Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Van 6 tot 12 jaar.
3.4.1 Fysieke ontwikkeling van het lagereschoolkind
Lichamelijke ontwikkeling
Groei van LSK verloopt langzamer dan ervoor.
Enige periode in een mensenleven dat meisjes net iets groter zijn dan jongens, omdat ze sneller een groeispurt doormaken.
Het lichaam wordt gespierder en krachtiger. J > sterker dan M.
Voeding heeft een grote invloed op de fysieke ontwikkeling en het gedrag van kinderen. Hoe meer voedingsstoffen ze binnen krijgen, hoe meer energie ze hebben. Daardoor gaan ze sneller interacties aan en kunnen ze ook gemakkelijker sociale relaties aangaan.
De definitieve tanden komen in de plaats van het melkgebit.
Motorische ontwikkeling
De reactiesnelheid en evenwichtsbeheersing van LSK verbetert daardoor aanzienlijk. Ook het uithoudingsvermogen neemt op deze leeftijd snel toe.
Fijne motoriek breidt uit.
Vanaf 6jaar zelfstandig veter strikken.
Vanaf 8jaar gebruiken beiden handen onafhankelijk.
Vanaf 12jaar fijne motoriek lijkt sterk op die van volwassenen.
Sensorische ontwikkeling
Ontwikkeling van de zintuigen staat volledig op punt. LSK hebben dezelfde zintuigelijke vaardigheden als volwassenen.
3.4.2 Cognitieve ontwikkeling van het LSK
Ontwikkeling van het denken
Concreet-operationeel stadium.
Decentreren = rekening houden met verschillende onderdelen van een situatie.
Centreren = zien het geheel in plaats van afzonderlijke delen.
Reversibiliteit = begrijpen dat je sommige handelingen kunt terugdraaien.
Pure fantasie heeft afgedaan en maakt plaats voor realistisch denken.
Relatie tussen snelheid en tijd wordt duidelijk.
Om meer informatie te kunne opslaan, gebruiken kinderen geheugenstrategien.
Herhalen informatie die ze willen onthouden.
Kunnen in materiaal een samenhangend patroon herkennen.
Kinderen maken gebruik van ezelsbruggetjes die helpen om complexe informatie op te slaan (geheugenkunst).
Lev Vygotsky wijst op het belang van de zone van naaste ontwikkeling voor het kind om te kunnen bijleren.
Taalontwikkeling
Taalproductie en taalbegrip van het LSK ontwikkelen zich verder.
De woordenschat neemt in hoog tempo toe.
De grammatica wordt complexer, maar staat nog niet volledig op punt.
Meeste kinderen hebben een duidelijke en vlotte uitspraak.
LSK hebben nog moeite met intonatie.
Metalingustisch bewustzijn = meer besef van taalgebruik.
LSK praten meer tegen zichzelf helpt om controle over zichzelf te houden.
Meertaligheid biedt heel wat voordelen. Doordat de 2 taalsystemen zich samen ontwikkelen, hebben meertalige LSK een groter metalingustisch bewustzijn.
3.4.3 Socio-emotionele ontwikkeling van het LSK
Sociale ontwikkeling
Erikson plaatst het LSK in het stadium van vlijt vs minderwaardigheid.
LSK vormen een eigen identiteit. Wie het kind is, wordt niet enkel bepaald door fysieke kenmerken.
Interne kenmerken en karaktertrekken vormen steeds meer de basis van de identiteit.
De schooltijd wordt gekenmerkt door sociale vergelijkingsprocessen. Dat wil zeggen dat je jezelf gaat vergelijken met andere die in ongeveer dezelfde positie zitten als jij.
Ze meten zich het meest met leeftijdsgenoten die succesvoller overkomen dan zijzelf (opwaarts sociale vergelijking).
Gulia kan veel beter dansen dan ik, vindt Lore.
Wanneer hun eigenwaarde wordt bedreigd, kijken LSK naar anderen die minder vaardig zijn. Zo beschermen ze hun zelfbeeld (neerwaartse sociale vergelijking).
Lars is niet zo goed in rekenen en maakt een slechte toets. Thuis zegt hij: Mijn toets is niet de slechtste. Cara had nog minder munten.
Vrienden zijn een onmisbaar deel vh sociaal leven.
Tot 7jaar zijn vrienden gebaseerd op elkaar aardig vinden en speelgoed uitwisselen.
Tussen 8 en 10 jaar worden persoonlijke eigenschappen veel belangrijker.
Typisch voor de LSK is dat kinderen in hun vriendschappen de andere sekse grotendeels vermijden.
Meisjes omringen zich met meisjes, en jongens met jongens.
Die seksescheiding is zichtbaar in bijna alle culturen.
Duidelijk verschil in vriendschapsnetwerken tussen jongens en meisjes.
Jongens hebben grote vriendschapsgroepen en spelen meer in groep dan in tweetallen.
Meisjes omringen zich met een minder uitgebreid netwerk van meestal n of twee beste vriendinnen.
Emotionele ontwikkeling
Eigenwaarde = imanier waarop een kind zichzelf waardeert, met alle positieve en negatieve kenmerken die daarbij horen. Eigenwaarde is emotioneel geladen. De eigenwaarde vh kind is niet stabiel en verandert regelmatig: op sommige vlakken is ze hoog, op andere vlakken laag.
Morele ontwikkeling
Tot ongeveer 10 jaar bevinden LSK zich in het pre-conventioneel niveau. Na deze leeftijd kan het LSK zich op het conventioneel niveau bevinden.
Een LSK heeft al een idee van wat goed of slecht is. Ze kennen de regels van hun opvoeders en kunnen die toepassen. Ze weten wanneer ze iets fout hebben gedaan en tonen schuldbesef, ook als er geen straf volgt. Denken van het LSK is sterk gebaseerd op wat de groep vindt.
Als de ontwikkeling anders loopt
Leerstoornissen
Kinderen met leerproblemen zijn kinderen die moeilijkheden ondervinden bij het leren van deze schoolse vaardigheden.
Als aangetoond kan worden dat de oorzaak van leerproblemen in de omgeving ligt, dan spreken we niet van een leerstoornis. Slecht onderwijs, langdurige afwezigheid Kunnen dus wel de aanleiding geven tot leerproblemen, maar zijn geen oorzaak van een leerstoornis.
Leerstoornis moeten dus een gedeeltelijke oorzaak hebben in de mogelijkheden of beperkingen van het individu. Als het leerprobleem volledig verklaard kan worden door handicap of ander probleem spreken we niet van een leerstoornis.
In dit geval secundaire leerproblemen. Als deze oorzaken er niet zouden zijn, zouder er ook geen leerproblemen zijn.
Leerstoornissen worden ook wel primaire leerproblemen genoemd.
Dyslexie = leren lezen van deze kinderen is ernstig verstoord.
Dysorthografie = foutloos schrijven (spellen) van woorden. Vaak samen met een ernstige leerstoornis.
Dyscalculie = sprake van ernstige rekenstoornissen.
ADHD
ADHD staat voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder. 3 belangrijkste kenmerken zijn:
Aandachtstekort: vaak ernstige concentratieproblemen.
Overactiviteit: verwijst naar overbeweeglijkheid.
Impulsiviteit: kinderen met ADHD zijn impulsief in hun denken en doen.
Deze kenmerken moeten alle 3 tegelijk in voldoende mate aanwezig zijn, voordat we van ADHD spreken. Naast ADHD zijn er nog 2 varianten. De eerste wordt ook wel ADD genoemd. Deze kinderen hebben alleen aandachtsproblemen, zonder hyperactiviteit en impulsiviteit. Tweede variant heeft alleen impulsiviteit en hyperactiviteit, zonder aandachtsproblemen.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 25.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question