Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Les 3
Nierinsufficintie (nierfalen) is het gevolg van schade aan de nieren, waardoor zij hun functie niet meer goed kunnen uitoefenen.
Pathofysiologie: Bij nier insufficintie is de filtratie in de glomerulis verminderd. Dit kan leiden tot een verminderde urineproductie en een veranderde samenstelling van het bloed. De belangrijkste functies van de nier die verstoord raken bij nierinsufficintie:
o Filteren van het bloed
o Verwijdering afvalstoffen
o Regulatie van vocht en elektrolytenbalans en regulatie van de bloeddruk.
o EPO-productie
o pH-regulatie
o Activatie van vitamine D en regulatie van calcium en fosfaat
Acute nierinsufficintie (acuut nierfalen/nierschade), treedt op als er acuut (enkele uren/dagen) schade aan de nieren ontstaat met als gevolg een snel verlies van de nierfunctie. Dit kan leiden tot chronische nierinsufficintie.
Risicofactoren:
o Hogere leeftijd
o Chronische ziekten
o Medicatiegebruik
o Dehydratie en shock
o Aandoeningen urinewegen
Etiologie:
o Prerenale oorzaken. Verminderde doorbloeding van de nier en daardoor een lagere filtratiedruk.
o Renale oorzaken. De glomeruli, tubuli en het interstitium raken beschadigd.
o Postrenale oorzaken. Obstructie van de afvoerende urinewegen, waardoor urine niet goed afloopt en de druk in de nieren oploopt > lagere filtratiedruk. Ophoping van urine in pyelum heet hydronefrose.
Symptomen:
o Afname van hoeveelheid urine (oligurie en anurie)
o Verkleuring van de urine (hematurie en myoglobinurie)
o Tekenen van vochtretentie/overvulling (Oedeem, kortademigheid en gewichtstoename)
o Tekenen van ophoping van afvalstoffen (uremie, vermoeidheid, coma, verminderde eetlust, jeuk aan de huid)
Diagnostiek: Bloedonderzoek, anamnese (vragen naar mictieklachten en nefrotoxische stoffen), lichamelijk onderzoek. Bij lab>bloedonderzoek zie je een verhoogde concentratie ureum en creatine. Ook wordt er gekeken naar het bloedbeeld, ontstekingsparameters, alle elektrolyten en albumine. Bij verdenking op een postrenale oorzaak wordt een bladderscan verricht en evt urinekatheter geplaatst. Bij echografie/CT-scan word een obstructie duidelijk.
Behandeling: Wegnemen van de oorzaak. Er wordt gestreefd naar een optimale vullingstoestand, door water en zoutbeperking en soms diuretica. Elektrolyten en pH worden gemonitord. Verstoringen zoals hyperkalimie en matabole acidose worden gecorrigeerd. Medicatie die een nierinsufficintie kunnen verergeren wordt gestaakt/dosisaanpassing. Bij zeer ernstige nierinsufficintie is soms nierfunctie vervangende therapie gendiceerd.
Complicaties:
o Ernstige hyperkalimie
o Metabole acidose
o Uremische complicaties
o Longoedeem
Prognose: Nierfunctie kan zich volledig herstellen, maar in sommige gevallen gaat acute nierinsufficintie over in een chronische nierinsufficintie. Pat met anurie/oligurie hebben een minder goed uitzicht op volledig herstel. Pat met onderliggende chronische nierinsufficintie, hebben bij acute nierinsufficintie een verhoogd risico op nierfunctie vervangende therapie en terminaal nierfalen.
Preventie: Handhaven van een goede vochtbalans bij zorgvragers met een verhoogd risico op dehydratie en shock. Nefrotoxische stoffen en medicatie die van invloed is op de nierfunctie, moeten bij risicogroepen worden vermeden.
Verpleegkundige aandachtspunten: Vroeg signalering is belangrijk voor snelle behandeling en het voorkomen van chronische nierinsufficintie. Verpleegkundigen moeten alert zijn op longoedeem, hypertensie en ondervulling als overvulling bij vochtbalans. Bij acuut is het bewaken van het mictiepatroon, dagelijks wegen, meten van bloedglucose bij diabetes gevallen en vitale functies monitoren. Omgeving en zorgvrager begeleiden en voorlichten.
Chronische nierinsufficintie nierfunctie is door beschadiging van het nierweefsel langzaam (maanden-jaren) achteruit aan het gaan.
Etiologie: De meest voorkomende zijn diabetes mellitus en hypertensie. Beide aandoeningen en atheroclerose en autoimmuunaandoeningen veroorzaken schade aan kleinere bloedvaatjes in de nieren. Bij diabetes heet dit diabetische nefropathie. Andere oorzaken kunnen zijn pyelonefritis, nefrotoxische medicatie en erfelijke nieraandoeningen. Acute nierinsufficintie die onvoldoende herstelt kan overgaan naar chronisch.
Symptomen: Pas bij 60-70% uitval van de nierfunctie ontstaan er klachten:
o Vaker plassen en nycturie
o Uremie (vermoeidheid, cognitieve problemen, coma, bewustzijnsdaling, verminderde eetlust, misselijk, jeuk en een vaalgele huid).
o Vochtretentie/overvulling (oedeem en hypertensie)
o Elektrolytstoornissen en acidose (spierpijn, spierzwakte, spierkrampen tinteling gevoelsverlies).
o Anemie (vermoeidheid en bleek zien)
o Verstoorde botstofwisseling (osteoporose) en botpijn.
Diagnostiek: Jaarlijkse screening middels bloed en urineonderzoek is aanbevolen bij risicogroepen. Beeldvorming: echografie en CT-scan. (zie blz 246)
Behandeling:
o Vertragen van progressie en preventie van late complicaties
Hyperglykemie, hypertensie en protenurie zijn risicofactoren voor progressie van nierschade. Het is daarom belangrijk om het glucosegehalte en de bloeddruk goed onder controle te houden. Combinatie van antihypertensiva verlaagt de bloeddruk en gaat protenurie tegen (ook een eiwitbeperkt dieet is tegen protenurie). Gezonde leeftstijlmaatregelen remmen nierschade af. En medicamenteus te behandelen.
o Verminderen van symptomen
- Uremie, door een eiwitbeperking dieet.
- Vochtretentie, door inname zout en vocht beperking en diuretica.
- Elektrolytstoornissen, fosfaatbeperking (eiwitbeperking), fosfaatbinders en calcitriol zorgen voor een beter calcium-fosfaatbalans. Hyperkalimie kan worden bestreden door een kaliumbeperkt dieet en kaliumverlagende middelen.
- Anemie, door EPO-injecties en suppletie van ijzer, foliumzuur en vitamine B12.
- Metabole acidose, door eiwitbeperking, diuretica en evt bicarbonaat.
o Preventie van bijkomende acute nierinsufficintie
Risico op een acute verslechtering zo klein mogelijk houden, door het voorkomen van dehydratie, ondervulling en het gebruik van nefrotoxische middelen.
o Aanpassen van medicatie
Verminderde eliminatie in de nieren kan zorgen voor dat medicatie een te hoge bloedspiegel bereikt > risico op toxiciteit. Hiervoor regelmatige bloedspiegel controle en zo nodig dosis aanpassing.
o Nierfunctievervangende therapie, bij nierfalen (eGFR van minder dan 15 ml/min/1,73m2) is nierfunctievervangende therapie nodig. Deze therapie bestaat uit nierdialyse en niertransplantatie (hemodialyse en peritoneale dialyse). Een donornier wordt in de onderbuik aangesloten op bloedvaten en de blaas. Hierna gebruikt de zorgvrager medicatie die het immuunsysteem onderdrukt om de kans op verstoting te verkleinen. Zie blz 247 voor 2 soorten dialyse.
Bij een niertransplantatie wordt een donornier in de onderbuik aangesloten op de bloedvaten van de blaas. Na transplantatie moet de zorgvrager medicatie gebruiken die het immuunsysteem onderdrukt om kans op afstoting te verkleinen.
Complicaties:
o Hart- en vaatziekten door hypertensie
o Hartritmestoornissen door hyperkalimie
o Osteoporose met fracturen en botpijn door een verstoorde calcium en fosfaatbalans.
o Hartfalen door vocht en zoutretentie en door anemie
o Pericarditis, pleuritis en stollingsstoornis door uremie
o Jicht door ophoping van urinezuur
o Toxische doses van medicatie door afname van de uitscheiding via de nier.
Prognose: Beschadigd nierweefsel, zal niet meer herstellen.
Preventie: Huisarts/praktijkondersteuner controleert jaarlijks de nierfunctie bij risicogroepen. In een vroeg stadium de onderliggende oorzaken factoren aanpakken. Gezonde leefstijl.
Verpleegkundige aandachtspunten: Signaleren. Angst en vrees bespreekbaar maken. Screenen op ondervoeding. De omgeving en zorgvrager voldoende inlichten.
Niersteenlijden: Nier- en urinestenen zijn harde klontjes die ontstaan uit afvalstoffen in de urine. Deze stoffen lossen normaal op, maar soms blijven ze achter en vormen ze steentjes in de nieren of urinewegen. Als zon steentje vast komt te zitten, kan dat heftige pijn veroorzaken. Ook kan er bloed in de urine zitten en soms ontstaat er een blaas- of urineweginfectie. Niersteenlijden en urinesteenlijden betekenen eigenlijk hetzelfde.
Etiologie en pathofysiologie: Het precieze ontstaansmechanisme van niersteenlijden is onduidelijk. Men neemt aan dat stenen in de nieren worden gevormd door het neerslaan van ionen in oververzadigde urine. Ook ten gevolge van urineweginfecties kunnen nierstenen ontstaan, in dat geval door het neerslaan van afvalstoffen op bacterin.
Symptomen: Niet alle nierstenen geven klachten. Kleine steentjes worden spontaan uit geplast. Soms is de steen zo groot dat deze in het pyelum blijft zitten. Klachten treden wel op als een steen in de ureter vast blijft zitten en daar voor obstructie zorgt met stuwing van de urine. Zorgvrager voelt hierbij klam aan en ziet er bleek-grauw uit. Bij een typische niersteenaanval is er sprake van aanvalsgewijze, hevige krampende pijn. Dit gaat vaak gepaard met misselijkheid, braken en bewegingsdrang. De pijn kan in de flank, de zijkant van de buik, onderbuik en lies gelokaliseerd zijn, afhankelijk van de plaats waar de niersteen is vastgelopen. Bij een distaal gelegen steen in de ureter zijn er soms mictieklachten, zoals een dysurie en frequentie mictie. Soms wordt bloed in de urine gezien. Een bijkomende urineweginfectie kan zorgen voor een verhoogde temperatuur.
Diagnostiek: Naast de anamnese wordt lichamelijk onderzoek verricht. Palpatie van de buik kan eenzijdig pijnlijk zijn. Bij urineonderzoek wordt gekeken naar de aanwezigheid van erytrocyten en tekenen van een urineweginfectie. Hematurie wijst op niersteenlijden, maar afwezigheid van erytrocyten sluit een niersteen niet uit. In eerste instantie wordt spontane passage van een niersteen afgewacht en is geen beeldvorming nodig. Bij tekenen van stuwing, urineweginfectie en bij aanhoudende klachten wordt wel beeldvorming verricht ter bevestiging van een steen en stuwing in de urinewegen en nieren.
Behandeling en prognose: Bij de meeste niersteenkolieken volstaat een medicamenteuze behandeling met pijnstillers. Tijdens een aanval wordt diclofenac intramusculair gegeven en zo nodig worden opioden subcutaan of intramusculair gegeven. Als de pijn en misselijkheid voldoende afgenomen zijn, gaat men over op orale pijnmedicatie en evt. tamsulosine om de steen makkelijker te passeren. Zorgvragers krijgen het advies om de urine te zeven en de niersteen op te vangen, zodat samenstelling van de steen kan worden geanalyseerd. Bij grotere stenen die niet passeren is vergruizen of verwijderen van de stenen nodig. Bij niersteenvergruizing worden krachtige schokgolven gericht op de niersteen, die daardoor in gruis uiteenvalt. Dit gruis kan worden uit geplast. Ook kunnen nierstenen, indien nodig, endoscopisch of via een kijkoperatie worden verwijderd. Eventueel wordt er een katheter in de nier geplaatst om stuwing van de nier te ontlasten en de ureter te laten herstellen. Na verwijdering van de niersteen is de prognose gunstig, maar recidieven komen regelmatig voor.
Complicaties: Complicaties van nierstenen komen niet vaak voor. Een vastzittende steen kan leiden tot stuwing in de nieren en daardoor tot schade aan het nier weefsel met nierinsufficintie. Een bijkomende urineweginfectie kan leiden tot een sepsis.
Preventie: Voor preventie van recidieven wordt naar aanleiding van de steenanalyse een advies op maat gegeven. Voldoende drinken is belangrijk om de concentratie afvalstoffen te verdunnen.
Elektrolyten stoornissen: Stoornissen in de concentratie van elektrolyten in het bloed, en daarmee ook van de osmolaliteit, kunnen leiden tot ernstige gezondheidsproblemen, zoals neurologische en cardiologische problemen.
Natrium: Natrium regelt de vochtbalans in het lichaam en zit vooral in het bloed en het vocht tussen de cellen. We krijgen genoeg natrium binnen via voeding, vooral als keukenzout. Een teveel wordt uitgeplast. Het lichaam houdt de hoeveelheid natrium in het bloed zo constant mogelijk, maar soms kan die te laag of te hoog worden.
Bij hyponatrimie is de natriumconcentratie in het bloed verlaagd. Het bloed bevat relatief meer water in verhouding tot de hoeveelheid natrium.
Risico factoren, etiologie en pathofysiologie
Een verlaagde natriumconcentratie in het bloed kent verschillende oorzaken: Hyponatrimie is meestal het gevolg van natriumverlies. Dit kan komen door;
Nieraandoeningen,
Andere oorzaken; zoals hevig braken of ernstige diarree
Gebruik van diuretica
Een andere oorzaak is het vasthouden van te veel vocht, of het te langdurig vasthouden van vocht.
Dit kan komen door:
Een verhoogde afgifte van ADH in reactie op een onvoldoende circulatie, zodat water wordt vastgehouden.
Een (langdurige) verhoogde afgifte van ADH door bepaalde geneesmiddelen, zoals antipsychotica, antidepressiva en NSAIDs of als gevolg van SIADH.
Een excessieve vochtopname zonder zoutgebruik.
Ecstasygebruikers vormen een bijzondere risicogroep. Ecstacy stimuleert de afgifte van ADH. Wanneer ecstacy gebruikers veel water drinken, kan een watervergiftiging met ernstige hyponatrimie ontstaan.
Symptomen: De klinische verschijnselen zijn afhankelijk van de ernst van het natriumtekort en de snelheid waarmee het natriumtekort ontstaat. Bij een geleidelijk ontstane hyponatrimie hebben zorgvragers vaak vage klachten, zoals algehele malaise, vermoeidheid, maag-darmklachten en een verhoogde kans op vallen. Neurologische symptomen zijn concentratiestoornissen en hoofdpijn. Bij een ernstige en acute hyponatrimie staan neurologische symptomen op de voorgrond die het gevolg zijn van hersenoedeem, zoals verwardheid, epilepsie en coma.
Diagnostiek: De diagnose wordt mede gesteld op grond van laboratoriumonderzoek. Naast bepaling van de natriumconcentratie in het bloed, wordt ook de osmolaliteit bepaald en de hoeveelheid natrium in de urine. Dit is nodig om vast te kunnen stellen of de hyponatrimie het gevolg is van te veel water of niet.
Behandeling: Een acuut tekort aan natrium in het bloed met matige tot ernstige symptomen moet onmiddellijk worden aangevuld met hypertoon zout. Bij een chronische hyponatrimie richt de behandeling zich op de oorzaak.
Complicaties: Acute hyponatrimie kan leiden tot ernstige hersenbeschadiging of zelfs overlijden als gevolg van acuut hersenoedeem ontstaan door verplaatsing van water naar de hersencellen, als gevolg van de hogere intracellulaire osmolaliteit. Een te snelle correctie van het zouttekort bij een chronische hyponatrimie geeft risico op een andere neurologische complicatie, het osmotisch demyelinisatie syndroom.
Bij hypernatrimie is de natriumconcentratie in het bloed verhoogd. Het bloed bevat relatief minder water in verhouding tot de hoeveelheid natrium.
Risicofactoren en etiologie: De belangrijkste oorzaak van hypernatrimie is dehydratie door onvoldoende waterinname en/of een overmatig waterverlies via de nieren of via zweten. Risicogroepen zijn kinderen en ouderen, mensen die zijn opgenomen op de intensive care en zorgvragers met ontregelde diabetes. Ook bij diabetes inspidus verliest het lichaam overmatig veel water doordat er te weinig ADH wordt aangemaakt. Hypernatrimie ontstaat soms door de inname van ex-cessieve hoeveelheden zout.
Symptomen: Vaak hebben zorgvragers met hypernatrimie geen klachten. Soms hebben zij last van een droge mond, dorst en neurologische symptomen zoals rusteloosheid. Bij een ernstige hypernatrimie kan er sprake zijn van een gedaald bewustzijn, insulten en zelfs coma.
Behandeling: De behandeling is gericht op het normaliseren van de natriumconcentratie in het bloed en het aanvullen van het tekort aan water. Als er sprake is van polyurie, dan moet de oorzaak hiervan ook worden aangepakt. Polyurie zien we bijvoorbeeld bij diabetes mellitus.
Complicaties: Een ernstige complicatie van acute hypernatrimie is een hersenbloeding. Chronische hypernatrimie kan leiden tot hersenoedeem.
Kalium is belangrijk voor het in stand houden van de membraanpotentiaal en dus voor de werking van zenuwen en spieren. Het zit vooral in de cellen, we krijgen meestal genoeg via voeding en een teveel wordt via de nieren uitgescheiden.
Bij Hypokaliemie is de kaliumconcentratie in het bloed verlaagd.
Risicofactoren en etiologie: de belangrijkste oorzaken van hypokalimie zijn:
De verminderde inname van kalium. Dit komt zelden voor. In het algemeen wordt voldoende kalium ingenomen via voeding.
Verhoogde uitscheiding van kalium via de nieren:
Door het gebruik van bepaalde diuretica
Bij bepaalde syndromen
Verhoogde uitscheiding van kalium via het maag-darmkanaal door ernstige diarree
Verplaatsing van kalium van extra -naar intracellulair, dit proces treedt onder andere op bij alkalose of bij de toedieningen van insuline bij een zorgvrager met ernstige hyperglycemie
Symptomen: Milde hypokalimie veroorzaakt meestal geen klachten. Bij ernstige hypokalimie kunnen neuromusculaire problemen ontstaan.
Diagnostiek: De diagnose hypokaliemie wordt primair gesteld op grond van bloedonderzoek. Eventuele hartproblemen kunnen worden vastgesteld met behulp van een ecg.
Behandeling: Bij matige tot ernstige hypokaliemie met ecg-afwijkingen of verlammingsverschijnselen wordt meestal gestart met intraveneuze aanvulling van het kaliumtekort. Bij milde hypokaliemie kan het kaliemie tekort worden aangevuld door middel van orale kaliumsppletie. Natuurlijk moet zal ook de oorzaak moeten worden behandeld.
Complicaties: De belangrijkste complicatie is een ernstige hartritmestoornis.
Preventie: Monitoring van de kaliumspiegel is van belang bij bepaalde medicijnen en bij zorgvragers met eetstoornissen.
Hyperkalimie kaliumconcentratie in het bloed is verhoogd.
Risicofactoren en etiologie:
o Verhoogde inname van kalium
o Verminderde uitscheiding van kalium
o Verplaatsing (redistributie) van kalium van intra naar extracellulair.
Symptomen: Geen klachten vaak. Mogelijke symptomen zijn dyspneu en hypotensie. Laat symptoom is spierzwakte.
Diagnostiek: Lab onderzoek > kaliumconcentratie in het bloed.
Behandeling: Intraveneuze medicatie bij acuut. Bij chronisch gaat het om het wegnemen van de oorzaak (bijv medicatie aanpassen/voedingsgewoonte).
Complicaties en prognose: Ernstige hyperkalimie kan leiden tot hartritmestoornissen/hartstilstand.
Preventie: Regelmatige kaliumconcentratie controle. Soms een kaliumbeperkt dieet nodig.
Calcium is belangrijk voor een goede botopbouw, het gebit, de bloedstolling en het hartritme. Ook goed voor goed functioneren van de spieren en zenuwen.
Hypocalcimie: de calciumconcentratie in het bloed te laag.
Etiologie en pathofysiologie:
o Tekort aan PTH
o Tekort aan calcitriol door verminderde inname van vitamine D
o Verminderde reabsorptie
Symptomen:
o Vermoeidheid
o Ademhalingsstelsel: wheezing en stemverandering
o Neurologisch en psychiatrisch: doof gevoel/tintelingen rond de mond/vingers/tenen, verwardheid, spierkrampen, hallucinaties, delier etc.
o Bot- en gebitsafwijkingen: botpijn, botmisvormingen
o Huidafwijking: schilferende huis, broze nagels en breekbaar haar.
Diagnostiek: Anamnese, lichamelijk onderzoek en lab onderzoek.
Behandeling: Bij een lichte hypocalcimie zonder symptomen kan oraal calciumpreparaat worden voorgeschreven. Bij acute ernstige hypocalcimie is een ziekenhuis behandeling nodig: intraveneuze calcium toediening. Er word vaak gestart met vitamine-D suppletie.
Complicaties en prognose: Hartritmestoornissen, hartstilstand, insulten en botbreuken.
Preventie: Voldoende calcium en vitamine D in voeding en voldoende zonlicht. Bij teken van Trousseau tijdens bloeddruk meting, moet aanvullend onderzoek worden gedaan.
Hypercalcimie: calciumconcentratie in het bloed te hoog.
Etiologie en pathofysiologie: Meest voorkomende oorzaken zijn hyperparathyreodie of kanker. Bij zorgvragers met kanker worden osteoclasten gestimuleerd om sneller bot af te breken. In het laatste geval vindt botafbraak plaats zonder dat er sprake is van metastasen. Een verhoogde inname van vitamine D en/of calcium en een verminderde uitscheiding van calcium via de nieren is een minder grote oorzaak.
Symptomen: Licht geeft vaak geen klachten. Matige- ernstige hypercalcimie geeft wel klachten:
o Algehele mailse, moeheid, polyurie, dorstgevoel en gewichtsverlies.
o Botafwijkingen: botpijn, spontane fracturen
o Vorming van nierstenen
o Maag-darmstelsel: gebrek aan eetlust, misselijkheid, braken, obstipatie, pijn in de bovenbuik.
o Psychiatrisch: Psychose, verminderd cognitief functioneren, persoonlijkheidsverandering en stemmingsverandering.
o Spierzwakte, hartritmestoornissen en neurologische symptomen.
Diagnostiek: Lichamelijk onderzoek. Diagnose wordt gesteld op grond van bloedonderzoek > calcium en PTH concentratie. Beeldvormend: ECG.
Behandeling: Bij lichte, zonder symptomen is er geen behandeling nodig. Bij overige is de behandeling gericht op vochttoediening en eventuele medicatie.
Complicaties: Ernstige hypercalcimie kan leiden tot nierinsufficintie, ernstige hartritmestoornissen en botbreuken.
Preventie: Calciumspiegel bij zorgvrager met kanker moet regelmatig gecontroleerd worden. Ook ouderen die vitamine D suppletie krijgen.
Verpleegkundige aandachtspunten: Signaleren. Monitoren van lichamelijke functies. Teken van Trousseau tijdens bloeddruk meten > naar de arts. Gedrag observatie en bijzonderheden registreren. Vocht en voedingslijst bijhouden en de zorgvrager en omgeving begeleiden en voorlichten.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 10.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question