Studybot answer

Ask a question ›
 
Question asked by: annanas004 - 1 year ago

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: 1 Inleiding
De drie belangrijkste overheidsfuncties zijn: wetgeving, bestuur en rechtspraak.
2 De leer van de machtenscheiding
Vanuit een sterke onvrede met de situatie ontwierp de filosoof Montesquieu (1689 1755) een staatsleer die bekend is geworden als de trias politica of de leer van de machtenscheiding.
X
Regering
Volksvertegenwoordiging
Rechterlijke macht
Wetgeving
Bestuur
X
X
X
Rechtsspraak

8) Overheidsfuncties en overheidsorganen
Trias politica -> er zijn drie overheidsfuncties (wetgeving, bestuur en rechtsspraak) die duidelijk van elkaar moeten worden gescheiden en ze moeten worden uitgevoerd door onafhankelijke staatsorganen.
Samenwerking tussen de verschillende organen is niet gewenst. Op die manier wordt volgens Montesquieu een zeker machtsevenwicht bereikt waardoor de machtsconcentratie en machtsmisbruik worden voorkomen.
Voor de burgers betekent dit meer rechtszekerheid en meer vrijheid.
De leer van de machtenscheiding is van grote invloed geweest op de staatsregeling van een aantal westerse landen.
Geen machtenscheiding, wel macht evenwicht
In het Nederlandse staatsbestel is de zuivere leer van Montesquieu niet terug te vinden. Het stelsel is ingewikkelder, want de functies zijn niet totaal van elkaar gescheiden en in sommige gevallen moeten de staatsorganen met elkaar samenwerken. Toch is Montesquieus invloed merkbaar want er is sprake van machtevenwicht.
Machtevenwicht -> de drie belangrijkste overheidsorganen hebben een gelijkwaardige positie.
3 Decentralisatie
Een andere manier om de overheidsmacht te spreiden is doormiddel van decentralisatie.
Decentralisatie -> de wetgevende en bestuurlijke bevoegdheden zijn verspreid
over verschillende overheidsniveaus.
Slechts een deel van de macht is dan in de handen van de centrale overheid, de rest ligt bij de lagere overheden.
Territoriale decentralisatie
Wetgevende en bestuurlijke bevoegdheden zijn dan in handen van een overheidsorgaan dat verantwoordelijk is voor een afgebakend gebied.
Bijv. de bevoegdheden van de besturen van gemeente en provincie.
Functionele decentralisatie
De publieke bevoegdheden liggen bij een overheidsorgaan dat zich, door het hele land, bezighoudt met een bepaald onderdeel van de overheidstaak.
Bijv. het Commissariaat voor de Media of de Nederlandse Orde van Advocaten.
Mengvorm: het waterschap
Een mengvorm van territoriale en functionele decentralisatie is het waterschap.
Het waterschap -> overheidsinstelling die de zorg heeft over de waterhuishouding in een bepaald deel van Nederland.
Bij de staatsvorm statenbond, gaat het om nagenoeg zelfstandige staten (of federaties) die hun krachten slecht op bepaalden terreinen bundelen.
15

Gedecentraliseerde eenheidsstaat
Nederland is een gedecentraliseerde staat omdat de overheidstaken en bevoegdheden over verschillende overheidsniveaus zijn verdeeld.
Decentralisatie voorkomt machtsconcentratie en het stelt de overheid in staat om dicht bij de burger haar bevoegdheden uit te oefen. Maar het heeft ook nadelen want een sterk gedecentraliseerd land loopt het risico te weinig een eenheid te vormen.
In Nederland is zoveel mogelijk geprobeerd een evenwicht te vinden tussen decentralisatie en eenheid (een gedecentraliseerde eenheidsstaat).
Eenheidsstaat -> de centrale overheid heeft de zwaarste
bevoegdheden als het gaat om het bewaken van de eenheid.
De centrale overheid toezicht op de lagere organen en kan ze
zo nodig bevoegdheden van lagere overheidsorganen naar zich toe halen.
4 De gang van een wetsonderwerp
De wetten in formele zin, worden gemaakt door samenwerking tussen de regering en de volksvertegenwoordiging.
Zij oefenen gezamenlijk de wetgevende macht uit.
Voorbereiding door ambtenaren
Een wetsonderwerp wordt in veel gevallen uitvoerig voorbereidt. Dit gebeurt bij een door de regering in te dienen ontwerp, in opdracht van een minister, door ambtenaren op haar ministerie.
Als het om een uitgebreid wetsvoorstel gaat, benoemt de minister ook nogal eens een commissie van (en met) externe deskundige.
Goedkeuring ministerraad
Als het wetsontwerp voldoende is voorbereid, dient de minister het wetsvoorstel ter goedkeuring in bij de ministerraad.
Advies van de Raad van State
Stemt de ministerraad in met het wetsvoorstel, dan gaat het naar de Raad van State.
Dit belangrijkste adviesorgaan van de regering brengt een openbaar advies over het voorstel uit.
Goedkeuring Tweede Kamer
Vervolgens gaat het wetsonderwerp, via het staatshoofd, ter goedkeuring naar de Tweede Kamer. Hierbij zit de memorie van toelichting.
Hierin legt de minister onder andere uit waarom zij het wetsvoorstel indient, welke keuzes zij heeft gemaakt en wat zij heeft gedaan met het advies van de Raad van State.
Dit advies zit ook bij de stukken die naar de Kamer gaan.
Goedkeuring Eerste Kamer
Als de Tweede Kamer met het wetsvoorstel instemt, gaat het ter goedkeuring naar de Eerste Kamer.
Als het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer binnenkomt, wordt het eerst door een vaste commissie behandeld.
Zij brengen dan een voorlopig verslag uit waarin zij hun oordeel geven en aangeven welke vragen zij erover hebben.
Het ministerie reageert daarop met een nota naar aanleiding van het verslag en kan ook met een nota van wijziging komen, waarin zij veranderingen in het wetsvoorstel aanbrengt.
Eventueel worden er nog meer stukken uitgewisseld tussen deze partijen.
De commissiebehandeling wordt afgerond met het eindverslag, dat als basis dient voor de bespreking van het wetsvoorstel en de plenaire vergadering van de Kamer.
Het verloop van de besprekingen wordt soms sterk gekleurd door het recht van amendement van de Tweede Kamer. Dit recht houdt in dat de Tweede Kamer zelfstandig wijzigingen aan kan brengen in een wetsvoorstel
Als de minister onaanvaardbaar vindt, dan kan zij haar wetsvoorstel intrekken.
Aan het slot van de openbare behandeling stemt de Kamer eerst over eventuele amendementen en daarna over het wetsvoorstel als geheel.
16

Ook in deze Kamer wordt het wetsvoorstel eerst in de vaste commissie behandeld. Daarna volgt een plenaire behandeling.
De Eerste Kamer heeft geen recht van amendement.
Deze Kamer heeft maar twee mogelijkheden: het wetsvoorstel aanvaarden of verwerpen. Terugsturen naar de Tweede
Kamer is niet mogelijk.
Ondertekenen en bekendmaking
Na de goedkeuring van de Eerste Kamer onderteken het staatshoofd, de betrokken ministers en de minister van Justitie het wetsvoorstel. De minister van Justitie is verantwoordelijk voor de bekendmaking van de wet.
Dit gebeurt door publicatie in het online Staatsblad.
Meestal treedt de wet in de eerste dag van de tweede maand na de datum van bekendmaking in werking.
Als de wetgever een ander moment van inwerkingtreding wenst, kan deze datum in de wet zelf worden opgenomen, of
de datum kan later bekend worden gemaakt doormiddel van een aparte invoeringswet of door een officieel besluit van de regering).
Recht van initiatief
Recht van initiatief -> het recht om een wetsvoorstel in te dienen.
Een initiatiefwetsvoorstel moet de instemming hebben van regering, Tweede Kamer en Eerste Kamer en moet in de Raad van State worden gehoord.
Wijziging van de Grondwet
De Grondwet is de basis waarop het Nederlandse staatsbestel rust, vandaar dat er een extra zware procedure is voorgeschreven voor wijzigingen of aanvullingen daarvan.
Eerst wordt de gewone gang van een wetsvoorstel gang van een wetsvoorstel gevolgd (zoals hiervoor beschreven). Daarna wordt de Tweede Kamer ontbonden. Vervolgens wordt het wetsvoorstel in de nieuwe Tweede Kamer behandeld en ook weer in de Eerste Kamer.
Bij de tweede lezing heeft de Tweede Kamer geen recht van amendement en moeten beide Kamers het wetsvoorstel dus ongewijzigd aannemen of verwerpen.
Novelle
Als de minister merkt dat haar wetsvoorstel in de Eerste Kamer zal worden verworpen, kan zij een novelle aanbieden.
Dit is een nieuw wetsvoorstel waarin het oude voorstel meteen bij zijn invoering al gewijzigd wordt.
Het is de bedoeling dat de novelle bij alle organen met spoed wordt behandeld, zodat de wet en wetswijziging tegelijk in werking kunnen treden.
Gang van een wetsonderwerp
1 Voorbereiding op het ministerie
2 Ministerraad
3 Raad van State
4 Tweede Kamer
5 Eerste Kamer
6 Handtekening Koning en betrokken minister
Gang van initiatief-wetsonderwerp
1 Voorbereiding door Kamerlid
2 Raad van State
3 Tweede Kamer
4 Eerste Kamer
5 Regering
6 Handtekening Koning en betrokken minister
Gang van een Grondwetswijziging
7 Afkondiging Staatsblad
7 Afkondiging Staatsblad
1 Normale gang van een wetsonderwerp* 2 Ontbinden Tweede Kamer
3 Verkiezingen
4 Twee derde meerderheid in Tweede Kamer
5 Twee derde meerderheid in Eerste Kamer
6 Ondertekening door Koning en minister(s) 7 Afkondigen Staatsblad
9) De gang van een wetsontwerp, een initiatiefwetsontwerp en van een Grondwetswijziging
*De normale gang van een wetsontwerp die van een initiatiefontwerp.
Alleen de leden van de Tweede Kamer hebben het recht van initiatief.
17

5 Wetten in materile zin
Niet alle algemeen verbindende overheidsregels worden gemaakt door de wetgever in formele zin. Bij sommige regels is het van belang dat ze snel gewijzigd kunnen worden. In andere gevallen is het beter dat een regeling wordt gemaakt door een orgaan dat dichter bij de doelgroep staat.
In dit soort gevallen is een wet van de regering of van de ministers veel flexibeler.
Wet in formele zin
De meeste wetten in de formele zin zijn overheidsregels met algemene werking, dus ook wetten in materile zin.
Een wet in formele zin wordt gemaakt door regering en Staten-Generaal samen.
Algemene maatregel van bestuur (AMvB)
Algemene maatregel van bestuur (AMvB) -> regeling met algemene werking, afkomstig van de regering (art. 89 Grondwet).
Een AMvB wordt op een ministerie door ambtenaren voorbereid. Vervolgens gaat het voorstel naar de ministerraad, die de AMvB moet goedkeuren. Daarna wordt de Raad van State gehoord over het voorstel. Als dit allemaal is gebeurd, moet het regeringsbesluit nog bekend worden gemaakt in het staatsblad.
Alleen regeringsbesluiten die aan deze drie voorwaarden voldoen, zijn AMvBs en hebben dus algemeen verbindende kracht
Ministerile regeling
Ministerile regeling -> besluit met algemene werking, afkomstig van de ministers (art. 89 lid 4 Grondwet).
Bekendmaking
Naar aanleiding van de bekendmaking van algemeen verbindende overheidsvoorschriften is de verwijzing naar de zogeheten Bekendmakingswet nodig.
Hierin worden de
bekendmaking en inwerkingtreding van algemeen verbindende voorschriften van zowel de centrale overheid als van lagere overheden geregeld.
Internationaal verdrag 1
Statuut van het Koninkrijk 1
Grondwet 1
Wet in formele zin 1
AmvB 1
Ministerile regeling 1
Provinciale verordening verordening SER
1
Gemeentelijke verordening verordening waterschap verordening openbare lichamen van beroep en bedrijf
Een ministerile regeling die een algemeen verbindend voorschrift bevat wordt, voordat zij in werking treedt, in de Staatscourant gepubliceerd.
Ministerile regelingen worden volgens de Bekendmakingswet in de Staatscourant gepubliceerd.
Provinciale en gemeenschappelijke verordeningen
De Provinciale Staten en de gemeenteraad zijn bevoegd om provinciale of gemeentelijke verordeningen te maken (art. 127 Grondwet)
Dit zijn algemeen verbindende voorschriften bestemd voor de provincie of gemeente.
Waterschap verordeningen
Het algemeen bestuur van het waterschap heeft ook de bevoegdheid om algemeen verbindende voorschriften te maken.
Als zon voorschrift een strafbepaling bevat, wordt het een keur genoemd.
Verordeningen van andere openbare lichamen
Andere openbare lichamen kunnen ook algemeen verbindende voorschriften maken, zoals de Sociaaleconomische Raad (SER).
10) De rangorde van regelgeving
6 De rangorde van regelgeving
Er is een rangorde van wetgeving omdat veel organen wetgevende bevoegdheden hebben. Dit moet tegenstrijdigheden voorkomen.
De regel is dat een lagere wet niet in strijd mag zijn met een hogere wet.
Een regeringsbesluit dat niet aan de voorgaande eisen voldoet, wordt wel een kleine KB (koninklijk besluit) genoemd.
18

Lagere wet onverbindend
Een lagere wet die in strijd is met een hogere wet, zal door de rechter onverbindend worden verklaard.
De rechter zal de wet toepassen omdat de wet in strijd is met een hogere regeling.
Een rechter mag een wet die in strijd is met een hogere regel, niet vernietigen. Wel mag zij de wet onverbindend
verklaren.
De wet wordt wel in stand gehouden maar wordt deze niet toegepast.
Het intrekken van een wet is geen taak voor de rechter maar voor de wetgever.
Toelatingsverbod
Op de regel dat de rechter lagere regels aan hogere regels toetst, geldt een belangrijke uitzondering. Art. 120 Grondwet verbiedt de rechter om wetten in formele zin te toetsen aan de Grondwet.
Als een rechter met een wet in formele zin te maken heeft, moet zij die wet toepassen, ook al zou zij van mening zijn dat de wet in strijd is met de Grondwet.
Wel toetsing aan verdragen
Een verbod op art. 120 Grondwet maakt een wet in formele zin niet helemaal onaantastbaar. Want art. 94 Grondwet geeft de rechter wel de bevoegdheid om wetten in formele zin te toetsen aan internationale verdragen.
Een rechter mag een wet in formele zin toetsen aan bepalingen uit internationale verdragen waarop de burgers van de aangesloten lidstaten zich rechtstreeks kunnen beroepen.
Dit worden direct werkende verdragsbepalingen genoemd.
7 Attributie en delegatie
Een tweede eis voor de geldigheid van wetten is dat het overheidsorgaan dat de wet maakt, daartoe bevoegd is.
In dit verband wordt er verwezen naar het legaliteitsbeginsel, dat inhoudt dat iedere bevoegdheid van een overheidsorgaan haar basis moet vinden in de wet.
Deze bevoegdheid moet ontleend zijn aan de wet en kan ontstaan:
door attributie en door delegatie.
Attributie
Attributie -> als het overheidsorgaan behaalt haar bevoegdheid rechtstreeks aan de Grondwet of de gewone wet in formele zin ontleent.
Delegatie
Delegatie -> als een overheidsorgaan dat door attributie wetgevende bevoegdheid heeft, (een deel van) die bevoegdheid overdraagt aan een ander overheidsorgaan.
organen kunnen veel sneller een regel maken of veranderen dan de wetgever in de formele zin.
Daarom schetst in veel gevallen de wet in formele zin de hoofdlijnen, de uitwerking, die wellicht af en toe moet
worden aangepast, wordt overgelaten aan de regering of aan de ministers.
Sub delegatie
Een overheidsorgaan dat op de grond van delegatie of sub delegatie wetgevende bevoegdheid heeft gekregen, voert deze bevoegdheid zelfstandig uit en is er ook zelf verantwoordelijk voor.
Wetten van onbevoegde organen
Als een rechter constateert dat een wet die zij op een aan haar voorgelegde zaak toe wil passen door een onbevoegd orgaan is gemaakt, zal zij deze wet onverbindend verklaren en dus niet toepassen.
De rechter wordt verboden wetten in formele zin (en internationale verdragen) te toetsen aan de Grondwet, dit is gebaseerd op de scheiding van de machten (art. 120 Grondwet).
De grondwetgever is van mening dat de hoogste wetgever, zelf de grondwettigheid dient te bewaken.
Een rechter een wet in formele zin wel toetsen aan direct werkende bepalingen uit internationale verdragen (art. 94 Grondwet).
19

2 De rechterlijke macht
De rechterlijke macht bestaat uit rechters en uit leden die niet met rechtspraak zijn belast.
Dit zijn leden van het Openbaar Ministerie (OM). Zij hebben in het strafrecht de taak verdachten te vervolgen en de door de rechter opgelegde straffen ten uitvoer te legen.
De leden van het OM worden ook wel de staande magistratuur genoemd. De rechters de zittende magistratuur.
Rechters onafhankelijk
De rechtsprekende leden van de rechterlijke mach zijn onafhankelijk van de regering. Zij hebben tot taak de wet toe te passen en zijn onafhankelijk ten opzichte van iedere vorm van overheidsgezag.
De onafhankelijkheid van rechters is geregeld in de Grondwet.
Benoeming voor het leven
Rechters worden voor het leven benoemd (art. 117 lid 1). Zij kunnen uitsluitend worden geschorst of ontslagen door de Hoge Rad en dus niet door de regering of door de volksvertegenwoordiging.
Arbeidsvoorwaarden bij de wet
De rechtspositie van de rechters moeten bij wet worden geregeld (art. 117 lid 4).
Salaris, vakantiedagen en promotiemogelijkheden moeten dus allemaal bij wet worden geregeld.
Dit is om te voorkomen dat de regering rechters bij goede uitspraken zou kunnen belonen met salarisverhoging, of bij slechte uitspraken zou kunnen straffen.
Controle door hoger beroep en cassatie
Er is wel degelijk controle op de rechtspraak anders zou dat in strijd zijn met een belangrijke basis regel van de Nederlandse staatsinrichting: geen bevoegdheid zonder verantwoordingsplicht.
Wangedrag van rechters kan leiden tot schorsing of ontslag door de Hoge Raad (art. 111 lid 2 onder de Wet RO en art. 46c e.v. Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren).
3 Kenmerken van de Nederlandse rechtspraak
Openbaar
Met uitzondering op bepaalde gevallen, vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats (art. 121 Grondwet).
In deze zaken weegt de bescherming van de privacy zwaarder dan het uitgangspunt van de openbaarheid.
Motivering
Een tweede kenmerk van de Nederlandse rechtspraak die nogmaals te vinden is in art. 121 Grondwet is: de vonnissen bevatten de gronden waarop zij berusten. De rechter moet dus haar uitspraken deugdelijk motiveren.
Deze motivatieplicht betekent dat de rechter in haar vonnis aan moet geven op de grond van welke argumenten zij tot haar uitspraak is gekomen, zodat de procespartijen weten waarom het vonnis zo is uitgevallen.
Hoger beroep en cassatie
In bijna alle rechterlijke uitspraken is hoger beroep mogelijk.
Ook als een zaak achter gesloten deuren wordt behandelt, wordt de uitspraak in het openbaar gedaan.
20

De zaak wordt in hoger beroep opnieuw behandeld en de uitspraak in hoger beroep kan in het beginsel twee kanten op: het bestreden vonnis wordt in stand gelaten of het wordt vernietigd.
Als een vonnis wordt vernietigd. Doet de hoger beroepsrechter meteen een nieuwe uitspraak.
In burgerlijke zaken, in strafzaken en in belastingzaken is in veel gevallen na het hoger beroep ook nog cassatie mogelijk bij de
Hoge Raad.
Hoor en wederhoor
Een rechter wijst doorgaans geen vonnis voordat alle rechtstreeks betrokken partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun visie op de zaak te geven.
4 De rechterlijke organisatie
De organisatie van de rechterlijke macht en de rechtspraak is grotendeels geregeld in de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) en de Wet op de rechterlijke indeling.
Er zijn elf rechtbanken, vier gerechtshoven en n Hoge Raad.
Rechtbank
De rechtbank is in het bestuursrecht, in het strafrecht en in het burgerlijk recht de eerste toegang tot de rechtspraak.
Bestuurskamer
Hier kunnen burgers en bedrijven terecht die het niet eens zijn met een besluit van een bestuursorgaan.
Strafkamer van de rechtbank
Hier worden strafzaken tegen verdachte behandelt.
Het is de taak van de strafrechter om vast te stellen of wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het strafbaar feit heeft gepleegd dat hem door het OM ten laste is gelegd.
Civiele kamer
Hier worden zaken behandeld uit het burgerlijk recht.
Kamer voor kantonzaken
Hier worden de kantonrechter van de rechtbank relatief kleine straf- en civiele zaken.
De kantonrechters zijn in het strafrecht bevoegd om verdachte van overtredingen (lichte strafbate feiten) te berechten.
In het burgerlijk recht doen kantonrechters:
- Vorderingen tot 25.000
- Alle vorderingen, ongeacht hun hoogte, uit arbeid, huur, pacht, consumentenkoop en consumentenkrediet.
Gerechtshof
De vier gerechtshoven fungeren vooral als hoger beroepsorgaan voor civiele en strafrechtelijke uitspraken van de rechtbank (inclusief de sector kanton).
Ieder gerechtshof heeft een belastingkamer die beroepen tegen uitspraken van de rechtbank op het gebied van het belastingrecht behandelt.
In het bestuursrecht geldt in veel gevallen de regel dat de persoon die in beroep wilt gaan, eerst bezwaar moet maken bij het bestuursorgaan dat het besluit genomen geeft.
Pas als dit bezwaar niets oplevert, kan de betrokken beroep instellen bij de rechtbank.
21

Hoge Raad
De Hoge Raad heeft als belangrijkste taak de cassatierechtspraak.
Na het hoger beroep kan men in strafzaken, civiele zaken en belastingzaken doorgaans nog in cassatie gaan.
In cassatie wordt de uitspraak in hoger beroep voorgelegd aan de Hoge Raad, die de bestreden uitspraak in stand laat of vernietigt (casseert).
Typerend voor de cassatieprocedure is dat de Hoge Raad zich beperkt tot rechtsvragen en de feiten van de zaak laat rusten. Cassatie is namelijk alleen mogelijk wegens verzuim van vormen en schending van het recht (art. 78 en 79 Wet RO).
Het gaat bij de Hoge Raad dus alleen om juridische kwesties.
Als een omstreden vonnis of arrest wordt vernietigd, kan de Hoge Raad zelf een nieuwe uitspraak doen of doorverwijzen
naar een van de vier gerechtshoven.
De Hoge Raad kan ook in bepaalde gevallen op het verzoek van een lagere rechter antwoord geven op een rechtsvraag indien dat antwoord voor de afhandeling van een aan deze langere voorgelegde geschil van belang is.
Raad voor de rechtspraak
Dit college vormt de schakel tussen de minister van justitie en de gerechten, is het aanspreekpunt voor en de woordvoerder van de rechtspraak in het politieke en maatschappelijke debat. Deze Raad bemoeit zich niet met de inhoud van de rechtspraak, maar met de organisatie daarvan.
Rechterlijke indeling
Er zijn elf rechtbanken, vier gerechtshoven en n Hoge Raad.
Bijna alle gerechten hebben verschillende zittingen plaatsen, zodat verspreid over heel Nederland het recht wordt gesproken.
Kantonrechter
Strafzaken
Overtredingen
Burgerlijke zaken
Bestuurszaken
Alle vorderingen tot 25.000 en huurt, pacht en arbeid, consumentenkoop en consumentenkrediet ongeacht de hoogte van de vordering
Overige kamers van de rechtbank
Misdrijven
Alle andere vorderingen
Hof
Hoge Raad
Hoger beroep van vonnissen van rechtbank en van kantonrechter
Hoger beroep van vonnissen van rechtbank en van kantonrechter
Belastingzaken
Bijna alle zaken na bezwaarschrift
Cassatie Cassatie
11) Overzicht van de rechterlijke instanties
5 Karakter van burgerlijke rechtspraak, strafrechtspraak en bestuursrechtspraak
Bij drie verschillende rechtsgebieden (strafrecht, bestuursrecht en burgerlijkrecht) hoort een eigen type rechtspraak.
Burgerlijke rechtspraak
Burgerlijke rechtspraak -> de rechter oordeelt over een geschil tussen twee partijen dat op initiatief van een van hen aan de rechter wordt voorgelegd.
De initiatie nemende partij wordt de eiser/verzoeker genoemd, de wederpartij heet de gedaagde/verweerder.
Conflicten over eigendom, erfdienstbaarheid, schadevergoeding, familiezaken en bijv. het nakomen van een overeenkomst worden door de burgerlijke rechter berecht.
22

De bevoegdheid van de burgerlijke rechter is gebaseerd op het onderwerp van het geschil, ongeacht wie de betrokken partijen zijn.
Dit kan dus ook een overheidsorgaan zijn.
Strafrechtspraak
In een strafzitting staan het OM en de verdachte tegenover elkaar.
Het is aan het OM om te beslissen of een verdachte ter terechtzitting wordt.
Bestuursrechtspraak
Een burger, een bedrijf of een instelling leggen een besluit van een bestuursorgaan voor aan de rechter. Het bestuursorgaan en de belanghebbende die zich tegen het besluit verzet, staan dus tegenover elkaar.
Conflicten over besluiten van bestuursorganen worden bestuursgeschillen genoemd.
De meeste bestuursgeschillen moeten worden voorgelegd aan de sector bestuursrecht van de
arrondissementsrechtbank.
Voor de relatieve competentie gelden twee uitgangspunten:
Voor plaatselijke en regionale bestuursorganen is bepalend de vestigingsplaats van het bestuursorgaan dat het bestreden
besluit genomen heeft.
Gaat het om een landelijk bestuursorgaan, dan is voor de relatieve competentie de woonplaats van de
belanghebbende bepalend.
Het verloop van een bestuursrechtszaak is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6 Rechtsvinding
Het werk van de rechter bestaat voor een groot deel uit het recht toepassen op een concreet geval (rechtsvinding).
Als de wet duidelijk is, kan het proces van rechtsvinding kort zijn. Soms echter is het proces veel ingewikkelder. Als de wet niet duidelijk is, moet de rechter de wet uitleggen (interpreteren).
Er zijn, globaal gesproken, vijf interpretatiemethoden:
Grammaticaal
Grammaticaal -> taalkundige betekenis van de wet.
Systematisch
Systematisch -> de plaats van het wetsartikel in de totale wet is van belang.
Wetshistorisch
Wetshistorisch -> de omstandigheden van de wet maken de betekenis duidelijk.
Voor een historische interpretatie van wetten in formele zin zijn de memorie van toelichting en zijn de verslagen van de
parlementaire behandeling van de wet van belang.
Daarin maakt de minister die het wetsvoorstel heeft ingediend, haar bedoeling met de wet duidelijk en gaat zij op vragen
van Kamerleden in.
Anticiperend
Anticiperend -> laat leiden door toekomstige wetgeving waarvan de rechter weet dat die wet binnenkort van kracht zal gaan.
Teleologisch
Teleologisch -> uitleg van een wettekst door te kijken naar de maatschappelijke context waarin de wet functioneert.
23

2 De ontwikkeling van de bestuurstaak
De bestuurstaak kan worden gezien als het nemen van besluiten voor individuele gevallen of voor concrete zaken.
De bestuurstaak strekt zich in bijna alle facetten van de samenleving. De veelomvattendendheid van deze taak heeft alles te maken met de opvattingen over de taak van de overheid.
Nadat Nederland in de jaren 60 van de vorige eeuw een verzorgingsstaat werd, groeide ook het bestuursrecht.
3 De Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Bij de grondwetswijziging van 1983 werd in art. 107 lid 2 de volgende bepaling opgenomen: De wet stelt algemene regels van het bestuursrecht vast.
Hier was dringend behoefte aan want door de toenemende overheidsbemoeienis groeide het bestuursrecht enorm waardoor het onoverzichtelijker werd.
In 1989 kwam de regering met een wetsvoorstel voor een Algemene wet bestuursrecht.
Omdat het om een zeer uitgebreide wet ging, werd besloten om deze wet in tranches te maken en in te voeren.
De invoering van de Awb heeft ervoor gezorgd dat praktisch op het gehele terrein van bestuursrecht met dezelfde termijnen, procedures en begrippen wordt gewerkt.
Algemeen kader
De Awb gaat niet over de inhoud van de bestuurstaak. Deze inhoud wordt geregeld in de bijzondere bestuurswetten. De Awb geeft algemene regels die van toepassing zijn op de verschillende onderdelen van de bestuurstaak.
De bijzondere bestuurswetten regelen ieder een specifiek onderdeel van de bestuurstaak.
Gelaagde structuur
De Awb heeft een gelaagde structuur, de wetten gaan van algemeen naar bijzonder.
Dit betekent dat er vaak op verschillende plaatsen in de Awb zal moeten worden gezocht voor het vinden van een
antwoord op haar vraag.
4 Bestuursorgaan en de belanghebbende
Twee belangrijke begrippen in de Awb zijn het bestuursorgaan en de belanghebbende. Zij zijn de hoofdrolspelers in het bestuursrecht.
- Het bestuursorgaan -> neemt de besluiten.
- De belanghebbende -> rechtstreeks betrokken bij een besluit.
Bestuursorgaan
Bestuursorganen -> overheidsorganen binnen het bestuursrecht die een bestuurstaak hebben en bestuursbevoegdheden uitoefenen.
Art. 1:1 Awb geeft de definitie van een bestuursorgaan: een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of een ander persoon of college met enig openbaar gezag bekleed.
Lid 2 van art. 1:1 Awb noemt
een aantal overheidsorganen die geen bestuursorgaan zijn in de zin van de Awb.
In verband met de scheiding van de machten zijn de wetgevende, rechtsprekende macht en de hoge colleges van Staat geen bestuursorgaan in de zin van de Awb.
24

Organen van publiekrechtelijke rechtspersonen
De organen van publiekrechtelijke rechtspersonen zijn bestuursorganen.
Publiekrechtelijke rechtspersoon -> organisatie die zelfstandig aan het rechtsverkeer deelneemt.
Dit zijn rechtspersonen die door de wet zijn opgericht om een deel van de overheidstaak te verrichten.
Zij functioneren door het optreden van organen die namens de rechtspersoon handelen.
Andere personen of colleges met openbaar gezag bekleed
Art. 1:1 Awb noemt ook nog andere bestuursorganen: personen of colleges die met openbaar gezag zijn bekleed.
Daarmee wordt gedoeld op niet-bestuursorganen die wel een deel van de bestuurstaak uitvoeren en besluiten kunnen
nemen in publiekrechtelijke sfeer.
Zelfstandige bestuursorganen
Er zijn veel meer publiekrechtelijke rechtspersonen.
Zo zijn o.a. de Kamer van Koophandel en het UWV door de wet in het leven geroepen om een deel van de bestuurstaak
uit te voeren. Deze bestuursorganen worden zelfstandige bestuursorganen genoemd (zbo).
Zelfstandige bestuursorganen zijn soms een orgaan van de rechtspersoon staat. In veel andere gevallen zijn zij op
grond van de wet waarbij zij zijn opgericht zelf publiekrechtelijke rechtspersonen en zijn de organen van deze rechtspersonen bestuursorganen.
Ten slotte zijn er zbos die een privaatrechtelijke basis hebben.
Typerend voor een zbo is dat het zelfstandig een deel van de overheidstaak uitvoert en niet onder gezag staat van een
minister. Hun taken en bevoegdheden zijn geregeld in een wet.
Zbos worden vaak opgericht om een ministerie af te slanken.
De minister of de staatssecretaris is politiek gezien verantwoordelijk maar vanwege de zelfstandigheid van een zbo kan de minister of staatssecretaris maar in beperkte mate verantwoordelijk worden gesteld voor de uitvoering
Vanwege de beperkte verantwoordelijkheid staat het oprichten van nieuwe zbos de laatste jaren ter discussie.
Belanghebbende
Belanghebbende -> degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
- Bij belang moet worden gedacht aan een individueel belang.
- De belanghebbende moet rechtstreeks in hun belang worden geraakt.
Rechtspersoon als belanghebbende
Op basis van art. 1:2 lid 3 Awb kunnen ook rechtspersonen belanghebbende zijn.
Uit rechterlijke uitspraken blijkt dat niet iedere vereniging of stichting die opkomt voor een bepaald belang als belanghebbende bij een besluit wordt gezien. Voorwaarde is dat het bijzondere belang waarvoor de rechtspersoon opkomt, wordt genoemd in de statuten. Bovendien moet uit de feitelijke werkzaamheden van de rechtspersoon ook blijken dat het bijzonder belang wordt behartigd.
Rechten van de belanghebbende
Het is van belang te weten of iemand belanghebbende is in de zin van de Awb, omdat alleen belanghebbende bezwaar kunnen maken en in beroep kunnen gaan tegen besluiten van bestuursorganen.
Door de afbakening van het begrip belanghebbende bereikt de Awb dat slechts een beperkt aantal burgers betrokken hoeft te worden bij ieder bestuursbesluit en dat ook slechts een beperkt aantal burgers tegen een bestuursbesluit in beroep kan gaan.
25

Het besluit
Het belangrijkst product van het bestuursrecht is het besluit. Vandaar dat de Awb veel regels geeft over besluiten.
Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan dat rechten en plichten schept in de publiekrechtelijke
sfeer (art. 1:3 lid 1 Awb).
Schriftelijk
Kenmerkend voor een besluit is dat het op schrift is gesteld. Een mondeling besluit valt niet onder de omschrijving van de Awb.
Bestuursorgaan
12) Bestuurshandeligen
Bestuurshandelingen
Eenzijdig Publiekrechtelijke
Feitelijke handelingen
Rechtshandelingen
Privaatrechtelijke handelingen
handelingen
Meerzijdig
Rechtshandelingen worden wel onderverdeeld in eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen.
Eenzijdig -> de wil van n partij is voldoende om de beoogde rechtgevolg tot stand te brengen. Meerzijdig -> de instemming van een wederpartij is noodzakelijk
Het besluit moet afkomstig zijn van een bestuursorgaan.
Publiekrechtelijke handeling
De inhoud van een besluit moet bestaan uit een publieksrechtelijke rechtshandeling.
Bestuurshandelingen -> bestaan uit feitelijke handelingen en rechtshandelingen. Feitelijke handelingen -> zijn gericht op de handeling zelf en niet bedoeld om
rechten en plichten te scheppen
Hieruit kunnen wel rechten en plichten uit ontstaan, maar zij zijn daar niet op
gericht.
Rechtshandelingen -> zijn bedoeld om rechten en plichten te scheppen.
Zij kunnen een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijk karakter hebben.
- Privaatrechtelijke rechtshandelingen -> scheppen rechten en plichten in het burgerlijk recht
- Publiekrechtelijke rechtshandelingen -> scheppen rechten en plichten in het publiekrecht. Kan alleen door overheidsorganen worden verricht.
5 Twee soorten besluiten
Besluiten kunnen worden verdeeld in besluiten van algemene strekking en beschikking.
Beschikking
Beschikking -> is een besluit in een concrete zaak (art. 1:3 lid 2 Awb). Dit is een belangrijk instrument voor bestuursorganen om hun
bestuurstaak uit te voeren.
Besluit van algemene strekking
Besluit van algemene strekking -> heeft algemene, langdurige werking.
6 Attributie, delegatie en mandaat
Het legaliteitsbeginsel is een kenmerk van de democratische rechtsstaat.
Dus overheidsbevoegdheden moeten hun grondslag vinden in de wet. Dit geldt ook voor bevoegdheden in het
Er zijn drie soorten besluiten van algemene strekking:
Algemeen verbindende voorschriften -> besluiten die algemene regels inhouden waaraan iedereen gebonden is.
Beleidsregels -> regels die bestuursorganen maken om aan te geven hoe zij omgaan met een beleidsruimte die een wet hun biedt, of hoe zij een bepaalde term in een wet uitleggen.
Plan -> een besluit dat samenhang aanbrengt tussen verschillende onderdelen van hun beleid.
Beschikking
Algemeen verbindende voorschriften
Beleidsregels Plannen
Besluiten
algemene strekking
Bessluiten van
bestuursrecht, met name als het gaat om het opleggen van verplichtingen aan burgers.
Bij het toekennen van rechten, zoals subsidie,
speelt de grondslag van de bevoegdheid in iets mindere mate een rol.
13) Verschillende soorten besluiten
26

Als het gaat om bevoegdheden van bestuursorganen komen de begrippen attributie en delegatie weer voor.
Attributie
Attributie -> wanneer de wet een bestuursorgaan rechtstreeks een bestuursbevoegdheid toekent.
De bevoegdheid kan niet alleen uit een wet in formele zin worden verkregen, maar ook uit een lagere regeling.
Delegatie
Delegatie -> een bestuursorgaan krijgt zijn bevoegdheid niet rechtstreeks uit de wet maar van een ander bestuursorgaan. Het bestuursorgaan dat zijn bevoegdheid heeft gedelegeerd, is daarmee zelf zijn bevoegdheid kwijt. Het bestuursorgaan
dat de gedelegeerde bevoegdheid heeft gekregen, oefent deze bevoegdheid voortaan op eigen naam en onder eigen verantwoordelijkheid uit.
Mandaat
Mandaat -> een bestuursorgaan of een ambtenaar mag in naam van een ander bestuursorgaan besluiten nemen.
Het bestuursorgaan dat mandaat verleent, draagt zijn bevoegdheid niet over, maar geeft een ander bestuursorgaan of
ambtenaar de opdracht in zijn naam besluiten te nemen.
De verantwoordelijkheid blijft rusten bij de mandaatgever.
Mandaatverlening is toegestaan, tenzij de wet dit uitdrukkelijk verbiedt.
7 Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur (ABBB) richt zich tot de bestuursorganen.
De ABBB bevatten normen waaraan bestuursorganen gebonden zijn in hun omgang met burgers en bij het uitoefenen van bestuursbevoegdheden, en zijn ontwikkeld in de jurisprudentie.
Sinds de uitvoering van de Awb is een aantal ABBB in de wet vastgelegd.
Zorgvuldigheidsbeginsel
Vraagt van het bestuursorgaan om bij het nemen van een besluit alle relevante feiten en omstandigheden te betrekken.
Gelijkheidsbeginsel
Op de grond van art. 1 Grondwet is (ook) een bestuursorgaan gehouden in gelijke gevallen gelijk te handelen.
Zo moeten ambtenaren met eenzelfde staat van dienst die hetzelfde werk doen, voor wat betreft hun rechtspositie
gelijk worden behandeld.
Gen dtournement de pouvoir
Een bestuursorgaan mag een toegekende bevoegdheid alleen gebruiken voor het doel waarvoor de bevoegdheid is gegeven. Anders is er sprake van dtournement de pouvoir (misbruik van bevoegdheid).
Motivatiebeginsel
Art. 3:46 Awb legt het bestuursorgaan de plicht op een besluit deugdelijk te motiveren, zodat de belanghebbende begrijpt waarom het besluit op deze wijze genomen is.
Vertrouwensbeginsel
In het algemeen geldt dat een burger alleen een beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen als hij zijn vertrouwen heeft gebaseerd op een schriftelijke toezegging van het bevoegde bestuursorgaan.
De laatste jaren wordt aangenomen dat een burger ook af moet kunnen gaan op een schriftelijke toezegging van een ambtenaar die rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken is.
Voor een beroep op het opgewekte vertrouwen geldt daarnaast dat daardoor de belangen van derden niet in de knel mogen komen.
27

Rechtszekerheidsbeginsel
Rechtszekerheidsbeginsel -> bestuursorganen moeten voorzichtig omgaan met opgebouwde rechten van burgers.
Evenredigheidsbeginsel
Evenredigheidsbeginsel -> er dient een redelijke verhouding te zijn tussen de nadelige gevolgen van een besluit.
8 Handhaving
De Awb biedt bestuursorganen een aantal sancties voor het geval dat het bestuursrechtelijk gebod of verbod niet wordt nageleefd.
In dit kader wordt gesproken van de handhaving van het bestuursrecht.
Intrekken van een vergunning
Ook al wordt dit niet tot handhavingsmechanismen gerekend, feitelijk is het wel een handhavingsmiddel.
De Awb kent geen speciale regels over het intrekken van vergunningen, wel zijn op het intrekken van vergunningen de ABBB van toepassing.
Voor het intrekken en veranderen van subsidiebeschikkingen geeft de Awb wel specifieke regels (art. 4:48 Awb en verder).
Last onder bestuursdwang
Een bestuursorgaan heeft in sommige gevallen de bevoegdheid om illegaal gedrag feitelijk ongedaan te maken (bestuursdwang). Dit mag alleen worden toegepast als deze bevoegdheid bij of op grond van de wet aan het bestuursorgaan is toegekend.
En het moet schriftelijk aan de belanghebbende worden bekendgemaakt in de vorm van een beschiking.
Last onder dwangsom
In veel gevallen is bestuursdwang een te zwaar of ongeschikt middel. Daarom hebben bestuursorganen, als alternatief de bevoegdheid om een dwangsom op te leggen in een last onder dwangsom.
Bestuurlijke boete/bestuursboete
Deze boete kan worden gezien als een straf.
De bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen ontleent het bestuursorgaan aan een bijzondere bestuurswet.
Verschil dwangsom en bestuurlijke boete
Een bestuurlijke boete is een reactie op een overtreding die al begaan is. De dwangsom fungeert vooral als drukmiddel om te voorkomen dat een voorschrift (nogmaals) overtreden wordt.
Strafrechtelijke sancties
In sommige gevallen stelt de wet het niet naleven van bestuur voorschriften als strafbaar.
De burger komt dan in het strafrecht en is het aan de strafrechter om een oordeel te vellen over de schuld van de
verdachte en zo nodig een straf op te leggen.
Gedogen
Gedogen wilt zeggen dat een bestuursorgaan het niet naleven van een bestuursrechtelijk voorschrift toestaat.
Essentieel voor gedogen is dat het bestuursorgaan van de overtreding weet en desondanks niets doet, ofschoon het
daartoe juridisch bevoegd is.
De jurisprudentie staat onder bepaalde voorwaarden gedogen door bestuursorganen toe. Voorwaarde is dat het bestuursorgaan van het gedogen geen algemeen beleid maakt, maar echt alleen uitzonderingsgevallen gedoogbeleid voert.
Bovendien geldt als voorwaarde dat der periode van het gedogen beperkt is. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 25.

Answer generated by AI Report answer

Ask a study question and we will try to answer it as best we can.

Ask a question
 
Log in via e-mail
New password
Subscribe via e-mail
Shopping Cart

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

[Inviter] gives you € 2.50 to purchase summaries

At Knoowy you buy and sell the best studies documents directly from students. <br> Upload at least one item, please help other students and get € 2.50 credit.

Register now and claim your credit