Maak een oefenexamen van de volgende tekst: REFLEXEN
Motorische ontwikkeling
REFLEXEN
Veel bewegingen zijn niet
mogelijk
Relatief groot hoofd
Relatief kleine ledematen
Reflex = niet-aangeleerde,
gestructureerde, onvrijwillige
respons die automatisch optreedt
in de aanwezigheid van bepaalde
stimuli.
Blijvende reflexen
Voorbijgaande reflexen
FEFLEXEN
FUNCTIES
Bescherming bij gevaar
(grijpreflex, knipperreflex)
Hulp bij voeding (zuigreflex,
zoekreflex)
Basis voor complexere
gedragspatronen:
Snelle opwekking kracht bij gevaar
Generen van kracht en cordinatie in
sport
Gaat samen met de ontwikkeling van
NMF
REFLEXEN
MORO REFLEX
REFLEXEN
DE ASSYMTETRISCH TONISCHE NEK REFLEX (ATNR)
REFLEXEN
GALANT REFLEX
REFLEXEN
GRIJPREFLEX
REFLEXEN
PARACHUTE REFLEX
REFLEXEN
L-HOR en O-HOR
Labyrinth gestuurde Hoofd-Oprichtings-Reflex (2m)
Helpt de baby om het hoofd op te richten
Hoe je de baby ook draait, het hoofd komt altijd in lijn met het lichaam
Oogmotorisch-gestuurde Hoofd-Oprichtings-Reflex (8m)
Begint in lig, maar ontwikkeld verder bij verschillende vormen van beweging
Het hoofd blijft in een stabiele positie, ook al beweegt het lichaam
Basis voor visuele aandacht en focus in bewegingssituaties
REFLEXEN
naar vrij bewegen
Intentioneel bewegen, vrij van onbewuste,
automatische meebewegingen en met een
goede cordinatie.
Observatie van de rijpheid van het NMF
Sporen van reflexmatige reacties?
Meebewegingen?
Spiegelbewegingen?
Overflowbewegingen?
Overgang van spelend leren naar formeel
leren
BASISVAARDIGHEDEN
Motorische ontwikkeling
FYSIEKE ONTWIKKELING
GROEI
Lichaamslengte:
Geboorte: - 50cm
Einde jaar 1: - 75cm
Einde jaar 2: - 90cm
Lichaamsgewicht:
Geboorte: - 3kg
6 maanden: - 7kg (verdubbeling)
1 jaar: - 10kg (verdrievoudiging)
BASISVAARDIGHEDEN
KRUIPEN
Drie voorwaarden voor kruipen:
Hoofd vrij bewegen
Romp vrij zijwaarts bewegen
Armen en benen bewegen samen in
patroon
Eerste actie met gekruiste cordinatie
om voort te bewegen
Essentieel dat ATNR gentegreerd is,
anders homoloog kruipen
BASISVAARDIGHEDEN
KRUIPEN
Kinderen die te weinig gekropen
hebben, hebben later moeilijkheden
met de gekruiste cordinatie (bv vrije
slag zwemmen)
Belangrijker om een periode goed te
kruipen, dan om snel te leren lopen
BASISVAARDIGHEDEN
KRUIPEN LOPEN
Vlak voor 1 jaar kan een kind zichzelf
optrekken en rechtstaan (combinatie
van trekken en duwen in gekruist
patroon)
Lopen veronderstelt een gekruist
patroon tegen volledige zwaartekracht
met behoud van evenwicht. In het
begin is dit nog te moeilijk
Kruisloop kan aangeleerd worden
liggend op de rug
BASISVAARDIGHEDEN
MOTORISCHE ONTWIKKELING: FYSIEKE MIJLPALEN
Grote motoriek
Groeiend scala aan motorische
vaardigheden tijdens jaar 1-2.
Mijlpalen worden door 50%
kinderen behaald.
Grove motoriek (zitten,
rechtstaan, stappen) ontwikkelt
zich samen met fijne motoriek
(voorwerpen vastnemen, tekenen)
BASISVAARDIGHEDEN
MOTORISCHE ONTWIKKELING: FYSIEKE MIJLPALEN
Fijne motoriek
Fijne motoriek wordt steeds
geraffineerder.
Hirarchische
ontwikkelingspatronen.
BASISVAARDIGHEDEN
DYNAMISCHE SYSTEEMTHEORIE
Dynamische systeemtheorie =
Theorie die de ontwikkeling en
cordinatie van motorische
vaardigheden verklaart.
Gedragingen worden samengesteld.
Cordinatie van allerlei
vaardigheden die een kind
ontwikkelt:
Uitvoerend programma in de hersenen
Ontwikkeling spieren
Ontwikkeling waarnemingsvermogen
Ontwikkeling zenuwstelsel
Ontwikkeling motivatie
...
ZINTUIGEN
Fysieke ontwikkeling
ZINTUIGEN
ZIEN
Zien = zowel zintuigelijke
reactie als gevolg van de
stimulatie van de visuele
zintuigen als interpretatie van
die stimulatie (Sensatie versus
perceptie)
Dankzij de visueel-perceptuele
vaardigheden kan een kind
informatie uit de omgeving
waarnemen, verwerken, begrijpen
en erop reageren.
ZINTUIGEN
ZIEN
Oog voor dingen binnen hun
gezichtsveld die de meeste
informatie bevatten (objecten
die scherp contrast vormen).
Babys kunnen de omvang van een
object inschatten.
Babys herkennen een patroon van
lijnen, en na enkele weken ook
vormen: herkennen van objecten
en gezichten.
ZINTUIGEN
ZIEN
Ontwikkeling van drie
oogbewegingsvaardigheden:
Fixeren
Saccadische oogbewegingen
Oogvolgbewegingen
ZINTUIGEN
ZIEN
Verschillende oefenkansen:
Zittende of liggende baby:
afstand tot object blijft gelijk
Kruipende baby: object wordt
groter en kleiner
Rondkijken: ogen leren bewegen
in alle richtingen (wegrollende
bal)
ZINTUIGEN
HOREN
Reeds geoefend in de baarmoeder
Gehoorsysteem is nog niet
volledig ontwikkeld
Gevoeliger voor zeer hoge en zeer
lage frequenties
Minder gevoelig voor frequenties in
het midden
Minder goed in
geluidslokalisatie door kleiner
hoofd
Ze vertonen schrikreacties op
hard, plotseling lawaai en
herkennen diverse geluiden.
ZINTUIGEN
TASTZIN
Een van de eerste zintuigen dat
zich ontwikkelt
Nodig voor verschillende
reflexen (bv zoekreflex)
Vergaren van informatie over de
wereld rondom zich
Zintuigelijke reactie op het
gevoel van een object in de mond
geeft informatie over dat object
LEERVERMOGEN
Cognitieve ontwikkeling
LEERVERMOGEN
BEHAVIORISTISCH PERSPECTIEF
Geef me tien lichamelijk en
geestelijk gezonde kinderen en mijn
eigen gespecificeerde wereld om ze
in groot te brengen en ik garandeer
dat ik van elk willekeurig kind elk
willekeurig soort specialist kan
maken arts, advocaat, kunstenaar,
... - ongeacht zijn talenten,
eigenschappen, neigingen en
vermogens. (J.B. Watson, 1925, p.
14)
Benadering van ontwikkeling
waarbij men ervan uitgaat dat
waarneembaar gedrag en externe
stimuli in de omgeving cruciaal
zijn voor het begrijpen van de
ontwikkeling van het individu.
Volgens het behavioristisch
perspectief is de omgeving
(nurture) belangrijker voor de
ontwikkeling dan erfelijkheid
(nature).
LEERVERMOGEN
KLASSIEKE CONDITIONERING
Een vorm van leren waarbij een
organisme reageert op een
neutrale stimulus die dat type
respons normaal gesproken niet
teweegbrengt.
Verklaring voor het aanleren van
emotionele responsen. Dit
fenomeen geldt in het bijzonder
voor intens en negatieve
reacties.
De n maand oude Michiel zat bij
zijn ouders in de auto toen er
plotseling onweer losbarstte. Het
onweer werd al snel heftig en
bliksemflitsen werden direct
gevolgd door harde donderslagen.
Michiel schrok en begon te snikken.
Bij elke nieuwe donderslag ging hij
harder huilen.
Na die gebeurtenis bleek helaas al
gauw dat Michiel niet alleen van
het geluid van onweer schrok; hij
ging al huilen van angst als hij
een bliksemschicht zag. Zelf als
volwassene voelt hij zijn hart
overslaan en zijn maag samentrekken
zodra hij een bliksemschicht ziet.
LEERVERMOGEN
KLASSIEKE CONDITIONERING
LEERVERMOGEN
OPERANTE CONDITIONERING
Een vorm van leren waarbij een
vrijwillige respons versterkt of
verzwakt wordt, afhankelijk van
de associatie met positieve of
negatieve consequenties.
Het herhalen van een bepaald
gedrag is afhankelijk van de
vraag of dit gedrag gevolgd
wordt door een bekrachtiging of
een straf
LEERVERMOGEN
HABITUATIE
De afname van de reactie op een
stimulus die plaatsvindt na
herhaaldelijke presentatie van
die stimulus.
Gewenning bij babys is
gebaseerd op het feit dat de
presentatie van een nieuwe
stimulus meestal een
orintatiereactie opwekt.
LEERVERMOGEN
HABITUATIE
LEERVERMOGEN
DRIE FUNDAMENTELE PROCESSEN
LEERVERMOGEN
DE COGNITIEVE ONTWIKKELINGSTHEORIE VAN PIAGET
Piaget meende dat alle mensen in een
vaste volgorde een reeks universele
cognitieve ontwikkelingsstadia
doorlopen.
Piaget meende dat het menselijk denken
is opgebouwd uit schemas :
Georganiseerde mentale patronen die
bepaalde gedragingen of acties
vertegenwoordigen. Bij oudere kinderen
worden de schemas complexer en
abstract.
LEERVERMOGEN
DE COGNITIEVE ONTWIKKELINGSTHEORIE VAN PIAGET
Volgens Piaget kan de adaptatie van kinderen worden
verklaard door twee basisprincipes:
Assimilatie is het proces waarbij mensen een ervaring interpreteren
binnen hun huidige cognitieve ontwikkelingsstadium en denkwijze.
Accommodatie is het proces waarbij bestaande manieren van denken
veranderen in reactie op nieuwe stimuli of gebeurtenissen.
LEERVERMOGEN
COGNITIEVE ONTWIKKELING VOLGENS PIAGET
Sensomotorische fase:
Actie = Kennis
Kennis is resultaat van direct
motorisch gedrag
Babys leren vooral door te
doen.
LEERVERMOGEN
COGNITIEVE ONTWIKKELING VOLGENS PIAGET
FASE 1 (0-1m)
Reflexen geven informatie
Bv zuigreflex past zich aan
tussen borstvoeding en
flesvoeding
FASE 2 primaire circulaire
reacties (1-4m)
Afzonderlijke acties integreren
(bv fles vastgrijpen en zuigen)
Herhaling van prettige of
interessante acties (bv zuigen
op duim)
Interne focusLEERVERMOGEN
COGNITIEVE ONTWIKKELING VOLGENS PIAGET
FASE 1 (0-1m)
Reflexen geven informatie
Bv zuigreflex past zich aan
tussen borstvoeding en
flesvoeding
FASE 2 primaire circulaire
reacties (1-4m)
Afzonderlijke acties integreren
(bv fles vastgrijpen en zuigen)
Herhaling van prettige of
interessante acties (bv zuigen
op duim)
Interne focus
LEERVERMOGEN
COGNITIEVE ONTWIKKELING VOLGENS PIAGET
FASE 3 secundaire circulaire
reacties (4-8m)
Externe focus, inspelen op omgeving
Rammelaar op verschillende manieren
schudden omdat het geluid verandert
FASE 4 cordinatie van secundaire
circulaire reacties (8-12m)
Intentioneel gedrag: combinatie van
verschillende schemas om een
probleem op te lossen (bv speeltje
wegduwen om ander speeltje te
nemen)
Objectpermanentie: Het besef dat
mensen of voorwerpen nog steeds
bestaan, ook al zijn ze niet (meer)
zichtbaar
BABYTIJD
COGNITIEVE ONTWIKKELING VOLGENS PIAGET OBJECTPERMANENTIE
LEERVERMOGEN
COGNITIEVE ONTWIKKELING VOLGENS PIAGET
FASE 5 tertiaire circulaire reacties
Mini experimenten uitvoeren om de
gevolgen te begrijpen (bv
voorwerpen op verschillende
manieren laten vallen)
FASE 6 begin van denken (18-24m)
Mentale representatie van
voorwerpen: begrijpen van oorzaak
gevolg relaties
Bv. Het volgen van een bal die
onder de kast rolt, begrijpen dat
de deur niet kan openen doordat er
iets tegen staat
Indirecte imitatie: doen alsof je
auto rijdt, een pop voedenLEERVERMOGEN
COGNITIEVE ONTWIKKELING VOLGENS PIAGET
FASE 5 tertiaire circulaire reacties
Mini experimenten uitvoeren om de
gevolgen te begrijpen (bv
voorwerpen op verschillende
manieren laten vallen)
FASE 6 begin van denken (18-24m)
Mentale representatie van
voorwerpen: begrijpen van oorzaak
gevolg relaties
Bv. Het volgen van een bal die
onder de kast rolt, begrijpen dat
de deur niet kan openen doordat er
iets tegen staat
Indirecte imitatie: doen alsof je
auto rijdt, een pop voeden
LEERVERMOGEN
SOCIALE VAARDIGHEDEN
Reageren op anderen
imitatievaardigheden.
Specifieke aandacht voor de stem
van de moeder
Sociale interacties bij de
overgang tussen arousalstadia
(van diepe slaap naar grote
opwinding)
Basis voor toekomstige sociale
interacties
Kort na de geboorte van Emma kijkt
haar oudere broer in haar wieg. Hij
doet zijn mond wijd open, alsof hij
verbaasd is.
Emmas moeder, die erbij staat,
weet niet wat ze ziet als Emma zijn
uitdrukking imiteert. Ook zij opent
haar mond alsof ze verbaasd is.LEERVERMOGEN
SOCIALE VAARDIGHEDEN
Reageren op anderen
imitatievaardigheden.
Specifieke aandacht voor de stem
van de moeder
Sociale interacties bij de
overgang tussen arousalstadia
(van diepe slaap naar grote
opwinding)
Basis voor toekomstige sociale
interacties
Kort na de geboorte van Emma kijkt
haar oudere broer in haar wieg. Hij
doet zijn mond wijd open, alsof hij
verbaasd is.
Emmas moeder, die erbij staat,
weet niet wat ze ziet als Emma zijn
uitdrukking imiteert. Ook zij opent
haar mond alsof ze verbaasd is.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 15.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question