Maak een oefenexamen van de volgende tekst: 4. Diversiteit
4.1 Identiteit
Identiteit = geheel van al jouw eigenschappen die redelijk stabiel blijven over een langere periode en in verschillende situaties.
Drie bepalend factoren:
Nurture: eigenschappen die gevormd worden in interacties met de omgeving.
Nature: eigenschappen die je vanuit jouw biologische aanleg hebt meegekregen.
Zelfbepaling: mate waarin je zelf keuzes maakt en richting geeft aan jouw leven.
Meervoudige identiteit = n persoon altijd meerdere eigenschappen tegelijkertijd heeft en elke eigenschap vertelt iets over hem.
Gelaagde identiteit = identiteit die uit meerdere lagen bestaat.
4.1.1 Persoonlijke deelidentiteit
Persoonlijke deelidentiteit = persoonlijke eigenschappen.
Meestal behoudt je die persoonlijke eigenschappen in allerlei situaties. Er zijn ook persoonlijke eigenschappen die wl kunnen veranderen en dus dynamisch zijn.
4.1.2 Sociale deelidentiteit
Sociale deelidentiteit = gevoel dat je verbonden bent met significante anderen en met bepaalde identificatiegroepen. Je sociale deelidentiteit wordt dus gevormd in interactie met anderen en vanuit de drang of hoop om tot bepaalde groepen te behoren.
Significante anderen = iemand die je belangrijk vindt en naar wie je opkijkt.
Identificatiegroepen = groep waarmee je je vergelijkt op basis van bepaalde kenmerken en die jouw identiteit kan benvloeden.
4.2 Diversiteit
Diversiteit = alle verschillen en gelijkenissen tussen mensen, op basis van alle eigenschappen waarop mensen elkaar kunnen lijken en van elkaar kunnen verschillen.
Kruispuntdenken = gaat van het besef dat iedereen bestaat uit een kruispunt van identiteiten. Het wordt gebruikt om te begrijpen hoe de verschillende identiteiten die eigen zijn aan elk persoon met elkaar verbonden en onafscheidelijk zijn.
Als je spreekt over diversiteit, gaat het niet over de verschillen op cultureel vlak. Toch denken mensen vaak dat diversiteit alleen over multiculturaliteit gaat.
Multidiversiteit is een betere omschrijving. Benadrukt de gelijkenissen en verschillen op het vlak van alle eigenschappen.
Superdiversiteit = diversiteit binnen de diversiteit.
Superdiverse stad = stad waarbij de meerderheid van de inwoners bestaat uit cultureel-etnische minderheden.
4.3 Gevolgen van niet divers genoeg kijken
We beschouwen een bepaalde groep mensen waar we zelf toe behoren als de normgroep.
Stereotype = overdreven beeld van een groep mensen in de samenleving dat niet helemaal klopt met de werkelijkheid.
Stereotypen leiden niet (noodzakelijk) tot discriminatie. Sommige beelden zijn positief, andere zijn negatief. Stereotypes kunnen namelijk veranderen in vooroordelen.
We spreken over discriminatie als je iemand daadwerkelijk anders behandelt (of mishandelt) of uitsluit op basis van n of meerdere eigenschappen. Bij discriminatie gaat het dus niet over wat je denkt, maar vooral om wat je zegt en doet.
4.4 Vormen van diversiteit
Er zijn verschillende vormen van diversiteit.
4.4.1 Culturele diversiteit
Culturele diversiteit is het gevoel dat je bepaalde waarden, normen, gewoonten, tradities, opvattingen, herinneringen met bepaalde mensen deelt, maar ook van andere verschilt.
Binnen de culturele diversiteit kun je een verdere verdeling maken:
Nationale diversiteit;
Religieuze/godsdienstige diversiteit;
Etnische diversiteit.
Nationale diversiteit
Nationale diversiteit = bepaald door het land dat op jouw identiteitskaart staat, waardoor je verschillen ziet met andere nationaliteiten.
Nationaal identiteitsgevoel of nationaal identiteitsbesef = samenhorigheidsgevoel dat een nationale identiteit kan oproepen.
Religieuze of godsdienstige diversiteit
Religieuze diversiteit = mate waarin jij je verbonden voelt met een bepaald geloof, waardoor je verschillen ziet met andere geloofsovertuigingen.
Etnische diversiteit
Etnische diversiteit = mate waarin jij je verbonden voelt met een bepaalde bevolkingsgroep en waarbij je verschillen ziet met andere bevolkingsgroepen.
4.4.2 Sociale diversiteit
Sociale diversiteit = bepaald door de mate waarin jij je verbonden voelt met een groep mensen waartoe je behoort of waarmee je contact hebt.
4.4.3 Seksuele diversiteit
Jouw seksuele identiteit wordt gevormd door een combinatie van de onderstaande 4 aspecten.
Geslachtsidentiteit: besef biologisch een jongen of meisje te zijn;
Genderidentiteit: gevoel eerder een jongen, meisje of anders te voelen;
Genderexpressie: hoe je jezelf aan de buitenwereld toont, aan de hand ban bv kleding, spraak en gedrag;
Seksuele aantrekking: tot welk geslacht je je aangetrokken voelt, voor welk geslacht je een voorkeur hebt.
Enkele kanttekeningen hierbij:
Genderexpressie en genderidentiteit hoeven niet altijd gelijk te lopen.
We moeten opletten met de hokjes wan seksuele aantrekking, want studies tonen aan dat seksuele aantrekking eigenlijk een breed spectrum is en dat het flude is.
4.4.4 Talige diversiteit
Taaldiversiteit = gebruik van verschillende talen of taalvariteiten in het dagelijks leven.
4.4.5 Levensbeschouwelijke diversiteit
Levensbeschouwelijke diversiteit = gaat over welke waarden en normen voor jou belangrijk zijn, welke visie jij hebt op het leven.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question