Studybot answer

Ask a question ›
 
Question asked by: annanas004 - 1 year ago

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: 2 Het karakter van het burgerlijk recht
In het publiekrecht heeft de overheid een specifieke rol en grijpt in als rechten en plichten geschonden wordt.
In het strafrecht is, naar het oordeel van de wetgever, de rechtsorde in het geding. Als er een strafbepaling wordt overtreden, is dit een schending van de rechtsorde. Vandaar dat de overheid een bestraffende reactie op deze schendingen geeft.
In het burgerlijk recht heeft de overheid geen specifieke rol en grijpt niet in als rechten en plichten geschonden worden. In het burgerlijk recht gaat het (meestal) om particuliere belangen. De bescherming hiervan wordt overgelaten aan de
betrokken partijen
Dwingend en regelend recht
Typerend voor het privaatrecht is het onderscheid tussen dwingend en regelend recht.
Regelend recht -> het staat partijen vrij om andere afwijkende afspraken te maken.
Dit is het grootste deel van het privaatrecht.
Mensen kunnen op het regelend recht terug vallen als ze zelf geen
afspraken hebben gemaakt.
Dwingend recht -> de betrokkenen zijn eraan gebonden.
Dwingend recht geeft de wetgever alleen als zij een bepaalde procedure verplicht wil stellen of als zij een zwakkere
partij wil beschermen.
Als betrokkenen afwijkende afspraken maken, dan zijn deze afspraken nietig (ongeldig).
3 Het Burgerlijk Wetboek
Het materieel deel van het burgerlijk recht staat in het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit wetboek bestaat uit negen boeken.
Omdat ieder boek begint met art. 1, worden wetsartikelen uit het BW altijd aangeduid met hun boeknummer.
Uit de wetsartikel zelf valt (meestal) op te maken of een bepaling regelend of dwingend recht bevat.
Als de tekst niet duidelijk is, is het aan de rechter om hierover een beslissing te nemen.
Boek 1 - Personen- en familierecht Boek 2 - Rechtspersonenrecht
Boek 3 - Vermogensrecht (algemeen) Boek 4 - Erfrecht
Boek 5 - Zakelijke rechten Boek 6 - Algemeen deel
verbintenissenrecht
Boek 7 - Bijzondere overeenkomsten
Boek 7A - Bijzondere overeenkomsten (vervolg)
Boek 8 - Verkeersmiddelen en vervoer
Boek 10 - Internationaal privaatrecht
Gelaagde structuur
Het BW heeft een gelaagde structuur.
De verschillende lagen gaan van algemeen naar bijzonder.
Boek 9 BW is gereserveerd voor de rechten op voortbrengselen van de geest. Deze rechten worden vooral geregeld in internationale verdragen.
4 Rechtsfeiten
Het (burgerlijk) recht verbindt aan een groot aantal feiten en gebeurtenissen dat zich in de samenleving afspeelt, rechtsgevolgen.
Rechtsfeiten -> alle feiten en gebeurtenissen die voor het recht van belang zijn. Deze rechtsfeiten zijn zeer verschillen.
18) Indeling van het BW
51

Blote rechtsfeiten en menselijke handelingen
Er zijn zogeheten blote rechtsfeiten en menselijke handelingen.
Blote rechtsfeiten -> rechtsfeiten waarop de mens geen rechtstreekse invloed heeft. Menselijke handelingen -> alle andere rechtsfeiten.
Feitelijke handelingen en rechtshandelingen
Menselijke handelingen kunnen verder worden ingedeeld in feitelijke handelingen en rechtshandelingen. Rechtshandelingen -> iemand heeft de bedoeling rechten en plichten te scheppen.
Bijv. arbeidsovereenkomst of huurovereenkomst.
Feitelijke handelingen -> er ontstaan onbedoeld rechten en plichten.
Kenmerkend is dat deze handeling onbedoeld rechtsgevolgen heeft, dus onbedoeld rechten en plichten schept.
Bijv. tijdens het parkeren wordt een auto per ongeluk beschadigd. De bestuurder wordt onbedoeld schadeplichtig.
Rechtshandeling: wil en verklaring
Art. 3:33 BW geeft twee vereisten voor een rechtshandeling:
19) Rechtsfeiten
Rechtsfeiten
handelingen
Rechtshandelingen
Eenzijdig Meerzijdig
Bloterechtsfeiten Feitelijkehandelingen Menselijke
1. Er moet sprake zijn van een op een rechtsgevolg gerichte wil,
2. Die zich door een verklaring openbaart.
Bij een rechtshandeling gaat het dus niet alleen om de bedoeling van degene die de rechtshandeling verricht, voorwaarde voor totstandkoming is dat deze bedoeling naar buiten is gekomen door een verklaring.
Eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen
Meerzijdige rechtshandelingen -> rechtshandelingen waarvoor de instemming van een wederpartij is vereist. Alle overeenkomsten zijn meerzijdige rechtshandelingen.
Eenzijdige rechtshandelingen -> rechtshandelingen die in het leven kunnen worden geroepen door n persoon.
5 De drie onderdelen van burgerlijk recht
Personen- en familierecht
In het personen- en familierecht worden vooral familierelaties in en buiten het gezin beschreven.
Deze rechten zijn niet op geld waardeerbaar zijn en evenmin kunnen worden overgedragen aan een ander.
Rechtspersonenrecht
Beschrijft de organisatie- en ondernemingsvormen die een eigen leven leiden in het recht.
Kenmerkend voor een rechtspersoon is dat zijn vermogen losstaat van de privvermogens van de oprichters of
bestuurders van de rechtspersonen.
Niet ieder bedrijf of organisatie leidt een zelfstandig leven in het recht. Daarvoor is de oprichting van een
rechtspersoon nodig.
In het rechtspersonenrecht wordt onder andere beschreven aan welke oprichtingseisen een rechtspersoon moet voldoen, welke organen de rechtspersoon kent, en welke bevoegdheden deze organen hebben.
Vermogensrecht
In het vermogensrecht worden alle rechten beschreven waaruit een vermogen van een persoon kan zijn opgebouwd.
52

Het vermogensrecht wordt geregeld in Boeken 3 tot en met 8 van het BW.
Boek 8 gaat specifiek in op de vermogensrechtelijke aspecten van verkeersmiddelen (schepen) en vervoer.
Kenmerkend voor vermogensrecht is dat ze op geld waardeerbaar zijn en dat ze overgedragen kunnen worden aan
andere.
Het vermogensrecht bestaat uit het goederen- en verbintenissenrecht.
Erfrecht
Hierin wordt geregeld wat er gebeurt met het vermogen van een overledene.
Vermogen
Vermogen (in juridische zin) -> alle op geld waardeerbare rechten en plichten van een bepaald persoon. Juridisch gezien heeft vermogen een stuk neutralere betekenis dan in de volksmond.
De samenstelling van een vermogen wisselt voortdurend en kan ook negatief zijn.
Absolute en relatieve vermogensrecht
Absolute rechten op goederen -> de zeggenschap die een persoon heeft over een bepaald goed.
De beschrijving van de absolute rechten op goederen wordt ook wel goederenrecht genoemd. Het goederenrecht
is te vinden in Boek 3 en 5 van het BW.
Relatieve rechten -> hebben betrekkingen op de rechtsverhouding tussen personen.
Rechten ontleend aan het burgerlijk recht (subjectieve rechten)
20) Subjectieve rechten
Personen- en familierecht Vermogensrechten
Absolute rechten Relatieve rechten
Rechten op voortbrengselen van de geest
Rechten op goederen
Absolute rechten zijn er ook op voortbrengselen van de geest. De beschrijving van deze rechten is o.a. te vinden in de Auteurswet.
De begrippen relatief recht en verbintenis worden door elkaar gebruikt.
Een relatief recht staat uitsluitend voor de vordering, dus het recht dat een van de partijen heeft op de prestatie van de wederpartij.
Een verbintenis omvat de gehele rechtsverhouding, dus het recht en de plicht.
Relatieve rechten worden ook wel verbintenissen genoemd.
De beschrijving van de relatieve rechten wordt het verbintenissenrecht
genoemd.
Dit deel van het vermogensrecht is te vinden in Boeken 3, 6, 7 en 7A
van het BW.
6 Verbintenissen
Verbintenis -> een rechtsverhouding tussen twee personen, met als onderwerp een prestatie.
Deze prestatie kan bestaan uit doen, dulden of niet-doen.
Recht en plicht
Een verbintenis is voor de partij die moet presteren een plicht, voor de wederpartij bestaat de prestatie uit een recht. De presterende partij wordt schuldenaar genoemd, de partij die recht heeft op de prestatie is de schuldeiser.
Bronnen van verbintenissen
Art. 6:! BW bepaalt dat verbintenissen slechts kunnen ontstaan als dit uit de wet voortvloeit.
Verbintenissen kunnen ontstaan uit overeenkomsten die mensen met elkaar sluiten.
Overeenkomst -> een afspraak tussen twee of meer personen waaraan het recht gevolgen verbindt.
De overeenkomst is een bron van verbintenissen (art. 6:213 BW).
53

Zonder dat er sprake is van een overeenkomst kunnen verbintenissen toch ontstaan omdat de wet een bepaalde verplichting schept in verband met een feitelijke handeling van een persoon (bijv. 6:162 BW).
Als derde bron van verbintenissen zijn er de eenzijdige rechtshandeling.
Bijv. art. 4:117 BW stelt dat erfgenamen verplicht zijn om de vordering van een legataris te voldoen.
Verbintenissenrecht in het BW
Boek 6 BW bevat het algemeen deel.
Met daarin de belangrijkste bronnen van verbintenissen, de wet en de overeenkomst en de regels die van toepassing
zijn indien een verbintenis niet wordt nagekomen.
In Boek 7 BW wordt een aantal veelvoorkomende overeenkomsten nader geregeld.
Omdat deze overeenkomsten apart zijn geregeld, worden deze overeenkomsten bijzondere overeenkomsten genoemd. Vanwege de gelaagde structuur van het BW is voor het verbintenissenrecht ook Boek 3 van belang, omdat (het eerste deel
van) dit boek algemene regels geeft die voor het gehele vermogensrecht van belang zijn.
Kenmerken van verbintenissen
Verbintenissen, ongeacht hoe ze zijn ontstaan, hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken.
Werking alleen tussen partijen
Verbintenissen gelden uitsluitend tussen betrokken partijen.
Geen recht op een goed
Verbintenissen beschrijven rechtsverhoudingen tussen mensen en scheppen geen rechtstreekse rechten op goederen.
Open systeem
Verbintenissen vormen een open systeem. Binnen de grenzen van de wet zijn partijen vrij om overeenkomsten te sluiten.
De inhoud van die overeenkomsten (dus de inhoud van de verbintenissen die zij scheppen), is in het beginsel onbegrensd.
Door nieuwe overeenkomsten ontstaan telkens weer nieuwe verbintenissen.
Zo is het verbintenissenrecht in staat in te spelen op nieuwe ontwikkelingen in de maatschappij.
7 Handelingsbekwaamheid
Er volgen nu een aantal opmerkingen over het begrip handelsbekwaamheid.
Hieronder worden de mogelijkheid die in beginsel ieder persoon heeft om onaantastbare rechtshandelingen te verrichten verstaan.
Onaantastbaar -> een ander kan de rechtshandeling achteraf niet
vernietigen.
Iedere natuurlijke persoon is bekwaam (onaantastbare) rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt (art. 3:32 lid 1 BW).
De wet moet aangeven in welke gevallen personen handelingsonbekwaam zijn.
Door het sluiten van de koopovereenkomst krijgt de koper rechten ten opzichte van de verkoper.
De koper heeft er recht op dat de verkoper hem de auto levert. Blijft de verkoper in gebreke, dan moet de koper de verkoper aanspreken omdat hij zijn verplichting niet nakomt.
Door de koopovereenkomst is de koper nog geen eigenaar van de auto geworden dus hij kan hem niet toe-eigenen.
Eigendomsrechten op het goed ontstaan niet door het sluiten van een overeenkomst maar door levering van het goed aan de koper
54

Minderjarigen
Uit art. 1:234 lid1 BW valt af te leiden dat minderjarigen (ongehuwde jongeren onder 18 jaar oud), in beginsel handelingsonbekwaam zijn.
Een handelingsonbekwame kan geldige rechtshandelingen tot stand brengen, de wettelijke vertegenwoordiger (ouder) kan deze rechtshandelingen echter vernietigen (art. 3:53 BW).
Toestemming
Er gelden twee uitzonderingen op de regel dat een minderjarige handelingsonbekwaam is.
1. Uit art. 1:234 lid 1 BW kan worden opgemaakt dat een minderjarige wel handelingsbekwaam is als hij met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger handelt.
Deze toestemming kan slechts worden gegeven voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel (art.
1:234 lid 2 BW).
Opklimmende handelingsbekwaamheid
2. Art. 1:234 lid 3 BW maakt de minderjarige naarmate hij dichter bij de 18 jaar komt handelingsbekwaam voor rechtshandelingen waar het maatschappelijk normaal van wordt gevonden dat hij, gelet op zijn leeftijd, zelfstandig verricht.
Curandi
Een aantal meerderjarige zijn ook handelingsonbekwaam. Zij zijn door de rechtbank onder curatele gesteld.
Een meerderjarige kan onder curatele worden gesteld als hij niet in staat is zijn eigen belangen goed te behartigen of als
hij zijn eigen veiligheid of die van andere in gevaar brengt door (art. 1:378 BW):
1. Zijn lichamelijke of geestelijke toestand, of
2. Een gewoonte van drank- of drugsgebruik.
Om de curatele kan worden verzocht door de betrokkene zelf, zijn naaste familieleden, de instelling waar de betrokkenen wordt begeleidt/verblijft of het OM. Gaat de rechter in op het verzoek, dan volgt een beschikking waarin de betrokkene onder curatele wordt gesteld.
Het belangrijkste gevolg van de ondercuratelestelling is dat de curandus handelingsonbekwaam wordt.
In de beschikking benoemt de rechter een curator, dit is de wettelijk vertegenwoordiger van de curandus.
De ondercuratelestelling wordt gepubliceerd in de Staatscourant, in regionale bladen en in het openbare curateleregister geplaatst zodat iedere belanghebbende van de ondercuratelestelling kan weten.
Art. 1:390 en art. 1:391 BW.
Er wordt gesproken van handlichting als een minderjarige door een uitspraak van een rechtbank voor bepaalde rechtshandeling handelingsbekwaam wordt.
55

2 De overeenkomst
Kenmerkend voor een overeenkomst is dat zij n of meer verbintenissen schept.
Er ontstaat door de overeenkomst een rechtsverhouding tussen partijen met rechten en plichten.
Men spreekt ook wel van een obligatoire (verbintenis scheppende)
overeenkomst.
Voor een schriftelijke overeenkomst wordt ook wel het woord contract gebruikt.
Totstandkoming: aanvaarding van een aanbod
Een overeenkomst komt tot stand (art. 6:217 BW), door de aanvaarding van een aanbod.
De totstandkoming van een overeenkomst is in de meeste gevallen vormvrij.
De wet stelt geen eisen aan de vorm waarin de partijen hun overeenkomst gieten.
Bij een vormvrije overeenkomst maakt het, voor de rechtsgevolgen, niet uit of er een schriftelijke of mondelinge overeenkomst is gesloten.
3 Het aanbod
Een aanbod kan worden gezien als een voorstel tot het sluiten van een overeenkomst.
Een aanbod mag niet te vaag zijn (art. 6:227 BW).
Herroepen van het aanbod
Als hoofdregel geldt dat een aanbod kan worden herroepen, tenzij het aanbod een duidelijk termijn bevat (art. 6:219 lid 1 BW). Art. 6:219 lid 2 BW maakt duidelijk tot welk moment een aanbod mag worden herroepen.
Verval van een aanbod
Een mondeling aanbod vervalt als het niet onmiddellijk wordt aanvaard (art. 6:221 lid 1 BW).
.
Een schriftelijk aanbad vervalt na een redelijk termijn.
Dit is sterk afhankelijk van de inhoud van het aanbod en de omstandigheden waaronder het aanbod wordt gedaan.
Vergissing in het aanbod
Voorbeeld: Is een leverancier verplicht een stoel van 300 voor 30 te verkopen als het prijskaartje verkeerd is?
Voor het beantwoorden van deze vraag stellen we eerst vast dat een aanbod een (eenzijdige) rechtshandeling is. In Boek 3 BW staat een aantal bepalingen dat voor alle rechtshandelingen geldt, dus ook voor een aanbod.
Art. 3:33 BW stelt twee eisen aan een rechtshandeling:
1. Het moet gaan om een op enig rechtsgevolg gerichte wil;
2. die zich door een verklaring openbaart.
Als een aanbieder zich vergist, is er een breuk tussen wil en verklaring. De wil is gericht op een verkoopprijs van 300, door de verklaring komt 30 naar buiten.
Gelet op de eisen van art. 3:33 komt er bij een vergissing in het aanbod geen rechtshandeling tot stad omdat wil en verklaring van elkaar afwijken.
Formele overeenkomst -> aan de vorm van sommige overeenkomsten worden wel eisen gesteld door het BW.
56

Art. 3:35 BW beschermt echter mensen die te goeder trouw afgaan op een aanbod waarin een vergissing is geslopen. Een wederpartij die er in redelijkheid van uit mag gaan dat het aanbod de werkelijke wil van de aanbieder weergeeft, kan hem aan zijn aanbod houden, ook al heeft de aanbieder zich vergist.
Art. 3:35 BW wordt in de kantlijn van een wetgevingseditie vaak voorzien van de trefwoorden gerechtvaardigd vertrouwen.
Als art. 3:33 en 3:35 BW worden toegepast op dit voorbeeld.
Bij zon groot prijsverschil (uitzonderlijke omstandigheden zoals een opheffinguitverkoop daargelaten) moet een
aanvaarder snappen dat het om een vergissing gaat en er niet van uitgaan dat hij met de werkelijke wil van de aanbieder te maken heeft.
De aanvaarder kan de aanbieder dus niet aan zijn aanbod houden.
4 Ondeugdelijke vorming van de wil
In deze paragraaf gaat het om rechtshandelingen waarbij de wil niet vrij gevormd is.
Wil en verklaring sporen wel, maar er is iets misgegaan bij de manier waarop de wil tot stand komt.
Het BW maakt een onderscheid in een gebrekkige vorming van de wil door een interne oorzaak en de wilsgebreken waarbij
de ondeugdelijke vorming van de wil is gelegen in een oorzaak van buitenaf.
Beperkte bescherming
Art. 3:34 geeft een beperkte bescherming aan personen die onder invloed van psychische ziekte of van heftige emoties een rechtshandeling verrichten.
Deze bescherming is beperkt omdat in reactie op een beroep op art. 3:34 BW de wederpartij, als alles normaal leek, zich kan beroepen op art. 3:35 BW.
Art. 3:35 BW is sterker dan het beroep op art. 3:34 BW.
Wilsgebreken
Bij een beroep op een geestelijke stoornis stelt de betrokkene dat zijn wil ondeugdelijk gevormd is vanwege een interne reden.
Bij de wilsgebrek gaat het om een ondeugdelijk gevormde wil, maar nu komt de oorzaak naar buiten. Er zijn vier wilsgebreken.
Drie ervan worden genoemd in art. 3:44 BW: bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden.
Het vierde wilsgebrek, dwaling, staat in art. 6:228 BW.
Kan de gedupeerde na het verrichten van een rechtshandeling aannemelijk maken dat er sprake is van een wilsgebrek, dan kan hij de overeenkomst vernietigen.
Bedreiging
Als iemand, omdat hij door een ander wordt bedreigd, een rechtshandeling verricht, kan deze rechtshandeling achteraf vernietigd worden.
Dit kan alleen als een redelijk mens de rechtshandeling zonder de bedreiging niet zou hebben gesloten.
Bedrog
Als iemand zijn wederpartij beweegt tot het aangaan van een rechtshandeling door haar opzettelijk onjuiste informatie te geven, opzettelijk informatie achter te houden, of door een andere kunstgreep, dan kan deze rechtshandeling op grond van bedrog worden vernietigd.
Art. 3:34 BW beschermt handelingsbekwame die al dan niet tijdelijk geestelijk gestoord zijn en niet onder curatele zijn gesteld.
57

Misbruik van omstandigheden
Er is misbruik van omstandigheden als de misbruiker wist of moest begrijpen dat zijn wederpartij de rechtshandeling verricht omdat zij zich in bijzondere omstandigheden bevindt.
Dwaling
Dwaling speelt alleen in de sfeer van overeenkomsten een rol. Vandaar dat dit wilsgebrek apart in Boek 6 art. 228 wordt benoemd.
Kenmerkend voor dwaling is dat iemand onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken een overeenkomst sluit.
Dwaling en bedrog kunnen sterk op elkaar lijken. Vandaar dat een vernietigingsactie op grond van dwaling ook mogelijk is als beide partijen een onjuiste vorstelling van zaken hadden.
Bij bedrog wordt iemand opzettelijk op het verkeerde been gezet.
Bij dwaling hoeft niet bewezen te worden dat de wederpartij deze dwaling opzettelijk heeft veroorzaakt.
Risico van de dwalende
Een beroep op dwaling zal worden afgewezen als het slachtoffer de dwaling gemakkelijk had kunnen voorkomen door enige informatie te winnen.
Het gaat dan om een dwaling die veroorzaakt wordt door omstandigheden die voor risico van de dwalende horen te blijven (art. 6:228 lid 2 BW).
Dit lid sluit ook een beroep op dwaling over toekomstverwachting uit.
Vernietigen vanwege wilsgebrek
Een overeenkomst die wordt aangegaan onder invloed van een geestelijke stoornis of een wilsgebrek, is geldig. De gedupeerde kan deze overeenkomst echter vernietigen.
Vernietigen is volgens art. 3:49, 3:50 en 3:51 BW mogelijk door een buitengerechtelijke verklaring of door een rechterlijke uitspraak.
Is een overeenkomst eenmaal vernietigd, dan moeten alle gevolgen van de overeenkomst zo veel mogelijk ongedaan gemaakt worden, want de vernietiging heeft terugwerkende kracht (art. 3:53 BW).
5 De inhoud van de overeenkomst
De contractvrijheid is een belangrijk kenmerk van het overeenkomstenrecht.
Hiermee wordt bedoeld dat de inhoud van het contract wordt bepaald door de afspraken die de partijen samen maken.
Is de inhoud of de strekking (de bedoeling) van de overeenkomst in strijd met de wet, met de openbare orde of de goede zeden, dan is de overeenkomst nietig.
Nietig -> de overeenkomst wordt bij het sluiten ervan al meteen ongeldig (art. 3:40 BW).
Inhoud van de overeenkomst
De inhoud van de overeenkomst wordt op de eerste plaats bepaald door de afspraken die de twee betrokken partijen samen maken.
Uit de jurisprudentie blijkt dat bij verschil van mening over de uitleg van de overeenkomst niet alleen de letterlijke tekst van de (schriftelijke) overeenkomst van belang is, maar ook de kennelijke bedoeling van de partijen.
Aanvullen van de overeenkomst
6:248 BW lid 1 bepaalt dat de inhoud van de overeenkomst niet alleen bestaat uit de afspraken tussen partijen, maar ook kan worden aangevuld door de wet, de gewoonte of door eisen die de redelijkheid en billijkheid stellen.
58

Aanvullen door de wet
Bij het aanvullen van de overeenkomst door de wet is het in het vorige hoofdstuk gemaakte verschil tussen regelend en dwingend recht van belang.
Wanneer de partijen in hun overeenkomst geen afspraken hebben gemaakt, is de wettelijke regeling van toepassing. Van regelend recht kan bij overeenkomst worden afgeweken.
Aanvullen door de gewoonte
De gewoonte vult de overeenkomst ook aan. Het moet dan gaan om gewoonten die al lange tijd bestaan en die door betrokken als recht worden ervaren.
Aanvullen door eisen van redelijkheid en billijkheid
Ook kunnen eisen van redelijkheid en billijkheid de overeenkomst aanvullen. De aard van het werk spelen hierbij een rol.
Beperking door eisen van redelijkheid en billijkheid
Eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen de overeenkomst niet alleen aanvullen maar ook beperken.
Dus in uitzonderlijke gevallen kan een afspraak die partijen in hun overeenkomst maken, komen te vervallen omdat dit beding, gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid, onaanvaardbaar is.
21) Zaken die de rechtsgevolgen van een overeenkomst bepalen
Rechtsgevolgen van een overeenkomst bepaald door
Afspraken betrokken partijen
De wet Gewoonte
Eisen van redelijkheid en billijkheid
Door de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid sneuvelen nog wel eens zogeheten exoneratiebedingen. Exoneratiebedingen -> afspraken waarbij een partij haar aansprakelijkheid uitsluit.
Een exoneratiebeding waarin een aannemer de aansprakelijkheid voor iedere vorm van schade uitsluit, zelfs als deze schade opzettelijk wordt toegebracht, sneuvelen op grond van art. 6:248 lid 2 BW.
Gevolg is dat de aannemer deze schade toch moet betalen, ook al staat in het contract dat hij niet voor deze
schade aansprakelijk is.
6 Uitleg van de overeenkomst
Als de partijen een geldig contract hebben gesloten, moeten ze beide hun afspraken nakomen door zich aan de in het contract opgenomen verplichtingen te houden.
Als het contract ingewikkelder is, komt het wel eens voor dat de partijen problemen krijgen bij de uitvoering van het contract omdat ze hun afspraken verschillend uitleggen.
De Hoge Raad heeft in een aantal arresten aangegeven dat bij de uitleg van een contract niet alleen naar de taalkundige betekenis van de woorden moet worden gekeken maar er moet ook worden gelet op de kennis en de ervaring van de personen die deze woorden in het contract hebben gebruikt.
Doorslaggevend is niet de taalkundige betekenis van de woorden, maar de verwachtingen die de partijen over en weer redelijkerwijs mochten afleiden uit elkaars gedragingen en verklaringen. Hierbij zijn onder andere van belang:
De maatschappelijke kringen waartoe de partijen behoren en de rechtskennis van beide partijen
Voor het gebruik van moeilijke termen, lange en ingewikkelde zinnen en voor juridisch taalgebruik is de regel:
Is een van de partijen duidelijk veel deskundiger of heeft zij meer ervaring, dan heeft zij de plicht om zich ervan te
overtuigen dat de wederpartij de inhoud van het contract echt begrijpt.
Blijkt later een misverstand, dan zal de rechter geneigd zijn de (redelijke) uitleg die de leek aan het contract geeft, zo
veel mogelijk volgen.
59

Nadelige gevolgen
Bij de uitleg van de overeenkomst speelt ook een rol voor wiens rekening bepaalde gevolgen komen.
De rechter gaat ervan uit, als hij een afspraak in een overeenkomt uit moet leggen, dat n van de partijen de gevolgen
heeft willen spreiden over beide partijen.
7 Algemene voorwaarden
Wie zaken doet, heeft in de meeste gevallen te maken met algemene voorwaarden die de wederpartij voor al haar contracten gebruikt. Het gaat om een standaardtekst met bedingen.
Iedere keer als de ondernemen zaken doet met een klant, verwijst hij in de overeenkomst naar de algemene voorwaarden. Per klant hoeven er alleen maar afspraken worden gemaakt over de kern van het contract (zoals de prijs en het product).
Omschrijving
Algemene voorwaarden zijn bedingen die vaker worden gebruikt en die niet de kern van de overeenkomst raken (art. 6:231 BW).
De kern van de overeenkomst wordt altijd op maat door de partijen vastgesteld.
De algemene voorwaarden beschrijven het kader waarbinnen de kern van de overeenkomst wordt uitgevoerd.
Als de gebruiker van de algemene voorwoorden in zijn aanbod naar zijn algemene voorwaarden verwijst, behoren ze door de aanvaarding van het aanbod tot de inhoud van de overeenkomst.
Dus wie weet dat het aanbod onder algemene voorwaarden wordt gedaan, aanvaardt dit aanbod inclusief de algemene voorwaarden.
Vernietigbaarheid van algemene voorwaarden
Art. 6:233 BW geeft aan in welke gevallen de algemene voorwaarden door de wederpartij kunnen worden vernietigd:
- Als de gebruiker de wederpartij geen redelijke mogelijkheid heeft gegeven om van de inhoud van de algemene voorwaarden kennis te nemen.
- Als de algemene voorwaarden voor de wederpartij onredelijk bezwarend zijn.
Informatieplicht gebruiker
De gebruiker van de algemene voorwaarden moet de wederpartij er tijdig over informeren en hij moet haar de gelegenheid bieden om kennis te nemen van de inhoud ervan.
Komt de gebruiker zijn informatieplicht niet na, dan kan de wederpartij (n of meer bedingen van) de algemene voorwaarden vernietigen.
De overeenkomst blijft dan in stand, alleen (n of meer bedingen) vervallen.
Onredelijk bezwarende algemene voorwaarden
De tweede grond die art. 6:233 BW noemt voor vernietiging van een algemene voorwaarde, is dat de voorwaarde onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.
Dus n of meer algemene voorwaarde maken een te zware inbreuk op de redelijke belangen van de wederpartij.
Wanneer is een algemene voorwaarde onredelijk bezwarend?
Art. 6:236 en 6:237 geven antwoord op deze vraag. Deze artikelen zijn geschreven ter bescherming van consumenten die zaken doen met een ondernemer.
Art. 6:234 BW geeft precies aan op welke wijze de gebruiker aan deze informatieplicht kan voldoen.
Uitgangspunt is dat de gebruiker de tekst van de algemene voorwaarden vr of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij in handen geeft of laten weten waar de tekst te vinden is.
Ze gelden niet rechtstreeks voor contracten die ondernemers met elkaar sluiten.
60

Zwarte lijst
Art 6:236 a t/m s BW geeft een opsomming van negentien bedingen die de consument zonder meer kan vernietigen omdat ze onevenredig bezwarend zijn.
Deze zwarte lijst voorkomt dat de ondernemer zijn eigen plichten fors beperkt en/of inbreuk maakt op de rechten van consumenten.
Grijze lijst
Artikel 6:237 a t/m o BW noemt vijftien bedingen die vermoed worden onredelijk bezwarend te zijn.
Ook deze bedingen zijn in beginsel vernietigbaar maar het verschil met de zwarte lijst is dat de gebruiker van de
algemene voorwaarden nu de gelegenheid krijgt om aan te tonen dat het beding in dit geval niet onredelijk bezwarend is.
Vernietigen
Staat er een beding van de zwarte of de grijze lijst in de algemene voorwaarden, dan zijn ze gewoon geldig, totdat de consument in actie komt.
Bij een beding op de zwarte lijst, is enkel een brief van de consument naar de ondernemer dat hij het beding vernietigt, voldoende.
Bedingen op de grijze lijst moeten door de rechter worden beoordeeld. Maar eerst krijgt de ondernemer de gelegenheid om uit te leggen waarom hij meent dat het beding in dit geval niet onredelijk bezwarend is.
8 Niet-nakomen van de overeenkomst
Kenmerkend voor een verbintenis is dat de partij die recht heeft op de prestatie, over juridische middelen beschikt om ervoor te zorgen dat de wederpartij zich aan haar verplichtingen houdt.
Dit geldt ook als de verbintenis is ontstaan uit een overeenkomst. Dan wordt er gesproken van niet-nakomen van de overeenkomst.
Niet-nakomen kan bestaan ui: niet presteren, niet tijdig presteren
of ondeugdelijk presteren.
Opschorten van eigen verplichting
Als reactie op het uitblijven van de prestatie van de schuldenaar mag de schuldeiser zijn eigen verplichtingen uit de overeenkomst opschorten.
Art. 6:262 BW (het opschortingsrecht) kan alleen worden gebruikt in reactie op het uitblijven van de prestatie van de wederpartij.
Schadevergoeding
Als door een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst schade ontstaat, kan de schuld eiser in sommige gevallen schade vergoeding van de schuldenaar eisen.
Aan de vordering tot schadevergoeding stellen art. 6:74 BW en verder drie eisen: Wanprestatie, verzuim van de schuldenaar, vermogensschade
Wanprestatie
Voor het recht op schadevergoeding is het onderscheid tussen overmacht en wanprestatie van belang.
Wanprestatie (toerekenbare tekortkoming). Wanneer het niet-nakomen van de overeenkomst voor rekening van de
De partijen die de verbintenis moet nakomen, wordt de schuldenaar genoemd, de partij die recht heeft op nakoming, heet de schuldeiser.
Het niet-nakomen wordt ook wel aangeduid met een tekortkoming in de nakoming
In uitzonderlijke gevallen biedt de wet, art. 6:263 BW, een opschortingsrecht aan de eerst presterende partij (de onzekerheidsexceptie).
De partij die verplicht is het eerst te presteren, mag haar verplichting opschorten als bij haar, na het sluiten van een overeenkomst, goede gronden zijn ontstaan om te vrezen dat de wederpartij de overeenkomst niet zal nakomen.
Dit opschortingsrecht mag worden gebruikt totdat zeker is dat de wederpartij zal presteren.
betrokken partij komt.
Het opschortingsrecht wordt recht van retentie genoemd als het gaat om een plicht tot afgifte van een bepaald goed. (o.a. art. 3:290 en 6:52 BW).
61

Art. 6:75 BW geeft aan op basis van welke gronden de rekening voor rekening van de schuldenaar komt..
Overmacht (niet-toerekenbare tekortkoming). Wanneer de tekortkoming niet voor rekening van de schuldenaar komt.
Het onderscheidt tussen overmacht en wanprestatie is van belang omdat de schuldeiser alleen bij wanprestatie schadevergoeding kan eisen, bij overmacht is dit niet mogelijk.
Verzuim
Als de prestatie niet blijvend onmogelijk is, geldt als tweede voorwaarde voor schadevergoeding dat de schuldenaar eerst in verzuim moet zijn.
In de meeste gevallen ontstaat dit verzuim pas na een ingebrekestelling. Ingebrekestelling -> brief van de
schuldeiser waarin de tekortkoming in is vastgesteld en de schuldenaar zo mogelijk nog een redelijk termijn geeft om alsnog aan de overeenkomst te voldoen.
Is de termijn uit de
ingebrekestelling verstreken zonder dat de prestatie geleverd is, dan is de schuldenaar in verzuim.
Als de prestatie blijvend onmogelijk is, geldt de eis van verzuim niet, dan is de schuldenaar meteen na de tekortkoming in de nakoming schadeplichtig.
Schade
Als laatste voorwaarde geldt dat de schuldeiser door de tekortkoming schade heeft geleden in zijn vermogen.
Er wordt onderscheidt gemaakt tussen aanvullende en vervangende schadevergoeding.
Bij aanvullende schadevergoeding vergoedt de schade die is ontstaan door vertraging in de nakoming.
Bij vervangende schadevergoeding komt de schadevergoeding voor de eerder afgesproken prestatie in de plaats.
Ontbinding van de overeenkomst
Bij een tekortkoming in de nakoming kan de schuldeiser de overeenkomst ontbinden (art. 6:265BW en verder). De verplichtingen die uit de overeenkomst zijn ontstaan, komen dan te vervallen.
De ontbinding heeft niet, zoals de vernietiging van de overeenkomst, terugwerkende kracht.
Door de ontbinding ontstaan er wel ongedaanmakingsverbintenissen.
De partijen worden dan ten opzichte van elkaar verplicht de gevolgen
van de overeenkomst zo veel mogelijk ongedaan te maken.
Ontbinding is alleen mogelijk, volgens art. 6:265 BW, als de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt.
Dus, de ontbinding moet in verhouding staan tot de tekortkoming.
Tekortkoming in de nakoming
Wanprestatie
De tekortkoming komt voor rekening van de schuldenaar
Overmacht
De tekortkoming komt niet voor rekening van de schuldenaar
Omdat de tekortkoming aan zijn schuld te wijten is
Omdat de tekortkoming voor zijn risico komt op grond van: - de wet;
- de inhoud van de overeenkomst;
- de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen
Als de prestatie blijvend of tijdelijk onmogelijk is, kan de schuldeiser de overeenkomst direct ontbinden.
In andere gevallen moet de scheldeiser de schuldenaar eerst in gebreke stellen, zodat de schuldenaar in verzuim is als hij daarna zijn verplichtingen nog niet nakomt.
62

Nakoming eisen Als nakoming nog mogelijk is: Opschorten eigen
verplichtingen (6:262)
Vorderingen bij niet-nakoming
Schadevergoeding (art. 6:74)
Ontbinding van de overeenkomst (art. 6:265)
Voorwaarden:
- wanprestatie
- ingebrekestelling als prestatie
niet blijvend onmogelijk is
- werkelijk geleden
vermogensschade
Voorwaarden:
- de tekortkoming moet de ontbinding rechtvaardigen
- ingebrekestelling als prestatie niet blijvend of tijdelijk
22) Verschillende vorderingen bij niet-nakoming van een overeenkomst
63

1 Inleiding
Iemand die een onrechtmatige daad pleegt, is verplicht de daardoor ontstane schade te vergoeden (art. 6:162 BW).
Door een onrechtmatige daad komt een verbintenis tot stand tussen dader en gedupeerde. Onrechtmatige daad -> doen of laten in strijd met het geschreven of ongeschreven recht.
2 Het begrip onrechtmatig
Art. 6:162 lid 2 BW geeft een omschrijving van wat de wetgever onder onrechtmatig verstaat. Deze beschrijving bestaat uit drie elementen.
Als het gedrag onder n van deze drie elementen valt, is het onrechtmatig. Inbreuk op een recht van een ander
Bij het eerste onrechtmatigheidscriterium maakt iemand met zijn gedrag een inbreuk op een recht van een ander.
Doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht
Handelingen in strijd met een wettelijke plicht vallen onder het tweede onrechtmatigheidscriterium. Veelal zal het bij dit criterium gaan om het plegen van strafbare feiten.
Wie een strafbaar feit pleegt krijgt ook te maken met het slachtoffer dat op grond van art. 6:162 BW zijn schade vergoed wil zien.
Doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt
Bij het laatste onrechtmatigheidscriterium gaat het om een doen of laten in strijd met het ongeschreven recht.
De onrechtmatige handeling is dan niet in strijd met de wet,. Maar wel met de zorgvuldigheidsnormen die in het
maatschappelijk verkeer gelden.
Wat wel en niet onder dit criterium valt, moeten rechters van geval tot geval beoordelen. In de loop van de jaren is duidelijk dat de jurisprudentie op dit punt zich vooral richt op twee kernthemas:
- Onjuiste belangenafweging;
- Gevaarzetting.
Onjuiste belangenafweging
Onjuiste belangenafweging -> wanneer de pleger van een onrechtmatige daad, bij het behartigen van zijn eigen belangen onvoldoende de belangen van anderen in het oog heeft gehouden.
Gevaarzetting
Gevaarzetting -> als iemand in gevaar voor een
ander in het leven heeft geroepen, terwijl hij dit met enige inspanning had kunnen voorkomen of beperken.
3 Rechtvaardigingsgrond en relativiteitseis
Rechtvaardigingsgrond
Het onrechtmatig karakter van een gedraging wordt opgeheven door de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond (art. 6:162 lid 2 BW).
Onrechtmatigheids criteria
Strijd met het geschreven recht
Strijd met het ongeschreven recht
Inbreuk op het recht van een ander
Strijd met wettelijke plicht
Gevaarzetting
Onjuiste belangenafweging
23) Onrechtmatigheidscriteria
64

Relativiteitseis
Art. 6:163 BW het zogeheten relativiteisvereiste als nog een mogelijkheid waardoor een schadeclaim op grond van de onrechtmatige daad kan stranden.
Bij dit vereiste is de aandacht gericht op het doel van de door de onrechtmatige daad geschonden norm. 4 Voorwaarden voor schadevergoeding
Er gelden drie voorwaarden voor schadevergoeding op grond van een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).
1. Schade
De daad moet daadwerkelijk schade hebben veroorzaakt.
In de meeste gevallen wordt alleen vermogensschade vergoed.
Wie vermogensschade (of materile schade) claimt, moet aantonen dat zijn vermogen met een bepaald bedrag is verminderd door de onrechtmatige daad.
Voor vergoeding van immaterile schade, is alleen ruimte in de limitatief opgesomde gevallen van art. 6:106.
Smartengeld is geen vergoeding van verlies van vermogen, maar compensatie voor geleden pijn of verdriet.
Naasten van een slachtoffer kunnen in bepaalde gevallen vergoeding van het door hen geleden nadeel, dat niet in vermogensschade bestaat, vorderen (affectieschade (art. 6:107 en 6:108 BW)).
2. Oorzakelijk verband tussen daad en schade
Er moet een oorzakelijk verband zijn tussen de onrechtmatige daad en de schade (causaal verband).
3. Toerekening
De daad moet aan de dader kunnen worden toegerekend op grond van schuld of risico.
D schade die het gevolg is van de daad, voor rekening van de pleger komt omdat hem een verwijt van de daad kan
worden gemaakt.
In sommige gevallen kan een onrechtmatige daad ook aan iemand worden toegerekend terwijl hem geen enkele schuld treft.
De daad komt dan voor zijn rekening omdat het BW het risico bij hem legt (risicoaansprakelijkheid).
Vermogenssschade Geleden verlies
Voorwaarden voor schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad
1 Schade
2 Causaal verband tussen daad en schade
3 Toerekening van de daad
Ander nadeel, art. 6:106 BW
Gederfde winst
van (meer) schade Op grond van schuld
Kosten ter voorkoming
Op grond van risicoaansprakelijkheid
24) Voorwaarden voor schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad
5 Andere vorderingen uit onrechtmatige daad
Het BW biedt drie andere vorderingen die een gedupeerde kan stellen.
1. Verbod op de onrechtmatige handeling
Een slachtoffer van een (dreigende) onrechtmatige daad kan aan de rechter een verbod van het onrechtmatig gedrag vragen (art. 6:168 BW).
Bij een verbod legt de rechter, op verzoek van de eisende partij, vaak ook een dwangsom op. Dit fungeert als een stok achter de deur.
65

2. Rectificatie
Art. 6:167 BW biedt de mogelijkheid om rectificatie te vragen.
Deze vordering kan worden ingesteld als er onjuiste of onvolledige informatie over iemand is verspreid.
Op basis van art. 3:302 BW kan een zogeheten verklaring voor recht woorden gevraag.
De gedupeerde partij vraagt de rechter dan alleen maar om een oordeel of het omstreden gedrag nu wel of niet
onrechtmatig is om zo duidelijkheid te schaffen tussen partijen.
3. Herstel in de oorspronkelijke toestand
De rechter kan de pleger van de onrechtmatige daad in zeldzame gevallen ook herstel in de oorspronkelijke toestand opleggen. De pleger moet er dan voor zorgen dat de aangerichte schade ongedaan wordt gemaakt, zodat de situatie van voor de
onrechtmatige daad terugkeert.
6 Risicoaansprakelijkheden
Personen kunnen dus ook op grond van een risico dat de wet hun toedeelt, aansprakelijk zijn voor schade uit onrechtmatige daad (risicoaansprakelijkheid).
Kenmerkend hiervoor is dat de schuldvraag achterwege blijf ook al treft de betrokkene geen schuld, de gevolgen van de daad komen toch voor zijn rekening.
Aansprakelijkheid van ouders
Kinderen tot 14 jaar zijn niet aansprakelijk voor de schade die ontstaat uit hun onrechtmatige daden (art. 6:164 BW). Hun wettelijke vertegenwoordigers zijn hiervoor aansprakelijk (art. 6:169 BW).
Als het kind onrechtmatig heeft gehandeld, er causaal verband tussen daad en schade bestaat en de daad aan het kind kan worden toegerekend, draait de wettelijke vertegenwoordiger van het kind voor deze schade op.
Wanneer een jongere 14 of 15 jaar oud is, geldt voor de wettelijke vertegenwoordigers een schuldaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast (art. 6:169 BW).
Als deze jongere schade aanricht waarvoor zij op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk zijn, wordt aangenomen dat de wettelijke vertegenwoordigers schuld treft en dat zij deze schade moeten vergoeden.
Als een wettelijke vertegenwoordiger aannemelijk kan maken dat hen geen verwijt van het gedrag van de jongeren kan worden gemaakt, zijn zij niet aansprakelijk en moet de jongere de schade zelf vergoeden.
Jongeren van 16 jaar en ouders zijn uitsluitend met hun eigen vermogen aansprakelijk.
Aansprakelijkheid voor werkgevers
Voor schade die aan een derde wordt toegebracht en die ontstaat door een fout van een werknemer, is de werkgever aansprakelijk (art. 6:170 BW).
Om deze werkgeversaansprakelijkheid te beperken gelden twee voorwaarden:
1. De kans op de fout zijn verhoogd door het werk dat de werknemer voor de werkgever verricht.
2. De werkgever heeft juridische zeggenschap over de gedragingen van de werknemer waarbinnen de fout wordt gemaakt.
Er moet een functioneel verband bestaan tussen de fout en het werk dat de werknemer voor zijn baas verricht.
66
Als op grond van art. 6:164 en 6:169 BW de aansprakelijkheid bij de jongere ligt, kan alleen zijn vermogen worden aangesproken.
Heeft de jongeren niet genoeg vermogen, dan blijft de vordering openstaan tot het moment waarop hij wel over voldoende middelen beschikt.
Voor schade van niet-ondergeschikte (o.a. zzpers), geldt een afwijkende regeling van aansprakelijkheid (art. 6:171 BW).
In dit soort gevallen is de opdrachtgever ook aansprakelijk voor de schade die bij derde ontstaat.

De werkgever is da, ten opzichte van de derde, in alle gevallen aansprakelijk voor de schade.
Omdat het om een risicoaansprakelijkheid gaat, is het verweer dat de werkgever geen schuld treft zinloos.
Verweer dat de werknemer zich niet aan de instructies heeft gehouden is ook zinloos.
7 Overige verbintenissen uit de wet
1. Zaakwaarneming
Zaakwaarneming -> wanneer iemand, zonder dat hij daartoe juridisch verplicht is, op redelijke grond andermans belangen behartigt (art. 198 BW).
2. Onverschuldigde betaling
Onverschuldigd betalen -> presteren zonder rechtsgrond.
Is een prestatie verricht zonder rechtsgrond, dan heeft degene die
deze prestatie verricht, het recht zijn prestatie van de ontvanger terug te vorderen (art. 6:203 BW).
3. Onrechtvaardigde verrijking
Wanneer iemand zichzelf verrijkt ten koste van een ander, dan is degene die verrijkt is, verplicht de ander, voor zover dit redelijk is, schade te vergoeden.. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.

Answer generated by AI Report answer

Ask a study question and we will try to answer it as best we can.

Ask a question
 
Log in via e-mail
New password
Subscribe via e-mail
Shopping Cart

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

[Inviter] gives you € 2.50 to purchase summaries

At Knoowy you buy and sell the best studies documents directly from students. <br> Upload at least one item, please help other students and get € 2.50 credit.

Register now and claim your credit