Make a practice exam of the following text: Fysiologie
1 Spijsverteringstelsel
1.1 Functie
voedingsmiddelen afbreken
voedingstoffen of nutrinten opnemen
onbruikbare restanten uitscheiden
voedingsmiddelen: producten die je eet
voedingstoffen of nutrinten: bruikbare bestandsdelen die uit voedingsmiddelen worden gehaald.
Voedingsmiddelen worden in spijsverteringskanaal verkleind op 2 manieren
mechanisch door de tong en de tanden
chemische afbraak door speciale eiwitten: enzymen
1.2 Voedingstoffen
1.2.1 sachariden = koolhydraten
organisch moleculen opgebouwd uit C,H en O.
3 soorten sachariden
1. Monosachariden
2. Disachariden
3. Polysachariden
Monosachariden
=enkelvoudige suikers
3 voorbeelden: glucose, fructose en galactose
-Brutoformule=
-Isomeren: zelfde Brutoformule, verschillende structuurformule
Tekenen !!!
Disachariden
2voudige suikers
Ontstaan door een condensatiereactie tussen 2 monosachariden
2 kleine moleculen vormen samen een grote molecule met afsplitsing van water.
Omgekeerde reactie is een hydrolysereactie
1 grote molecule splitst in 2 kleine moleculen door toevoeging van water.
Vorming van maltose
Sacharose, lactose en maltose
-Brutoformule:
-Isomeren
herkennen niet tekenen
Sachariden= koolhydraten suikers?
=monosachariden + disachariden
Polysachariden
Condensatiereactie van veel monosachariden
1.2.2 Lipiden= vetten
organische moleculen opgebouwd uit C,H en O
3 soorten lipiden
1. Triglyceriden
2. Fosfolipiden
3. Steroden
Triglyceriden (kunnen tekenen !!!)
Condensatiereactie tussen een glycerolmolecule en 3 vetzuren
Verzadigde triglyceriden
-Enkelvoudige bindingen
-regelmatige structuur
-vaste stof: vet
-meestal van dierlijke oorsprong
Onverzadigde triglyceriden
-minstens dubbele binding tussen C-atomen
*n dubbele bindingen: mono-onverzadigde triglyceriden
*meerdere dubbele bindingen:poly-onverzadigde triglyceriden
-onregelmatige vorm(knik in de vetzuurketen)
-vloeibare stof: olie
-meestal van plantaardige oorsprong
Essentiele vetzuren
-lichaam kan ze niet zelf aanmaken
-moet opgenomen worden via voeding
- 2 voorbeelden
*linoleenzuur: vette vis en noten (omega 3/6)
*linolzuur: plantaardige olin (omega 6)
Functies triglyceriden
-energieopslag
-thermische isolatie
Fosfolipiden
-Polaire/hydrofiele kop
-2 apolaire/hydrofiele staarten
-belangrijk onderdeel van celmembraan
Steroden
- 3 koolstofringen met 6 koolstofatomen
- 1 koolstofring met 5 koolstofatomen
-cholesterol, oestrogeen, testosteron
Cholesterol
-dierlijke vetten: vlees, kaas en eieren
-ook aangemaakt door lichaam
-LDL-cholesterol (low density-lipoprotenen)
*slechte cholesterol
*ophopen in bloedvaten vernauwingen en verstoppingen
-HDL-cholesterol (high-density-lipoprotenen)
*goede cholesterol
*afvoer van lipiden naar lever afbraak
-onderdeel van celmembraan
-vormt hormonen zoals oestrogeen en testosteron
-vormt vitamine D en galzouten vertering van vetten
1.2.3 protenen
organische moleculen opgebouwd uit C,H, O en N.
sommige eiwitten bevatten ook S.
-ontstaan door binding van meerdere aminozuren
-specifieke driedimensionale structuur
Kunnen tekenen/benoemen !!!!
Aminozuur als bouwsteen van eiwitten
-via condensatiereactie ontstaan dipeptide
-peptidebinding
-hydrolysereactie gebeurt veel in het spijsverteringstelsel
Uitleggen,herkenen niet tekenen !!!
-Tripeptide: 3 aminozuren
-Oligopeptide: < dan 10 aminozuren
-polypeptide: tot 100 aminozuren
-eiwit: > dan 100 aminozuren
Structuur van een eiwit
-typische driedimensionale structuur
-bepalend voor de werking van het eiwit
-heel gevoelig aan hoge temperatuur en verandering van pH
-structuur kan hierdoor wijzigen: denaturatie
Functie van eiwitten
1. Structuurelementen
-spieren (actine en myosine)
-bindweefsel (collageen en elastine)
-haren en nagels (keratine)
2. bescherming tegen indringers (antilichamen)
3. Transport in het bloed (hemoglbine)
4. Bewegingen van celorganellen (tubuline, microtubuli)
5. Hormonen, glucosehuishouding (insuline, glucagon)
6. Enzymen
1.2.4 water
-Menselijk lichaam = 2/3 water
-intracellulair (in de cel) en intercellulair (tussen de cel)
-veel functies
*condensatie- en hydrolysereacties
*polair oplosmiddel chemische reacties
*warmtebuffer
*hoofdbestandsdeel van bloed
*slijm of mucus
1.2.5 Vitaminen
-kleine hoeveelheid nodig
-vet oplosbare vitaminen: A,D,E en K
*vitamine D: opbouw botten
*vitamine A: goede werking van het oog
-wateroplosbare vitaminen: B-complex en C
*ondersteunende werking van enzymen
-komen voornamelijk voor in fruit en groenten
-vitamine B12 en vitamine D van dierlijke oorsprong
-vitamine D: aanmaken onder invloed van zonlicht
1.2.6 mineralen
-beperkte hoeveelheid in lichaam
-onmisbaar voor goede werking
-sporenelementen: slechts heel kleine hoeveelheid nodig
*ijzer, zink en fluor
-verschillende functies
-graanproducten, groenten, fruit, noten, melkproducten,
1.3 gezonde voeding
-ADH= aanbevolen dagelijkse hoeveelheid van een voedingsstof
-tijdens de stofwisseling of het metabolisme worden stoffen afgebroken en afgebouwd vraagt veel energie
-ook in rust energie nodig voor stofwisseling: grondstofwisseling of het basaal metabolisme
*bij iedereen verschillend
*afhankelijk van leeftijd, geslacht, lichaamsgewicht,
-totale energiebehoefte: energie nodig voor basaal metabolisme + activiteiten
-energiebalans: evenveel energie opnemen als verbruiken
-gevarieerd en evenwichtig eten rekening houdend met de individuele noden
3 uitganspunten:
1. Meer plantaardige dan dierlijk voedsel
2. Zo weinig mogelijk lege calorien
3. Ga voedselverlies en overconsumptie tegen
-onevenwichtige voeding tekort aan essentile voedingstoffen
-kan leiden tot deficintieziekten
* Scheurbeuk (tekort aan vitamine C)
* Rachitis (tekort aan vitamine D)
1.4 Enzymen
=bijzondere eiwitten
katalyseren een chemische reactie: reactie vindt sneller plaats
biokatalysatoren
1.4.1 Sleutel-slotmodel
Naamvorming: -ase
toevoegen aan stam van substraat
Lactase breekt substraat lactose af
Enzymen zijn substraatspecifiek: specifieke vorm actief centrum
Substraat en enzym passen in elkaar zoals een sleutel in een slot
1.4.2 Activeringsenergie
Hoeveelheid energie nodig om een reactie in gang te zetten
1.4.3 Factoren die enzymwerking benvloeden
Temperatuur
Optimumtemperatuur: hierbij werkt enzym optimaal
Meestal lichaamstemperatuur
Te lage temperatuur te weinig energie voor binding
deactivatie
Omkeerbaar proces
Te hoge temperatuur driedimensionale structuur gaat verloren
Denaturatie
Onomkeerbaar proces
Zuurtegraad
pH-optimum: hierbij werkt enzym optimaal
Variabel
Pepsine (maag): pH 2
Trypsine (twaalfvingerige darm): pH 8
Andere enzymen in het lichaam: rond pH 7
Afwijkende pH kan de structuur benvloeden en
denaturatie veroorzaken
Enzymconcentratie
Hoe meer enzymen, hoe groter de reactiesnelheid
Op voorwaarde dat er voldoende substraat aanwezig is
Substraatconcentratie
Hoe hoger de substraatconcentratie, hoe hoger de reactiesnelheid
Verzadiging wanneer alle actieve centra bezet zijn (plateau)
1.5 Anatomie
4 lagen in de wand van het spijsverteringsstelsel:
Slijmvlieslaag 1
Epitheelcellen
Slijmproducerende cellen
Bindweefsellaag 2
Bloedvaten, lymfevaten, zenuwen
Spierlaag 3
Gladde spieren
Kring en lengtespieren
Stevig bindweefsel 4
1.5.1 Mondholte
Wat doet de mond?
Mechanisch verkleinen: tong en tanden
Mechanisch mengen: speeksel
Drie paar speekselklieren
Productie 1,5 l speeksel
Enzym amylase: afbraak van polysacharide zetmeel
1.5.2 Keelholte of farynx
= Kruispunt tussen de neusholte, de mondholte, de slokdarm en het strottenhoofd
Tijdens het slikken sluit de huig de neusholte af (1) en sluit het strottenklepje (2) de luchtpijp af
Hierdoor komt voedsel in de slokdarm terecht
Verslikken wanneer dit niet correct gebeurt
1.5.3 Slokdarm
Verbinding tussen keelholte en maag
25 cm lang
Geen toevoeging van verteringsstoffen
Zwaartekracht + peristaltiek
Naast glad spierweefsel ook dwarsgestreept spierweefsel
Antiperistaltische bewegingen (braken) mogelijk
1.5.4 Maag
Tijdelijke opslag van voedsel
Productie maagzuur of HCl
Afbraak micro-organismen
Aanmaak enzymen
Bovenaan en onderaan een kringspier of sfincter
Bovenaan: houdt zure maaginhoud tegen
Onderaan: kleine hoeveelheden maaginhoud naar twaalfvingerige darm
Epitheel maagwand heeft instulpingen: maaggroefjes
Slijmcellen die slijm produceren
Beschermende laag op maagepitheel
Paritale cellen die maagzuur produceren
Cellen die pepsinogeen produceren
Bij contact met maagzuur ontstaat pepsine
Pepsine = eiwitafbrekend enzym
1.5.5 Dunne darm
6 m lang!
3 cm diameter
1. Twaalfvingerige darm of duodenum
Sluit aan op maag
25 cm lang
Afvoergang alvleesklier en galblaas
2. Nuchtere darm of jejenum
Sluit aan op twaalfvingerige darm
2,5 m lang
3. Kronkeldarm of ileum
Sluit aan op nuchtere darm, 3,5 m lang
Dunne-darmwand vertoont plooien (1)
Kleine vingervormige uitsteeksels: de darmvlokken of villi (2)
Epitheelcellen van de darmvlokken: microvilli (3) of borstelzoom
Waarom al die plooien?
Enorm groot darmoppervlak: 150 tot 200 m
Darmsapklieren: productie van 1,8 l darmsap
Peristaltische bewegingen: voedselbrij bewegen en mengen
Opname voedingsstoffen via bloedvat en lymfevat
1.5.6 Alvleesklier
Pancreas
Gemengde klier: endocrien en exocrien deel
Endocrien deel
Productie hormonen (insuline en glucagon)
Houden glucoseconcentratie in bloed in evenwicht
Exocrien deel
Verteringsenzymen
Twaalfvingerige darm
Productie natriumwaterstofcarbonaat (NaHCO3)
Neutraliseert zure maaginhoud
1.5.7 Lever en galblaas
Lever: grootste inwendige orgaan (1,5 kg)
Functies:
Ontgiften van het bloed
Opslag van energie (glycogeen)
Vorming van cholesterol
Productie gal
Opslag in galblaas
Afgifte in twaalfvingerige darm
Kleurstoffen die stoelgang geelbruine kleur geven
Galzouten: belangrijk voor vertering van vetten en neutraliseren zure voedselbrij
1.5.8 Dikke darm
1,5 m lang
7,5 cm diameter
1. Blindedarm of caecum
Verbonden met de kronkeldarm
Wormvormig aanhangsel: appendix
2. Karteldarm of colon
Dunnere wand dan dunne darm
Veel slijmcellen
Opstijgend, dwarslopend, afdalend en S-vormig deel
3. Endeldarm of het rectum
Opslag ontlasting
(Anus)
Twee kringspieren
Geen afgifte enzymen
Productie slijm
Peristaltische beweging
Feces of ontlasting
75% water
Levende en dode bacterin
Onverteerbare voedingsstoffen (voedingsvezels, darmwandcellen)
1.6 Fysiologie: vertering
1.6.1 Afbraak in de mond
Amylase
Afbraak zetmeel (amylose)
Soort reactie?
Hydrolysereactie
Ideale pH?
pHoptimum = 7
Resulteert in:
kortere ketens van glucose, maltose en glucose
1.6.2 Afbraak in de maag
pH in de maag = 2 (hoge zuurtegraad door maagzuur)
Pepsinogeen
Onder invloed van maagzuur omgezet naar pepsine
Pepsine = endopeptidase
Knipt eiwitten t.h.v. de niet-buitenste aminozuren
Resulteert in:
Korte ketens aminozuren/ oligopeptiden
1.6.3 Afbraak in de dunne darm
Secretieproducten van de alvleesklier
Natriumwaterstofcarbonaat (NaHCO3)
Neutraliseert zure pH voedselbrij
pH twaalfvingerige darm = 8
Trypsine
Endopeptidase
Zelfde werking als pepsine, maar pH optimum = 8
Exopeptidasen
Afsplitsen buitenste aminozuren van een eiwit
Resulteert in:
Oligopeptiden, dipeptiden en vrije aminozuren
Amylase
Deels verteerde zetmeelketens korte ketens van glucosemoleculen, maltose en glucose
Lipase
Vertering vetten
Triglyceriden glycerol + drie vrije vetzuren
Secretieproducten van de lever
Galzouten
Hydrofobe staart: lost op in vetdeeltjes in voedsel
Hydrofiele kop: lost op in het omringende water
Ontstaan van micellen
kleine vetdruppeltjes omgeven door galzouten
Opgelost in omringende water: emulgeren
groot contactoppervlak tussen vetdruppels en lipase
Emulgeren
Secretieproducten van de dunne darm
Voornamelijk in nuchtere darm en kronkeldarm
= Darmsap
Doel: afbraak sachariden en eiwitten
Maltase
Maltose 2x glucose
Lactase
Lactose glucose + galactose
Sacharase
Sacharose glucose + fructose
Exopeptidase
Zie alvleesklier
Dipeptidase
Dipeptide twee vrije aminozuren
1.7 Fysiologie: absorptie
Opname van bouwstenen
Transport van voedingsstoffen
Van darmholte naar bloedbaan of lymfevaten
Via de celmembraan: semipermeabel membraan
Op 2 manieren:
Passief transport: geen energie nodig
Actief transport: wel energie nodig
1.7.1 Passief transport
Opgeloste moleculen of ionen
Geen energieverbruik
Concentratieverschil aan beide zijden van het celmembraan
3 soorten:
Diffusie
Gefaciliteerde diffusie
Osmose
Diffusie
Opgeloste deeltjes in vloeistof of gas
Plaats met hogere concentratie plaats met lagere concentratie
Gelijkmatige verdeling over de oplossing
Toepassingen:
Suikerklontje in een tas koffie
Geuren in de lucht
Opgeloste deeltjes in vloeistof of gas
Plaats met hogere concentratie plaats met lagere concentratie
Gelijkmatige verdeling over de oplossing
Gefaciliteerde diffusie
Stoffen die te groot (bv. glucose) of te polair (bv. ionen) zijn
Plaats met hogere concentratie plaats met lagere concentratie
Met behulp van transmembraanprotenen
Vormen kanaaltjes
Voorbeeld glucose
Via glucosetransporter (GLUT)
Van darmcel naar bloedvat
Voorbeeld water
Aquaporines
Aanwezig in cellen die veel water opnemen of afgeven
Osmose
Verschillende concentraties gescheiden door semipermeabel membraan
Verplaatsing water van lage naar hoogste concentratie
Osmotische waarde
Hoeveel opgeloste stoffen zijn aanwezig?
Hoe sterk is de aantrekkingskracht op het water?
Concentraties aan beide zijden gelijk: isotoon
Concentraties aan beide zijden verschillend
Lagere concentratie: hypotoon
Hogere concentratie: hypertoon
1.7.2 Actief transport
Transport grote moleculen
Transport van lagere naar hogere concentraties
Verbruikt energie: ATP
2 manieren:
Actief transport door pompen
Blaasjestransport
Actief transport door pompen
Plaats met lage concentratie hoge concentratie
Transmembraanprotenen: pompen
Werken enkel indien voldoende ATP aanwezig
Voorbeeld maag
Transport H+-ionen
Cellen met pH 7 (weinig H+-ionen) maagholte met pH 2 (veel H+-ionen)
Protonpompen
Blaasjestransport
Contact met celmembraan
Stof wordt omhuld en in een blaasje afgesnoerd
Opname in de cel: endocytose
Vaste deeltjes: fagocytose
Vloeibare deeltjes: pinocytose
Vb. vetten opnemen
Afgeven uit de cel: exocytose
Vb. afvalstoffen, slijm,
1.7.3 Absorptie van voedingsstoffen
Monosachariden
- Opname darmepitheel
Glucose en galactose via pompen (actief)
Fructose via gefaciliteerde diffusie (GLUT) (passief)
Opname bloed (darmhaarvaten)
Via gefaciliteerde diffusie (GLUT) (passief)
Afvoer naar lever, spieren en andere lichaamscellen
In lever en spieren: glucose glycogeen
Aminozuren
Opname darmepitheel
Via pompen (actief)
Korte aminozuurketens worden verder afgebroken tot vrije aminozuren
Opname bloed (darmhaarvaten)
Via gefaciliteerde diffusie (passief)
Lipiden
Opname darmepitheel
m.b.v. micellen
Via diffusie (passief)
Grotere deeltjes via pinocytose (actief)
Opname bloed (leverpoortader)
Korte vetzuren (minder dan tien C-atomen)
Via diffusie (passief)
Opname lymfecapillair
Vetzuren en glycerol
Vormen triglyceride of binden aan eiwitten (lipoprotenen)
Via blaasjestransport (actief)
Afvoer naar levercellen en vetcellen
Mineralen en vitaminen
Opname darmepitheel
Actief transport
Opname bloed
Verschillende manieren
Afhankelijk van het type
Vitamine K in dikke darm via diffusie
1.7.4 Absorptie van water
Opname darmepitheel en bloed
Via osmose
1.8 Darmflora
Microbioom: alle bacterin die in menselijk lichaam aanwezig zijn (1,5 kg).
99% daarvan leeft in het darmkanaal: darmflora
1.8.1 Functie van de darmflora
Afbraak voedingsvezels in dikke darm
Goede werking immuunsysteem
Aanmaak vitamine K
1.8.2 Voorbeelden
Lactobacillus
Mondholte, vagina, dunne en dikke darm
Melkzuurbacterin
Lactose --> melkzuur
Escherichia coli = E. coli
Dikke darm
Productie vitamine K
Buikvliesontsteking/blaasontsteking
Bifidobacterium
Tegen constipatie
Versterken het immuunsysteem
1.9 Aandoeningen van het spijsverteringsstelsel
1.9.1 Coeliakie
Abnormale reactie immuunsysteem op gluten
Gluten: eiwitten die voorkomen in granen
Ontstekingsreactie die darmvlokken beschadigt
Ernstige verstoring van de absorptie van voedingsstoffen
Oorzaken van coeliakie
Auto-immuunziekte
Immuunsysteem maakt antilichamen aan tegen gluten
Antilichamen beschadigen de darmvlokken --> afgevlakte structuur
Symptomen
Afwijkende stoelgang: diarree of constipatie
Opgezette buik, buikpijn
Verminderde eetlust
Gewichtsverlies
Bloedarmoede (ijzer en vitaminen)
Osteoporose (calcium)
Behandeling
Geen geneesmiddelen
Glutenvrij dieet
1.9.2 Maagontsteking en maagzweer
Maagontsteking of gastritis
Ontsteking binnenste laag/slijmvlies van de maag
Maagzweer
Slijmvlies niet intact
Contact tussen zure maaginhoud en maagwandcellen
Ontstaan van wondjes in maagslijmvlies of slijmvlies dunne darm
Oorzaken
Virus
Gebruik van ontstekingsremmers
De bacterie Helicobacter pylori
Symptomen
Pijn
Maagontsteking: pijn erger tijdens en na het eten
Maagzweer: pijn erger 's nachts
Misselijkheid en braken
Brandend maagzuur
Verminderde eetlust
Opgeblazen gevoel
Behandeling
Maagzweer: maagzuurremmers
Helicobacter pylori: antibiotica
Preventie
Gezonde levensstijl
Roken en alcoholgebruik
Stress
Gezonde, gevarieerde voeding
Ontstekingsremmers
1.9.3 Salmonellose
Voedselinfectie veroorzaakt door samonellabacterie
Beschadigen het darmslijmvlies
Oorzaken
Voedsel besmet met de salmonellabacterie
Symptomen
Niet iedereen wordt ziek
Diarree
Misselijkheid, braken
Koorts
Buikpijn
Hoofdpijn
Behandeling
Voldoende vocht opnemen (indien nodig via infuus)
Antibiotica (indien nodig)
Symptomen
Correcte hygine
Correct bereiden van voedsel
Voedsel koel bewaren
Groenten en fruit wassen
Voedsel bewaren en bereiden in een schone omgeving
Handhygine
. The practice exam must be written in theDutch language. Below are the answers. The number of questions that the practice exam must contain is 30.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question