Maak een oefenexamen van de volgende tekst: ervaringsgericht onderwijs - EGO
A-P-E model:
Aanpak
Leraar creert een rijke leeromgeving met ruimte voor initiatief en een klimaat van leerkrachtstijl.
Proces
De hand van 2 procesvariabelen de kwaliteit van het leren wordt gemeten aan
4 welbevinden
(vaart het kind zich goed)
2 betrokkenheid
(het kind intens bezig)
Effect
Wanneer het proces goed zit, leidt dit tot brede ontwikkeling, zoals emotionele groei, exploratiedrang en verbondenheidcompetenties.
Rolneming
Affectie
Wat voelt het kind?
= emotioneel functioneren
Cognities
Wat denkt het kind en hoe neemt het ook de situatie waar?
= het denken
Conatief
Wat zijn de noden, interesses en wensen van het kind?
= noden / de wil
O-I-P model
overzicht (0)
verzamelen van bykomende informatie en fatelyke beeldvorming
Indicht (I)
De ervaringsreconstructie -hypothesen opstellen met het zou kunnen zyn dat.
uitzicht (P)
het bepalen van werkpunten x concrete pedagogiche interventieserzamelen van bykomende informatie en fatelyke beeldvorming
welbeinden heeft 5 signalen:
1Genieten
~ gezichtsuitdrukking, glimlachen, tevreden blik,
er zijn 100 manieren om genieten tot uiting te laten komen, niet altijd expressief
= er zitten ook stille genieters in de klas
2Spontaan en jezelf kunnen zijn
welbevinden = geen masker om dichtgeklapt te zijn
het kind schuilt uit zijn schulp
gevoelens en beleving worden spontaan geuit
3Openheid
ontvankelijke houding
legt vaak contact met anderen
reageert alert en open op nieuwe / onverwachte situaties in de omgeving
is open in het uiten van zijn/haar innerlijke wereld
4ontspannen en innerlijke rust
welbevinden = geen verkrampte houding
innerlijke rust en passie kunnen
rust en wilskracht gaan hand in hand
het kind lijkt op het moment geen zorgen/stress te ervaren
5Vitaliteit
energieke en levenslustige uitstraling
kind straalt en voelt zich goed
tegenovergestelde: doffe blik, passieve houding, vermoeide indruk
betrokkenheid heeft 6 signalen:
1. Concentratie
de blik is intens gericht op de activiteit
het kind is niet snel afgeleid
2. Motivatie en doorzettingsvermogen
om door te gaan, het kind is gemotiveerd om door te gaan, ook als het moeilijk wordt
3. Intense mentale activiteit
het kind reageert cognitief
neemt opdrachten op en interpreteert deze correct
4. Alertheid en aandacht voor details
de voelsprieten staan uit
het kind merkt kleine verschillen en reageert snel op prikkels
5. Bevrediging van de exploratiedrang
drang om te onderzoeken en innerlijke motivatie
het kind heeft een drang om te ontdekken
6. Aan de grens van de mogelijkheden
activiteit sluit aan bij het niveau van het kind, maar daagt het kind maximaal uit. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question