Studybot answer

Ask a question ›
 
Question asked by: tikaaa - 12 months ago

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: 3 Merkbare warmte bij temperatuurverandering
Voorwerpen kunnen even lang in de zon liggen maar niet alles gaat even warm aanvoelen. De temperatuur is dus anders, ondanks dat er eenzelfde hoeveelheid warmte is overgegaan naar de voorwerpen.
verschil tussen warmtehoeveelheid en temperatuurverandering

hoeveelheid warmte die moet worden toegevoegd of afgegeven is afhankelijk van:
temperatuurverandering die je moet bekomen
massa van het voorwerp
soort stof waaruit het voorwerp is gemaakt

Elke soort stof waaruit een voorwerp is opgebouwd, heeft de capaciteit om een hoeveelheid warmte op te slaan. Dat is de specifieke warmtecapaciteit c van een stof. (=stofeigenschap)
grootheid: specifieke warmtecapaciteit
symbool: c
formule: c= Q/ m . T
SI-eenheid: joule per kilogram kelvin
symbool: J/ kg . K
Q= c . m . T


c water (cw)= 4,18 . 10 J/ kg . K
c ijs (cijs)= 2,10 . 10 J/ kg . K
c waterdamp (cd)= 1,60 . 10 J/ kg . K

cw is een grote waarde water warmt moeilijk op en koelt moeilijk af water is een goede temperatuurstabilisator want kan goed warmte bijhouden
Een systeem kan uit meerdere stoffen bestaan dus is het onmogelijk om de c van een bepaalde stof te gebruiken. Je gebruikt de experimenteel bepaalde waarde, de warmtecapaciteit C van een voorwerp.
grootheid: warmtecapaciteit
symbool: C
formule: C= Q/T
SI-eenheid: joule per kelvin
symbool: J/K
Q= C . T


4 Warmtebalans
Opgenomen warmtehoeveelheid Qop = even groot als afgestane warmtehoeveelheid Qaf
warmtebalans (gevolg van wet van behoud van energie/ eerste wet van de thermodynamica)
|Qop| = |Qaf| geldt alleen als er geen warmte is uitgewisseld met omgeving


5 Latente warmte
Materie: 3 fasen voorkomen:
vast
vloeibaar
damp/ gasvormig
elke fase specifieke eigenschappen ivm vorm, volume, specifiek warmtecapaciteit
warmteopname of -afgifte kan fase veranderen = faseovergang (latente warmte, temperatuur is constant)












5.1 Smelten en stollen
geen chemische reactie vaste stof smelt als temperatuur voldoende verhoogt
voldoende temperatuurdaling: vloeistof stolt
smelt- en stoltemperatuur s : gelijk als de druk gelijk blijft
tijdens het smelten neemt een vaste stof warmte op: smeltwarmte
die latente warmte dient om vaste structuur af te breken
tijdens het stollen geeft een vloeibare stof warmte af: stolwarmte




Inwendige energie bij smelten en stollen:
smelten: temperatuur vaste stof neemt toe, moleculen trillen heviger (U neemt toe), afstand moleculen neemt toe, cohesiekrachten nemen af en moleculen verlaten vaste plaats
temperatuur constant
Up vergroot
stollen: dezelfde energieomzettingen als smelten, stolwarmte afgestaan en Up vermindert

Specifieke smeltwarmte
=latente warmte tijdens het smelten, Ls
grootheid: specifieke smeltwarmte
symbool: Ls
formule: Ls= Q/m
SI-eenheid: joule per kilogram
symbool: J/kg



Q= Ls . m
(ook specifieke stolwarmte)



5.2 Verdampen en condenseren
Verdampen= het overgaan van de vloeibare fase naar de dampfase
vloeistof neemt warmte op (latente warmte): verdampingswarmte
Condenseren= het overgaan van de dampfase naar de vloeibare fase
damp of gas geeft warmte af: condensatiewarmte

gas= stof die bij kamertemperatuur gasvormig is
damp= gasvormige fase van een stof die bij kamertemperatuur vast of vloeibaar is

Inwendige energie bij verdampen en condenseren
temperatuur vloeistof neemt toe U neemt toe meer Ek dan cohesie-energie
= verdampen
koken= speciaal geval van verdampen

Specifieke verdampingswarmte
= latente warmte tijdens het verdampen Lv
grootheid: specifieke verdampingswarmte
symbool: Lv
formule: Lv= Q/m
SI-eenheid: joule per kilogram
symbool: J/kg



Q= Lv . m (ook specifieke condensatiewarmte)
5.3 Sublimeren en desublimeren
Sublimeren= het rechtstreekse overgaan van de vaste fase naar de dampfase
vaste stof neemt sublimatiewarmte op(latent)
Desublimeren= het rechtstreekse overgaan van de dampfase naar de vaste fase
gas of damp geeft desublimatiewarmte af (latent)
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.

Answer generated by AI Report answer

Ask a study question and we will try to answer it as best we can.

Ask a question
 
Log in via e-mail
New password
Subscribe via e-mail
Shopping Cart

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

[Inviter] gives you € 2.50 to purchase summaries

At Knoowy you buy and sell the best studies documents directly from students. <br> Upload at least one item, please help other students and get € 2.50 credit.

Register now and claim your credit