Studybot answer

Ask a question ›
 
Question asked by: HannahV2008 - 12 months ago

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Bij het tot stand komen van gedrag spelen erfelijke eigenschappen (aangeboren) en aangeleerde eigenschappen (ervaring) een rol. De mate waarin gedrag tot stand komt door deze eigenschappen verschilt nogal per diersoort, niet alle diersoorten zijn in staat om evenveel te leren. Dit heeft vooral te maken met de evolutie van het brein (zie afbeelding 40). De hersenen van iedere soort zijn op zon manier gevolueerd dat het dier zo goed mogelijk kan functioneren binnen zijn leefomgeving. Dieren met een meer ontwikkelde hersenschors kunnen meer leren. Het staat ook vast dat erfelijkheid een rol speelt bij het gedrag van het dier met de meest ontwikkelde hersenschors, de mens. Hoe groot die rol is, staat nog altijd ter discussie. Het nature-nurturedebat, dat gaat over het tot stand komen van gedrag, is zeer actueel en vormt een bron voor onderzoek.
Welke handeling een dier of mens op een bepaald moment uitvoert, hangt af van de actuele prikkels uit zijn interne en externe milieu. De hersenen combineren deze informatie met erfelijke of aangeleerde gedragsinformatie. Als respons kan het dier erfelijk of aangeleerd gedrag uitvoeren. Dit gedrag heeft weer effect op de omgeving, waar het dier weer op kan reageren. Een respons kan ook bestaan uit nieuw gedrag, dat als het adequaat blijkt te zijn, waarschijnlijk vaker zal worden herhaald (zie afbeelding 41).
Adequaat gedrag kan genetisch of via leerprocessen worden doorgegeven aan nakomelingen (en bij leerprocessen ook aan soortgenoten). Door natuurlijke selectie neemt de frequentie van adequaat gedrag in de populatie toe.
Aangeboren gedrag noem je ook wel instinct. Een instinct is soortspecifiek en zorgt ervoor dat dieren in bepaalde situaties vaste reacties op prikkels geven. Deze reacties verhogen vaak de overlevingskans van het organisme en dus de kans op voortplanting. Zo vluchten kakkerlakken naar een donkere schuilplek als er licht op hen schijnt. Jonge vogels sperren hun bek open als ze honger hebben en hun ouder zien (zie afbeelding 42.1). Babys huilen vanaf het moment dat ze worden geboren (zie afbeelding 42.2). Huilen is op dat moment de meest efficinte manier om aandacht te trekken van de ouders en aan te geven dat de baby iets nodig heeft (bijvoorbeeld melk, warmte, slaap).
De etholoog Niko Tinbergen nam waar dat een meeuw voedsel uitbraakt voor een kuiken, wanneer die naar de rode vlek op de snavel van zijn ouder pikt. Hij deed vervolgens onderzoek naar dit gedrag van meeuwenkuikens. Hieruit bleek dat hongerige meeuwenkuikens ook naar de rode snavelvlek op een model van een kop van een meeuw pikken (zie afbeelding 43). Naar een model met een zwarte snavelvlek of zonder snavelvlek pikken ze minder vaak. De rode vlek is voor de meeuwenkuikens een prikkel voor pikgedrag. Een prikkel die een doorslaggevende rol speelt bij het veroorzaken van bepaald gedrag, noem je een sleutelprikkel. De rode snavelvlek is een sleutelprikkel voor het pikgedrag van de kuikens. Door sleutelprikkels komt erfelijk gedrag tot uiting.
Tinbergen bood hongerige meeuwenjongen ook een model met een volledig rode snavel aan. Hier pikten zij vaker naar dan naar de snavel met een rode vlek (zie afbeelding 43). Een prikkel die nog effectiever is in het oproepen van bepaald gedrag dan een sleutelprikkel noem je een supranormale prikkel. Ook uit andere experimenten blijkt dat bepaalde prikkels zorgen voor een grotere kans op een respons dan de sleutelprikkel.
De respons op sleutelprikkels en supranormale prikkels is gebaseerd op erfelijke informatie. De respons is voorspelbaar. Andere dieren kunnen deze voorspelbaarheid van de erfelijke respons handig gebruiken. Zo leggen koekoeken hun eieren in het nest van andere vogels. Koekoeksjongen hebben een felrode binnenkant van de bek. Dit werkt als een supranormale prikkel voor de voedende pleegouders, waardoor het koekoeksjong alle aandacht en al het eten krijgt (zie afbeelding 44).
Aangeleerde eigenschappen zijn minstens zo belangrijk als aangeboren eigenschappen voor het overleven van een dier. Erfelijk gedrag is in een onverwachte situatie niet altijd effectief, omdat het voorgeprogrammeerd en dus star is. Aangeleerd gedrag biedt veel meer flexibiliteit. Zo moeten dieren leren zichzelf van voedsel te voorzien, ook wanneer de omstandigheden veranderen. Voor olifanten is het bijvoorbeeld belangrijk om te leren waar ze water kunnen vinden, ook in tijden van droogte. Als er weinig prooien zijn, leren vrouwtjesleeuwen hoe ze efficinter een prooi kunnen vangen door goed samen te werken. Met een goed gecordineerde groepsjacht kunnen ze zelfs een olifant vellen (zie afbeelding 46).
Aangeleerd gedrag komt tot stand door leerprocessen. Een leerproces verandert het gedrag van een dier langdurig. Op basis van ervaringen kan een dier adequaat gedrag ontwikkelen door leerprocessen. Er bestaan verschillende typen leerprocessen. Belangrijke leerprocessen zijn:
gewenning
inprenting
imitatie
conditionering
inzicht
Als de kans op een reactie op een prikkel afneemt bij herhaaldelijk toedienen van een prikkel, spreek je van gewenning. Een muis vertoont een schrikreactie na een hard geluid. Een muis duikt dan in elkaar en blijft even doodstil zitten. Wanneer het geluid wordt herhaald, duurt de schrikreactie steeds korter (zie afbeelding 47). Op een gegeven moment blijft de schrikreactie zelfs helemaal uit. Het dier is dan gewend aan het geluid. Bij gewenning gaat het om het afleren van reacties op bepaalde prikkels uit het milieu.
Je spreekt van inprenting wanneer dieren iets alleen leren in een bepaalde, korte periode in hun leven (gevoelige periode). Het leren herkennen van ouders of soortgenoten berust bij veel diersoorten op inprenting. Babyeendjes die net uit het ei komen zien het eerst bewegende dier of voorwerp in hun omgeving aan voor hun moeder. Gedurende de eerste dag na het uitkomen prenten ze zich in wie hun moeder is. In deze periode kunnen ze ook een ander bewegend dier of bewegend voorwerp als hun moeder aanvaarden (zie afbeelding 48).
Wanneer dieren leren door het gedrag van soortgenoten na te doen, spreek je van imitatie (nabootsing). Jonge vogels leren de zang door de geluiden van ouders of andere soortgenoten na te bootsen. Soms wordt nieuw ontwikkeld gedrag gemiteerd. Dat werd bijvoorbeeld waargenomen bij een groep makaken (apen) die werden bijgevoerd met aardappels. Een van de jonge wijfjes ging de aardappels wassen voordat ze deze at. Dit gedrag werd overgenomen door de andere dieren.
Bij conditionering leert een dier of mens bepaald gedrag door positieve of negatieve ervaringen. Conditionering onder natuurlijke omstandigheden heet proefondervindelijk leren. Een insectenetende vogel vermijdt bijvoorbeeld alle zwartoranje gekleurde rupsen, nadat hij enkele keren de vieze smaak van een zwartoranje rups heeft geproefd. Je noemt proefondervindelijk leren ook wel leren door trial and error.
Als een uitgevoerde handeling geen positieve of negatieve gevolgen heeft, neemt de frequentie van de handeling af. Heeft een uitgevoerde handeling wel positieve gevolgen, dan neemt de frequentie van de handeling toe. Dieren en mensen kunnen door middel van beloning het meest uiteenlopende gedrag aanleren. Daarom wordt deze methode bijvoorbeeld toegepast bij het trainen van honden en bij het dresseren van dolfijnen. Ook in opvoeding en onderwijs speelt conditionering een rol.
Een voorbeeld van klassiek conditioneren zijn de proeven van de Russische gedragsonderzoeker Ivan Pavlov. Hij liet zien dat je een natuurlijke prikkel (voedsel) kunt vervangen door een kunstmatige prikkel (een belgeluid of een knipperende lamp) bij het veroorzaken van een natuurlijke respons (zie afbeelding 49). Pavlov noemde deze reactie een geconditioneerde reflex, die nu bekendstaat als de pavlovreactie. Vaak wordt ook de term klassiek conditioneren gebruikt. Er wordt een verband aangeleerd tussen gedrag en de daaraan voorafgaande prikkels.
De Amerikaanse psycholoog Skinner werkte een andere vorm van conditioneren uit die bekendstaat als operant conditioneren. Skinner publiceerde een manier om gedrag te benvloeden door middel van beloning. Hij ontwikkelde onder andere een leermachine voor dieren, de skinnerbox (zie afbeelding 50). Door een beloning na een handeling wordt in de hersenen de neurotransmitter dopamine afgegeven. Dit veroorzaakt een geluksgevoel. Bij dieren en mensen kan door beloning het meest uiteenlopende gedrag worden aangeleerd. Bij operant conditioneren wordt een verband aangeleerd tussen gedrag en het daaropvolgende resultaat.
Je spreekt van inzicht wanneer een dier of mens in een nieuwe situatie de oplossing van een probleem vindt door ervaringen uit het verleden op een andere manier te combineren. Zo kunnen chimpansees door inzicht een noot uit een smalle buis halen die vastzit aan hun kooi. Ze kunnen niet met hun vingers bij de noot. Door water in hun mond te nemen en dat in de buis te spugen, komt de noot bovendrijven, waardoor ze deze eenvoudig kunnen pakken (zie afbeelding 51).. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.

Answer generated by AI Report answer

Ask a study question and we will try to answer it as best we can.

Ask a question
 
Log in via e-mail
New password
Subscribe via e-mail
Shopping Cart

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

[Inviter] gives you € 2.50 to purchase summaries

At Knoowy you buy and sell the best studies documents directly from students. <br> Upload at least one item, please help other students and get € 2.50 credit.

Register now and claim your credit