Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Ja. Ik heb naar de vakfiche gekeken en de samenvattingen volgen die vrijwel volledig. De belangrijkste hoofdstukken die je voor het examen moet kennen zijn: economische kringloop, bbp, productmarkt, marktvormen, overheidsingrijpen, conjunctuur, inflatie en internationale handel.
Omdat je dit **tegen morgen** moet kennen, zou ik niet meer proberen alles woord voor woord te studeren. Focus op wat bijna zeker gevraagd wordt.
# Topprioriteit (zeker kennen)
## 1. Economische kringloop
Leer deze formules uit het hoofd:
* Gezinnen: **Y = T + C + S**
* Bedrijven: **Y = C + I + G + (X M)**
* Financile instellingen:
* **S + T = I + G + (X M)**
* **(S I) + (T G) = (X M)**
Betekenis:
* Y = inkomen
* T = belastingen
* C = consumptie
* S = sparen
* I = investeringen
* G = overheidsuitgaven
* X = export
* M = import
Ook kennen:
* productmarkt
* arbeidsmarkt
* kapitaalmarkt
* nationaal spaarsaldo = S I
* begrotingssaldo = T G
* handelsbalanssaldo = X M
---
## 2. Duurzaamheid
Kunnen uitleggen:
### Circulaire economie
* hergebruik
* recyclage
* minder afval
### Donuteconomie
* sociale ondergrens
* ecologische bovengrens
### MVO
De 3 P's:
* People
* Planet
* Profit
### SDG's
Vooral voorbeelden herkennen:
* SDG 1 = geen armoede
* SDG 4 = kwaliteitsonderwijs
* SDG 7 = duurzame energie
* SDG 13 = klimaatactie
* SDG 17 = partnerschappen
---
## 3. BBP
### Toegevoegde waarde
**Toegevoegde waarde = verkoopwaarde aangekochte goederen**
### BBP
Totale waarde van alle goederen en diensten geproduceerd binnen een land.
### Verschil kennen:
* BBP = binnen land
* BNP = door inwoners van het land
* Nationaal inkomen = inkomen van inwoners
### Nominaal vs reel BBP
* nominaal = huidige prijzen
* reel = gecorrigeerd voor inflatie
### Economische groei
Groei van het BBP.
Determinanten:
* kapitaal
* arbeid
* technologie
Welvaartsindicatoren:
* HDI
* BNG
* SSI
* EPI
---
# 4. Productmarkt
### Vraagcurve
Daalt van links naar rechts.
Prijs stijgt vraag daalt.
### Aanbodcurve
Stijgt van links naar rechts.
Prijs stijgt aanbod stijgt.
### Marktevenwicht
Punt waar vraag en aanbod elkaar snijden.
### Vraag benvloed door
* inkomen
* voorkeuren
* aantal consumenten
* prijs van andere goederen
### Aanbod benvloed door
* aantal producenten
* productiekosten
### Goederen kennen
* substitutiegoederen
* complementaire goederen
* inferieure goederen
* gewone goederen
---
# 5. Elasticiteit
Formule:
[
E_v = frac%Delta Q%Delta P
]
E_v=frac%Delta Q%Delta P
Interpretatie:
* |E| > 1 elastisch
* |E| < 1 inelastisch
* |E| = 1 unitair elastisch
Dit is een klassieker op examens.
---
# 6. Marktvormen
| Marktvorm | Aantal aanbieders | Prijs |
| ---------------------------- | ------------------------------ | ----------- |
| Volkomen concurrentie | veel | prijsnemer |
| Monopolie | 1 | prijszetter |
| Oligopolie | enkele | prijszetter |
| Monopolistische concurrentie | veel maar verschillend product | prijszetter |
Voorbeelden kunnen herkennen.
---
# 7. Overheidsingrijpen
Oorzaken marktfalen:
* negatieve externaliteiten
* positieve externaliteiten
* asymmetrische informatie
* marktmacht
* collectieve goederen
Instrumenten:
* belastingen
* subsidies
* emissierechten
* minimumprijs
* maximumprijs
* productiequota
* mededingingsbeleid
Vrijbuitersprobleem kennen.
---
# 8. Conjunctuur & inflatie
Conjunctuurfasen:
1. herstel
2. hoogconjunctuur
3. neergang
4. laagconjunctuur
Inflatie:
* algemene prijsstijging
Gevolgen:
* koopkracht daalt
Deflatie:
* algemene prijsdaling
Kunnen uitleggen en herkennen.
---
# 9. Internationale handel
Kennen:
* export
* import
* handelsbalans
Protectionisme:
* invoerrechten
* quota
Wisselkoers:
* appreciatie = munt wordt sterker
* depreciatie = munt wordt zwakker
---
# Wat ik vanavond zou doen
1. Economische kringloop (30 min)
2. BBP (30 min)
3. Vraag & aanbod + elasticiteit (45 min)
4. Marktvormen (20 min)
5. Overheidsingrijpen (20 min)
6. Inflatie + conjunctuur + internationale handel (35 min)
Dat zijn de onderdelen waar doorgaans de meeste punten zitten volgens de vakfiche. Als je wil, kan ik nu ook een **ultrakorte spiekbrief van 2 pagina's maken met alleen de definities, formules en examenvragen die je zeker moet kunnen.**
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question