Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Hoofdstuk 4:
Vraag 1: Het begrip sociale bescherming omschrijven
Wat? Systeem dat inkomen en toegang tot basisvoorzieningen garandeert tijdens levensrisicos (ziekte, werkloosheid, ouderdom).
Doel: Mensen beschermen tegen inkomensverlies en hen ondersteunen bij essentile levensbehoeften.
________________________________________
Vraag 2: Het onderscheid tussen sociale verzekeringen, sociale bijstand en Vlaamse sociale bescherming
1. Sociale verzekeringen
o Doel: Vervanging/aanvulling inkomen bij risicos (ziekte, pensioen).
o Voor wie: Werkenden (loontrekkenden, ambtenaren, zelfstandigen).
o Voorwaarden: RSZ-bijdragen betaald, risico moet zich voordoen.
o Financiering: Loonbijdragen via RSZ.
2. Sociale bijstand
o Doel: Vangnet voor wie geen recht heeft op sociale verzekeringen.
o Voor wie: Mensen zonder inkomen, niet in staat om te werken.
o Voorwaarden: Geen bestaansmiddelen; OCMW-onderzoek.
o Financiering: Belastingsgelden.
3. Vlaamse sociale bescherming
o Doel: Financile steun voor chronische zorg.
o Voor wie: Zorgbehoevenden, ouderen, mensen met een handicap.
o Financiering: Zorgpremie (62/jaar) en belastinggeld.
________________________________________
Vraag 3: De belangrijkste instellingen sociale zekerheid
1. RSZ (Rijksdienst Sociale Zekerheid): Herverdeelt bijdragen naar 7 takken (pensioen, werkloosheid, etc.).
2. FPD (Federale Pensioendienst): Uitbetaling pensioenen.
3. RVA (Rijksdienst Arbeidsvoorziening): Werkloosheidsuitkeringen.
4. RIZIV: Beheert ziekte- en invaliditeitsverzekering.
5. FONS: Beheert Vlaamse gezinsbijslag (groeipakket).
6. Vakbonden/HVW: Uitkeringen werkloosheid.
________________________________________
Vraag 4: Federale en Vlaamse bevoegdheden
Vlaams: FONS en andere uitbetalingsinstellingen voor gezinsbijslag.
Federaal: Alle andere instellingen zoals RSZ, RVA, FPD, RIZIV.
________________________________________
Vraag 5: Sociale verzekeringen Stelsels en uitkeringen
Drie stelsels: Werknemers, ambtenaren, zelfstandigen (eigen regelgeving).
Soorten uitkeringen:
o Vervangingsinkomen: Werkloosheid, ziekte, pensioen.
o Aanvullend inkomen: Gezinsbijslag, medische kosten.
________________________________________
Vraag 6: Principes van sociale zekerheid
1. Verzekeringsprincipe: Bijdragen en uitkeringen afhankelijk van loon.
2. Solidariteitsprincipe:
o Horizontaal: Laag-risico betaalt voor hoog-risico.
o Verticaal: Minimum- en maximumuitkeringen.
o Intergenerationeel: Werkenden betalen pensioenen ouderen.
________________________________________
Vraag 7: Repartitiestelsel onder druk
Probleem: Vergrijzing en ontgroening.
Oplossing: Drie pijlers pensioenen:
1. Wettelijk pensioen (repartitiestelsel).
2. Aanvullend pensioen via werkgever.
3. Pensioensparen (individueel).
________________________________________
Vraag 8: Vlaamse sociale bescherming
Voor wie: Zorgbehoevenden, ouderen, mensen met handicap.
Wat biedt het? Zorgbudget, hulpmiddelen, financiering zorgvoorzieningen.
Overheid: Betaalbare zorg via zorgpremie en subsidies.
________________________________________
Vraag 9: Doeltreffendheid sociale zekerheid
Probleem: Stijgende uitgaven, armoede blijft.
Kenmerken armoede:
o Relatief: In verhouding tot algemeen welvaartspeil.
o Gradueel: Van bestaansonzekerheid tot uitsluiting.
o Multidimensioneel: Slechte huisvesting, scholing, eenzaamheid.
________________________________________
Vraag 10: Mattheseffect
Wat? Voordelen sociaal beleid komen meer terecht bij hogere sociale groepen.
Voorbeeld: Groeipakket bevoordeelt vaak gezinnen met hoger inkomen.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question