Studybot answer

Ask a question ›
 
Question asked by: felinec - 1 year ago

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Regelsysteem bestaat uit een sensor (meten), een referentiewaarde (in te stellen waarde), comparator
(in en uit vergelijken) en effector (aanpassing).
Bloeddruk regulatie als voorbeeld:
-referentiewaarde = normale bloeddruk
-comparator = hypothamalus, medulla, nier
-effector = circulatie, hart, nieren
-sensor = baroreceptoren in aorta en carotis
Verschillen autonoom zenuwstelsel en hormonaal systeem:
Autonoom ZS Hormonaal systeem
Snel effect Trager effect
Relatief weinig verschillende transmitters Veel verschillende hormonen
Signaaltransport vooral elektrisch Signaaltransport via bloed
Weefselspecifiek Invloed op alle cellen met responsieve receptor
Endocriene cellen kunnen wel elektrische potentialen genereren en kunnen dan depolariseren. Peptiden
die als hormoon bekend staan kunnen ook een neurotransmitter zijn.
Orthosympathicus Parasympathicus
Primaire ganglia Hypothalamus Hypothalamus
Secundaire ganglia Zijhoorn ruggenmerg Medulla oblongata, hersenstam,
sacraal ruggenmerg
Tertiaire ganglia Para/prevertebraal,
bijniermerg
Dichtbij doelorgaan
Zenuwen Ruggenmergzenuwen, vooral
thoracaal
Hersenzenuwen (3, 7, 9 en 10) en
sacraal ruggenmeg
Pre-ganglionair: ionkanaal N2 receptor voor zowel OS als PS
Postganglionair: G-eiwit gebonden. OS heeft adrenerge receptoren en PS heeft muscarine receptoren
Alfa veel gevoeliger voor noradrenaline en beta receptoren veel gevoeliger voor adrenaline.
Hormonen neurohypofyse: geproduceerd in hypothalamus, cellichamen nucleus supraopticus en N.
paraventricularis. ADH en OT worden afgegeven uit de neurohypofyse.
Hormonen adenohypofyse: in hypothamalus precursor hormoon --> via portale vaten naar hypofyse -->
productie/afgifte hypofyse hormonen --> regulatie op orgaanniveau. TSH, ACTH (uit CRH), LH + FSH (uit
LH-RH), GH en prolactine.
Werkcollege 1:
Het CZS heeft een efferent en een afferent systeem. Het OS en PS zijn de efferente systemen en zorgen
voor het afgeven van signalen aan organen. Het afferente systeem: sensorische receptoren -->
sensorische neuronen --> ganglia in radix dorsalis --> CZS.
Het enterisch zenuwstelsel bestaat uit 2 plexussen en zorgt voor de aansturing van de spijsvertering.
Plexus myentericus (auerbach) reguleert de darmmotiliteit en ligt tussen de longitudinale en circulaire
spierlagen van de darmwand. Plexus submucosus (meissner) reguleert secretie en doorbloeding en ligt
tussen de submucosa en circulaire spierlaag darmwand. Beide plexussen staan onder invloed van het
parasympathisch en orthosympathisch zenuwstelsel.
Orgaan Aanpassing door activatie Receptoren
Hart Verhoogde hartfrequentie Beta 1
Longen Verhoogde ademhaling Beta 2
Spijsvertering/blaas Drang om te plassen Beta 2
Huid Zweet, rood hoofd AcH op M-receptoren, alpha 1
Pupillen Verwijding Alpha 1
Skeletspieren Beter doorbloed Beta 2
Stress/inspanning wordt gedetecteerd door hypothalamus --> activatie sympathische zenuwstelsel -->
noradrenaline komt vrij bij zenuwuiteinden en adrenaline komt uit het bijniermerg --> binding aan
adrenoreceptoren waardoor het effect bereikt wordt
De aanpassingen door stress/inspanning wordt ook weer teruggekoppeld naar de hypothalamus.
Sensorische signalen van de baroreceptoren/chemoreceptoren worden naar de hypothalamus gestuurd
--> hypothalamus integreert info en zorgt voor respons via sympathische banen of HHB-as. Baroreceptor
detecteert bloeddruk en chemoreceptor detecteert O2 en CO2 spanningsveranderingen.
- Vezels uit de aortaboog lopen met N. vagus mee
- Vezels uit de carotis lopen met N. glossofaryngeus mee
Blaas ledigen onder normale omstandigheden: door activatie Beta 2 relaxeert de blaas --> blaas vult zich
en sfincter blijft gesloten via alpha 1 --> door vulling rekt blaas uit --> uitrekking wordt gedetecteerd
door receptoren in blaaswand --> signaal via afferente banen naar ruggenmerg en hersenen -->
parasympathische systeem geactiveerd --> interne sfincter ontspant en detrusor trekt samen.
Externe sfincter van blaas staat onder willekeurige invloed --> zinnelijk
Onder stressvolle omstandigheden is vooral sympathicus actief maar toch kan men wel moeten plassen.
Dit komt doordat parasympathicus wel actief blijft en daarnaast de intra-abdominale druk toeneemt
door toename van ventilatie en hierdoor neemt de mictiedrang toe.
Anatomie en belang bijnier: de cortex maakt
hormonen (aldosteron in zona glomerulosa, cortisol in
zona fasciculata en androgenen in zona reticularis), de
medulla maakt (nor)adrenaline. De bijnier koppelt
hormonale systeem met zenuwstelsel, wordt
gestimuleerd door ZS en geeft hormonen af. Fungeert
als ganglion dus geen overschakeling van neuronen.
Ontwikkeld zich net als sympathicus uit de neurale
lijstcellen, ze maken beide noradrenaline en worden
getriggerd door acetylcholine. Verschillen tussen
sympathicus en bijnier:
Bijniermerg Sympathicus
Meer afgifte adrenaline dan noradrenaline (4:1) Meer noradrenaline
Postganglionaire vezels = bijniermerg met
chromaffine cellen
Postganglionaire vezels = lang en synapsen op
organen met adrenerge receptoren
Preganglionaire vezels releasen Ach op N2 op
chromaffine cellen
Preganglionaire vezels releasen Ach op N2
Postganglionaire release adrenaline komt in
bloed --> groot bereik en effect
Postganglionaire release (nor)adrenaline via
synapsen op adrenerge-receptoren --> bereik
gelimiteerd op neuraal niveau
(nor)adrenaline werken langer --> trager
verwijderd uit circulatie + breder effect
Rol cortisol bij schrik en inspanning: de verhoogd glucoseconcentratie om meer energie vrij te maken.
Het stimuleert lipolyse, gluconeogenese, glycogenolyse, afbraak spiereiwitten en verhoogd bloeddruk +
CO. Over algemeen dus meer glucose in bloed, vooral naar hersenen.
Risico langdurig verhoogd spiegel cortisol: op lange termijn remt het ontstekingsreacties en vorming van
antilichamen --> onderdrukt immuunsysteem --> verhoogde vatbaarheid infefctie. Verhoogde kans op
ontwikkelen diabetes type 2.
Pijn verloopt via pijnvezels maar andere invloeden lopen via fysiologische vezels in afferente systeem.
Pijnvezels lopen vaak mee met sympathische vezels terug naar ruggenmerg, de fysiologische lopen mee
met parasympathische vezels.
Interactief college 1: thermoregulatie
Metabolisme is het belangrijkste voor de basis van onze lichaamswarmte. Alle biochemische
omzettingen lopen best inefficient, waardoor veel warmte gevormd wordt.
Bloed is het transportmiddel waarin warmte wordt afgegeven --> relatief homogene warmte
Thermoregulatie is noodzakelijk omdat er anders schade aan de organen ontstaat of dat ze niet
goed kunnen functioneren als ze te koud worden.
Kerntemperatuur = in dieper gelegen organen waarvan de sensor in de hypothalamus ligt
(anterior preoptica)
Schiltemperatuur = perifere temp. Receptoren liggen in ruggenmerg, diepe abdominale en
thoracale weefsels en voornamelijk in de huid
Omgevingstemperatuur wordt geregistreerd door thermoreceptoren in de huid
Kerntemperatuur:
- Varieert over de dag, sochtends het laagst omdat we in rust zijn en er dus weinig
metabolisme is --> minder warmte geproduceerd
- Bij vrouwen in de cyclus 0,5 graad hoger vlak voor eisprong en blijft daarna 0,5-1 graad
hoger tot eind cyclus (progesteron)
- Beinvloeding door: infectie/koorts, farmaca (alcohol, sedativa/anesthetica en
aanpassingsmechanismen aan warmte en kou
Hypothalamus:
- Registreert bloedtemperatuur en integreert info uit huidoppervlak en diepere weefsels
(abdomen en thorax)
- Anterior gedeelte (area preoptica) fungeert als thermostaat en regelt warmteverlies via
o.a. autonome zenuwstelsel. Uitval door een CVA --> hyperthermie
- Posterior gedeelte regelt warmteproductie en behoud van warmte en is schakelstation
naar hersenstam. Uitval door CVA --> hypothermie
Perifere thermosensoren:
- Dynamische en statische adaptatie frequentie van belang om info naar centraal te
kunnen sturen
- Koude sensoren: toename vuurfrequentie bij daling omgevingstemp en afname
frequentie bij toename omgevingstemp.
- Warmtesensoren: toename vuurfrequentie bij stijging omgevingstemp en afname
frequentie bij afname omgevingstemp.
- Thermoreceptoren meten niet werkelijke temperatuur maar worden geactiveerd door
verandering van temperatuur --> vaak verandering van - 0,2 C van drempelwaarde,
dit geeft significante verhoging vuurfrequentie aanpassing dus
- Via warmte en koudevezels info naar ruggenemerg. Deze ascenderen via tractus
spinothalamicus in voorhoorn ruggenmerg naar hypothalamus, ook naar hersenschors --
> aanpassing gedrag mogelijk.
Warmteafgifte mechanismen onder basale omstandigheden: straling (60%, infraroodstraling),
geleiding (warmteoverdracht via direct contact, stroming (warmte gaat mee met lucht die
langskomt) en verdamping (zweet)
Anticipatie op overhitting: normaal pas laat zweet vormen bij lage huidtemperatuur, maar als het
buiten warmer wordt en huidtemperatuur dus ook begint het zweten al bij een lager setpoint. Dit
werkt op bij anticipatie op onderkoeling door rillen.
2 soorten zweetklieren:
- Apocriene zweetklieren: lichaamgsgeur reguleren
- Eccriene zweetklieren: afgifte van warmte voor temperatuurregulatie. Neurotransmitter is
acetylcholine ipv noradrenaline.
Aldosteron werkt op expressie natriumkanalen --> verhoging expressie natriumkanalen
Behoud van warmte:
- Vasoconstrictie huid: stimulatie van sympathicus in hypothalamus
- Piloerectie (kippenvel) --> vergroten huidisolatielaag
- Vermijden verlies warmte via zweet, door vasoconstrictie huid en niet aansturen
zweetklieren door sympathicus
- Gedrag: kleding, uit wind gaan staan, groepsvorming, rillen
- Aanpassing klimaat omstandigheden (thyroxine niveau, activatie zweetklieren,
mitochondriaal DNA)
Chemische thermogenese:
- (nor)adrenaline: stimulatie glycogenolyse en gluconeogenese --> toename basale
metabolisme --> toename cellulaire activiteit --> toename warmteproductie
- Sympathische stimulatie afbraak van bruin vet --> bevat veel mitochrondien en vele
kleine vetglobules ipv 1 grote
- Nor-en adrenaline ontkoppelen oxidatieve fosforylatie in mitochondrien --> veel
warmteproductie maar weinig vorming ATP
Aanpassingen aan omstandigheden:
Koorts:
- Verandering setpoint kerntemp door pyrogenen uit leukocyten (IL-1 en PGE2)
- 1e fase: setpoint omhoog --> warmteproductie door bijv rillen
- 2e fase: stabiele hoge temperatuur
- 3e fase: setpoint terug op uitgangswaarde --> warmteafgifte door bijv zweet
- Schommeling setpoint tot pyrogenen weggewerkt zijn
- Anti-pyretica: PG-synthase remmers zoals NSAIDs
- Koorts is van belang voor het uitrijpen van de afweercellen, deze rijpen namelijk beter uit
bij een hoge temperatuur
Anesthetica --> perifere vasodilatatie --> toename warmteflow van centraal naar perifeer -->
daling kerntemperatuur en stijging perifere temp
Spierverslappers: rillen is niet mogelijk, metabolisme laag --> minder warmtebehoud
Hoe verandert warmteregulatie in ouderen:
- Lager niveau aan metabolisme --> meer kou
- Minder lichaamsbeweging --> meer kou
- Lagere CO
- Atrofie van zweetklieren en thermosensoren --> minder warmteafgifte
- Minder vermogen tot vasoconstrictie in de huid
Hypothermie:
- Kleine kinderen hebben relatief veel huidoppervlak tov de warmteproductie in het
lichaam dus het metabolisme.
- Veel huidreceptoren --> activatie sympathicus --> vasoconstrictie --> hoge bloeddruk
- Vasoconstrictie --> meer filtratie in nieren --> meer urine
Gevolgen dehydratie:
- Doorbloeding huid omlaag
- Doorbloeding ledematen omlaag
- Transpiratie omlaag
- Warmteafgifte omlaag
- Lichaamstemperatuur omhoog. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.

Answer generated by AI Report answer

Ask a study question and we will try to answer it as best we can.

Ask a question
 
Log in via e-mail
New password
Subscribe via e-mail
Shopping Cart

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

[Inviter] gives you € 2.50 to purchase summaries

At Knoowy you buy and sell the best studies documents directly from students. <br> Upload at least one item, please help other students and get € 2.50 credit.

Register now and claim your credit