaal vermindert onder invloed van stimulus= depolarisatie

Drempel die bereikt wordt: drempelpotentiaal

Fase 0

Onder invloed van depolarisatie openen massaal spaningsgevoelige natriumkanalen: er ontstaat massale natriuminflux en cel depolariseert snel

Activeringspoort zal opengaan en inactiveringspoort zal sluiten

Door verschil in snelheid: zal kanaal in korte tijd openen: natriumionen kunnen bewegen van buiten de cel naar binnen de cel

Fase 1:

Natriumkanalen sluiten waardoor depolarisatie een maximum bereikt

Fase 2:

Spanningsgevoelige kaliumkanalen openen waardoor kaliumionen naar buiten stromen

Celmembraan repolariseert

Tegelijk opent activeringspoort van natriumkanaal

Kaliumpoort opent langzaam dus ionenstroom komt heel traag op gang en bereikt pas maximum als natriumkanaal al gesloten is

In bijzonder in de hartspier is er een calciumkinetiek

Spanningsgevoelige calciumkanalen openen als membraanpotentiaal boven 0 is gekomen

Calciumionen zullen volgens concentratiegradient in cel vloeien

Op een gegeven moment ontstaat er evenwicht tussen kaliumefflux en

waardoor plateau ontstaat in membraanpotentiaalverloop van actiepotentiaal

Fase 3:

Als calciumkanalen sluiten blijven kaliumkanalen open

Celmembraan repolariseert tot rustmembraanpotentiaal opnieuw bereikt wordt

Fase 4:

Spanningsafhankelijk kanaal staat nog een beetje open op moment dat rustmembraanpotentiaal bereikt wordt

Een kleine hoeveelheid ionen lekt naar buiten

Zorgt voor grotere polarisatie= hyperpolarisatiefase



-Membraanpotentiaal komt opnieuw in evenwicht door NA+ K+ ATP-ase- en calciumpompen

4.2.2 kenmerken van actiepotentiaal

- Alles of niets- fenomeen: als drempelpotentiaal bereikt wordt ontstaat maximale depolarisatie met constante amplitude

- frequentie van actiepotentiaal in cel varieert sterk

- Duur van actiepotentiaal variabel naar gelang celtype (bepaald door plateaufase= instroom calcium)

- celmembraan is refractair tijden actiepotentiaal (belangrijk voor pompfunctie van hart)

--> Absoluut refractair: een nieuwe prikkel zal geen respons uitlokken

--> relatief refractair: periode waarbij een prikkel een mindere respons zal uitlokken

--> niet-refractair: prikkel lokt normale respons uit

-In hartspierweefsel: absoluut refractaire periode verlengd door plateaufase: evenwicht tussen kaliumefflux en calciumefflux: potentiaal is positief:absoluut refractaire periode verlengt

4.2.3 Ontstaan Actiepotentiaal

- kunnen spontaan ontstaan over worden uitgelokt

- Spontaan:

- door variabele permeabiliteit voor kalium

-Uitgelokt:

- Antagonisten (endogeen+ farmaca): hechten zich aan specifieke receptoren waardoor ze natriumkanalen openen bv. Neurotransmitters

- Depolarisatie naburige cel: indien er tussen celen lage nexussen (weerstandscontacten) zijn bv. In hartweefsel



4.2.4 Effect van een actiepotentiaal op de celfunctie

- intracellulaire calciumconcnetratie neemt toe onder invloed van actiepotentiaal

- gevolg:

--> in zenuwuiteinden: vrijkomen neurotransmitters

--> in spieren: contractie

--> in kliercellen: vrijkomen substanties



4.3 Potentiaalberekeningen Zie apart blaadje hyperkalemie en hypernatriemie

4.3.1 Berekenen van de verschillende evenwichtspotentialen in een levende cel

- beschouw: hypothetische cel met eenvoudig intracellulair midden

- intracellulaire vloeistof heeft hoge calciumconcentratie en hoge concentratie ionen

- kalium diffundeert makkelijk door membraan

- als kaliumconcentratie in extracellulaire vloeistof laag is: zeer sterke diffusie van kalium van binnen naar buiten

--> diffusie ligt aan de rustmembraanpotentiaal van de cel

-P(kalium):P(chloor):P(natrium)=100:20:2





-ionenconcentraties:



-beschouw: hypothetische cel met 1 ion: kalium

-diffusiepotentiaal treedt op zodra kaliumionen doorheen celmembraan diffunderen

- proteineanionen en chloorionen kunnen moeilijk volgen: positieve lading van kaliumionen leidt tot ladingsverandering aan buitenoppervlak van cel

-finaal: compromis tussen chemische en elektrische gradint

-- op dat moment: diffusiepotentiaal= evenwichtspotentiaal

-weergegeven door wet van Nernst



Evenwichtspotentiaal K+

-a.h.v. tabel ionenconcentraties: kaliumverhouding extracellulair/ intracellulair= 40/140

- Ekalium = 61 * log (Ce/ Ci)

= 61 * log 4/140

= 61 * log 0,028

= - 94 mV

- kaliumdiffusie wordt ook belemmerd door niet-diffundeerbare anionen



-Evenwichtspotentiaal= potentiaalwaarde waarbij een evenwichtstoestand in de diffusie van de kaliumionen doorheen de membraan optreedt

- op dat moment: concentratiegradient= elektrische gradint

-beschouw hypothetische cel alleen voor natriumion

-uitwendige natriumconcentratie ligt hoger dan inwendige concentratie

-supplementaire drijfkracht uit immobiele intracellulaire eiwitanionen

-toenemende influx zal diffusiepotentiaal zijn die zichzelf limiteert

- Enatrium = 61 * log (Ce/ Ci)

= 61 * log 140/10

= 61 * log 14

= + 62 mV



-beschouw hypothetische cel voor chloride-ion

-meer chloride buiten de cel dan erbinnen

- intracellulaire anionen remmen chloride-influx af

- Echloride= 61 * log Ce/Ci

= -61 * log 100/4

= -85 mV

-levende cel:

-permeabiliteit voor kalium is 5x groter dan die voor chloor en 50x groter dan die voor natrium (100:20:2)



- gevolg membraanpotentiaal:

1) wordt mix van verschillende evenwichtspotentialen

2) door groot verschil in onderlinge permeabiliteit zal definitieve membraanpotentiaal zeer dicht die van kalium benaderen --> kaliumpermeabiliteit is bepalende factor





4.3.2 Berekenen van de rustmembraanpotentiaal in een levende cel

-membraan kan permeabiliteiten wijzigen naargelang de omstandigheden

-in werkelijkheid zijn er nog meer geladen deeltjes dan besproken

- levende membraan heeft actieve pompmechanismen die concentraties van geladen deeltjes binnen en buiten cel benvloeden

-membraan is in rusttoestand gepolariseerd

-polarisatie is gevolg van ongelijke verdeling van geladen deeltjes langs weerszijden celmembraan

- binnenvlak negatief geladen ten opzichte van buitenvlak

-kalium- en chloride-ion werken op zelfde manier als hierboven, worden tegengewerkt door natrium

-rustende celmembraan is meest doorlaatbaar voor kalium, minder goed voor chloride en slecht voor natrium

- formule van Goldman

-houdt rekening met individuele aandeel afzonderlijke ionen in gezamenlijke potentiaal

- mengpotentiaal die som is van respectieve evenwichtspotentialen van afzonderlijke ionen

- hoe groter permeabiliteit voor ion in vergelijking met ander, hoe meer mengpotentiaal de evenwichtspotentiaal van het ion benadert

http://sky.bsd.uchicago.edu/lcy_ref/synap/goldman.gif

-bij negatief geladen moleculen worden intra- en extracellulaire concentratie omgewisseld

5. Intercellulaire communicatie (zie ook bijlage met tekening)

- communicatie tussen cellen: via chemische substanties

-in sommige weefsels/ moleculen kunnen van cel naar cel overgaan via nauwe contacten van celmembraan= gap junction

- meestal komen communicatiemoleculen terecht in extracellulaire vloeistof en worden getransporteerd naar cellen waarop ze uiteindelijk effect uitoefenen

-autocriene communicatie: enkel effect op cel die zelf communicatiemolecule vrijgeeft

- paracriene communicatie: enkel naburige cellen benvloedt

- endocriene communicatie: molecule wordt getransporteerd via bloed waardoor cellen uit hele organisme bereikt kunnen worden

-cellulaire signaaltransductie gebeurt via intracellulaire boodschappermoleculen

= second Messenger:

- rechtstreeks op celmembraan= receptor is een kanaal:

- door openen of sluiten ionenkanalan

- primaire boodschapper (signaalstof) bindt rechtstreeks met kanaal

- permeabiliteit van kanaal verandert

- depolarisatie of hyperpolarisatie kan ontstaan

- vetoplosbare verbindingen

-receptoren verbonden met G-protene en op zijn beurt verbonden met kanaal

- G-protene: activerend (Gs) of inactiverend (Gi)

- door activerend kanalen meer geopend

- verbonden met G-protene en op zijn beurt met enzym

- secundaire boodschappers geproduceerd via cascademechanisme

- secundaire boodschappers benvloeden kanaalactiviteit

1) Adenylaatcyclase of guanylaatcyclase

* via Gs vorming cyclisch adenosinemonofosfaat/ cyclisch guanosinemonofosfaat uit adenosinetrifosfaast of guanosinetrifosfaat geactiveerd

* cAMP of cGMP- afhankelijke protenekinasen worden geactiveerd

* gefosforyleerde protenen worden gevormd die fysiologisch effect uitlokken

* Adenylaatcyclase kan genhibeerd worden/ andere koppeling met receptor

2) fosoflipase C

*fosfatidylinositoldifosfaat wordt gesplitst in diaglycerol en inositoltrifosfaat

* DAG activeert protenekinase C: geeft aanleiding tot vorming gefosforyleerde protenen die fysiologisch effect uitlokken

* Door IP3 komt Ca2+ vrij uit endoplasmatisch reticulum

* Ca2+ bindt met specifieke bindingsprotenen: worden hierdoor geactiveerd





3) Fosfolipase A2

* secundaire boodschapper= arachidonzuur



-receptoren voor steroden en schildklierhormonen

-bevinden zich in doelwitcellen, in cytoplasma of kern

- functioneren als ligand-afhankelijke transcriptiefactoren

= hoormoonreceptorcomplex bindt aan promotorgebieden van responsieve genen:

Stimuleert of remt transcriptie van die genen af

- = werkingsmechanisme waardoor sterodhormonen genexpressie in doelwitcellen kunnen moduleren

- door transcriptie van reeks genen selectief te benvloeden verandert concentratie van eiwitten: kan fenotype cel wijzigen



5.1 Structuur van receptoren

- Sterode- en schildklierhormonen= transcriptiehormonen

- in sommige gevallen: meerdere vormen van bepaalde receptor wordt tot expressie gebracht in cel: draagt bij aan complexiteit antwoord

- alle receptoren samengesteld uit enkele polypeptideketen met 3 verschillende domeinen:

1) Amino-terminus:

* betrokken bij activeren of stimuleren van transcriptie

* door interactie met andere componenten van transcriptionele machinerie

* sequentie zeer variabel tussen verschillende receptoren

2) DNA-bindingsdomein:

* aminozuren zijn verantwoordelijk voor binding van receptor aan DNA-sequenties

3) Carboxy-terminus of ligandbindend domein

* bindt hormonen

5.2 Hormoon- receptorbinding en interacties met DNA

-sterodhormonen komen als lipiden cel binnen door diffusie plasmamembraan

- schildklierhormonen komen cel binnen door gefaciliteerde diffusie

- receptoren bevinden zich in cytoplasma of kern waar ze hormonen ontmoeten

- Wanneer hormoon aan receptor bindt:

* receptoractivering

- = conformationele veranderingen in de receptor die genduceerd worden door bindende hormoon

- gevolg: receptor is in staat om DNA te binden

* geactiveerde receptoren binden aan hormoonresponselementen

- = korte sequenties van DNA bevinden zich in promotors van op hormonen reagerende genen

- hormoonreceptorcomlexen binden DNA in paren

* Transcriptie van genen waarin receptor is gebonden wordt benvloed

- receptorbinding stimuleert transcriptie

- hormoon-receptorcomplex functioneert als transcriptiefactor . De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.

Answer generated by AI Report answer

Ask a study question and we will try to answer it as best we can.

Ask a question
 
Log in via e-mail
New password
Subscribe via e-mail
Shopping Cart

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

[Inviter] gives you € 2.50 to purchase summaries

At Knoowy you buy and sell the best studies documents directly from students. <br> Upload at least one item, please help other students and get € 2.50 credit.

Register now and claim your credit