Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Les 7
Geriatrie = geneeskunde gericht op ziekten die samenhangen met veroudering en geneeskunde voor ouderen: vaak multipathologie en complex. Geriatrische patinten zijn meestal oud, lang niet alle oudere patinten zijn geriatrisch. Er is sprake van een typisch geriatrische patint als er sprake is van multi pathologie.
Geriatrische trias: de verwevenheid van lichamelijke, psychische en sociale factoren in het ontstaan van gezondheidsproblemen bij ouderen. Bij ouderen is er vaak vermindering van functiereserve, waardoor eerder ontregeling (lichamelijk, psychisch en sociaal).
De geriatrische reuzen: de gezondheidsproblemen die bij ouderen frequent voorkomen en de gezondheid het meest bedreigen.
Kwetsbare ouderen
De 5 Is: Immobiliteit, Instabiliteit, Incontinentie, Intellectuele achteruitgang, Iatrogene nevenwerkingen van medicijnen (Intoxicatie)
Bij ouderen is er vaak sprake van multipathologie, wat betekent dat zij meerdere chronische aandoeningen tegelijkertijd hebben. Hierdoor gebruiken zij vaak meerdere geneesmiddelen, ook wel polyfarmacie genoemd. Dit verhoogt het risico op geneesmiddelinteracties en bijwerkingen. Soms worden bijwerkingen van medicijnen niet herkend en gezien als nieuwe klachten, waardoor extra medicatie wordt voorgeschreven. Dit kan leiden tot een zogenoemde voorschrijfcascade.
Daarnaast zijn ouderen vaak kwetsbaarder. Door veroudering neemt de reservecapaciteit van het lichaam af, waardoor ouderen minder goed kunnen omgaan met veranderingen, zoals de effecten van medicatie. Hierdoor zijn zij gevoeliger voor bijwerkingen en complicaties, zoals vallen, verwardheid en uitdroging. Ook herstellen ouderen langzamer van deze bijwerkingen.
Verder treden er veranderingen op in de farmacokinetiek en farmacodynamiek. De nierfunctie neemt vaak af, waardoor geneesmiddelen minder snel worden uitgescheiden en zich kunnen ophopen in het lichaam. Ook verandert de lichaamssamenstelling, met meer vet en minder spiermassa, wat invloed heeft op de verdeling van medicijnen. Daarnaast kan de leverfunctie afnemen, waardoor de afbraak van geneesmiddelen trager verloopt. Ouderen zijn bovendien vaak gevoeliger voor de effecten van bepaalde medicijnen, vooral die welke invloed hebben op het centrale zenuwstelsel. Dit kan leiden tot klachten zoals sufheid, duizeligheid en een verhoogd valrisico.
Door deze veranderingen en het gebruik van meerdere medicijnen is het risico op bijwerkingen en ziekenhuisopnames bij ouderen groter. Ook kunnen praktische problemen, zoals geheugenproblemen, slecht zicht of ingewikkelde medicatieschemas, de therapietrouw verminderen.
Het is daarom belangrijk om bij ouderen zorgvuldig om te gaan met medicatie. Dit houdt in dat er regelmatig een medicatiebeoordeling plaatsvindt, dat doseringen worden aangepast aan bijvoorbeeld de nierfunctie en dat kritisch wordt gekeken naar de noodzaak van elk geneesmiddel. Het principe start low, go slow is hierbij belangrijk. Ook is het van belang om de patint te betrekken bij de behandeling en rekening te houden met diens persoonlijke situatie.
Vergrijzing: Vergrijzing betekent dat het aantal ouderen (65+) in de bevolking toeneemt. In Nederland was dit in 2020 ongeveer 20% van de bevolking. Ook neemt het aantal 80-plussers toe, dit wordt dubbele vergrijzing genoemd. In de toekomst zal dit verder stijgen: rond 2040 bestaat ongeveer 26% van de bevolking uit ouderen, waarvan een groot deel 80+ is. Belgi laat een vergelijkbare ontwikkeling zien. De vergrijzing komt door een hogere levensstandaard en betere medische zorg. Dit heeft gevolgen voor de samenleving, zoals meer behoefte aan zorg, aangepaste woningen en hulpmiddelen voor ouderen.
Veroudering: Met het ouder worden gaat het hart minder goed functioneren. Het prikkelgeleidingssysteem werkt trager doordat het aantal cellen in de sinusknoop afneemt. Ook worden hartspiercellen vervangen door bindweefsel en vet, waardoor het hart stijver wordt. Hierdoor daalt de hartslag en kunnen hartritmestoornissen ontstaan. De hartkamers, vooral de linkerkamer, ontspannen minder goed en worden kleiner, wat leidt tot een afname van de pompfunctie (hartcapaciteit).Daarnaast veranderen de bloedvaten: ze worden stijver en nauwer door onder andere plaquevorming (atherosclerose). Dit belemmert de doorbloeding en verhoogt het risico op hart- en vaatziekten. Kortom, veroudering van het circulatiestelsel zorgt voor een minder efficinte werking van hart en bloedvaten.
Bij DM2 raken lichaamscellen steeds meer resistent voor insuline en is er sprake van een verminderde productie van insuline.
Risicofactoren: Een verhoogd risico op DM2 hebben zorgvragers die:
- Een hogere leeftijd hebben
- Familiair belast zijn met DM2
- Van Surinaamse, Turkse of Marokkaanse afkomst zijn
- Te maken hebben met bepaalde leefstijl factoren
- Zwangerschap diabetes hebben doorgemaakt
- Bekend zijn met hypertensie en/of hypercholesterolemie
- Bepaalde medicatie gebruiken
Etiologie: De ontstaanswijze van DM2 is complex en nog niet geheel opgehelderd. Een combinatie van erfelijke factoren en leefstijlfactoren zorgt voor een geleidelijk ontstaan van insulineresistentie. Vooral zorgvragers met obesitas ontwikkelen insulineresistentie. Daarnaast zorgen veroudering en erfelijke factoren voor een verminderde insuline productie in de btacellen van de pancreas. DM2 is vaak onderdeel van het metabool syndroom, een combinatie van insuline resistentie, centrale obesitas, hypertensie en verstoorde cholesterol en triglyceridenwaarden. Dit metabool syndroom leidt tot een verhoogde risico op hart-en vaat ziekten.
Pathofysiologie: Bij DM2 is er sprake van insulineresistentie en van een verminderde insuline productie. Bij insuline resistentie worden lichaamscellen steeds minder gevoelig voor insuline, waardoor de cellen minder glucose kunnen opnemen. Het bloedglucose gehalte wordt steeds wat hoger, ondanks het feit dat er wel insuline wordt geproduceerd. Dit proces gaat heel geleidelijk en verloopt vaak jarenlang zonder klachten. In eerste instantie is er sprake van een gestoorde glucosetolerantie: het duurt na inname van glucose langer voordat het bloedglucosegehalte zich heeft hersteld tot de normaalwaarde. Na verloop van tijd kan het lichaam niet meer voldoende insuline produceren om aan de verhoogde insulinebehoefte te voldoende treedt er een blijvende hyperglykemie op, met bijpassende klachten als polyurie en polydipsie. Bij DM2 treedt zelden ketoacidose op. Dit komt door dat er geen absoluut tekort aan insuline is, waardoor vetverbranding niet noodzakelijk is. Ook bij DM2 raakt het lichaam echter ernstig ontregeld als het bloedglucosegehalte sterk stijgt. Door de gevolgen van hyper-glykemie treedt er ernstige uitdroging op en wordt het bloed zeer geconcentreerd, of hyper osmolair. =
Symptomen: De klachten van DM2 ontwikkelen zich zeer geleidelijk. De typische klachten van hyperglykemie, polyurie en polydipsie, treden niet vaak op de voorgrond. Vaker wordt de aandoening bij toeval of bij screening ontdekt. Ook kunnen de eerste klachten pas bij complicaties of bij een ernstige ontregeling optreden. Symptomen die optreden bij chronische hyperglykemie:
- Symptomen van infectie, bijvoorbeeld vaginale candidiasis of urineweginfectie
- Vertraagde wondgenezing
- Tintelingen of een doof gevoel in de handen en voeten door polyneuropathie
Een ernstige ontregeling van DM2 is het hyperglykemisch hyper osmolair syndroom. Symptomen hiervan zijn:
- Tekenen van dehydratie: droge slijmvliezen, een droge huid en ingevallen ogen
- Tekenen van hypovolemische shock: tachycardie, hypotensie
- Neurologische klachten: verwardheid, duizeligheid, convulsies en coma.
Diagnostiek: De diagnose DM2 berust op het bepalen van de bloedglucosewaarde. Als de diagnose DM2 gesteld wordt, kan er al sprake zijn van lange termijn complicaties. Bij een risico-inventarisatie van deze complicaties voert men onder andere de volgende metingen en onderzoeken uit op regelmatige basis:
- Bepaling van BMI
- Bloeddrukmeting
- Voetonderzoek
- Bloedonderzoek
- Urineonderzoek
- Fundoscopie
Behandeling: Het doel van de behandeling is het glucosegehalte zo goed mogelijk te reguleren en zo het risico op langer termijn complicaties te verminderen. Dit wordt bereikt door middel van niet medicamenteuze en medicamenteuze maatregelen.
Niet medicamenteuze maatregelen: Educatie van zorgvragers met DM2 richt zich op de behandeling, het controleren van glucosewaardes en de complicaties. Bij DM2 is het niet nodig om dagelijks of meerdere malen per dag het glucosegehalte te controleren, maar zorgvragers moeten weten bij welke alarmsymptomen zij wel moet meten. Tijdens controlemomenten bij de huisarts wordt de glucoseregulatie gecontroleerd door middel van een nuchtere glucosewaarde en HbA1c. Het aanpassen van de leefstijl heeft een gunstige invloed op de insuline resistentie. Hierdoor kan een milde verhoging van het glucosegehalte zelfs verdwijnen.
Medicatie is nodig als leefstijlaanpassingen onvoldoende effect hebben. In eerste instantie medicamenteus behandeld met oraal werkende antibiotica die de glucosespiegel verlagen. Indien dit onvoldoende effect heeft, wordt hieraan bij sommige insuline toegevoegd.
Complicaties: DM2 kan gepaard gaan met verschillende complicaties, zowel op korte als lange termijn. Op korte termijn kunnen hypo- en hyperglykemien optreden. Bij DM2 komt vooral het hyperosmolair hyperglykemisch syndroom (HHS) voor, dat kan leiden tot coma.
Infecties: Een hoge bloedglucosespiegel tast de werking van het immuunsysteem aan, waardoor zorgvragers met diabetes een verhoogd risico op infecties hebben, met name door bacterin en schimmels. Door glucosurie treden vooral regelmatig urineweginfecties op. Tijdens infecties is er vaak ontregeling van de bloedglucosewaardes en moeten deze extra worden gecontroleerd. Koorts, minder intake door gastro-intestinale klachten en minder inname van medicatie dragen bij aan de ontregeling. Ook zorgen verhoogde cortisolspiegels voor een toegenomen insulinebehoefte.
Langer termijn complicaties: Bij DM1 en DM2 komen dezelfde zeer ernstige langer mijn complicaties voor. Het risico hierop neemt toe naarmate de diabetes mellitus langer bestaat. Een goede instelling van de bloedglucosewaardes werkt preventief. Een hoge bloedspiegel veroorzaakt schade aan bloedvaten (macro- en micro-angiopathie) door het hele lichaam, wat een breed scala aan aandoeningen tot gevolg heeft:
- Macro-angiopathie (beschadiging van grotere arterin). In grotere arterin leidt een hoge glucosespiegel tot een toename van plaquevorming. Hierdoor ontstaat een verhoogd risico op hart- en vaat ziekten als: coronaire hartziekten, cerebrovasculair accident en perifeer arterieel vaatlijden.
- Micro- angiopathi (beschadiging van kleine bloedvaten). In kleinere vaten leidt een hoge glucosespiegel tot verdikking en lekkage, waardoor de bloedtoevoer naar de weefsels vermindert. Dit kan onder andere leiden tot: verminderde wondgenezing, diabetische retinopathie, diabetische nefropathie en diabetische neuropathie.
- Diabetische voet. Deze ernstige complicatie wordt veroorzaakt door een combinatie van perifeer arterieel vaatlijden, perifere neuropathie, een slechte wondgenezing en een verhoogd infectierisico. Door een verminderd gevoel in de voeten worden kleine letsels niet opgemerkt. Door een verminderde doorbloeding en slechte wondgenezing kan dit zich ontwikkelen tot een slecht of niet genezend ulcus. Hierbij kan er sprake zijn van wondinfectie en necrosevorming. In sommige gevallen leidt dit uiteindelijk tot amputatie.
Preventie: DM2 kan uitgesteld en zelfs worden voorkomen door leefstijlaanpassingen. Bij zorgvragers met een hoog risico vermindert de kans op het ontwikkelen van DM2 met 50 % door een gewichtsverlies van 7% gecombineerd met 30 min matig intensieve lichaamsbeweging per dag.
Verpleegkundige aandachtspunten: Verpleegkundigen spelen een belangrijke rol bij het signaleren van een hypo-of hyperglykemie. Soms leidt het signaleren hiervan tot het stellen van de diagnose diabetes mellitus als de zorgvrager deze nog niet heeft. Bij zorgvragers met onvoldoende kennis over de aandoening, de behandeling, de invloed van leefstijl en de complicaties bestaat het risico dat ze ineffectief omgaan met de eigen gezondheid. Educatie en voorlichting zijn van groot belang. Ook geven verpleegkundige zorgvragers ondersteuning bij het aanpassen van leefstijl. Ook letten op de huid voor beschadigingen en gevoelsstoornissen. Zorgvrager die een operatie ondergaan en dan kunnen er ook complicaties optreden waar de verpleegkundige dan bij moet zijn bij het postoperatieve gedeelte.
Bij Artrose ontstaat door degeneratie schade aan het kraakbeen. Als gevolg daarvan treden veranderingen op in het hele gewricht.
Risicofactoren zijn:
- Een hogere leeftijd
- Vrouwelijke geslacht
- Obesitas
- Erfelijke factoren
- Sterke belasting van de gewrichten
- Een trauma of een ontsteking
Etiologie en pathofysiologie: Artrose begint vaak in de heup, knie of duim, maar kan zich uitbreiden naar andere gewrichten. Artrose wordt soms uitgelokt door een andere aandoening, zoals traumatisch letsel. Meestal is de uitlokkende factor echter niet bekend. Artrose ontstaat langzaam. Het kraakbeen vormt samen met het synoviale membraan de binnenbekleding van de synoviale gewrichten. Chrondrocyten zorgen voor een optimaal evenwicht tussen de aanmaak en afbraak van kraakbeen. Bij artrose raakt dit evenwicht verstoord; er wordt meer kraakbeen afgebroken dan aangemaakt. De chrondrocyten doen een poging dit te herstellen, maar het kraakbeen dat ze hierbij produceren is van slechtere kwaliteit. Hierdoor wordt het kraakbeen minder elastisch. Uiteindelijk raken de chrondrocyten uitgeput en gaan ze dood. Dit leidt tot nog minder elasticiteit van het kraakbeen wordt en er breken stukjes af. Door het dunnere, ruwe kraakbeen wordt het gewricht oppervlak onregelmatig en gaat bewegen lastiger. Uiteindelijk bewegen de botten tegen elkaar aan. Dit zorgt onder andere voor het ontstaan van botuitstulpingen (osterfyten).
Symptomen: Gewrichtsklachten staan bij artrose op de voorgrond:
- Pijn, verergerd of uitgelokt door activiteit
- Stijfheid van het gewricht, voornamelijk bij het opstaan of na een periode van inactiviteit
- Uiteindelijk kan de zorgvrager het gewricht minder goed bewegen
- Soms is er sprake van een lichte zwelling
Diagnostiek: De diagnose kan worden gesteld op basis van de anamnese en lichamelijke onderzoek. Beeldvorming is niet per se nodig, aangezien artrose niet altijd zichtbaar is op rntgenopnames. Ook wordt artrose soms bij toeval aangetroffen op beeldvorming, zonder dat de zorgvrager er last van heeft. Wel wordt eventueel aanvullend onderzoek gedaan om een andere oorzaak uit te sluiten, zoals reumatode artritis of een neurologische oorzaak.
Behandeling: De zorgvrager met artrose krijgt voorlichting en algemene leefstijladviezen. Bij overgewicht of obesitas wordt gewichtsverlies aangeraden. Dit kan worden begeleid door een fysiotherapeut, oefentherapeut en/of ditiste. Regelmatig bewegen helpt de symptomen van artrose te verminderen en kan ook helpen te voorkomen dat de klachten terugkomen. Er moet bij pijn een balans zijn tussen rust en regelmatig bewegen. Overbelasting is echter niet goed. Andere niet medicamenteuze opties zijn een spalk, brace en/of koude of warme kompressen. Medicamenteuze behandeling bestaat uit tijdelijk gebruik van paracetamol, NSAID-gel en/of NSAIDs. Soms wordt een injectie gegeven in het gewricht, vaak corticosteroden. Er zijn veel hulpmiddelen beschikbaar voor behoud van de mobiliteit. Bij zeer ernstige klachten is soms een gewricht vervangende operatie nodig, waarbij er een prothese wordt geplaatst.
Complicaties: Er bestaat een risico op vallen als gevolg van verminderde mobiliteit. Artrose in de wervelkolom kan leiden tot een versmalling van het wervelkanaal of beschadiging van het ruggenmerg.
Prognose: De prognose wisselt per zorgvrager. Artrose is niet te genezen en meestal worden klachten langzaam erger. Vaak wisselen periodes met meer en minder symptomen elkaar af.
Verpleegkundige aandachtpunten: De verpleegkundige speelt een belangrijke rol bij het vroegtijdig herkennen van artrose en het juist behandelen van de aandoeningen. Kennis van het skelet, de symptomen passend bij artrose en de verpleegkundige interventies is nodig om de zorgvrager met artrose goed te kunnen ondersteunen. Interventies passend bij dit ziektebeeld zijn onder andere het monitoren van pijn en het in kaart brengen van bewegingsbeperkingen. De verpleegkundige dient alter te zijn op tekenen van ontstekingsreactie van het aangedane gewricht.
Osteoporose (botontkalking) is een progressieve skeletaandoening die zich kenmerkt door een lage botdichtheid en een verstoorde samenhang van de botstructuur. Er ontstaan broze botten die gemakkelijk breken.
Risicofactoren zijn direct gerelateerd aan de risicofacturen voor fracturen. Er bestaat een verhoogd risico op osteoporose voor zorgvragers:
- Van het vrouwelijk geslacht, met name na de menopauze
- Ouder dan 50 jaar
- Met fracturen na een gering trauma
- Die onvoldoende calcium, vitamine D en fosfaat binnenkrijgen
- Die bekend zijn met familiare osteoporose
- Met chronische aandoeningen
- Met ondergewicht
- Die last hebben van verminderde mobiliteit
- Met een ongezonde leefstijl
- Die bepaalde medicatie gebruiken, onder andere glucocorticoden.
Etiologie: De precieze oorzaak van primaire of idiopathische osteoporose is nog onbekend. Waarschijnlijk wordt dit veroorzaakt door een combinatie van ouderdom, het wegvallen van oestrogeen na de menopauze, veranderingen in het eetpatroon en een verminderde mobiliteit. Secundaire osteoporose ontstaat als gevolg van andere aandoeningen en gebruik van medicatie zoals glucocorticoiden.
Pathofysiologie: De botopbouw is groter dan afbraak tot ongeveer 30 jaar. Daarna blijft de botdichtheid zon 10 jaar stabiel, gevolgd door een geleidelijke afname vanaf 40 jaar, vooral bij vrouwen na de menopauze. Hierdoor worden botten brozer en ontstaan sneller fracturen, soms al bij lichte belasting. Veelvoorkomende osteoporotische fracturen zijn compressiefracturen (inzakkingsfracturen) in de wervels, heup en pols.
Symptomen: Osteoporose is asymptomatisch en bestaat onopgemerkt totdat er een fractuur optreedt. De meeste fracturen geven symptomen als pijn en bewegingsbeperking. Veel van de spontane inzakkingsfracturen van de wervels die door osteoporose ontstaan, treden echter zonder symptomen op. Soms is er sprake van rugpijn. Een wervel compressiefractuur kan leiden tot verlies van lengte en verandering van stand.
Diagnostiek: Bij zorgvragers ouder dan 50 jaar met een fractuur, met een wervelfractuur of bij een verhoogd fractuurrisico wordt de botmineraaldichtheid gemeten door middel van een DEXA-scan. Bij verdenking op secundaire osteoporose wordt bloedonderzoek ingezet naar de mogelijke oorzaak. Men kijkt dan onder andere naar de nierfunctie, het vitamine D gehalte, calcium en parathormoon.
Behandeling: Osteoporose kan niet worden genezen. Door voldoende inname van calcium en vitamine D en voldoende gewricht dragende activiteiten kan wel het risico op fracturen worden verkleind. Wekelijks gebruik van bisfosfonaten vermindert de botafbraak door remming van osteoclastische activiteit. Bij secundaire osteoporose is de behandeling gericht op het zo mogelijk wegnemen en behandelen van de oorzaak.
Complicatie en prognose: De belangrijkste complicatie van osteoporose zijn fracturen. Wervelfracturen kunnen leiden tot chronische rugpijn en verminderde beweeglijkheid van de wervelkolom. Dit heeft een nadelig effect op de kwaliteit van leven. Heupfracturen kunnen leiden tot verhoogde moraliteit, verhoogde zorgbehoefte en verpleeghuisopname.
Preventie van osteoporose is van belang om het risico op fracturen te verminderen. Belangrijke leefstijladviezen hierbij zijn:
- Intake van 1000-2000mg calcium p/d 4 zuivelconsumpties
- Intake van 400-800 IE vitamine D3
- Voldoende bewegen met name gewricht dragende activiteiten
- Dagelijks minimaal 15 min naar buiten gaan met blootstelling van de huid aan zonlicht
- Stoppen met roken en overmatig alcohol gebruik indien van toepassing
Verpleegkundige aandachtspunten: De verpleegkundige heeft een belangrijke rol in het signaleren en begeleiden van zorgvragers met osteoporose. De zorg richt zich op het voorkomen van fracturen en verdere botafbraak. Belangrijke aandachtspunten zijn het monitoren van pijn en vitale functies, het bevorderen van veilige mobiliteit en het signaleren van valrisicos. Daarnaast is er aandacht voor voldoende inname van calcium en vitamine D. Voorlichting en begeleiding zijn essentieel om therapietrouw te verbeteren en de zorgvrager te ondersteunen bij een gezonde leefstijl.
De heupfractuur is een verzamelnaam van breuken in het proximale gedeelte van het femur. Officieel noemen we deze fractuur een proximale femurfractuur.
Risicofactoren: voor een heupfractuur zijn sterk gerelateerd aan die voor osteoporose. Een verhoogd risico op een fractuur hebben zorgvragers:
- Met een hogere leeftijd
- Vrouwelijk geslacht
- Met botaandoeningen
- Die eerder fracturen hebben gehad
- Met ondergewicht
- Met een verhoogd valrisico
Etiologie: Er is een behoorlijke kracht voor nodig om bij een gezonde volwassene een proximale femurfractuur te veroorzaken. Deze kracht komt bijv. vrij bij een val van grote hoogte of een verkeersongeval. De meeste heupfracturen komen voor bij ouderen en zijn het gevolg van een val in of om het huis. Omdat er bij veel ouderen sprake is van verzwakking van het bot door osteoporose, is relatief weinig kracht nodig om een fractuur te veroorzaken.
Pathofysiologie: Proximale femurfracturen worden onderverdeeld in collumfracturen (femurhals), intertrochantere en subtrochantere fracturen. Ongeveer de helft zijn collumfracturen, die binnen het heupkapsel liggen en risico geven op avasculaire kopnecrose: de bloedvoorziening van het heupgewricht kan in gevaar komen en dan bestaat het risico dat de afgebroken heupkop afsterft. Trochantere fracturen zijn vaak instabiel door meerdere fragmenten. Gedislokeerde fracturen genezen slechter en heupfracturen disloceren gemakkelijk, waardoor ze meestal operatief behandeld worden met inwendige fixatie. Operatie zorgt voor betere pijnbestrijding en snelle mobilisatie, wat belangrijk is om complicaties van bedrust te voorkomen.
Symptomen: Na de val is er sprake van pijn in de liesregio, bil en de zijkant van de heup, die soms uitstraalt richting de knie. Het aangedane been kan meestal niet worden belast. Vaak is de zorgvrager niet in staat om het aangedane been te heffen en hierop te staan. Een typische houding bij een gedislokeerde collumfractuur is een naar buiten gedraaid been dat korter lijkt dan het andere been. Bij sommige heupfracturen zijn er veel minder pijnklachten en kan het been nog redelijk worden belast.
Diagnostiek: Lichamelijk onderzoek richt zich op de houding, bewegingsbeperking en provocatie van pijn door palpatie, asdrukpijn en rotatie. Neurologisch onderzoek wordt gedaan om bijkomend zenuwletsel op te sporen. De meeste fracturen zijn goed zichtbaar op een conventionele rntgenfoto, soms is een aanvullende CT-scan of MRI scan nodig.
Behandeling: Bij een heupfractuur wordt bijna in alle gevallen gekozen voor operatieve behandeling. Hierbij speelt de leeftijd van de zorgvrager geen rol. Als een operatie niet mogelijk of wenselijk is vanwege een zeer slechte conditie van de zorgvrager wordt in sommige gevallen gekozen voor een conservatief beleid. Dat wil in dit geval zeggen: niet operatief, maar alleen gericht op comfort. De operatieve behandeling is erop gericht om de botdelen weer op de goede plek te zetten en waar mogelijk de fractuur inwendig te fixeren met osteosynthesemateriaal.
Medicamenteuze behandeling: Perioperatief wordt intraveneus antibiotica gegeven als profylaxe voor postoperatieve infectie. Postoperatief wordt tromboseprofylaxe gegeven, meestal een laagmoleculairgewichtheparine of DOACs.
Complicaties: Een gevreesde postoperatieve complicatie bij interne fixatie of het plaatsen van prothesen is een wondinfectie met genfecteerd osteosynthesemateriaal. Ook algemene postoperatieve complicaties treden regelmatig op, zoals een nabloeding, delier, pneumonie urineweginfectie, decubitus en diepe veneuze trombose. Als er geen operatie met interne fixatie plaats vindt, is er een grote kans op secundaire dislocatie en avasculaire kopnecrose. Ondanks interne fixatie kan er sprake zijn van een slechte fractuur genezing, waardoor de botdelen niet goed samengroeien. Soms breekt osteosynthesemateriaal er weer uit. Op lange termijn kan artrose optreden. Na het plaatsen van een totale heupprothese treedt soms een heupluxatie op (de kop draait uit de kom).
Prognose: door het feit dat heupfracturen vooral bij ouderen optreden en door de bijkomende complicaties is de moraliteit in het eerste jaar na een heupfractuur hoog, gemiddeld 30%. Daarnaast is een heupfractuur vaak grote gevolgen voor de onafhankelijkheid van de zorgvrager.
Preventie: De preventie van fracturen bestaat voornamelijk uit maatregelen die het valrisico en het optreden van osteoporose verminderen.
Verpleegkundige aandachtspunten: De rol van de verpleegkundige is groot bij een heupfractuur. De verpleegkundige levert veel preoperatieve zorg. Een belangrijke taak van de verpleegkundige is het begeleiden en voorlichten van de zorgvrager, zeker ook wanneer er wordt gekozen voor een conservatief beleid. De belangrijkste verpleegkundige interventies bij een heupfractuur zijn het monitoren van de vitale functies, wondcontrole en verzorging, het registeren van pijn en bewegingsbeperking, het geven van wisselligging en hierbij alert zijn op huideffect.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 10.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question