Studybot answer

Ask a question ›
 
Question asked by: SaskiaBroekhoven - 12 months ago

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Kennisbasis Godsdienst
1. Achtergrond bij het ontwikkelingsthema openkomen voor symboliek in Bijbelverhalen: een blik op de bijbel
1.1 De bijbel, een brok wereldliteratuur
1.1.1 Jodendom, christendom en islam: een godsdienst van het boek
Zijn gelinkt aan elkaar door:
- Het zijn de drie grote monothestische godsdiensten
- Zijn de godsdiensten van het boek
- Hebben een belangrijke schriftelijke traditie met als resultaat een heilig boek
Tenach, Bijbel en Koran
1.1.2 De opbouw van het Oude Testament
De term Oude Testament verwijst naar de verzameling boeken die zowel bij de joden als bij de christenen terugkomen. De joden noemen dit TeNaCH, een verwijzing naar de 3 grote delen die je er in terugvindt
- Thora (de wet)
- Nebim (Profeten)
- Chetoebim (geschriften)
Het woord bijbel komt van het Griekse biblia (boeken). Aan de linkerkant in de boekenkast staan alle boeken van het Oude Testament geordend. Aan de rechterkant deze van het Nieuwe Testament. Op de bovenste plank staan de eerste vijf boeken van de Tenach, de Thora. In deze vijf boeken (vijf boeken van Mozes) staan:
- De Bijbelverhalen over het begin van de wereld (de schepping)
- De vroegste ervaringen van de eerste mensen (Adam en Eva, Kan en Abel,...)
- De avonturen van de eerste stamvaders (Abraham, Isaak en Jacob en zijn zoon
Jozef)
- De omzwervingen van Mozes op weg naar het beloofde land
1.1.3 Het Nieuwe Testament van naderbij bekeken: boeken en evangelisten
De bekendste boeken uit het NT zijn de 4 evangelies - Marcus
- Matthes - Lucas
- Johannes
de evangelisten zijn niet de apostelen en niet de leerlingen van Jezus. Het zijn groepjes schrijvers die alles wat ze over Jezus hoorden en lazen bijeenbrachten op eigen wijze. In de evangelies wordt een beeld van Jezus leven, dood en verrijzenis geschetst.

In de Handelingen van de Apostelen wordt geschreven over de periode na Jezus dood en verrijzenis. De handelingen starten met het Hemelvaarts- en Pinksterverhaal. Vervolgens kunnen we er lezen over het leven en de problemen in de eerste christelijke groepen.
21 van de 27 boeken van het NT zijn brieven.
- 14 zijn van Paulus: een overtuigde jood en bekeerde zich nogal onverwacht tot
het christendom. Paulus schreef brieven naar verschillende christengemeenten. Hij gaf hun antwoord op hun vragen, gaf tips om een goede christengemeente te worden.
- 7 katholieke brieven die niet gericht zijn aan gemeenten maar een alle christenen.
De Apocalyps of Openbaring van Johannes is het boek waarmee het NT afsluit. Het is een boek met allerlei symbolische visioenen over het einde van de wereld en de komst van een nieuwe wereld.
1.2 Wat de Bijbel niet en wel is
Wat het niet is
- Het is in geen enkel opzicht een geschiedenisboek waarin je kan lezen wat er
precies gebeurd is.
- Het is geen wetenschappelijk boek dat geprobeerd heeft om een uitleg te geven
aan datgene wat mensen toen nog niet konden verklaren of nog niet wisten.
- Het is geen wetboek met regels en wetten die je tot in de puntjes moet naleven.
Wat het wel is
- Het schrijven van de Bijbelteksten kwam na het beleven. De bladzijden van de
bijbel werden dus eerst beleefd door het joodse volk en pas daarna
opgeschreven.
- Bijbelverhalen vormen een neerslag van levenservaringen bij Bijbelse figuren.
- Er zit waarheid, een betekenis die de lezer eruit kan halen in.

2. Historische achtergrond bij de Verhalen van het Oude Testament.
2.1 Historische achtergrond bij de Bijbelverhalen van het Oude Testament: Aartsvaders tot aan de ballingschap
2.1.1 Waar spelen de Bijbelverhalen van de bijbel zich af?
De Bijbelverhalen spelen zich af in een vruchtbaar gebied dat zich uitstrekt van de Perzische Golf tot de Nijldelta in Egypte, ook wel de Vruchtbare Sikkel genoemd. In dit gebied lagen twee grote machten uit de oudheid: Mesopotami, het land tussen de rivieren, en Egypte. Tussen deze twee rijken lag Kanan, een smalle landstrook tussen de Arabische woestijn en de Middellandse Zee, die in de Bijbel vaak wordt aangeduid als Isral. Hoewel Kanan in de schaduw van de grote rijken lag, vormt het het decor van veel Bijbelverhalen.
2.1.2 Hoe het begon: de voorvaderen van Isral
De voorouders van Isral waren halfnomaden die met hun kudden langs de rand van de Vruchtbare Sikkel trokken, op zoek naar voedsel. In Kanan zwierven ook Hebreeuwse herders rond, die zich verzamelden rond een leider of stamvader. Zolang ze landbouwgronden en waterputten van de boeren vermeden, werden ze met rust gelaten. Van deze rondtrekkende stamvaders is Abraham in de Bijbel de belangrijkste figuur geworden.
2.1.3 Vlucht uit Mesopotami en de reis naar het beloofde land Kanan
Rond 1800 v.Chr. verlaten verschillende volksstammen Mesopotami, waaronder ook Abraham. Hij gelooft dat er maar n God is, in tegenstelling tot het veelgodendom van zijn omgeving. Op bevel van God vertrekt hij uit Ur, samen met zijn vrouw Sara en neef Lot, op weg naar het beloofde land. God belooft hem een groot volk, een vruchtbaar land en zegen. Na een lange tocht door de Vruchtbare Sikkel komt Abraham aan in Kanan, bij Sichem, waar God bevestigt dat ze hun bestemming bereikt hebben.
Na Abraham zet zijn zoon Isaak de zwerftocht in Kanan voort. Pas bij Jacob, Isaaks zoon, vestigen de Hebreen zich in Kanan. Jacobs twaalf zonen vormen de basis van de twaalf stammen van Isral, verbonden door hun geloof in n God: JHWH.
Tijdens het leven van Jacob en zijn zonen, waaronder Jozef, verhuist de hele familie naar Egypte (ca. 1650 v.Chr.). Daar groeien ze uit tot een groot volk, wat de farao als een bedreiging ziet. De Hebreen worden onderdrukt. Rond 1250 v.Chr. leidt Mozes het volk uit Egypte, op weg terug naar het Beloofde Land.

2.1.4 Een eengemaakt koninkrijk onder de koningen Saul, David en Salomo
Na Mozes en Jozua keren de Hebreen terug naar Kanan, waar de 12 stammen elk hun eigen gebied krijgen. Het land is echter onveilig en wordt bedreigd door vijandige volkeren, zoals de Filistijnen, die zich aan de kust vestigen. Deze dreiging zorgt ervoor dat de stammen zich verenigen onder een eerste koning: Saul. Omdat hij faalt en niet op God vertrouwt, wordt hij opgevolgd door David.
Koning David wordt de grootste koning van Isral. Hij verslaat als jongeling de Filistijn Goliath, maakt Jeruzalem tot hoofdstad, brengt de Ark van het Verbond naar de stad en verenigt de twaalf stammen tot een sterk koninkrijk.
Zijn zoon Salomo volgt hem op en bouwt de beroemde Tempel van Jeruzalem, waar de ark werd bewaard in het Heilige der Heiligen. Alleen de hogepriester mocht daar n keer per jaar binnen, op Grote Verzoendag. Uit eerbied en angst voor Gods aanwezigheid kreeg hij een koord om, zodat hij indien nodig kon worden teruggetrokken. De ark van her verbond is een houten kist met goud bekleed met daarin de stenen tafelen (tien woorden) die het volk sinds de tijd van Mozes met zich meedroeg.
Na Salomo valt het rijk uiteen in een Noord- en Zuidrijk. Later wordt de tempel verwoest door de Babylonirs.
2.1.5 De scheuring van het Noord- en Zuidrijk
David en Salomo zijn de enige koningen die de twaalf Isralische stammen als n koninkrijk regeerden. Na Salomo verslechterde de situatie door interne spanningen, vooral over de troonsopvolging. Daardoor viel het koninkrijk uiteen in twee aparte koninkrijken: het Noordrijk en het Zuidrijk.
2.1.5.1 De ondergang van het Noordrijk Isral
Het Noordrijk Isral, met Samaria als hoofdstad, werd door verschillende koningen geleid, waaronder koning Achab. In deze tijd spelen de verhalen over de profeet Elia zich af. Ondanks zijn inspanningen viel het Noordrijk in de 8e eeuw v.Chr. onder de macht van Assyri. Assyri breidde zijn rijk uit richting Egypte en veroverde kleine gebieden, waaronder Isral. De bevolking kwam in opstand, maar werd verslagen en de inwoners van Samaria en omliggende steden werden in ballingschap naar Assyri gebracht, wat bekend staat als de Assyrische ballingschap. De Bijbelverhalen over de profeten Amos, Hosea en Jesaja spelen zich af in deze onrustige tijd.

2.1.5.2 De ondergang van het Zuidrijk Juda
In de 7e eeuw v.Chr. komt het Zuidrijk Juda, met Jeruzalem als hoofdstad, onder druk door het opkomende Babylonische rijk. Juda ligt tussen de grote machten Assyri en Babyloni in en probeert te overleven. De profeet Jeremia waarschuwt het volk voor het gevaar en probeert hen te redden. Het land roept hulp in bij Egypte, maar dat helpt niet. Uiteindelijk verslaan de Babylonirs Assyri en veroveren ook Juda en Jeruzalem. Het Zuidrijk komt ten einde en het volk wordt verbannen naar Babyloni (de Babylonische ballingschap). Tijdens deze ballingschap spreekt de profeet Ezechil het volk moed in. In deze periode ontstaat ook het Scheppingsverhaal in zeven dagen.

3. Historische achtergronden bij het NT en het land van Jezus
3.1 Historische situatie tijdens het leven van Jezus: de Grieken en de Romeinen

In 333 v. Chr. verslaat Alexander de Grote de Perzen en verovert hij een enorm rijk van Griekenland tot India. Het joodse gebied Judea komt zo in Griekse handen. Later, in 63 v. Chr., nemen de Romeinen het land over wanneer generaal Pompeus Jeruzalem verovert. Judea wordt onderdeel van het Romeinse Rijk. Deze periode vormt de overgang naar het tijdvak van het Nieuwe Testament.
3.1.1 Een provincie van het Romeinse Rijk
Het land waar Jezus leefde wordt vaak Palestina genoemd, maar officieel heet het Isral. In de tijd van Jezus was Isral een kleine provincie binnen het grote Romeinse Rijk. De Romeinen noemden de Middellandse Zee Mare Nostrum (onze zee). In 63 v.Chr. veroverde generaal Pompeius Palestina, wat leidde tot een lange Romeinse bezetting. Hoogtepunten daarvan waren de verwoesting van Jeruzalem in 70 en 135 n.Chr., na joodse opstanden. Jezus werd geboren tijdens de vreedzame pax Romana, onder keizer Augustus.
Palestina ligt tussen de Middellandse Zee (westen) en de Syro-Arabische woestijn (oosten). De rivier de Jordaan stroomt van noord naar zuid en mondt uit in de Dode Zee, een zoute binnenzee waar geen leven mogelijk is.
3.1.2 Een blik op de geografische streken
Ten tijde van Jezus was Palestina ingedeeld in vier gebieden of provincies. De drie belangrijkste zijn:
- Galilea - Samaria - Judea
3.1.2.1 Galilea
Galilea is het noordelijke deel van Palestina, een streek met dorre heuvels en vruchtbare valleien rond het meer van Galilea. De meeste inwoners waren boeren en vissers. Jezus kwam uit Galilea en woonde een tijd in Kafarnam. De Galileers werden vaak als tweederangsburgers gezien omdat hun levensstijl het moeilijk maakte om de strikte joodse reinheidsvoorschriften te volgen. Dit kan verklaren waarom Jezus boodschap daar in het begin niet breed werd aanvaard.
3.1.2.2 Samaria
Samaria ligt in het midden van Palestina en is een bergachtig, onvruchtbaar gebied met rotswoestijnen. Het werd bewoond door de Samaritanen, waarschijnlijk afstammelingen van joden die tijdens de ballingschappen in Juda achterbleven en zich vermengden met andere volken.

3.1.2.3 Judea
Judea, het zuidelijk deel van Palestina, is grotendeels woestijnachtig en onvruchtbaar, met uitzondering van de vruchtbare oase rond Jericho. Belangrijke steden in deze streek zijn Bethlehem en Jeruzalem. Judea was het economische, politieke en religieuze centrum van het jodendom, vooral omdat de tempel in Jeruzalem stond. Deze tempel werd heropgebouwd onder koning Herodes de Grote in de 1e eeuw v.Chr., na een eerdere verwoesting door de Babylonirs.
3.1.3 De tempel van Herodes de Grote
Rond 20 v.Chr. begon koning Herodes de Grote met de bouw van een indrukwekkende, uitgebreide tempel in Judea, waarbij hij de oude tempel restaureerde en een groot tempelplein creerde met verschillende voorhoven. Het plein had een open gedeelte voor heidenen, waar ook verkopers van offerdieren en geldwisselaars actief waren. Tempelbelasting moest worden betaald met speciaal tempelgeld, waarbij wisselaars vaak hoge kosten rekenden.
De tempel was strikt ingedeeld: er was een plein voor vrouwen en een voor mannen, en binnen de tempel waren er drie delen: de voorhal, het heilige en het heilige der heiligen. Alleen de hogepriester mocht het heilige der heiligen eenmaal per jaar betreden op Jom Kippoer (de Grote Verzoendag). Op het altaar werden dagelijks offers gebracht, vooral lammeren, en tijdens feestdagen vonden veel meer offers plaats, zoals het paaslam tijdens Pesach.
De tempel was een belangrijk bedevaartsoord voor joden, die tijdens pelgrimsfeesten zoals Pesach, Pinksteren en het Loofhuttenfeest naar Jeruzalem kwamen. In 70 na Christus verwoestte keizer Titus onder leiding van Pompeius de tempel volledig. Alleen de Westmuur (de Klaagmuur) is daarvan overgebleven.
3.2 De sociale situatie in Jezus tijd: een aantal belangrijke bevolkingsgroepen
3.2.1 De Schriftgeleerden (Thoraspecialisten)
Schriftgeleerden waren experts in de joodse Wet (Torah) die na een lange studie pas rond hun veertigste aan hun beroep konden beginnen. Ze hadden veel invloed op het volk als officile uitleggers van de Schriften, bepaalden regels voor het dagelijks leven en spraken recht. Hoewel sommigen priesters waren, waren de meesten leken en Farizeers. Het volk zag hen als leermeesters, mede omdat ze vaak leefden in armoede zoals het gewone volk. Een bekende Schriftgeleerde was Gamalil, de leraar van Paulus.
3.2.2 De tollenaars
Incassoagenten, ook wel tollenaars genoemd, waren joden die belastingen innen voor de Romeinen. Ze werkten voor rijke belastingpachters en hadden een slechte reputatie omdat ze vaak te veel vroegen of geld voor zichzelf hielden. Voor de meeste joden waren tollenaars daarom zondaars.

3.2.3 De Samaritanen
Samaritanen waren joden van gemengde afkomst doordat ze met vreemde volken huwden tijdens de ballingschappen. Ze werden door de Judese joden als onrein en te mijden beschouwd. Hoewel ze dezelfde heilige boeken hadden, bouwden ze een eigen tempel omdat ze niet volledig werden geaccepteerd. Reizigers van Judea naar Galilea maakten daarom een omweg langs de Jordaan om Samaritanen te vermijden. Dit verklaart de achtergrond van het Verhaal van de Barmhartige Samaritaan.
3.2.4 Het gewone volk
Het gewone volk in het jodendom was vaak verwaarloosd en kende de Wet niet goed, waardoor ze volgens de Wet voor God niet meetelden. De wereld werd gezien als verdeeld tussen joden die zich aan alle voorschriften hielden en niet-joden. Veel bekeerlingen konden de strikte regels niet naleven en vielen daardoor buiten de boot. Dit arme gewone volk hoopte op een bevrijder die hen zou verlossen van de Romeinse bezetting en armoede. Jezus boodschap vond vooral bij hen weerklank, omdat hij de strikte Wet ter discussie stelde. Zijn leerlingen kwamen ook uit deze groep, maar uiteindelijk volgde de grote massa hem niet in zijn diepere idealen.
3.3 De religieuze situatie in Jezus tijd
Aan het begin van onze jaartelling was het jodendom sterk gericht op het strikt naleven van de Wet, met maar liefst 613 geboden en verboden. Voorbeelden hiervan zijn de besnijdenis, geen arbeid op Sabbat, en het vermijden van onrein voedsel. De gewone bevolking kende deze wetten vaak niet goed en had niet de middelen om ze na te leven. De Bijbelkenners hielden streng toezicht, waardoor het leven vaak werd verlamd door regels die oorspronkelijk bedoeld waren om God te eren. Reinigingsvoorschriften, eerst voor priesters, werden uitgebreid naar het hele volk. Jezus plaatste tegen deze strikte naleving van de Wet grote vraagtekens.
3.4 Is het nu Kanan, Palestina of Isral?
Het gebied van het Bijbelse toneel kreeg door de geschiedenis heen verschillende namen: eerst Kanan, genoemd naar de oorspronkelijke bewoners, daarna Isral, naar Jacob die zo genoemd werd na een gevecht met God. Joden noemen het land Isral vanwege hun historische band met God. De naam Palestina verwijst naar de Filistijnen, oude vijanden van Isral en oorspronkelijke bewoners van de kust. Deze drie namen worden vaak door elkaar gebruikt. Ook het joodse volk kreeg verschillende namen: Hebreen (in de tijd van de aartsvaders), Isralieten (toen ze in Kanan woonden) en Joden (na de Babylonische ballingschap, gebaseerd op de stam Juda).

4. Jozef, de dromenkoning
4.1 Wat eraan vooraf ging ... de belofte aan Abraham, Isaak en Jacob
4.1.1 De aartsvaders
De Jozefcyclus vertelt over de laatste aartsvader, Jozef, en het geloof in n God, Jahwe, die Ik ben er altijd betekent. Jahwe wordt gezien als een persoonlijke God die altijd bij het volk is en hen door de geschiedenis heen begeleidt. Dit geloof wordt van generatie op generatie doorgegeven als de God van Abraham, Isaak en Jacob. In de verhalen helpt Jahwe Jozef door moeilijke tijden heen, waardoor alles wat hij doet slaagt. Dit godsbeeld komt door de hele Jozefcyclus terug, die begint bij De dromenkoning en eindigt bij Jacob sterft.
4.1.2 De belofte van het Beloofde Land
JHWH (Ik ben er!) staat aan de zijde van het joodse volk en gaf Abraham de opdracht om naar het beloofde land Kanan te trekken. Dit land is het doel van het volk en centraal in de Jozefverhalen. De verhalen over reizen tussen Egypte en Kanan zijn minder historische feiten en meer geloofsverhalen die de hoop en strijd van het volk symboliseren. Weg zijn uit het Beloofde Land staat gelijk aan wanhoop en ellende, zoals Jozefs moeilijke ervaringen laten zien. Uiteindelijk keert de familie terug naar Kanan, wat de vervulling is van Gods belofte. De heen-en-weer reizen symboliseren de wisselende omstandigheden en hoop van het volk onderweg naar hun thuisland.
4.2 Situering van de Jozefverhalen
De verhalen beginnen bij Jozef, die rond 1650 v.Chr. in Isral leefde, het land waar zijn overgrootvader Abraham naartoe trok. Abraham en Sara kregen hun zoon Isaak, die trouwde met Rebecca. Hun tweeling Jacob en Esau streden om het eerste geboorterecht. Jacob trouwde met Lea en later met Rachel, met wie hij twee zonen kreeg: Jozef en Benjamin. Omdat Jacob het meest van Jozef hield, de zoon van zijn geliefde Rachel, trok hij Jozef voor, wat leidde tot spanningen binnen het gezin. De verhalen over Jozef vervolgen de geschiedenis van het volk, waarbij de familie uiteindelijk in Egypte terechtkomt, waar ze uitgroeien tot een groot volk. Enkele eeuwen later worden ze onderdrukt, waarna Mozes hen zal leiden uit Egypte terug naar het Beloofde Land.

4.3 De rode draad doorheen de Jozefcyclus: een streepje achtergrondinfo bij de Verhalen
Jozef wordt door zijn jaloerse broers in een droge put gegooid, een plek waar nomaden vaak water zochten in de woestijn. Dit wijst al op de naderende droogte en hongersnood. Jozef belandt in Egypte bij Potifar, waar hij als trouwe dienaar werkt. Potifars vrouw doet avances, maar Jozef weigert vanwege zijn godsdienstige overtuigingen. Uit wraak beschuldigt zij Jozef vals, waardoor hij in de gevangenis belandt. Daar ontmoet hij de hofwijnschenker en -bakker, die beiden dromen hebben. Jozef verklaart hun dromen, voorspelt het herstel van de schenker en de dood van de bakker. De schenker vergeet Jozef echter te helpen. Later interpreteert Jozef ook de dromen van de farao, waarin hij waarschuwt voor zeven jaren voorspoed gevolgd door zeven jaren hongersnood. Jozef wordt benoemd tot onderkoning en beheert de voedselvoorraden. Tijdens de hongersnood komen Jozefs broers naar Egypte om voedsel te kopen, wat leidt tot een hernieuwde ontmoeting.
4.4 Symbolen in de Jozefcyclus
Jozef is de lievelingszoon van Jakob en Rachel, wat tot jaloezie leidt bij zijn broers. Jakob geeft Jozef een bijzondere mantel als teken van zijn voorkeur n als symbool van leiderschap en religieus gezag. Door deze voorkeur wordt niet de oudste zoon Ruben, maar Jozef als opvolger aangeduid, wat de broers kwaad maakt. De breuk tussen Jozef en zijn broers wordt duidelijk wanneer ze hem in een put gooien en zijn mantel scheuren een beeld voor de verscheurde familiebanden.
Jozef kan dromen verklaren, iets wat in die tijd werd gezien als een manier waarop God spreekt. Zijn gave toont dat God via Jozef aanwezig is in het verhaal. Ook de farao erkent dit en benoemt Jozef tot onderkoning nadat hij diens dromen juist uitlegt.
Later gebruikt Jozef een beker symbool van heilige aanwezigheid om zijn broers te testen. Hij laat de beker verstoppen in Benjamins zak en beschuldigt hem van diefstal. Dit lijkt een laatste poging tot wraak, maar uiteindelijk vergeeft Jozef zijn broers. Hij erkent dat alles een goddelijk doel had: de eenheid in de familie herstellen.

Jozef ziet in dat zijn lijden heeft bijgedragen aan de redding en hereniging van zijn volk. Zijn naam, die betekent moge God groei geven, weerspiegelt zijn rol als bemiddelaar van God. Uiteindelijk ontvangt Jozef met zijn vader Jakob de broers opnieuw en zegent hen. Zij worden de twaalf stammen van Isral, waarmee het volk zijn geloofsgeschiedenis verderzet. Uit n van hen, Juda, zal later koning David voortkomen.
4.5 De Jozefcyclus en de vertaalslag naar de lagere school
4.5.1 Levensbeschouwelijke communicatie op gang brengen rond de Jozefverhalen
Het Jozefverhaal spreekt kinderen van de tweede graad sterk aan vanwege de spanning en de centrale heldenfiguur. Toch is het belangrijk om verder te kijken dan het verhaal zelf. De gebeurtenissen en ervaringen van de personages bieden kansen om dieper in te gaan op de betekenis ervan. Zo kunnen de verhalen dienen als middel om levensbeschouwelijke gesprekken te voeren en verbinding te maken met de leefwereld van kinderen, in plaats van enkel als leuke verhalen gelezen te worden. De verhalen zijn dus geen doel op zich maar steeds een middel om levensbeschouwelijke communicatie op te zetten rond een bepaald thema.
4.5.2 Wat verwacht het leerplan?
Het Jozefverhaal biedt rijke kansen voor leerlingen van de tweede graad om zich in te leven in de personages en hun gevoelens. Door het verhaal als vervolgvertelling aan te bieden, krijgen kinderen tijd en ruimte om de gebeurtenissen te verbinden met hun eigen ervaringen. Themas als verdriet, jaloezie, eenzaamheid, vergeving en verzoening sluiten nauw aan bij ontwikkelthemas uit het leerplan, zoals conflicten, gewetensvol handelen en anders-zijn. Voorwerpen zoals Jozefs mantel en de beker van de farao krijgen symbolische betekenis en helpen de diepere lagen van het verhaal te ontsluiten. Zo wordt het Jozefverhaal niet enkel een spannend verhaal, maar een middel om levensbeschouwelijke communicatie te stimuleren, vooral rond themas als vergeving en verzoening.
4.5.3 Vergeven en vergeten?
4.5.3.1 Het thema vergeving en verzoening concreet maken aan de hand van de Jozefcyclus
Het verhaal van Jozef en zijn broers biedt een krachtige kapstok om met leerlingen te praten over vergeving en verzoening. Het laat zien dat echte verzoening tijd en wederzijds inzicht vraagt. Anders dan een simpele "zand erover", toont het verhaal dat beide partijen hun fouten moeten inzien en uitspreken om tot vergeving te komen. Pas dan is er ruimte voor herstel. Het verhaal maakt duidelijk dat vergeven niet zomaar vergeten is, maar een proces dat leidt tot echte verzoening een nieuw begin in de relatie. Dit proces, waarin emoties, inzicht en erkenning centraal staan, kan kinderen helpen om conflicten beter te begrijpen en bespreekbaar te maken.

4.5.3.2 In de put zitten als metafoor voor een gebroken relatie
In dit deel van het Jozefverhaal ervaren meerdere personages wat het betekent om "in de put" te zitten, zowel letterlijk als figuurlijk. De verkoop van Jozef door zijn broers markeert een breuk in hun relatie, gesymboliseerd door de gescheurde mantel. Toch biedt het verhaal ook hoop: zelfs diepgewortelde conflicten kunnen geheeld worden. De uiteindelijke verzoening in Egypte wanneer de broers zich buigen voor Jozef en hij hen vergeeft laat zien dat vergeving en herstel mogelijk zijn. Deze themas kunnen met leerlingen besproken worden aan de hand van creatieve werkvormen zoals het naspelen van ontmoetingsscnes tussen de personages. Zo ontdekken kinderen de diepere betekenis van vergeving en verzoening.

5. (de) Weg van Mozes
5.1 Tijd en ruimte van de Mozescyclus
5.1.1 Het begintoneel van de Mozesverhalen: het Oude Testament
5.1.1.1 De nijldelta
Na de avonturen van Jozef en zijn broers vestigt het volk zich in Egypte. Het Oude Egypte, dat al bestond rond 3000 v.Chr., was n van de eerste beschavingen ter wereld. De meeste mensen woonden in de vruchtbare streek rond de Nijl, die daarom ook wel de levensader van Egypte wordt genoemd. Vanuit de lucht zie je dat deze regio het hart was van de economische en agrarische activiteit.
5.1.1.2 De Egyptische goden
De Egyptenaren geloofden in meer dan vijftig goden, vaak met menselijke lichamen en dierenhoofden. De belangrijkste god was Re (of Ra), de zonnegod en schepper van alles. Faraos werden gezien als zonen van Re en ook als goden vereerd. Een andere belangrijke god was Hapi, de god van de Nijl. Hij zorgde volgens de Egyptenaren voor de jaarlijkse overstroming van de rivier, die het land vruchtbaar maakte. Daarom werd Hapi sterk aanbeden. Bij overstromingen zeiden de mensen: Hapi is gekomen!
5.2 De verhaallijn
5.2.1 Van Jozef naar Mozes
Enkele honderden jaren na Jozef verandert de situatie van de Hebreen in Egypte drastisch. Een nieuwe farao, die Jozefs verdiensten vergeten is, ziet hen als een bedreiging door hun grote aantal. Daarom maakt hij hen tot slaven en laat hen zware arbeid verrichten aan bouwwerken en piramides. De Hebreen lijden onder deze slavernij. In deze periode wordt Mozes geboren.
5.2.2 Mozes de optiller
Het leven van Mozes begint veelbelovend met zijn redding uit de Nijl door de dochter van de farao, die hem Mozes noemt wat hij die uittrekt betekent. Die naam verwijst al naar zijn toekomstige rol als bevrijder van het Hebreeuwse volk uit de slavernij. Het verhaal van Mozes is vanaf het begin een verhaal van hoop en bevrijding, dat via drie fasen verloopt: van onderdrukking (slavernij), via uittocht, naar een nieuw begin in het Beloofde Land. Deze positieve ontwikkeling (van min naar plus) keert regelmatig terug in de Verhalencyclus.

Wist je dat?
Mozes redding op de Nijl lijkt op oudere Mesopotamische verhalen waarin een koningsfiguur als baby in een mandje op de rivier wordt gezet. Dit benadrukt Mozes koninklijke roeping, al is hij een ander soort leider. Het biezen mandje is symbolisch: het verwijst naar latere symbolen zoals Mozes staf. Opvallend is ook dat Mozes opgroeit aan het hof van de farao, de vijand, wat de kracht en veerkracht van het Joodse volk benadrukt. Het verhaal van Mozes is belangrijk in het jodendom, christendom n de islam waar hij Moesa wordt genoemd.
5.3 Symboliek en betekenissen in de Mozesverhalen
5.3.1 God laat zich kennen als hij die is
Het Verhaal van Mozes toont niet alleen hoop en bevrijding, maar ook hoe het Joodse volk een hechte band opbouwt met Jahwe. Mozes doorloopt een persoonlijk groeiproces: hij ontdekt dat hij tot het Joodse volk behoort, wat leidt tot innerlijke strijd en zijn vlucht naar de woestijn. Daar krijgt hij zijn roeping via het brandende braambos, waar God zich openbaart als Ik ben (Jahwe). Dit markeert het begin van een nauwe relatie tussen Mozes en God. Jahwe wordt zo voorgesteld als een nabije, meelevende God, wat sterk contrasteert met de afstandelijke goden van het veelgodendom uit die tijd. Dit betekent een fundamentele verandering in het godsbeeld van het Joodse volk.
5.3.2 Een staf als wegwijzer
Mozes twijfelt aan zijn opdracht van God om leider van het Joodse volk te worden, uit vrees niet geloofd te worden. Als teken en steun geeft God hem zijn herdersstaf, die symbool wordt voor de aanwezigheid van Jahwe. De staf wijst de weg naar het Beloofde Land en symboliseert ook bevrijding, zoals later blijkt bij de doortocht door de Rietzee.
5.3.3 De tien plagen
Toen de farao weigerde om de Hebreen vrij te laten, stuurde Jahwe tien plagen over Egypte om zijn overwicht en macht duidelijk te maken. Mozes herdersstaf speelt hierbij een belangrijke rol als symbool van Jahwes aanwezigheid en kracht. Een opvallende scne is wanneer de staf verandert in een krokodil die de krokodillen van de farao verslindt, wat aantoont dat Jahwe machtiger is dan de Egyptische goden, inclusief de Nijl-god Hapi. Dit wordt verder benadrukt wanneer Mozes met zijn staf het water van de Nijl in bloed verandert, waardoor het land economisch en ecologisch wordt verlamd.
Deze plagen moeten vooral gezien worden als symbolische tekenen van de machtsstrijd tussen Jahwe en de farao, en daarmee ook tussen Jahwe en de goden van Egypte. De farao blijft aanvankelijk onverschillig en weigert zijn macht te erkennen. Toch breekt hij uiteindelijk door wanneer de plagen aanhouden en niet stoppen. De laatste plaag, waarbij elke eerstgeboren zoon in Egypte sterft, vormt de dramatische climax van dit conflict. Dit noodzaakt de farao om de Hebreen te laten vertrekken.

Door deze reeks plagen willen de schrijvers van het verhaal duidelijk maken dat Jahwe de enige ware God is groter en machtiger dan alle andere goden van Egypte. Jahwe is de God die leven geeft en het verdient om geerd te worden. Het verhaal benadrukt ook dat het joodse volk, beschermd en geleid door Jahwe, onstuitbaar is en uiteindelijk zal bevrijd worden, wat wordt gevierd tijdens het Pesachfeest. Kortom, de plagen zijn meer dan historische gebeurtenissen; ze zijn een krachtig symbolisch middel om de superioriteit van Jahwe en het lot van zijn volk te illustreren.
5.3.4 De exodus
5.3.4.1 Het vertrek uit Egypte en de tocht door de Rietzee
Bij het vertrek uit Egypte bereikt het verhaal zijn climax bij de Rode Zee, waar het volk vastzit tussen de zee en de achtervolgende farao. Mozes staf symboliseert hier Jahwes leiding en bevrijding. Hoewel het onwaarschijnlijk is dat de zee echt spleet, staat deze gebeurtenis symbool voor het vertrouwen dat met Jahwe zelfs de grootste obstakels overwonnen kunnen worden. Het verhaal benadrukt dat Jahwe de ware God is die zijn volk beschermt. Deze bevrijding wordt herdacht tijdens Pesach, waarbij het bevrijdingslied wordt gezongen als teken van hoop en vertrouwen.
5.3.4.2 Berg als ontmoetingsplaats met God
Mozes en het volk Isral komen aan bij de berg Sina, waar God hen via Mozes de 10 geboden geeft. Deze geboden zijn bedoeld als richtlijnen voor hun relatie met God en met elkaar, en vormen het fundament van hun verbond. Het volk vindt het echter moeilijk om zich aan deze onzichtbare regels te houden en maakt daarom een gouden kalf als tastbaar beeld om te aanbidden. Dit leidt tot teleurstelling bij Mozes, die daarna met God onderhandelt om het volk een tweede kans te geven. Nadat de vertrouwensband met God hersteld is, nadert het volk het Beloofde Land Kanan. Mozes mag het land zien vanaf de berg Nebo, maar zal het zelf niet binnengaan. Na zijn dood neemt Jozua het leiderschap over en leidt het volk de Jordaan over om het Beloofde Land in bezit te nemen.
Wist je dat
De 10 geboden staan op twee stenen platen, bewaard in de ark van het verbond die het volk overal mee naartoe nam als herinnering aan Jahwes richtlijnen. Het getal 40 is symbolisch voor een nieuw begin: het volk zwierf 40 jaar door de woestijn en Mozes kreeg de geboden na 40 dagen op de berg Sina. De geboden symboliseren de vernieuwde relatie tussen Jahwe en zijn volk. De schrijvers benadrukken dat God zelf het initiatief nam om zijn volk te begeleiden, ook al is het verhaal niet letterlijk te nemen.

6. Achtergrond bij het ontwikkelingsthema verbondenheid met de natuur: de alom bekende Scheppingsverhalen
6.1 Startgedachten
6.1.1 Vragen van alle tijden
De vragen Hoe is alles begonnen? en Waar komen we vandaan? zijn zo oud als de mensheid zelf. Ze zijn universeel en gaan over de betekenis van het leven. Vooral jonge kinderen zijn nog heel gevoelig voor deze beginvragen, omdat ze nog vol verwondering zitten.
6.1.2 Was het nu God of Darwin?
Jonge kinderen nemen de Scheppingsverhalen vaak letterlijk en zien God als degene die de wereld en dieren precies zo maakt als in het verhaal. Ze verwonderen zich over de natuur en stellen vragen over het ontstaan van de wereld. Oudere kinderen kijken kritischer naar de verhalen, vinden het soms moeilijk te geloven dat de wereld zomaar zo is ontstaan, en zijn klaar om de verhalen meer symbolisch te interpreteren.
Belangrijk is dat de Scheppingsverhalen niet bedoeld zijn als wetenschappelijke verklaringen over hoe de wereld is ontstaan. Ze geven geen alternatief voor evolutie, maar willen vooral antwoord geven op de diepere vraag: Waarom bestaat de wereld en de mens? Die vraag kan de wetenschap niet beantwoorden, maar de verhalen wel, door betekenis en zin te zoeken. Zo zijn de verhalen niet letterlijk gebeurd, maar wel waar omdat ze belangrijke inzichten bieden die ons vandaag nog aan het denken zetten.
Dit kader helpt om op een zinvolle manier met de verhalen in de klas te werken.
6.2 Twee Scheppingsverhalen en hun ontstaanscontext
In de Bijbel staan twee verschillende Scheppingsverhalen vlak na elkaar, maar ze zijn in totaal verschillende tijden ontstaan. Het oudste is het Paradijsverhaal met Adam en Eva, dat als tweede komt. Het jongste verhaal is dat van de schepping in zeven dagen, en dat staat als eerste. Beide verhalen zijn geschreven toen het Joodse volk moeilijke tijden doormaakte en beproevingen moest doorstaan.

6.2.1 De ontstaanscontext van het oudste Verhaal (het Paradijsverhaal Adam en Eva)
Het oudste Scheppingsverhaal, het Paradijsverhaal, werd waarschijnlijk geschreven rond de tijd van koning David (ongeveer 1000 v.Chr.). Voor die tijd zwierf het Hebreeuwse volk lange tijd door de dorre woestijn op zoek naar het Beloofde Land. Ze kenden het harde werk van boeren en ambachtslieden die de aarde bewerkten om leven te laten groeien. Daarom wordt God in dit verhaal voorgesteld als een boetseerder die de mens uit de aarde schept, een beeld dat voor de Hebreen herkenbaar en begrijpelijk was.
6.2.2 De ontstaanscontext van het jongste Verhaal (de schepping in zeven dagen)
Het jongste Scheppingsverhaal (de schepping in zeven dagen) is ontstaan tijdens de Babylonische Ballingschap, in de 6e tot 5e eeuw v.Chr. Deze periode was erg zwaar voor de joden. Het Zuidrijk Juda verloor een oorlog tegen Babyloni, de tempel in Jeruzalem werd verwoest, en veel joden werden gedeporteerd naar Babylon, waar ze als slaven moesten leven. Ze werden gedwongen de Babylonische goden te vereren, waaronder de oppergod Mardoek, wat in schril contrast stond met hun geloof in Jahweh.
In deze moeilijke tijden zochten de joden naar zin en hoop. Het jongste Scheppingsverhaal ontstond als een krachtig protest tegen de Babylonische godenwereld, waarin vele goden streden om macht. In tegenstelling tot deze chaos stelt het Bijbelse verhaal n almachtige God voor, Jahweh, die de wereld ordent en schept in zeven dagen. De mens wordt niet als slaaf van de goden gezien, maar als het beeld van God, het hoogtepunt van de schepping.
Het verhaal is daarmee een lofzang op Jahweh en zijn schepping, een krachtig statement tegen de Babylonische goden, en een droom van een betere toekomst. Het symboliseert hoop op bevrijding en een rechtvaardige wereld, waar het joodse volk weer in vrijheid kan leven.
6.3 Kernbetekenis: de schepping als gave en opgave
6.3.1 De schepping is een geschenk, een gave
De mens heeft de wereld als een cadeau gekregen, zonder er iets voor te hoeven doen. Daarom is de natuur geen bezit van de mens, maar iets waarvoor hij moet zorgen en respect tonen. De wereld mag niet als eigendom behandeld worden waar je mee kunt doen wat je wilt.

6.3.2 De mens heeft een verantwoordelijkheid, een opgave
De mens is ook onderdeel van de schepping, geschapen door God, en heeft daarom de verantwoordelijkheid om respectvol met de natuur en de dieren om te gaan. Hij mag zichzelf niet boven de schepping plaatsen, maar moet zorg dragen voor het geheel. Dit betekent dat mensen ook moeten omgaan met actuele uitdagingen zoals klimaatverandering en milieuvervuiling. Hoewel deze verantwoordelijkheid zwaar lijkt, bood het Verhaal voor de Hebreen hoop op een nieuw begin. Het is belangrijk om met leerlingen te bespreken hoe zij de natuur zien, of ze zich verantwoordelijk voelen en hoe ze omgaan met de wereld om hen heen.
6.4 De Scheppingsverhalen: een rode draad doorheen het leerplan
De Scheppingsverhalen worden door de drie graden heen op verschillende manieren behandeld. In de eerste graad draait het om het verkennen van de verhalen zelf, vooral via vertellen. In de tweede graad ligt de focus op de betekenissen en ervaringen in de verhalen, waarbij grotere delen samen gelezen worden. In de derde graad krijgen de verhalen een bredere context, worden ze dieper uitgelegd en gekoppeld aan cultuur, wetenschap en techniek. Ook leren leerlingen dat de verhalen geen wetenschappelijke uitleg tegengaan, maar nadenken over diepere levensvragen stimuleren, inclusief hun historische achtergrond.

7. Het einde dat naar het begin verwijst: verhalen over Jezus levenseinde
7.1 De dubbele betekenis van het kruis(beeld)
Het kruis staat voor lijden en ellende, maar ook voor bevrijding uit verschillende vormen van slavernij, zoals onderdrukking en de dood. Goede Vrijdag symboliseert slavernij en lijden, terwijl Paaszondag staat voor bevrijding, opstanding en vrijheid van alles wat mensen klein houdt.
7.2 Waarom werd Jezus gearresteerd en ter dood veroordeeld?
7.2.1 Concrete aanleidingen voor zijn arrestatie bij zijn aankomst in Jeruzalem
Op Palmzondag maakte Jezus een feestelijke, koninklijke intocht in Jeruzalem, waarbij het volk hem verwelkomde met palmtakken en mantels, als een koning. In tegenstelling tot gewone koningen kwam hij echter op een eenvoudige ezel, niet op een rijk paard. Zijn succes stootte de hogere priesterklasse tegen de borst. Tijdens zijn verblijf in Jeruzalem bezocht Jezus de tempel en was geschokt door de handel die daar plaatsvond. Hij maakte de handelaren boos door hun kraampjes omver te gooien en hen weg te jagen, wat later de tempelreiniging werd genoemd. Jezus veroordeelde de commercile activiteiten als onheilig en een misbruik van de tempel, die zo zijn betekenis voor JHWH verloren had. Dit leidde tot wrijving met de priesterklasse, die de tempel en handel in offerdieren beheerde. Jezus benadrukte dat ware godsdienst niet draait om offers en geld, maar om oprechte intentie en rechtvaardigheid, zoals ook werd onderwezen door de profeten uit het Oude Testament.
7.2.2 Jezus visie en ideen brengen hem in diskrediet
Jezus ging tijdens zijn openbare leven in tegen de joodse wet door onreinen en zieken aan te raken, op Sabbat zieken te genezen en omgang te hebben met zondaars, zoals de overspelige vrouw. Zijn motto was dat de wet er is voor de mens, niet andersom, wat betekent dat het welzijn van mensen belangrijker is dan strikte naleving van regels. Dit stuitte op verzet bij de thoraspecialisten en priesters, die dit als een bedreiging zagen. Daarnaast werd Jezus verdacht van koningsambities als de Messias, wat het Romeinse gezag in gevaar zou kunnen brengen. Politieke machthebbers zagen hem als een revolutionair en bedreiging, terwijl Jezus zelf geen politieke doelen nastreefde, iets wat de Romeinen niet begrepen.
7.3 De Goede Week als aanloop naar Jezus terechtstelling
7.3.1 Witte donderdag
In een sfeer van naderend afscheid toont Jezus zijn bescheidenheid en dienstbaarheid door de voeten van zijn vrienden te wassen, een daad die symbool staat voor dienstbaarheid als hoogste gebod. Zijn leerlingen begrijpen dit niet, omdat het niet past

bij hun beeld van een koning, maar Jezus benadrukt dat ware grootheid ontstaat door jezelf klein te maken en de ander centraal te stellen. Ook het breken van brood en drinken van wijn tijdens het afscheid symboliseert dat leven delen essentieel is; geluk wordt groter door te delen. Het proces waarbij graan en druiven geplet worden om brood en wijn te maken, laat zien dat uit eenvoud en opoffering iets kostbaars kan ontstaan een andere levensles van Jezus.
7.3.2 Goede vrijdag
Jezus wordt gevangen genomen en zelfs verlaten door zijn vrienden, wat menselijk is in tijden van angst, maar zijn lijden benadrukt. Na zijn arrestatie wordt hij voor de hogepriester gebracht, die religieuze macht heeft, maar geen doodstraf mag uitspreken; dat doet uiteindelijk de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus. Tijdens het proces voor het Sanhedrin wordt Jezus gevraagd of hij de koning der Joden is. Zijn antwoord Gij zegt het is vaag en suggereert dat de aanwezigen zijn missie niet begrijpen. Zo ondergaat Jezus zijn lot.
7.3.3 Verhalen waarin Jezus een hoofdrol speelt na zijn dood
Na Jezus dood circuleren er verhalen over zijn verschijningen aan vrienden, zoals het bekende Emmasverhaal waarin Jezus herkend wordt bij het breken van het brood, en het lege graf waar vrouwen ontdekken dat Jezus niet meer bij de doden is. Hoewel we deze verhalen vaak wetenschappelijk benaderen, gaat het de schrijvers vooral om het overbrengen van hun geloof: dat dood en ellende niet het laatste woord hebben, en dat Jezus levend is onder zijn volgelingen. Bij het vertellen van deze verhalen aan kinderen is het beter ze niet letterlijk te interpreteren, maar te benadrukken dat de kernboodschap is dat het goede altijd zal zegevieren over het kwade, hoop altijd sterker is dan wanhoop, en dat het leven uitzicht kan bieden ondanks moeilijkheden. Dit vormt de basis van het geloof in de verrijzenis.

8. Het begin dat naar het einde verwijst: de kerstverhalen
8.1 Inleiding: Lucas en Mattheus maken een plan
Lucas en Mattheus bespreken het maken van een geboorteverhaal over Jezus, omdat ze vinden dat hun verzameling verhalen niet compleet is zonder een begin. Ze realiseren zich dat geboorteverhalen vaak symbolisch zijn en elementen uit het latere leven van de held bevatten. Ze besluiten Jezus als een bijzonder kind te laten geboren worden uit een maagd, met engelen die laten zien dat hij goddelijk is. Om Jezus te verbinden met koning David, kiezen ze ervoor hem in Bethlehem te laten geboren worden, ook al was hij waarschijnlijk in Nazareth geboren. Ze bedenken een verklaring voor de reis naar Bethlehem via een volkstelling waarbij iedereen naar zijn geboorteplaats moest. Uiteindelijk besluiten ze ieder hun eigen versie van het geboorteverhaal te schrijven, omdat ze verschillende ideen hebben over de details.
8.2 De kindsheids- en Kerstverhalen zijn laattijdig ontstaan
Van de vier evangelin vertellen alleen Lucas en Matthes over de geboorte van Jezus. Marcus, Paulus en Johannes vermelden geen geboorteverhaal of Kerstverhalen. Omdat Lucas en Matthes hun evangelin later schreven, bevatten hun geboorteverhalen een sterke theologische boodschap die meteen vanaf het begin het geloof in Jezus als Christus benadrukt.
8.3 De kindsheids- en Kerstverhalen zijn eigenlijk Paasverhalen !?
Matthes en Lucas schreven hun Kerstverhalen om duidelijk te maken dat Jezus de Christus is, iets wat zijn leerlingen pas na Pasen volledig begrepen. Omdat er geen historische bronnen zijn over Jezus geboorte en jeugd, zijn deze verhalen geen feitelijke verslagen, maar bedoeld om het geloof te versterken. Ze zijn pas lang na Jezus dood en verrijzenis geschreven en moeten begrepen worden vanuit het paasgeloof. Net zoals in andere wereldreligies speciale geboorteverhalen worden verteld om te laten zien dat een persoon bijzonder is, deden ook Matthes en Lucas dat voor Jezus.
8.3.1 Twee Kerstverhalen !?
Matthes en Lucas hadden geen historische informatie over Jezus geboorte, waardoor ze elk een heel verschillend geboorteverhaal schreven. Wel hadden ze kennis van de tijd rond Jezus geboorte. Omdat we zo gewend zijn aan beide versies, worden de verhalen soms door elkaar gehaald. Kinderbijbels combineren vaak delen van beide verhalen en laten de heftige details, zoals de kindermoord, weg.

8.3.2 Matthes aan het woord over Jezus geboorte
Matthes schrijft vooral voor een joods publiek en benadrukt dat Jezus de vervulling is van de oudtestamentische verwachting van een Redder. Hij verweeft veel citaten en symbolen uit het Oude Testament in zijn verhaal om te tonen dat Jezus afstamt van koning David. Terwijl Matthes de nadruk legt op Jozef, richt Lucas zich meer op Maria. Beide presenteren Jezus als de nieuwe David, die het volk zal verenigen en leiden, en daarom laten ze hem in Bethlehem geboren worden, al was hij waarschijnlijk in Nazareth geboren. Daarnaast ziet Matthes Jezus ook als de nieuwe Mozes, met parallellen in zijn vroege leven zoals de dreiging van een kindermoord en een vlucht naar Egypte, vergelijkbaar met Mozes verhaal.
8.3.3 Lucas aan het woord over Jezus geboorte
Lucas schrijft zijn evangelie voor een universeel publiek, niet alleen voor joden. In zijn geboorteverhaal benadrukt hij dat Jezus komst wereldwijde betekenis heeft, met engelen die vrede wensen aan alle mensen van goede wil. Jezus wordt geboren onder eenvoudige, zelfs marginale omstandigheden (in een kribbe, met herders als eerste getuigen). Maria en Jozef zijn gewone mensen die geen plek vinden in de herberg. Het kind wordt in doeken gewikkeld, wat verwijst naar de opstanding van Christus, omdat zijn doeken later in het lege graf achterbleven.
8.4 Hoogst interessante variapuntjes
De geboorteverhalen van Lucas en Matthes spreken elkaar tegen over waar Jezus geboren is: Lucas vertelt dat Maria in Nazareth woonde en dat de volkstelling hen naar Bethlehem bracht, terwijl Matthes Jezus in een huis in Bethlehem laat geboren worden zonder reisvermelding. Ook over het vervolg van het gezin verschillen de verhalen, vooral over de vlucht naar Egypte en vestiging in Nazareth. Deze tegenstrijdigheden tonen aan dat de verhalen niet historisch bedoeld zijn, maar vooral willen uitdrukken wie Jezus was en wat hij betekende.
De drie koningen in Matthes verhaal brengen symbolische geschenken mee: goud (eer aan een koning), wierook (goddelijkheid) en mirre (koningschap en een verwijzing naar Jezus dood en balseming). Deze geschenken benadrukken Jezus bijzondere status en verwijzen ook naar zijn latere lijden en sterven.

8.4.1 Bezoek van twee evangelisten
Interview met Lucas:
- Lucas schreef het geboorteverhaal met de volkstelling, waarin Jozef en Maria naar Bethlehem reizen.
- Hij weet niet zeker of dit historisch klopt, maar koos de volkstelling om het verhaal een historische context te geven.
- Jezus wordt in Bethlehem geboren omdat daar ook koning David vandaan kwam, en omdat Jeruzalem, waar Jezus sterft, dichtbij ligt.
- Lucas denkt dat Jezus waarschijnlijk in Nazareth geboren is, waar hij leefde.
- Het zinnetje er was geen plaats in de herberg wil laten zien dat Jezus al vanaf
zijn geboorte weinig aanzien had.
- De os en ezel horen er niet bij in zijn verhaal, maar zijn latere toevoegingen
genspireerd door de traditie.
- De herders zijn gekozen omdat zij de armen en buitenstaanders symboliseren,
voor wie Jezus opkwam.
Interview met Matthes:
- Matthes begint met een lange geslachtslijst om te tonen dat Jezus afstamt van koning David en belangrijke figuren uit het Oude Testament.
- Hij richt zich meer op Jozef dan op Maria en vertelt over de dromen van Jozef.
- Jezus wordt geboren in de tijd van koning Herodes, en vlucht met zijn ouders naar
Egypte om te ontsnappen aan de kindermoord.
- Matthes wil Jezus laten lijken op Mozes, de grote bevrijder uit Egypte.
- Het beroemde verhaal van de drie wijzen uit het Oosten komt van Matthes, die
daarmee wil aantonen dat Jezus ook voor niet-Joden belangrijk is.
- Het verhaal van de drie koningen wordt in Belgi gevierd met een volksfeest.
8.4.2 Interessante weetjes
Wanneer vieren we Kerstmis?
Op 25 december, oorspronkelijk een heidens lichtfeest (feest van de zon) uit de tijd van de Kelten en Romeinen. Omdat het volk het feest bleef vieren, veranderde de kerk het in een christelijk feest om Jezus als eeuwige zon te eren.
Wanneer is Jezus geboren?
De exacte datum is onbekend. Onderzoekers schatten rond 6 vr Christus, op basis van historische en Bijbelse gegevens. De telling van Caesar liep verkeerd, waardoor het geboortejaar niet precies klopt.
Bestond Jezus echt?
Ja, ook buiten de Bijbel zijn er bronnen (Tacitus, Suetonius, Flavius Josephus) die over Jezus schrijven, ook al zijn die negatief. Dit ondersteunt dat hij echt geleefd heeft.
Wie is de vader van Jezus?
Jozef is zijn natuurlijke vader, maar volgens het Bijbelverhaal is Maria zwanger geraakt door een engel (de onbevlekte ontvangenis). Dit verhaal maakt Jezus een bijzonder persoon, vergelijkbaar met andere bijzondere Bijbelse geboortes.

Welke dieren staan in de kerststal?
Os en ezel staan er traditioneel bij, maar dat komt niet uit het geboorteverhaal zelf. Franciscus van Assisi voegde ze toe, genspireerd door een passage in Jesaja en om het verhaal levendiger te maken.
Waar is Jezus geboren?
Waarschijnlijk in Nazareth, waar hij ook opgroeide. Lucas en Matthes plaatsen de geboorte in Bethlehem om Jezus te verbinden met koning David en om zijn bijzondere status te benadrukken.

9. Elke wijze uil was ooit een uilskuiken: achtergrond bij het ontwikkelthema groeien in gevoeligheid voor goed en kwaad met de ethische cirkel
9.1 Inleiding: Alle gewicht op de persoonlijke waardeorintatie!?
Onze tijd lijkt gekenmerkt door ethisch relativisme en subjectivisme, waarbij bijna alles als goed kan gelden zolang iemand zijn mening kan verantwoorden. Toch blijkt uit het dagelijks nieuws dat ethische kwesties vaak veel complexer zijn en meer verheldering vragen dan enkel een buikgevoel. Daarom is het belangrijk om ethische kaders te hanteren om morele vragen te onderzoeken.
Ethiek is, net als psychologie en sociologie, een wetenschap die menselijk gedrag bestudeert, maar met focus op de morele kwaliteit ervan: is iets goed of slecht? Binnen de rechtvaardigheidsethiek onderscheiden we drie hoofdstromingen:
- Deontologie nadruk op plicht en regels,
- Consequentialisme nadruk op de gevolgen van handelingen, - Teleologie nadruk op doelen en dialoog.
Deze stromingen worden aangevuld met de ideen van Emmanuel Levinas over zorg en verantwoordelijkheid. Het hoofdstuk eindigt met een praktische methode: de ethische cirkel, een hulpmiddel om ethische vragen te analyseren. Deze methode kan ook worden aangepast voor gebruik in het lager onderwijs om kinderen te helpen groeien in morele gevoeligheid.
9.2 Drie strekkingen in de rechtvaardigheidsethiek
9.2.1 Magda of magda niet? De deontologische ethiek: kant en klaar (Plato, Kant)
De deontologische ethiek (of plichtenleer) gaat ervan uit dat er n universele en onveranderlijke waarheid is over wat goed is. Die waarheid geldt voor iedereen, altijd en overal. Goed handelen betekent: je houden aan die vaste norm, zonder dat je er zelf nog veel moet over nadenken.
Socrates was een vroege vertegenwoordiger van dit denken: hij geloofde dat wie weet wat goed is, het goede ook zal doen.
Het sterke punt van de deontologie is dat het een duidelijke maatstaf biedt voor juist gedrag. De waarheid wordt gezocht in vaste, herkenbare bronnen van waarheid.

9.2.1.1 Een godsdienstig geschrift dat letterlijk wordt genterpreteerd
Sommige religieuze groepen baseren hun standpunten sterk op letterlijke interpretaties van de Bijbel.
- Joodse kolonisten gebruiken Bijbelse teksten (zoals uit de Thora) om hun aanspraak op het land tussen de Middellandse Zee en de Jordaan te rechtvaardigen, ook al wonen daar Palestijnen.
- De Kerk verzet zich tegen euthanasie en abortus omdat in de Bijbel staat dat doden verboden is.
- Jehovahs Getuigen geloven dat Adam en Eva letterlijk de eerste mensen waren, omdat dat zo in de Bijbel staat, en dus dat alle mensen van hen afstammen.
9.2.1.2 De autoriteit
In een autoritair model wordt moreel handelen gelijkgesteld aan gehoorzaamheid. Wat "goed" is, wordt bepaald door wie de macht heeft zoals vroeger bij de nazis of bij sekteleiders. Ook vandaag worden soms richtlijnen van experts of de overheid blind gevolgd, zoals bij virologen tijdens de coronacrisis. In dit model is er weinig ruimte voor eigen kritisch denken; gehoorzaamheid staat centraal.
9.2.1.3 (Het volgen van) de wet
Volgens dit standpunt is wat wettelijk is, automatisch ook juist. Goed gedrag bestaat erin dat je altijd de wet, regels en procedures volgt, ongeacht de situatie. De wet wordt gezien als universeel, rechtvaardig en duidelijk, omdat ze voor iedereen in gelijke omstandigheden geldt. Moreel handelen betekent dus simpelweg: de wet gehoorzamen.
9.2.1.4 De natuur
In deze ethische visie geldt: wat de natuur verandert, is verkeerd. Dit is de basis voor kritiek op zaken als anticonceptie en genetische manipulatie. Binnen deze stroming zijn er twee groepen:
Fundis die radicaal vasthouden aan hun standpunt, zonder discussie (zoals ALF). Realis die bereid zijn tot dialoog en nuance (zoals Greenpeace).
Een actueel voorbeeld is het debat over wolven in Vlaanderen. Natuurorganisaties zoals Welkom Wolf vinden dat wolven thuishoren in beschermde natuurgebieden, terwijl boeren en jagers de dieren als bedreiging zien. Het doden van wolven, zoals bij Naya, leidde tot stevige discussies tussen beide kampen.
9.2.1.5 Het verstand of de rede
Immanuel Kant stelde dat goed handelen gebaseerd moet zijn op rede en niet op gevoel, omdat rede universeel is voor iedereen. Hij formuleerde drie universele regels (categorische imperatieven) om te bepalen wat ethisch juist is:
1. Gedraagjezodatjouwgedrageenalgemeneregelkanzijnvooriedereen. 2. Behandelanderenaltijdalsdoelopzich,nietalsmiddel.
3. Doeanderennietwatjezelfnietzouwillenervaren.
Kant vond dat je deze regels altijd moet volgen bij morele beslissingen. Deze ideen vormen de basis voor mensenrechten en veel westerse wetten.

9.2.1.6 De (inzichten van de) wetenschap (positivisme)
Positieve wetenschappen leveren onbetwistbare, absolute waarheden die als basis dienen voor ethisch handelen. Bijvoorbeeld, tijdens de coronacrisis worden de adviezen van wetenschappers en virologen strikt gevolgd, en afwijkingen van deze richtlijnen worden vaak niet getolereerd.
9.2.1.7 Zo (Kanten) klaar als een klontje?
Deontologisch denken stelt dat je niet hoeft na te denken over wat goed is, maar
simpelweg het juiste volgt dat uit een vaste, universele bron van waarheid komt. Het richt zich alleen op de daad zelf, zonder rekening te houden met de motieven of de context. Dit maakt ethiek duidelijk en eenvoudig, maar heeft ook grote nadelen: het schakelt zelfstandig en kritisch denken uit en negeert de unieke situatie van een persoon.
Het gevaar hiervan werd duidelijk in het beroemde Milgram-experiment (1960-63). Hierbij volgden mensen bevelen van een autoriteit om anderen schijnbaar pijnlijke elektrische shocks toe te dienen, zelfs als ze daar moeite mee hadden. 80% ging door tot het uiterste, puur omdat ze de opdracht kregen. Dit toont dat mensen snel geneigd zijn blind te gehoorzamen en hun eigen morele verantwoordelijkheid uit handen geven.
Het experiment is belangrijk om drie redenen:
- Het laat zien wat fundamentalisme is: het volledig uit handen geven van eigen
verantwoordelijkheid en denken, en blind volgen van een externe autoriteit.
- Het toont aan dat puur deontologisch denken gevaarlijk kan zijn, omdat het
mensen hun kritische oordeel ontneemt en tot onethisch gedrag kan leiden.
- Het bewijst dat zelfs in democratische samenlevingen mensen vaak automatisch
geneigd zijn autoriteit te volgen, in de overtuiging dat ze daardoor het goede
doen.
Kortom, het Milgram-experiment waarschuwt dat je altijd je eigen verstand en morele verantwoordelijkheid moet blijven gebruiken, ook als een autoriteit iets beveelt.

9.2.2 Wie de billen brandt moet op de blaren zitten? De situatie-ethiek of het Consequentialisme (Bentham, Mill)
Consequentialisme gaat ervan uit dat er geen vaste, universele waarheid is die voor iedereen geldt. In plaats daarvan draait alles om de concrete situatie en de gevolgen van je handelen. Goed gedrag betekent hier dat je zorgt voor de best mogelijke uitkomst: zo min mogelijk pijn en schade, en zo veel mogelijk vreugde, nut of genot. Dit kan voor jezelf zijn (zoals in utilisme of hedonisme), maar je mag de ander er niet onnodig door schaden; de baten moeten altijd opwegen tegen de kosten.
De situatie-ethiek beoordeelt dus niet de daad zelf, maar alleen de gevolgen ervan. Het belangrijkste hulpmiddel is een kosten-batenanalyse: wat levert het mij het meeste voordeel op tegen zo min mogelijk nadeel?
Dit brengt echter risicos met zich mee. Als iedereen voor zichzelf bepaalt wat goed is, kan de sterkste partij uiteindelijk bepalen wat gebeurt, zoals in de natuurwet survival of the fittest. Jeremy Bentham probeerde dit te vermijden door het idee uit te breiden: het goede is dat wat het grootste geluk voor het grootste aantal mensen brengt.
Een bekend voorbeeld is de Ford Pinto: de auto bleef op de markt ondanks gevaarlijke gebreken, omdat het goedkoper was om slachtoffers te compenseren dan de auto te verbeteren. Dat was voordelig voor het bedrijf, maar desastreus voor de slachtoffers.
Positief aan situatie-ethiek is dat het rekening houdt met de context van iemands handelen en het individu het gevoel geeft dat zijn oordeel telt en meetelt.
9.2.3 Waardendialoog hoog in het vaandel: teleologie of dialoogmodel
Het dialoogmodel probeert een middenweg te vinden tussen de deontologie (regels volgen) en de situatie-ethiek (kijken naar de gevolgen). Het richt zich op de intentie van je handelen: Wat wil je bereiken?
Kenmerken:
- Waarden als richtlijn: Je handelt vanuit gedeelde waarden zoals vrijheid, solidariteit, gelijkwaardigheid...
- Geen vaste waarheid: Het ideaal is een streefdoel, geen absolute regel.
- Dialoog: Je maakt keuzes via overleg met anderen, rekening houdend met de
concrete situatie.
- Reflectie & afweging zijn essentieel. Het gaat niet om juist of fout, maar om de
best mogelijke beslissing in de context.

De noodsituatie: wanneer mag je afwijken van wet of ideaal?
In uitzonderlijke omstandigheden mag je de wet of het ideaal loslaten, mits 5 voorwaarden zijn vervuld (volgens Kohlberg):
- Autonomie: Je beslist volledig zelfstandig, zonder dwang.
- Altrusme: Je intentie is het welzijn van anderen, niet eigenbelang.
- Uitputting: Je hebt alle andere (wettelijke) mogelijkheden geprobeerd.
- Dialoog: Je overlegt met alle betrokkenen.
- Proportionaliteit: De schade staat in verhouding tot het nagestreefde ideaal.
Doel
Het dialoogmodel wil verantwoord moreel handelen mogelijk maken: waarden volgen, maar met oog voor de mens en de situatie.
9.3 Oefening
9.3.1 Een ethische basishouding: de ethische imperatief in de parabel van de Barmhartige Samaritaan
Het verhaal van de Barmhartige Samaritaan (Lucas 10, 3037) toont hoe een gewone man onverwacht geconfronteerd wordt met een gewonde langs de weg. Zonder vooraf gepland sociaal engagement reageert de Samaritaan meteen en zorgzaam. Hij vraagt zich niet af wie de ander is, maar wordt geraakt door zijn lijden en neemt verantwoordelijkheid.
Volgens de filosoof Emmanuel Levinas ligt hierin een diepe ethische betekenis:
- De ander verschijnt plots en roept mij ongevraagd op om te handelen.
- Dit is een ethisch appl: een oproep die je niet kan negeren (je moet kiezen
reageren of weigeren).
- De verantwoordelijkheid komt vanuit de ander (in de tweede persoon), niet uit
regels of eigen wil.
- Echte ethiek betekent: het gelaat van de ander zien, geraakt worden, en vrijwillig
het goede kiezen.
- Verantwoordelijkheid opnemen is geen plicht van buitenaf, maar een innerlijke
keuze die zich opdringt.
Wie ervoor kiest niet in te gaan op die oproep zoals de priester en leviet in het verhaal weigert verantwoordelijkheid. Dat is volgens Levinas moreel kwaad of zonde: het bewust afwijzen van je morele plicht.

9.3.2 Had ik het geweten! Het geweten als persoonlijk kompas
Het geweten speelt een cruciale rol in morele keuzes en verantwoordelijkheid. Het is die innerlijke stem die je laat voelen of iets goed of fout is in verhouding tot anderen alsof er een klein steentje in je schoen zit dat blijft knagen. Het daagt je uit om te kiezen, telkens opnieuw.
Hoewel het moeilijk te definiren is, is het geweten een soort innerlijk weten, waarbij je wordt aangesproken op je waarden en normen.
Er bestaan echter verschillende vervormde of zwakke vormen van geweten:
- Achteruitkijkspiegelgeweten: je beseft pas n een fout dat je verkeerd zat.
- Voorbeeld: Je pest iemand op school, en pas s avonds voel je spijt.
- Buitenboordgeweten: je doet wat fout is, zolang je niet betrapt wordt.
- Voorbeeld: Je kopieert tijdens een toets, maar voelt geen schuld zolang niemand
het merkt.
- Kuddegeestgeweten: je volgt blind de waarden van de groep zonder kritisch na te
denken.
- Voorbeeld: Je sluit iemand buiten omdat de rest van de klas dat ook doet.
- Tirangeweten: je leeft voortdurend in angst om fouten te maken, en je vrijheid
wordt beperkt.
- Voorbeeld: Je durft niets doen zonder toestemming, zelfs bij kleine keuzes.
- Conventiegeweten: je gehoorzaamt slaafs aan regels zonder eigen oordeel.
- Voorbeeld: Je weigert iets goeds te doen omdat "de regels" dat niet toestaan. - Pluk-de-daggeweten: je morele beslissingen hangen af van je stemming.
- Voorbeeld: Je helpt iemand enkel als je er op dat moment zin in hebt.
9.4 Synthese: de ethische cirkel als vertrekpunt om morele vraagstukken te onderzoeken
De ethische cirkel helpt om morele keuzes te maken door situaties vanuit verschillende invalshoeken te bekijken. Het is geen vast stappenplan, maar een hulpmiddel om doordacht en verantwoord beslissingen te nemen. Vaak begin je vanuit n invalshoek, maar het is belangrijk ook de andere invalshoeken te verkennen om tot bredere en sterkere argumenten te komen. Zo vermijd je een te enge kijk op ethiek als louter het volgen van regels (etiquette) en ontwikkel je een meer doordachte, waardevolle redenering.

10. Met kinderen het jaar rond vieren: de oorsprong, betekenis en tradities van Allerheiligen/Allerzielen tot en met Kerstmis toegelicht
10.1 Halloween en de feestdagen Allerheiliger en Allerzielen
10.1.1 Ontstaan en tradities bij Halloween
Halloween vindt zijn oorsprong in het Keltische feest Samhain, dat al duizenden jaren geleden werd gevierd door de Kelten in Ierland en Schotland. Samhain luidde het begin van de winter in en viel op 1 november, waardoor 31 oktober werd beschouwd als oudejaarsavond. Tijdens dit overgangsmoment geloofden de Kelten dat de grens tussen de wereld van de levenden en die van de doden vervaagde, waardoor geesten konden terugkeren naar de aarde.
Om zich te beschermen tegen deze dolende zielen, namen de Kelten verschillende rituelen en symbolen in acht. Zo werden alle lichten in huis gedoofd, werden grote vuren aangestoken buiten het dorp en werden uitgeholde rapen met kooltjes voor de deur geplaatst om geesten af te schrikken. De rapen werden later in de Verenigde Staten vervangen door pompoenen, die makkelijker verkrijgbaar waren en een aantrekkelijke vorm hadden. Daarnaast verkleedden mensen zich als geesten of doden om niet herkend te worden door echte geesten. Lawaai maken of grappen uithalen hoorde er ook bij, zowel om de geesten te verjagen als om luchtigheid te brengen voor de donkere winterperiode.
Samhain was niet alleen een oogstfeest en een voorbereiding op de winter, maar ook een dodenherdenking. Men keek terug op het afgelopen jaar en eerde de overledenen. De Kelten geloofden dat de geesten zegen konden brengen als ze tevreden waren, en rampen als ze verwaarloosd werden. Daarom offerde men voedsel voor hen, wat later leidde tot het gebruik van trick or treat: mensen eerst geesten, later ook armen trokken van deur tot deur om eten en geschenken te vragen. Wie niets gaf, kon een trick verwachten.
De katholieke kerk probeerde later het heidense Samhainfeest te kerstenen. In plaats van geesten die voedsel kregen, stelde de kerk voor dat de levenden zouden bidden en goede daden verrichten voor de zielen in het vagevuur. Oorspronkelijk werd Allerzielen in mei gevierd, maar paus Gregorius IV verplaatste dit naar 1 november in de 9e eeuw, zodat het samenviel met Samhain. Zo werd Allerheiligen (1 november) en Allerzielen (2 november) ingesteld, en probeerde men het heidense feest te vervangen.
In de 19e eeuw kwamen miljoenen Ieren naar de Verenigde Staten tijdens de grote hongersnood. Ze brachten hun Samhain-gebruiken mee, waaronder het gebruik van uitgeholde rapen, maskers en het r

Answer generated by AI Report answer

Ask a study question and we will try to answer it as best we can.

Ask a question
 
Log in via e-mail
New password
Subscribe via e-mail
Shopping Cart

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

[Inviter] gives you € 2.50 to purchase summaries

At Knoowy you buy and sell the best studies documents directly from students. <br> Upload at least one item, please help other students and get € 2.50 credit.

Register now and claim your credit