Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Hoofdstuk 5: Het voortplantingsproces bij
zoogdieren
5.1 Introductie
Dieren en mensen zorgen voor nakomelingen. Dit gebeurt op allerlei manieren. Vogels, reptielen, am-
fibien en vissen leggen eieren, bij zoogdieren wordt het dier geboren uit de baarmoeder. Sommige
dieren hebben weinig nestzorg; zodra het dier uit de moeder of uit het ei komt, moet het voor zichzelf
zorgen. Andere dieren hebben wel nestzorg. Denk maar aan de hond of de kat, maar ook de meeste
vogels kennen deze zorg.
5.2 Bouw en werking van het mannelijke voortplantingsstelsel
We kunnen aan de hand van het voortplantingsstelsel vaststellen of we te maken hebben met een man-
nelijk of een vrouwelijk dier. Ook de lichaamsbouw van mannelijke en vrouwelijke dieren is verschillend.
Over het algemeen zijn mannelijke dieren groter en sterker dan vrouwelijke dieren. Uitzondering is het
konijn: voedsters (vrouwtjes) zijn zwaarder dan rammen (mannetjes). Bij vogels zien we meestal dat het
verenpak bij het mannetje kleurrijker is.
In het volgende deel bespreken we het voortplantingsstelsel van honden. De voortplantingsstelsels van
de andere zoogdieren zijn voor een groot deel hetzelfde.
Het mannelijke voortplantingsstelsel heeft als taken:
het produceren van mannelijke geslachtshormonen;
het produceren van zaadcellen;
het inbrengen van zaadcellen in het vrouwelijk geslachtsapparaat.
Het mannelijke geslachtsapparaat bestaat uit:
zaadballen of testikels
balzak
bijballen
zaadleider
prostaat
plasbuis
penis
C prostaatklier
D zaadleider
E urineleider
F blaas
I zwellichaam
J bijbal
K teelbal (andere naam is zaadbal)
L balzak
Let op: Je hoeft alleen de onderdelen te leren die in dit rijtje staan.
De overige onderdelen uit de tekening hoeft je niet te leren.
82 Biologie, voeding en voortplanting
5.2.1 De onderdelen van het mannelijke voortplantingsstelsel
De zaadballen
Mannelijke dieren hebben twee zaadballen. De zaadballen zitten in de balzak, dat is een extra huidplooi
buiten het lichaam. Zaadballen zitten op deze manier buiten het lichaam, waar de temperatuur een aan-
tal graden lager is. De lichaamstemperatuur in het lichaam is te hoog voor het goed functioneren van de
zaadcellen.
In de zaadballen worden miljoenen zaadcellen geproduceerd. De productie van zaadcellen begint in de
pubertijd en gaat het hele leven door. Zaadcellen zijn heel kleine, speciale cellen. In de kern van de zaad-
cel zit het erfelijke materiaal van de vader. Zaadcellen bestaan uit een lichaam en een lange zweepstaart.
De lange zweepstaart zorgt voor het voortbewegen van de zaadcel.
De bijballen
De bijbal ligt naast de zaadballen. In de bijbal worden de zaadcellen opgeslagen en blijven zo enkele
weken goed.
De zaadleider
Via de zaadleider komen de zaadcellen tijdens een zaadlozing naar de plasbuis.
De geslachtsklieren
De belangrijkste geslachtsklier is de prostaat. De prostaat ligt langs de plasbuis. De prostaat maakt grote
hoeveelheden vloeistof. Deze vloeistof zorgt voor het transport van de zaadcellen. De vloeistof bevat
ook voedingsstoffen voor de zaadcellen. Sperma bestaat dus uit zaadcellen in een grote hoeveelheid
prostaatvloeistof.
De plasbuis
De plasbuis loopt vanaf de blaas naar de penis. De zaadleider komt uit in de plasbuis net na de blaas. De
plasbuis voert zowel urine als zaadcellen af.
De penis
De penis is een orgaan dat bestaat uit een zwellichaam omgeven door bindweefsel. Het zwellichaam
bestaat uit zwelweefsel met zeer veel bloedvaten. Bij een erectie vult het zwellichaam zich met extra
bloed en wordt de penis langer en steviger. Een groot deel van de penis komt uit de voorhuid en is dan
zichtbaar. Dit noemen we uitschachten. Na de zaadlozing wordt de penis in de meeste gevallen snel weer
kleiner.
5.3 Bouw en werking van het vrouwelijke voortplantingsstelsel
Het vrouwelijke voortplantingsstelsel bestaat uit:
eierstokken
eileiders
baarmoeder
vagina
Biologie, voeding en voortplanting 83
A blaas
C eierstok
E baarmoederlichaam
F baarmoedermond
G schede
H vaginaopening
K baarmoederhoorn
Let op: Je hoeft alleen de onderdelen te leren die in dit rijtje staan. De overige onderdelen uit de tekening hoeft
je niet te leren.
5.3.1 De onderdelen van het vrouwelijke voortplantingsstelsel
De eierstokken
Vrouwelijke zoogdieren hebben twee eierstokken die links en rechts in de buikholte liggen. De eierstok-
ken zijn de opslagplek voor de eicellen. Alle eicellen worden voor de geboorte geproduceerd. Tijdens het
vruchtbare leven, dus vanaf de puberteit, rijpen de eicellen. Alleen een rijpe eicel kan bevrucht worden.
Een rijpe eicel noemen we een follikel.
Een andere functie van de eierstokken is de productie van vrouwelijke hormonen: progesteron en oes-
trogeen. Oestrogeen zorgt ervoor dat het vrouwelijke dier bronstig wordt. Is het follikel groot genoeg,
dan zal het follikel openspringen en komt de eicel vrij. Dit noemen we de eisprong of ovulatie.
Waar het follikel is opengesprongen, vormt het lege follikel een geel plekje op de eierstok. Dit noemen we
ook het gele lichaam. Het gele lichaam produceert het hormoon progesteron. Dit hormoon is belangrijk
voor de innesteling van een bevruchte eicel in het baarmoederslijmvlies. Wordt het dier drachtig, dan
zal het gele lichaam nog meer progesteron gaan produceren. Progesteron is belangrijk bij het in stand
houden van de dracht.
De eileiders
De eileiders zijn twee gekronkelde verbindingsbuizen tussen de baarmoeder en de beide eierstokken.
Het ene uiteinde van de eileider komt uit in de baarmoeder. Het andere uiteinde ligt los om de eierstok
heen. Dit uiteinde heeft de vorm van een trechter. Tijdens de ovulatie wordt de eicel opgevangen in de
trechter. Via de eileider komt de eicel in de baarmoeder terecht. Wordt een dier gedekt, dan vindt de
bevruchting plaats in de eileider. Vindt er geen bevruchting plaats, dan wordt de eicel vernietigd in de
eileider.
De baarmoeder
De baarmoeder bestaat uit een baarmoederlichaam, twee baarmoederhoornen en de baarmoeder-
mond. De bevruchte eicel komt vanuit de eileider in de baarmoederhoorn, waar de cel zich ontwikkelt
tot een embryo. De embryos ontwikkelen zich in de baarmoederhoornen.
De baarmoeder is van de buitenwereld afgesloten door de baarmoedermond. Meestal is de baarmoe-
dermond gesloten. Alleen tijdens de vruchtbare periode en tijdens de bevalling is deze geopend.
84 Biologie, voeding en voortplanting
De vagina
De vagina is de verbinding tussen de baarmoedermond en de buitenwereld.
Vulva
De vagina mondt uit in de vulva.
5.4 De bronstcyclus
Vrouwelijke dieren zijn niet altijd vruchtbaar. De periode dat ze wel vruchtbaar zijn, noemen we bronst.
De vruchtbare periode komt regelmatig terug, daarom heet het een bronstcyclus.
De vruchtbare periode heeft per diersoort vaak een andere naam. In onderstaande tabel zie je van een
aantal diersoorten de belangrijkste gegevens van de bronst.
diersoort lengte bronstcyclus
(na hoeveel tijd wordt
het dier weer bronstig)
naam bronst
cavia 13-20 dagen bronst
konijn 15-17 dagen bronst
kat 14 dagen krolsheid
hond 2 keer per jaar loopsheid
paard 3 weken hengstigheid
schaap circa 17 dagen rits
geit circa 21 dagen rits
varken circa 21 dagen berigheid
rund circa 21 dagen tochtigheid
5.4.1 De bronstcyclus bij zoogdieren
De bronstcyclus van zoogdieren is in vier perioden te verdelen:
periode zonder bronst
voorbronst
bronst
nabronst
Periode zonder bronst
In de perioden waarin het dier niet bronstig is, heeft het vrouwtje geen belangstelling voor het mannelijk
dier.
De voorbronst
Tijdens de voorbronst heeft het vrouwelijke dier wel belangstelling voor het mannetje, maar wil niet
worden gedekt.
De bronst
De bronst is de echt vruchtbare periode bij het vrouwelijke dier. Tijdens de bronst wil het vrouwtje gedekt
worden. Ze blijft stokstijf staan als er een mannelijk dier in de buurt is. Dit heet de sta-reflex.
Biologie, voeding en voortplanting 85
Bij de voedster (vrouwelijk konijn) en hamster kun je dit goed zien wanneer je ze op de rug tegen de
haren in aait. Een voedster blijft liggen en houdt haar achterlijf omhoog, een hamster blijft staan en tilt
haar staartje een beetje op. Het is belangrijk dat een vrouwtje niet beweegt, omdat een dekking anders
niet mogelijk is.
Op het hoogtepunt van de bronst springt het rijpe follikel open. Dan komt de rijpe eicel vrij. De eicel
wordt opgevangen door de trechter van de eileider.
Als het vrouwelijk dier gedekt is, gaan de zaadcellen richting eileider. Hier komen ze dan de eicellen te-
gen, zodat deze kunnen worden bevrucht. De opengebarsten follikel vormt zich om tot het zogenaamde
gele lichaam. Dit gele lichaam produceert het hormoon progesteron. Dit hormoon zorgt voor het in
stand houden van de dracht.
Als het vrouwtje niet wordt gedekt, sterft de eicel na enkele dagen af.
De nabronst
De nabronst begint als het vrouwelijk dier niet meer gedekt wil worden. De nabronst is een periode
waarin de eierstokken en de baarmoeder zich herstellen. Het mannelijk dier en het vrouwelijk dier ver-
liezen langzamerhand alle seksuele belangstelling voor elkaar. Deze herstelperiode gaat geleidelijk over
in een periode zonder bronst.
5.4.2 Bronstverschijnselen
Elk dier laat op zijn eigen manier merken dat het bronstig is. Dit noem je bronstverschijnselen. Een bron-
stig dier laat ander gedrag zien dan normaal. Je ziet ook andere lichamelijke kenmerken bij het vrouwe-
lijke dier.
Het ene vrouwtje laat een bronstigheid beter zien dan een ander vrouwelijk dier. Goed observeren is dus
erg belangrijk. Zodra je denkt dat je een bronstig dier ziet, is het goed dit te melden bij je leidinggevende.
Bronstgedrag
Vrouwelijke dieren zijn tijdens de bronst onrustiger dan anders. Ook zijn ze luidruchtiger dan normaal.
Ze zoeken meer contact met andere dieren in hun omgeving, ook met vrouwelijke dieren. De meeste
bronstige vrouwtjes gaan ook vaker plassen.
Bij konijnen is de voedster vaak onrustig, ze knort en ze jammert. Ze gaat nesten bouwen en in de bo-
dembedekking krabben.
Een caviazeug toont veel interesse in de andere cavias door om ze heen te lopen. Daarnaast maakt ze
een brommend geluid en probeert ze andere cavias te beklimmen.
Een poes gaat veel miauwen en kroelen. Ze rolt over de grond en houdt de achterhand omhoog terwijl
de voorhand plat op de grond ligt. De staart wordt opzij gehouden en de klauwtjes van de achterpoten
grijpen op ritmische wijze de vloer. De poes gaat vaak op zoek naar een kater.
Een tochtige koe is onrustig, ze loopt veel. Ook loeit ze meer dan anders. Ze zoekt ook meer contact met
andere koeien. Ze legt vaak haar kin boven op de achterkant van andere koeien. En soms bespringt ze
andere koeien.
Een hengstige merrie is vaak wat luidruchtiger dan normaal en speelser in de wei. Hengstige merries be-
springen hun kuddegenoten ook vaker dan normaal. Ze houden hun staarten vaak een beetje opzij, zo-
86 Biologie, voeding en voortplanting
dat de vulva te zien is. Zeer kenmerkend bij merries is het knipogen of blitsen met de vulva. Dit betekent
dat de merrie de vulva open en dicht laat gaan. De merrie zakt wat meer door de benen bij het plassen.
Lichamelijke veranderingen tijdens de bronst
De vulva van het vrouwtje zwelt op en ziet er roder uit dan normaal. Bij veel dieren komt er helder slijm
uit de vulva. Maar dit komt bij de poes juist niet voor.
Teven verliezen een bloederige afscheiding tijdens de loopsheid. Bij de ene teef zie je dit duidelijker dan
bij de andere teef. Sommige teven houden zichzelf goed schoon en likken het bloed direct weg, dan zie
je nauwelijks iets.
5.5 De dekking
Bij iedere diersoort verloopt de dekking weer iets anders. Maar bij de meeste zoogdieren snuffelen en
likken het vrouwelijk en het mannelijk dier wat aan elkaar. Als het vrouwtje blijft staan (de sta-reflex) en
haar staart opzij houdt, is ze klaar voor de dekking. Het mannelijk dier springt met een uitgeschachte pe-
nis op het vrouwtje en brengt de penis in de vagina.
5.5.1 Genduceerde ovulatie
Er zijn dieren die een eisprong krijgen na afloop van de dekking. Dit heet een genduceerde ovulatie. Dit
komt voor bij de poes en het konijn. De eisprong ontstaat door prikkeling van het vaginaslijmvlies door
kleine weerhaakjes die zich op de penis bevinden.
Paring bij knaagdieren
Bij veel knaagdieren vindt de paring s avonds plaats. Aan deze paring gaat een heel spel vooraf. De
dieren zitten elkaar achterna en besnuffelen elkaars geslachtsdelen. Als het vrouwtje eraan toe is, zal ze
blijven staan met haar achterlijf omhoog, zodat het mannetje haar kan beklimmen.
De meeste knaagdieren paren meerdere keren, waarbij het mannetje zich tussendoor even snel wast.
Het gehele paringsritueel duurt een kwartier tot een halfuur. Daarna wil het vrouwtje het mannetje niet
meer in haar buurt hebben. Uitzondering is de gerbil: deze dieren leven monogaam. Zij blijven dus hun
hele leven bij dezelfde partner.
Koppeling bij honden
Bijzonder bij de hond is dat een aantal zwellichamen in de penis pas opzwellen nadat de penis in de va-
gina is gebracht. Hierdoor zitten de honden letterlijk aan elkaar vast. Deze zwelling kan wel een halfuur
duren.
Vaak draait de reu zich om, nadat hij de zaadcellen heeft geloosd. De honden zitten dan met de achterlij-
ven aan elkaar vast. Dit noemt men de koppeling. Je hoeft hier niks aan te doen. Rustig afwachten en de
honden komen vanzelf weer los.
Plaats van dekking bij konijnen belangrijk
Bij konijnen is het belangrijk dat je de voedster altijd naar het hok van de ram brengt. Of breng de dieren
samen in een neutraal hok. Breng de ram nooit naar het verblijf van de voedster. Voedsters verdedigen
hun territorium fel tegen een indringer, er kan een heftige vechtpartij ontstaan.
Biologie, voeding en voortplanting 87
De paring zelf duurt maar een paar seconden. Na de dekking moet je de ram meteen weghalen bij de
voedster.
5.5.2 Kunstmatige inseminatie
Bij sommige diersoorten wordt er kunstmatige inseminatie (K.I.) gebruikt in plaats van een natuurlijke
dekking. Dit gebeurt veel bij koeien en paarden.
Bij K.I. brengt een inseminator het sperma in de baarmoeder van het vrouwelijke dier. Er komt geen man-
nelijk dier aan te pas bij de dekking. Het sperma is afkomstig van een hengst of stier op het K.I.-station.
Van n sprong kunnen veel porties sperma gemaakt worden.
Voordelen van inseminatie zijn:
minder kans op overdracht van geslachtsziekten;
goedkoper;
een goede hengst of stier kan veel meer vrouwelijke dieren dekken dan bij natuurlijke dekking.
5.6 De dracht
De dracht begint op het moment van de bevruchting. Bevruchting kan pas optreden als de zaadcellen bij
de eicel zijn gekomen. De bevruchting vindt plaats in de eileiders. Een bevruchte eicel gaat daarna naar
de baarmoeder. Vervolgens verdelen de bevruchte eicellen zich over de hele baarmoeder, zodat ze al-
lemaal evenveel ruimte hebben.
In het begin van de dracht is niet goed te zien of een vrouwelijk dier drachtig is. Bij de meeste diersoorten
is pas in de tweede helft van de dracht te zien dat het dier langzaam een dikkere buik krijgt. Veel drach-
tige vrouwtjes blijven het grootste deel van de dracht net zo actief als anders. Pas aan het eind van de
dracht is het vrouwtje iets minder actief.
Tijdens de dracht moet het dier meer of andere voeding krijgen. Hierover heb je meer gelezen in hoofd-
stuk 4.
Nestvlieders en nestblijvers
Hoe lang een dier draagt, is afhankelijk van de soort. Er zijn dieren waarbij de jongen helemaal compleet
ter wereld komen. Deze dieren noem je nestvlieders. Voorbeelden van nestvlieders zijn cavias en scha-
pen.
Er zijn ook nestblijvers. Bij nestblijvers worden de jongen in een nest geboren. Zij blijven de eerste weken
van hun leven in dat nest en zijn daar veilig. Dit zijn dieren die vaak blind, doof en soms ook kaal geboren
worden. Voorbeelden van nestblijvers zijn honden, katten en konijnen.
Over het algemeen kun je stellen dat de dracht bij nestvlieders langer duurt dan bij nestblijvers. Niet zo
gek, want de jongen komen veel completer ter wereld.
Hieronder zie je de lengte van de dracht bij verschillende diersoorten. Ook is aangegeven of de diersoort
een nestblijver of een nestvlieder is. Als er een handige manier is om de draagtijd de onthouden, staat
dat achter de draagtijd vermeld.
88 Biologie, voeding en voortplanting
Diersoort Draagtijd (= lengte van de dracht) Nestvlieder/nestblijver
Cavia Circa 63 dagen Nestvlieder
Konijn 28-31 dagen Nestblijver
Chinchilla 111 dagen Nestvlieder
Kat 63 dagen Nestblijver
Hond 63 dagen Nestblijver
Paard 11 maanden Nestvlieder
Schaap 145 dagen (5 maanden 5 dagen) Nestvlieder
Geit 145 dagen (5 maanden 5 dagen) Nestvlieder
Varken 115 dagen (3 maanden, 3 weken, 3 dagen) Nestvlieder
5.7 De geboorte
We beschrijven hier de normale geboorte zoals die bij veel zoogdieren gaat.
Er zijn allerlei tekenen waaraan te merken is dat de geboorte op komst is. Het verschilt wat per dier, maar
zie je vaak als de geboorte nadert:
zwelling van de melkklieren;
het verschijnen van melk;
nestbouw;
onrustig;
krabben in het stro, vooral bij paarden, geiten en schapen;
meer plassen en poepen;
een heldere uitvloeiing uit de vulva;
zwelling van de vulva;
minder eetlust.
Als dierverzorger moet je weten wanneer de geboorte nadert en hoe de geboorte verloopt. De geboorte
is onder te verdelen in vier fasen:
voorbereidingsfase
ontsluitingsfase
uitdrijvingsfase
nageboortefase
Voorbereidingsfase
Veel dieren zijn onrustig voordat de bevalling begint. Er zijn dieren die actief een nest beginnen te maken,
zoals de hond, het varken en het konijn. Maar over het algemeen zoeken alle zoogdieren een rustige plek
op die bescherming biedt.
De vulva zwelt enkele dagen voor de bevalling op. Soms zie je een heldere uitvloeiing. Sommige dieren
gaan minder eten. De melkklieren worden langzaam actief. Dat zie je doordat deze gaan opzwellen.
Ontsluitingsfase
Tijdens de ontsluitingsfase heeft het dier ween. De ween volgen elkaar met grote tussenpozen op.
Door de ween wordt het geboortekanaal wijder.
Biologie, voeding en voortplanting 89
De ween kunnen pijnlijk zijn. De dieren kunnen hierdoor onrustig zijn: ze gaan staan en dan weer liggen.
Dat blijven ze doen. Ook gaat de ademhaling sneller.
Uitdrijvingsfase
De waterblaas komt meestal als eerste naar buiten, waardoor het geboortekanaal verder opgerekt wordt.
Na de waterblaas verschijnt de vruchtblaas, die het jong bevat. Deze blaas scheurt vaak vanzelf en als dat
niet gebeurt, zal het moederdier dit doen.
Jonge dieren worden in kopligging of in de stuitligging (met de achterpootjes eerst) geboren. Beide liggin-
gen leveren meestal geen problemen op. Bij sommige schapenrassen komen veel afwijkende liggingen
voor. Bij de geboorte van lammeren moet soms iemand helpen bij de geboorte die daar veel kennis van
heeft.
Na de geboorte likt het moederdier het jong droog. Dit draagt bij aan het op gang komen van de ademha-
ling en stimuleert de bloedsomloop. Ook zal het moederdier de navelstreng doorbijten.
Nageboortefase
De pasgeboren jongen gaan op zoek naar de tepel om te drinken bij de moeder. Dit brengt het afkomen
van de nageboorte op gang. Het moederdier zal de nageboorte opeten, omdat er in de nageboorte be-
langrijke voedingsstoffen zitten. Daarnaast voorkomt dit ook dat roofdieren de geur van de nageboorte
oppikken.
De eerste moedermelk is voor het jonge dier belangrijk. De biest bevat namelijk antistoffen. Het drinken
van de biest stimuleert ook de spijsvertering. Na ongeveer een dag zal het darmpek (de eerste ontlasting)
zichtbaar zijn. Dit is voor de eigenaar een teken dat het jong drinkt.. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question