Maak een oefenexamen van de volgende tekst: ONDERZOEKSVAARDIGHEDEN
1 protowetenschap en pseudowetenschap
1.1 Protowetenschap
- Protowetenschap (voorwetenschappelijke kennis) = kennis die (nog) niet wetenschappelijk onderzocht is.
De kennis is gebaseerd op ervaringen van mensen, waarin ze patronen herkennen (eigen mensenkennis)
Kan correct zijn, maar kan fouten bevatten
1. Het is gebaseerd op eerder toevallige ervaringen en niet op systematisch onderzoek. Het word nogal snel veralgemeent. Ze trekken besluiten aan de hand van een beperkt aantal ervaringen.
2. Mensen laten zich leiden door persoonlijke voorkeuren (vb. racisme) en ideen
3. Confirmation bias: je eerste oordeel word bevestigd
1.2 Pseudowetenschap
- Pseudowetenschap = theorien en opvattingen die worden voorgesteld alsof ze wetenschappelijk zijn.
Vb. frenologie (bouw van de schedel bestuderen), horoscopen, mythes
Barnumeffect = omschrijvingen gebruiken die zo vaag en algemeen zijn dat iedereen zich er in herkent.
Cherry picking = alleen de voordelige resultaten worden gebruikt en de nadelige worden verzwegen.
o Gevaarlijk
2 wetenschappelijke kennis
2.1 systematisch
- systematische aanpak = onderzoek in een bepaalde volgorde en volgens bepaalde stappen uitvoeren
gebruik maken van onderzoeksmethodes zoals experimenten, observaties en psychologische testen
2.2 objectief
- objectieve manier = persoonlijke voorkeuren, meningen, gevoelens, vooroordelen, mogen niet meespelen ze moeten zich op de feiten focussen
waarom is dit niet makkelijk?
o Het referentiekader van de onderzoeker speelt mee. De keuze van het onderzoeksonderwerp is subjectief. Onderwerpen die aanpreken worden onderzocht en dat kan ervoor zorgen dat er risico is op het confirmation bias.
2.3 Empirisch
- iets bewijzen in de praktijk door middel van een onderzoek dat gegevens oplevert.
Vb. er komen veel autos voorbij op de Noord-Zuid <-> er worden 350 autos geturfd.
2.4 Controleerbaar
- Een onderzoek moet kunnen herhaald worden. De resultaten moeten hetzelfde zijn als die van het vorige onderzoek.
Waarom komen de resultaten niet altijd overeen?
o Soms vond de oorspronkelijke studie onterecht een effect of werd het herhaalde onderzoek anders uitgevoerd.
Waarom is het belangrijk om onderzoeken te controleren?
o Onderzoeksresultaten zijn pas waar als ze verschillende keren herhaald zijn met dezelfde uitkomst.
2.5 Falsifieerbaar
- Het is mogelijk als er een tegenbewijs is voor de theorie te onderzoeken.
Vb. alle honden hebben een staart is falsifieerbaar omdat je ook een hond kunt vinden zonder staart.
Waarom is de zwaartekrachttheorie falsifieerbaar?
o Het is empirisch te testen, vliegt er iets omhoog als je het laat vallen, dan is de theorie onjuist.
- Uit tal van studie, waaruit blijkt dat de consumptie van mediageweld leidt tot agressie blijken onjuist, want de Britse professor psychologie en zijn collegas kunnen geen correlatie vinden tussen videospelletjes en agressie bij jongeren.
2.6 Kritisch
- Onderzoekers moeten gedurende het hele onderzoek kritisch zijn en een formulering vormen zodat die empirisch te toetsen is.
Betekenis de val van de selffulfilling prophecy?
o Een zichzelf vervullende voorspelling. Vb. je zegt dat je een vak niet kan, je studeert niet dus buis je.
3 criteria voor wetenschappelijke onderzoeksmethodes
3.1 objectiviteit en standaardisatie
1. objectiviteit = uitkomsten van een test moeten vergelijkbaar zijn ongeacht wie het onderzoek uitvoert
dubbelblindmethode = de proefpersonen en de onderzoekers weten tijdens het experiment niet wie tot de experimentele groep en wie tot de controlegroep behoort.
Toewijzing groepen = gerandomiseerd (toeval)
2. standaardisatie = vorming concrete, gedetailleerde en volledige richtlijnen over de afname, quotering, verwerking en beoordeling van de resultaten, die in de handleiding van de onderzoeksmethode zijn opgenomen.
Vb. examens
3.2 ijking en normering
3. ijking = de onderzoeksmethodes moeten afgestemd zijn op de beoogde groep.
Zorgt ervoor dat de resultaten vergeleken kunnen worden met die van andere personen uit die doelgroep.
4. Normering = de ruwe score van een test omzetten in een afgeleide score, een norm, om de proefpersoon te vergelijken met anderen.
Vb. je scoort 5/10 op een KO, maar het klasgemiddelde is 3/10, dus jij hebt dus een goede score.
Vb. sportwereld: wielrennen, hoogspringen.
Flynneffect = de normering van onderzoeken die jaren geleden werden afgenomen, zijn soms niet meer bruikbaar.
o Vb. computervaardigheden nu vs dertig jaar geleden.
3.3 Validiteit
5. Validiteit = (geldigheid), mate waarin een onderzoeksmethode meet wat ze zegt te meten.
Vb. bij een CT aardrijkskunde worden er punten afgetrokken voor schrijffouten = niet valide omdat het niks met het vak aardrijkskunde te maken heeft.
Vb. bij een CT Nederlands worden er punten afgetrokken voor schrijffouten = wel valide omdat het met de taal heeft te maken.
- Interne validiteit = conclusies van het onderzoek mogen als geldig beschouwd worden als ze foutloos opgezet en uitgevoerd zijn.
Vb. interview afnemen met een bekende Vlaming in een luid caf = niet intern valide want je kunt ze niet goed verstaan.
Vage begrippen:
o Soms, vaak, af en toe, faalangst, waarden zoals eerlijkheid, respect
- Externe validiteit = onderzoekers kunnen hun onderzoeksresultaten veralgemenen naar andere personen en/of situaties buiten het onderzoek (totale onderzoekspopulatie)
Een steekproef met altijd representatief zijn (een waarheidsgetrouw beeld geven)
Representeren = vertegenwoordigen
!! alles wat dat er onderzocht is in een labo, mag je niet veralgemenen, tenzij je het in de echte wereld kunt imiteren !!
3.4 Betrouwbaarheid
- Betrouwbaarheid = mate waarin een onderzoekmethode dezelfde resultaten verkrijgt na herhaalde metingen.
Betrouwbaarheidscofficint = systeem waarin de mate van de verschillende resultaten van de metingen met elkaar overeenkomen worden uitgedrukt.
o Cijfer tussen 0 (niets) en 1 (goed)
o Hoe hoger, hoe beter.
3.5 mogelijke fouten
- systematische/constante meetfout
maken deel uit van de methode, iedere keer met deze fouten levert dezelfde fout op
vb. thermometer/weegbrug containerpark
- toevallige meetfout: door toevallige omstandigheden/niet te vermijden
onderzochte persoon (aandacht, ziekte, fitheid, efficintie,) vb score IQ-test
omgeving (lawaai, zonlicht, plaats, zoals bv. Een labos vs op straat)
meetinstrumenten, observatoren,
4 onderzoek in de ontwikkelingspsychologie
4.1 longitudinaal onderzoek
- = cohortonderzoek
- Dezelfde proefpersonen worden op verschillende tijdstippen, momenten in hun leven opneiuw onderzocht
- + goed vergelijkbaar materiaal
- - duurt erg lang eer er resultaten zijn of soms zijn ze onvolledig
4.2 cross-sectioneel onderzoek
- = dwarsdoorsnedemethode
- Men stelt meerdere steekproeven samen, elke groep bevat mensen van een bepaalde leeftijd
- Alle leeftijdsgroepen worden op 1 moment onderzocht
- + snelle resultaten
- Proefpersonen kunnen benvloeden zijn door een periode waarin ze opgegroeide en leefden
4.3 time lag-onderzoek
- telkens andere groepen van telkens dezelfde leeftijd worden doorheen de jaren onderzocht
- + beeld op de trends
ONTWIKKELING PSYCHOLOGISCHE THEORIN
0 wat is psychologie
= symbool voor de psychologie
- Psychologie = wetenschappelijke studie van gedrag en van mentale processen van individuen
Volgens wetenschappelijke criteria
Uitwendig observeerbaar gedrag
Innerlijke processen die je niet uitwendig kan observeren
De persoon als individu
o Ieder mens heeft een unieke persoonlijkheid
- Psychologie stelt vragen bij fenomenen/gebeurtenissen/gedragingen van mensen en probeert een oplossing te bieden door onderzoek.
1 ontwikkeling
- Ontwikkeling = verandering of evolutie
Hele leven lang
Lichamelijke n fysiek
Langdurig of blijvend
Vooruitgang of achteruitgang
- Groei = veranderingen op alle vlakken
- Rijping = ontwikkeling die vanzelf gebeurt, door ouder te worden
Nature
Nurture = leren
2 vraagstukken in de ontwikkelingspsychologie
2.1 continuteit versus discontinuteit
- Discontinu = de ontwikkeling gebeurt trapsgewijs (in fases/stadia)
Kwalitatief = je gedraagt je ander dan in een eerdere fase
Argumenten pro
1. De fases zijn duidelijk in het dagelijks leven
- Continu = de ontwikkeling loopt geleidelijk aan, als een vloeiende lijn
Kwantitatief = gedrag verandert niet, maar het niveau en de hoeveelheid van de vaardigheden wel.
Argumenten pro
1. De verschillende ontwikkelingsgebieden evolueren niet gelijktijdig
2. Sommige fases komen in bepaalde culturen niet voor
- Wie heeft er gelijk?
De beide soorten bestaan naast elkaar.
2.2 kritiek versus gevoelige periodes
- Kritieke periode = specifiek moment in de ontwikkeling waarop een bepaalde gebeurtenis de grootste gevolgen heeft.
Vroeger
- Gevoelige periode = moment in de ontwikkeling waarop we extra ontvankelijk zijn voor bepaalde gebeurtenissen en waarop we het best in staat zijn op specifieke vaardigheden aan te leren.
Nu = plasticiteit
o Vermogen van de mens om te veranderen (vooral in de hersenen)
2.3 kinderpsychologie versus levenspsychologie
- Voeger = vooral op kinderen gefocust = KINDERPSYCHOLOGIE
- Nu = ook op volwassenen = LEVENSPSYCHOLOGIE
Gerontologie = wetenschap die het ouder worden bestudeert
- Ontwikkelingspsychologen zijn een voorstander van:
Levensloopmodel = model dat de ontwikkeling voorstelt als een nooit eindigend, levenslang proces
2.4 nature, nurture of zelfbepaling
- Nature = eigenschappen die mensen van hun biologische ouders erven (aangeboren)
- Nurture = alles wat een persoon meemaakt na de bevruchting, dus al van in de baarmoeder (omgeving)
- Interactie tussen beide is ingewikkeld:
Ze leveren alle twee het bijdrage aan de ontwikkeling.
Er is namelijk een wisselwerking.
Het is dus moeilijk vast te stellen of bepaalde eigenschappen nu aangeboren of aangeleerd zijn.
- Zelfbepaling = persoonlijke vrijheid/vrije wil
Het zou er voor zorgen dat we ons van aanleg en omgeving kunnen bevrijden en ons eigen levenspad kunnen uitstippelen.
- Zelfbewustzijn = je bent bewust van de dingen.
2.5 universele versus cultuurgebonden ontwikkeling
- Cultuurgebonden = ze onderzoeken het per cultuur
- Universeel = ze onderzoeken het over heel de wereld/een groot aantal culturen
- Jerome Kagan
Crosscultureel onderzoek
o Hoe 4 maand oude kinderen in VS versus in China reageren op beelden, geluiden en geuren.
o Conclusie: er is een basisuitrusting maar de omgeving bepaalt mee de richting van de ontwikkeling
4 hedendaagse visie op hechting
- Focust op ontwikkeling
- Hechting = langdurige, affectieve relatie tussen kind en opvoeder
- Hechting kan evalueren tijdens het leven, ook van onveilig naar veilig door bv. Psychotherapie
Ervaringen uit de kindertijd en latere gebeurtenissen spelen een rol
- Hechtingstheorie van John Bowlby
Ommekeer in de kijk op ontwikkeling en opvoeding
warm en responsief (beantwoordend) contact tussen kind en ouder zijn essentieel voor emotionele, sociale en cognitieve ontwikkeling van het kind
Liefde en intimiteit zijn belangrijke elementen bij de opvoeding
Theorie werd verder uitgewerkt door:
1. Mary Ainsworth
o 3 hechtingstypes, later uitgebreid met een vierde (mengvorm)
o Vandaag = dimensies (veilige hechting, angstige hechting of vermijdende hechting
o Iedereen is dus in meerdere mate veilig, angstig of vermijdend
2. Cooper, Hoffman, Benton = cirkel van veiligheid
o Link tussen hechting en pedagogiek
o Hechtingsfiguur speel met dubbele rol
Veilige haven: bij angst, verdriet of nood steun bieden als het kind het moeilijk heeft
Veilige basis: start voor verdere ontdekking van het kind nood aan voldoende autonomie
Ouders moeten kind duidelijk maken dat ze beide rollen kunnen vervullen
o Gebrek aan veilige haven vermijdende hechting
o Gebrek aan een veilige basis angstige hechting
3. Mikulincer, Shaver
o Link tussen hechting en emotie-regulatie
o Emotieregulatie = manier waarop iemand omgaat met emoties
o Elk van de 3 dimensies van hechting leidt tot een bepaalde strategie
Veilige hechting emotionele integratie (leren uit emoties voor toekomstige situaties)
Vermijdende hechting emoties onderdrukken (niks aan de hand, intiem en nauw contact vermijden)
Angstige hechting hulpeloosheid (overweldigd worden door sterke emoties, piekeren, jaloezien)
o Onderzoek wijst uit dat er verband bestaat tussen vermijdend/angstige hechting en psychische problemen
4. Technologische vooruitgang
o Kan gevolgen van onveilige hechting op ontwikkeling hersenen/lichaam aantonen
Verwaarloosde/misbruikte kinderen vertonen afwijkingen aan de amygdala
Emotioneel verwaarloosde babys vertonen meer cortisol
Veilige hechting kinderen tonen minder cortisol en meer oxytocine
5. Johnson, Greenberg = emotiegerichte therapie voor koppels
o Hechtingsrelaties uit de kindertijd spelen een rol in latere partnerrelaties als volwassene
Veilig gehechte mensen betere relaties
Angstig gehechte mensen verwachte afwijzing vaak relatieproblemen
Vermijdend gehechte mensen emotionele afstand ten opzichte van partner vaak relatieproblemen
o 3 relatievaardigheden worden aangeleerd bij psychotherapie
1. Beschikbaarheid: bereidheid zich open te stellen voor de ander
2. Responsiviteit: gepast reageren op opgemerkte emotionele signalen
3. Betrokkenheid: interesse tonen in de ander, willen volhouden
PERSOONLIJKHIEDSPSYCHOLOGISCHE THEORIN
1 persoonlijkheidspsychologie
- Persoonlijkheidspsychologie = onderdeel van de psychologie dat de gelijkenissen en de verschillen in de persoonlijkheid van mensen onderzoekt
Persoonlijkheid = een verzameling stabiel en uniek (psychische/gedragsmatige) kenmerken die in de loop van het leven min of meer hetzelfde blijven.
Temperament = aangeboren, typerend reactiepatroon dat iemands gedrag bepaald
o Prenataal tot uiting
o Bevat eigenschappen zoals felheid waarmee iemand op prikkels reageert
Karakter = eigenschap
o Aangeboren deel van de persoonlijkheid
- Gewoontes = aangeleerde manier waarop mensen typisch reageren en die ze ook weer kunnen afleren
- Dispositie/trek = een stabiel, duurzaam, niet-lichamelijk kenmerk dat mensen van elkaar onderscheidt
Gebruik van implicietepersoonlijkheidstheorie
- Persoonlijkheidspsychologie = belangrijk voor arbeids- en organisatiepsychologen (vb. selectie personeel).
- Klinische psychologen
Persoonlijkheidsstoornissen (vb. borderline)
2 typologien in de persoonlijkheidstheorie
- Typologien zij vroegere theorien om mensen in elkaar uitsluitende categorien in te delen.
- Hippocrates (later Galenus)
4 type mensen
4 temperamenten daaraan gekoppeld
o Sanguinisch = vurig, temperamentvol
o Cholerisch = opvliegend
o Melancholisch = zwartgallig, sentimenteel
o Flegmatisch = onverstoorbaar, kalm
Theorie is gebaseerd op de aanwezigheid van vochten in het lichaam
NIET WETENSCHAPPELIJK maar wel lange tijd van invloed op de persoonlijkheidspsychologie
- Sheldon
Werkt theorie van Kretschmer verder uit
Persoonlijkheidstypes op basis van lichaamsbouw
o Ectomorf = mager, tenger, groot artistiek, sensitief, introvert
o Mesomorf = spieren, botten, rechthoekig moedig assertief
o Endomorf = zcht, rondingen, molliger extravert, tolerant
Veel kritiek
o Vb wat als je vermagert/verdikt?
o Gebruikte onconventionele methodes (kiemlagen embryos)
o Pseudowetenschap
- MBTI (Myers Briggs Type Indicator)
Gebaseerd op Jung (psychoanalist)
Veel gebruikt in bedrijfswereld
Mensen worden ingedeeld in 4 paren met tegengestelde kenmerken 16 persoonlijkheidstypes
Kenmerken maken duidelijk hoe mensen naar de wereld kijken om zich heen en beslissingen nemen
o Extravert vs introvert
o Denken vs voelen
o Intutie vs waarnemen
o Oordelen vs percipiren
Elke mens heeft voorkeur voor 1 van de kenmerken
Dit leidt tot 16 mogelijke combinaties
GEEN WETENSCHAPPELIJKE BASIS onderzoek spreekt elkaar tegen
o Type kan snel veranderen <> gaat in tegen idee dat persoonlijkheid duurzaam is
Veel gebruikt als commercieel product
o zelfevaluatie-instrument, geen persoonlijkheidstest volgens aanhangers
o Veel trainingen die communicatie en teamwerking zouden moeten beteren
Conclusie: typologien blijven populair
o Werken met herkenbare types
o Eenvoudig (<> realiteit)
3 trekkentheorien
- Typologien schieten te kort, mensen horen vaak thuis in meerdere categorien en zelden of nooit op uitersten
- Trekkentheorien = dispositionele theorien
- Daarom zijn trekkentheorien beter
Een eigenschap is een continum waarop mensen scoren
Niet een keuze uit 2 tegengestelde
Wel een continum waarop mensen eerder lager of hoger kunnen schoren
3.1 Eysenck
- Een van de eersten die een trekkentheorie maakte
- Hij onderscheidde 2 trekken
Introversie vs extraversie
Neurotiscisme vs emotioneel stabiel
- Gecombineerd levert dat een model op
Gecombineerd met types Hippocrates
- Later voegde hij nog een derde trek toe
Psychotische vs intelligent
3.2 Big Five
- Meest gebruikte
- Big Five = 5 persoonlijkheidstrekken die de basis vormen (continum)
- Onderzoekers onder leiding van Goldberg kwamen tot deze 5 trekken op basis van onderzoek en statistische analyse
- Per persoonlijkheidstrek (=kerneigenschap) 2 tegenpolen
- Menselijke persoonlijkheid = combinatie van deze 5 trekken
- 5 psychologische termen met schalen daaronder
- Geen algemeen geaccepteerde namen, wel meest gangbare namen
Trekken zijn stabiel, maar naarmate mensen ouder worden, evolueren een aantal trekken
- 5 persoonlijkheidstrekken:
1. EXTRAVERSIE vs introversie
Facetten: dominant vs ondergeschikt
2. VRIENDELIJKHEID vs eigenbelang
Facetten: warm/vertrouwd vs koel/achterdochtig
3. CONSCINTIEUSHEID vs onzorgvuldigheid
Facetten: nauwkeurig/grondig vs nalatig/lui
4. NEURITISCISME vs instabiliteit
Facetten: kalm/ontspannen vs nerveus/gespannen
5. OPENHEID VOOR ERVARINGEN vs geslotenheid
Facetten: intelligent/creatief/genteresseerd vs onintelligent/fantasieloos
- Extraversie + emotionele stabiliteit = temperamentfactoren (intensiteit gedrag) die ook bij Eysenck voorkwamen
- Zorgvuldigheid + altrusme = karakterfactoren (moreel gedrag)
- Openheid zorgt voor veel discussie, soms verkiest men intellect of cultuur
3.2.1 ontwikkeling van de big five
- Talen zij heel rijk, er bestaan vele woorden om eigenschappen van mensen te benoemen
- Wetenschappers uit meerdere taalgebieden namen een woordenboek erbij en selecteerde alle woorden die verwezen naar verschillen in gedrag bij mensen
- Daarna beoordeelden honderden mensen zichzelf op die woorden en werden ze ook beoordeeld door andere mensen die hen goed kenden
- Op alles werd factoranalyse toegepast (statistiek)
- Dit alles leidde tot de 5 trekken
- 5 trekken = beperkt om alle menselijke kenmerken te beschrijven, daarom bestaat een trek uit meerder facetten
- Menselijk gedrag = koppelen aan een combinatie van trekken
3.2.2 big five in de praktijk
- Kost vaak veel tijd
- Meerdere persoonlijkheidstest zijn nodig om iemand zijn persoonlijkheid te achterhalen
- Voor de big five werden specifieke vragenlijsten ontworpen
3.2.3 big five: crosscultureel onderzoek
- Trekken komen voor in meerder taken, blijkt uit lexicaal onderzoek
- Openheid voor ervaringen krijgt per cultuur een ander invulling
- Zijn trekken aangeboren?
Ja, maar culturele invloeden bepalen in welke mate ze voorkomen
- Opletten voor conclusies
Mogelijke kans taalfouten
Culturele factoren: individualistische vs collectivistische cultuur
3.3 Hexaco-model
- Ashton en Lee vanaf de jaren 2000, steeds meer aandacht
- zij onderscheiden 6 trekken
idem aan big 5: extraversie, conscintieusheid en openheid voor nieuwe ervaringen
min of meer gelijk: vriendelijkheid en emotionaliteit gelijken op altrusme en neurotiscisme, maar hebben ander facetten
een 6de nieuwe trek is integriteit/eerlijkheid, bescheidenheid
- hexaco = verwijst naar de eerste letter van elke trek
- veel onderzocht en veel bevestigd oa Taya Cohen
integriteit op de werkplaats (1500 mensen)
goed en slecht gedrag
4 stabiliteit van de persoonlijkheid
- vraag: kan een persoonlijkheid evolueren in te loop van het leven?
Biologische invalshoek = trekken wijzigen niet meer vanaf de leeftijd 30 (hersenen voltooid)
Systemische theorien = als de omgeving verandert, dan ook de persoonlijkheid, ook op latere leeftijd
- Oorzaken van verandering
Veranderde sociale rollen die mensen vervullen tijdens het leven
- Cross-sectioneel onderzoek
Verschillende mensen van verschillende leeftijden op hetzelfde moment onderzocht
- Conclusie: persoonlijkheid verandert met ouder worden, maar onderlinge verschillen blijven bestaan
- Longitidunaal onderzoek bevestigd dat onze persoonlijkheid zelden drastische wijzigt
Volgt dezelfde menen gedurende lange tijd
Ook iet door ingrijpende gebeurtenissen
Fixed en growth mindset
- Kan je actief aan je persoonlijkheid werken? veel discussie
- Carol Dweck oordeelt van wel
Deed onderzoek naar invloed van zelfopvattingen op functioneren
Ze kwam tot 2 types
Deze twee types zijn zoals uitersten van een trek bij de big five
1. Mensen met een fixed mindset
o Alle eigenschappen liggen vast, succes/mislukking ook
o Geven sneller op, nemen minder risicos
2. Mensen met een growth mindset tegen gewone gedrag ingaan
o Geloven dat ze kunnen veranderen
o Mislukking = kans om beter te worden/doen
Volgens Dweck mag je niet te veel aandacht geven aan testresultaten kunnen leiden tot selffulfilling prophecy
PSYCHOLOGISCHE THEORIN
Psychodynamische theorie van freud
1 uitganspunten
- Psychodynamische theorie
- Therapeutische methode = psychoanalyse
- 3 uitganspunten:
1. De eerste 5 levensjaren zijn zeer belangrijk voor de basisstructuur van een persoonlijkheid
2. Vroegere biologische en seksuele ervaringen spelen een grote rol
3. Onbewuste processen hebben invloed
2 persoonlijkheidsstructuur
2.1 inleiding: driften, lust- en realiteitsprincipe
- Het begrip voor uitganspunt van zijn theorie is DRIFT
- Het heeft als kenmerk:
Het is lichamelijk van aard
Het doel is bevreding (toestand van ontspanning)
Het heeft een object waarlangs bevreding plaatsvind
- Vele driften: zorgen voor energie, spanning (bv. Hangry) <-> principe: een menselijk organisme streeft een zo laag mogelijke spanning na
- Gevolg: de mens gaat geregeerd worden door het lustprincipe.
Het organisme streeft naar lust, hier en nu, want lust is de afwering van spanning (bv. Eten in de klas als de LK niet kijkt)
- Kan door:
Het gedrag direct te stellen
Een toevlucht te zoeken in het fantasieleven (enkel als 1 niet lukt)
- Probleem: mens kan eerste punt niet zomaar realiseren = rekening houden met realiteit: je kan niet zomaar je eigen ding doen
Realiteitsprincipe
- 2 basis/fundamentele driften
1. Eros = levens/seksdrift
2. Thanatos = agressie/doodsdrift
2.2 de persoonlijkheidsstructuur
- De discussie tussen lust en realiteit volgt de persoonlijkheidsstructuur
- Hij vergelijkt het met een huis dat bestaat uit 3 structuurelementen
2.3 bespreking van verschillende onderdelen
- Het es = de gorilla in de kelder, die alles hier en nu wil (bv. Een crimineel)
Onbewust, aangeboren
Verminderen van spanning en onmiddellijke bevreding (lust bevredigen)
2 delen
1. Minder diepe laag met verdrongen onderdelen
2. Diepere laag met fundamentele driften
Het houdt met niks rekening als het zijn eigen gang KON gaan
Wordt geregeerd door het lustprincipe
Heeft de buitenwereld nodig om zijn behoefte te kunnen bevredigen
o Vervult verlangens van het es NIET zomaar
o Vijand van het es
o Overleg en verstand nodig: heeft het es niet, dus andere persoonlijkheidsonderdelen nodig
- Het ich = de nerveuze boekhouder, die onderzoekt wat kan en wat niet, een bemiddelaar
Om het es te beschermen tegen de buitenwereld
Kijkt naar wat het es wil en onderzoekt dat dan + kijkt of er te veel gevaar is om het es zijn eigen gang te laten gaan
Je rationeel deel bepaald wat je zegt, doet en denkt
- Het uber-ich = de boze schoonmoeder op zolder, die terechtwijst
De stem van ons geweten, herinnert ons aan fatsoen en moraal
Afwezig bij kleine kinderen
Het is amoreel = zonder waarden en normen
Op een bepaald moment ontstaat er wel een morele instantie
o Door contact met mensen rondom jou
Het velt morele oordelen, straft/beloont = hangt af van de situatie
2 delen:
1. Ik-ideaal = wat is goed en belonen
2. Geweten = wat slecht is en geweten
2.4 de verschillende bewustzijnsniveaus
- Formuleerde het idee dat de persoonlijkheid van een volwassen sterk wordt bepaald door ervaringen uit de kindertijd
- Gedrag zou een dieperliggend motief hebben
We zijn ons daar niet bewust van
- 3 verschillende bewustzijnsniveaus
1. Het bewuste = alles waar we ons volledig bewust van zijn
2. Het voorbewuste = je bent er nu niet bewust van, maar je kan het wel nog terug oproepen
3. Het onbewuste = je weet niet wat er gebeurt is, je kan het ook niet meer terug oproepen
3 ontwikkeling van de persoonlijkheid
- Hij geloofde dat er een aantal fases waren in de psychoseksuele ontwikkeling
- Het richt zich op het kind (specifiek de lichaamszone die op dat moment de sterkste sensatie produceert)
- Een persoon die te gefrustreerd geraakt tijden een bepaalde fase kan een fixatie in die fase vertonen.
Fixatie = overdreven gerichtheid op het lichaamsgebied dat in bepaalde fases aanbod komt en op de symbolische activiteiten die ermee gepaard gaan.
1. De orale fase (0-1,5 jaar)
Centraal orgaan = os = mond
Goede beleving = vertrouwen
Persoonlijkheidstype = orale type
o Veeleisend, gulzig, spraakzaam, afhankelijk van anderen,
2. De anale fase (1,5-3 jaar)
Centraal orgaan = anus/aars
Goede beleving = basisvertrouwen
Persoonlijkheidstype = anale type
o kil, afstandelijk, wreed, gierig, koppig, overdadig, ordelijk, stiptheid,
3. De fallische fase (3-6 jaar)
Centraal orgaan = fallus = penis
Lust/onlustgevoelens = nieuwsgierigheid, de gelijkslachtige ouder
Persoonlijkheidstype = fallisch type
o Problemen met ouders, ijdelheid, depressie, angstgevoelens, jaloers, minachtig tegen vrouwen,
Oedipuscomplex
o Elektracomplex = meisjes
Penisnijd = oorsprong vrouwelijke minderwaardigheidsgevoelens
o Castratieangst = jongens
o Einde maken aan vooraf verloren concurrentie met de ouder van hetzelfde geslacht kind wil zijn zoals de ouder = via omweg positieve gevoelens koesteren bij andere ouder
4. De latentiefase (6-12 jaar)
Een latent type heeft voorkeur voor gezelschap van mensen van het eigen geslacht en is erg bescheiden
5. De genitale fase (12-18 jaar)
Jongeren gaan opzoek naar anderen, van het eigen of andere geslacht
4 het ich verdedigt zich
- Het ich probeert te bemiddelen, door driften van het es om te buigen tot een voor het ber-ich aanvaardbaar niveau = gebruik afweermechanismen
Rationalisatie = verklaring zoeken
Vb. je leeft maar 1 keer, morgen kan het gedaan zijn
Compensatie = gebrek compenseren
Vb. zelfzeker overkomen om je verlegenheid te maskeren
Verplaatsing = impulsen op een veiliger object of persoon richten
Vb. frustratiereacties bij sporters
Negatie = ontkennen
Vb. slachtoffers van seksueel misbruik, cognitieve dissonantie (recht praten wat krom is)
Sublimering = waarbij onacceptabele driften omzetten in sociaal geaccepteerde driften
Vb. iets niet willen doen dat van je verwacht wordt, door iets anders in de plaats te doen
Verdringing = is wegduwen
Vb. plaatsen van een ex-lief vermijden
Projectie = onbewust eigen ongewenste gedachten, gevoelens, eigenschappen of pijnen 'plakt' op een ander persoon, waardoor men deze niet zelf hoeft te erkennen.
Vb. iemand woorden in de mond leggen: vind je ook niet dat
5 technieken van Freud
- Hij gebruikt meerder technieken om zijn patinten te genezen. Het betreft wel weinig wetenschappelijke methodes, maar eerde interpretaties door de therapeut
Analyse van dromen
Analyse van foutieve handelingen
Analyse van vrije associatie
- Hij noemde het genezingsproces de CATHARIS, wat emotionele zuivering betekend
6 verdiensten en kritieken
- Verdiensten
Het is er vooruitstrevend
De driften waren in die tijd taboeonderwerpen = werden bespreekbaar
Eerste volledig model van de menselijke persoonlijkheid
Niet tevreden met oppervlakkige verklaringen van het gedrag van mensen en graven nu dieper
Invloed op de kunst en op westerse culturen
Belang goede relatie tussen patint en therapeut
- Kritieken
Niet wetenschappelijk
nmalige en twijfelachtige observaties (oedipuscomplex)
Niet altijd correct en professioneel
Successen die gevalstudies zijn en grotendeels verzonnen
Zeer autoritair en zelfzeker
De positie als man, negatieve visie op de vrouw
Stellingen zijn overdreven
Weinig aandacht voor gezonde persoonlijkheden
Pessimistische visie
Seksuele verlangens toeschrijven aan 3 jarigen
Gezinsverhoudingen
Het is eerder filosofie is plaats van psychologie
Het behaviorisme
- Behavior = gedrag wetenschapper = alleen uitspraken doen over waarneembaar gedrag van mensen
Een psycholoog kan onmogelijk weten wat er zich in het organisme afspeelt
A. Persoonlijkheidsstructuur = alle innerlijke processen zoals gevoelens, aandachten en verlangens hebben voortaan geen plaats in de psychologie.
Behaviorisme = GEEN structuur
B. Persoonlijkheidsontwikkeling
1. Klassieke conditionering
Experiment speekselafscheiding bij honden
o 1 = onvoorwaardelijke prikkel want de hond kwijlt omdat hij eten ziet.
o 2 = neutrale prikkel want er wordt met de bel gerinkeld (de hond kwijlt niet)
o 3 = voorwaardelijke prikkel, de bel wordt een voorwaardelijke prikkel want de hond begint te kwijlen als de bel gaat omdat hij eten ziet.
o 4 = voorwaardelijke prikkel want de hond begint te kwijlen als de bel rinkelt zonder dat hij eten ziet.
Gedrag is reflexmatig
o 2 soorten reflexen:
1. Aangeleerde reflexen = respondent gedrag gedrag dat aangeleerd is, kan ook afgeleerd worden
2. Aangeboren reflexen
2. instrumentele conditionering
Thorndike = formuleerde DE WET VAN HET EFFECT
o Gedrag dat door een positief effect, beloning, gevolg word zal in de gegeven situatie in frequentie toenemen en gedrag dat gevolgd wordt door een negatief effect (straf) zal in de gegeven situatie in frequentie verminderen.
Gebeurt automatisch
Skinner = neemt de theorie van Thorndike gedeeltelijk over maar stuurt ze bij omdat hij ze NIET RADICAAL genoeg vindt
o Skinner box met duiven
o Straffen = NIET goed
o Belonen = soms
o Straffen/belonen versterking/reinforcement
G + V = G: gedrag + een versterker doet het gedrag in frequentie toenemen
Positieve reinforcer = iets waardoor gedrag in frequentie toeneemt, doordat we het aan de situatie toevoegen
Negatieve reinforcer = iets waardoor het gedrag in frequentie toeneemt, doordat we het aan de situatie onttrekken
Het humanisme
- Maslow
Grondlegger humanisme
Positieve kijk op de mens
Mensen streven ernaar om te groeien als persoon
- Rogers
Zelfactualiseringstendens = ieder mens heeft de neiging om tot zelfactualisatie te komen
Zelf = hoe iemand zichzelf ziet
o Actuele zelf = persoon die je werkelijk bent
o Ideale zelf = persoon die je graag wil zijn
2 voorwaarden:
1. De omgeving van het individu moet het individu emotionele veiligheid bieden
2. Het individu moet het gevoel hebben dat het onvoorwaardelijk (zoals je bent) geaccepteerd wordt
Clint-centered therapy = actuele zelf ombuigen naar ideale zelf, zelf beslissen over wie hij/zij is en wie niet en inzicht geven in het zelfbeeld
o Clint = suggereert dat je op dezelfde hoogte staat
o Non-directieve therapie = geeft GEEN aanwijzingen
o 3 voorwaarden:
1. Echtheid = therapeut moet zich authentiek tonen om te kunnen functioneren met de clint
2. Onvoorwaardelijke acceptatie/positieve waardering = clint is wie hij is en je moet hem zo aanvaarden
3. Empathie = je kunnen inleven in de gevoelens van de clint
Fenomenale veld = veld dat het geheel van al onze gevoelens en gedachten, een soort filter waardoor we onze ervaringen waarnemen
o Enige waarheid
Gezonde persoonlijkheid = congruentie
Positief zelfbeeld dat overeenkomt met de werkelijkheid
Actuele zelf stemt overeen met de ideale zelf
Sterk gevoel van eigenwaarde = komt vaker voor bij kinderen die in hun gezin onvoorwaardelijke positieve waardering ervaren
Incongruentie = wanneer iemand te maken krijgt met ongunstige ervaringen in de omgeving
Actuele zelf wordt negatief benvloed en wijkt verder af van de ideale zelf
Leiden tot: psychologische stoornissen, destructief gedrag
Verdiensten:
o 3 basisverhoudingen basishouding van iedere therapeut
o Luisteren, echtheid, zelfactualisatie algemene waarden
o Positieve psychologie, optimistische visie op de mens
Kritieken:
o Ander = gevaar bij bereiken zelfactualisatie
o Te weinig nadruk op de relatie met de ander
o Trage werking, omdat de therapie NIET dwingend is
Sociaal-cognitieve leertheorie
Sociaal leren
- Bandura
Sociaal-cognitieve leertheorie = je leert door het gedrag van een ander, een model, te observeren
o Modeling = observeren en imiteren van een rolmodel (iemand waarnaar je opkijkt)
o Beloning = NIET noodzakelijk maar het kan wel helpen
o 2 factoren:
1. De gevolgen van het gedrag: wordt bekrachtigd/gestraft
2. De status van het model: kijken de kinderen en jongeren op naar het model
Bobo doll-experiment
o Drie groepen: 2 experimentele, 1 controle
o Drie type filmpjes: groep 1 experimentele groep met geweld op de pop en beloond worden, groep 2 experimentele groep met geweld en gestraft worden, groep 3 controle groep met geweld op de pop en geen straf/beloning
o Daarna: kinderen in een kamer gezet met dezelfde pop als in de filmpjes
o Resultaat: groep 1 heftig geweld uitvoeren op de pop, groep 2 ver van de pop weg blijven, groep 3 ook geweld meer niet heftig
Persoonlijkheid = verzameling van aangeleerd gedrag
Wederzijds determinisme = inzichten zijn voortdurend in interactie tussen de cognities en eigenschappen van het individu, de omgeving en het gedrag
(individu) cognities en eigenschappen van de persoon
Locus of control
- Rotter = ontwikkelde de locus of control theory
Dat is de manier waarop mensen handelen afhankelijk van hun gevoel van persoonlijke invloeden.
Gedrag = bepaald door de mate waarin individuen denken controle te hebben over gebeurtenissen.
o = locus of control
Interne, externe locus of control
Interne locus = gelooft dat gebeurtenissen vooral het gevolg zijn van eigen acties, gedrag of eigenschappen
Externe locus = gaat er vanuit dat het lot, geluk of toeval of anderen meer invloed hebben op gebeurtenissen
o Het werkt dubbel:
1. Als een soort filter waardoor je ervaringen ziet
2. Als een motief voor je handelen
Internal-External locus of Control Scale = test bepaalt of mensen de belangrijkste invloed op gebeurtenissen in hun leven binnen of buiten zichzelf situeren.
o 29 paren van tegengestelde uitspraken. Bij ieder paar moeten de proefpersonen telkens aangeven welke uitspraak het meest op hun van toepassing is. (GEDWONGENKEUZETEST). Zes van die paren zijn zogenaamde fillers, die niets te maken hebben met het doel van de test.
o Scores: vertonen een sterke correlatie met de emoties en gedrag van mensen
Intern: meer controle over hun gedrag, vertonen in hogere mate politiek engagement en proberen zij anderen te benvloeden. Ze halen betere cijfers en gaan actiever opzoek naar info en kennis
o Of we vaker interne of externe locus toewijzen aan bepaalde uitkomsten van ons gedrag bepaalt een deel van onze persoonlijkheidstrek
Biologisch perspectief
- focust op de biologische factoren die de basis van persoonlijkheidseigenschappen vormen.
- Basis = terug te vinden neurotransmitters, aangeboren eigenschappen, werking hersenen en hormonen
- Casus van Gage = van groot belang voor de ontwikkeling van de biologische stroming in de persoonlijkheidstheorie
- Neurobiologie
Focust op het zenuwstelsel en de werking van de hersenen
Dick Swaab
o Ons brein bepaalt grotendeels wie we zijn
o Het milieu in de baarmoeder benvloed de ontwikkeling van onze hersenen
- Evolutionaire psychologie = ontwikkeling vloeit voort uit de genetische erfenis van onze voorouders.
Genen = resultaat van een miljoenen jaren lange ontwikkeling zorgen voor een grotere kans op overleving en voortplanting werd op generaties doorgegeven
o Bepalend voor zowel fysieke kenmerken als voor de persoonlijkheidseigenschappen
DNA: genotype = invloed van de omgeving is beperkt tot het bieden van goede omstandigheden om te groeien
DNA: fenotype = waarneembare, ontwikkelde kenmerken van het individu
o Grondlegger: DARWIN (natuurlijke selectie)
- Rijpingstheorie
Gesell = paste ideen toe op de psychologie
o Beschouwde de ontwikkeling las de rijping en de groei van het individu
o Alle kinderen zetten de zelfde stappen in dezelfde volgorde maar op het EIGEN tempo
- Epigenetica = deelgebied binnen de gedragsgenetica
Gedragsgenetica = wetenschap die de effecten van erfelijkheid op het gedrag onderzoekt
Waddington
o Leefomstandigheden en ervaringen is de manier waarop genen tot uiting komen, kunnen veranderen GENEXPRESSIE
o invloeden van buitenaf kunnen het proces in gang zetten dat de genfunctie benvloedt genen aan en uit zetten (DNA-structuur blijft hetzelfde maar op een andere manier afgesteld)
o gen = bevat een code voor de aanmaak van eiwitten.
Bepalen onze eigenschappen
o Epigenetische factor zich op onze genen vastzet, worden ze niet/minder toegankelijk
o Mutatie = afwijkingen in de genen erven van ouders
DNA code verandert
Kritieken: door de technologische vooruitgang speelt de biologische stroming een steeds grotere rol in de ontwikkelingspsychologie
o Verklaren menselijk gedrag gebeurt vanuit de prehistorie moeilijk na gaan hoe oermensen zich werkelijk gedroegen
o De invloed van de omgeving word onderschat
o Onderzoek naar de werking van hersenen en hormonen kan helpen bij het verklaren van bepaalde gedragsproblemen en psychische stoornissen.
o Onderzoeken worden als controversieel beschouwd.
o Evolutionaire psychologie biedt een interessant model om te verklaren waarom bepaalde aspecten van het menselijk gedrag ontstaan zijn.
Cognitief perspectief
- Piaget = interesse in de cognitieve ontwikkeling van kinderen
Het kind is een actieve onderzoeker die zelf vorm geeft aan zijn ontwikkeling
door interactie met de omgeving verwerven nieuwe denkvaardigheden
cognitieve psychologie = ontstaan onder invloed van neurowetenschappen en de opkomst van de computer
o vandaag: stroming een grote invloed op de wetenschappelijke aanpak binnen de psychologie
- informatieverwerkingstheorie
kinderen hebben een beperkt vermogen om informatie te verwerken
3 processen:
1. Codering = informatie verwerken
2. Opslag = gecodeerde informatie op de juiste manier in ons geheugen opslaan zodat het bewaard blijft
3. Ophalen = gebruikt maken van de gecodeerde informatie
Info kan alleen verwerkt worden als ze alle 3 werkzaam zijn
Wordt telkens opnieuw herhaald
Geheugen = belangrijke rol binnen informatieverwerkingstheorie
3 lagen:
1. Sensorisch geheugen/zintuigelijk geheugen
o Een paar seconde
o Geluidprikkels langer dan visuele prikkels
o Belangrijke prikkel kortermijngeheugen
2. Kortetermijn-/werkgeheugen
o Selecteert info uit het sensorische geheugen en verbindt die met al opgeslagen informatie in het langetermijngeheugen
o 20 30 sec verdwijnt info
o Blijft herhalen tot in langetermijndenken
3. Langetermijngeheugen
o Slaat info voor lange tijd op
o Capaciteit = onbeperkt
o 2 onderdelen
1. Declaratief/expliciet geheugen = herinneringen kunnen ophalen
2. Procedureel/impliciet geheugen = zorgt ervoor dat je inhoudt hoe je bepaalde handelingen moet uitvoeren
Systemisch perspectief
- Bekijkt de ontwikkeling van een individu vanuit zijn complexe sociale en culturele context
- Persoon = deel van SYSTEEM verzameling van samenhangende, elkaar benvloedende elementen
- Ontwikkeling = belangrijke rol omgeving
- Bronfenbrenner bio-ecologisch model
Geeft overzicht van verschillende omgevingsinvloeden bij de ontwikkeling
o Persoon (kind) zelf in het midden
o Bio = nature
o Cirkels = nurture
Cirkels bepalen in welke mate de aangeboren kenmerken van het kind tot uiting komen
5 omgevingsinvloeden
- Vygotsky sociaal-culturele theorie
je krijgt pas een volledig inzicht in de ontwikkeling van een individu als je rekening houdt met de cultuur waar het in opgroeit
Iedere cultuur heeft andere taken voor kinderen
Congnitieve ontwikkeling van een kind = voortdurend wederzijdse sociale interactie tussen kind en leden van de cultuur
o Door samenwerken, spelen met ander kinderen leert een kind probleemoplossend denken en de wereld beter begrijpen
Cultuur = systeem
o Mensen/omstandigheden <-> kind
Zone van naaste ontwikkeling
o Problemen oplossen die net moeilijker zijn dan wat een kind al kon
Gender
Geslachts/genderidentiteit
BASISELEMENTEN VAN DE OPVOEDING
1 belang van opvoeding
- Opvoeding van kinderen = veel aandacht nodig
- Tv-programmas over opvoeding
- Ouders en professionele opvoeders worstelen met de vraag hoe ze het best met hun kinderen omgaan
1.1 Begrippen
- Pedagogiek/opvoedkunde = wetenschap van de begeleiding of opvoeding van kinderen
- Opvoeding = proces, waarbij kinderen worden ondersteund in hun ontwikkeling tot ze zelfstandig kunnen meedraaien in de samenleving heeft een doel
Thuis, op school, jeugdbeweging of sportclub
Socialisatie = proces waarbij individuen de eigen cultuur aangeleerd krijgen, om zo te kunnen functioneren in hun gemeenschap beschrijvend
- Orthopedagogiek = wetenschap die opvoeding bestudeert in maatschappelijk kwetsbare opvoedings- en leefsituaties
1.2 doelen van opvoeding
- Hans Jan Kuipers 3 opvoedingsdoelen
Zelfstandigheid
Zelfredzaamheid
Zelfvertrouwen
- Doel van de mensen in opvoeding is in de loop van de jaren gewijzigd en is in niet alle culturen hetzelfde.
- Invulling van een goede pedagogische aanpak hangt samen met wat de opvoeders willen bereiken.
- Westerse culturen = West-Europa, Noord-Amerika
Doelen: autonomie, verantwoordelijkheid en zelfstandigheid
- Collectivistische culturen = Afrika, Azi
- Vansteenkiste, Soenens en Brenning 3 mensbeelden
1. Brandweerlui
Kind in geboren vol driften en impulsen
Taak opvoeder: kind in goede banen leiden
Opvoedingsdoelen: zelfcontrole en een geweten werven
2. Leerkracht
Pasgeboren kinderen zijn een ongeschreven blad, de ontwikkeling kan nog alle kanten op
Taak opvoeder: een goed voorbeeld bieden en de kinderen de juiste kennis en vaardigheden aanleren
Pedagogisch optimisme = overtuiging dat opvoeders er toe doen
Opvoedingdoelen: ontwikkelen tot een succesvolle volwassenen
3. Tuinier
Kind is van nature een goed wezen
Taak opvoeder: kind zelf laten bepalen welk pad ze bewandelen, het kind stimuleren en de kans bieden om zichzelf te ontplooien
Opvoedingsdoelen: zichzelf ontplooien
- Ellen Key
Kinderrechten
Opvoeders moeten afstappen van de toen overheersende autoritaire opvoedingsstijl
1.3 transactioneel proces
- er wordt te snel van uitgegaan dat opvoeding een eenrichtingsverkeer is van de opvoeder naar het kind toe
- transactioneel proces
- actie en reactie
- opvoeders handelen vanuit hun eigen overtuigingen, persoonlijkheid en ervaringen
lokt een reactie uit bij het kind
verschilt naargelang de persoonlijkheid, leeftijd en ervaringen
- 3 actoren
1. Kind zelf
2. Opvoeders
3. Omgeving
2 Opvoedingsmilieu
- It takes a village tor aide a child = er zijn heel veel mensen nodig om een kind op te voeden
2.1 primair opvoedingsmilieu
- het gezin
- veilige haven, veilige basis
- tot de jaren 1970 waren familieleden, buren en dorpsgenoten nauw betrokken bij de opvoeding van kinderen
- nu: gaan vrouwen werken
- de opvoeding wordt voor een deel uit handen gegeven
- reservetroepen
- In het algemeen stellen grootouders zich terughoudend op
Er zijn meningsverschillen
o Minder fundamentele kwesties: schermtijd, zindelijkheidstraining of snoepgoed
2.1.1 rollen in het gezin
- Micheal Lamb
1ste die de rol van de vader onderzocht
Moeder = verzorgend perspectief
Vader = spelen met hun, vasthouden
o Fysieker, uitdagender van aard
o Moedigt het kind aan om dingen te ontdekken
Ander vaardigheden: grenzen verleggen agressiebeheersing, gestimuleerd en leren omgaan met angst
- Of vader die rol ook voldoende mogen opnemen = cultuur gebonden
Belgi Zweden
- 20 werkdagen
- Geboorteverlof = 4 maanden voltijds - 24 weken
- Geboorteverlof = Twee keer zo lang
- Onderzoek in Zweden toont aan een vaderbetrokkenheid een krachtig preventief middel is voor tal van problemen.
Minder gedragsproblemen
Minder delinquent (afwijkend, storend) gedrag
- Opnemen van een vaderrol is eerder noodzakelijk
Bv. Echtscheiding
- Dirk De Wachter
Grote frustraties bij veel vrouwen, die merken dat hun ex nu wel als een vader kan gedragen
- Weekend vaders = verwennen
- Co-ouderschap = zorgender en democratischer zijn
Nemen zorgtaken van de moeder op zich
- Ander gezinsvormen
Holebi
o Geen grote nadelen
o Psychologisch welzijn beter
o Relatie ouders is beter
Pleeg
Adoptie
Nieuw samengesteld gezin
Klassieke gezin
- Alleenstaande moeders
Kwaliteit van de gezinsrelatie en sociale omgeving duidelijk belangrijker is voor de psychologische ontwikkeling van kinderen dan bv. Het aantal, geslacht of seksuele geaardheid van de ouder
- Duits onderzoek
Sociale omgeving kan tegenvallen
Kinderen uit klassieke gezinnen hebben meer risico om door hun leeftijdgenoten gediscrimineerd te worden
Holebi-ouders compenseren dat door een goede relatie met de kinderen en door het onderwerp discriminatie te bespreken
2.1.2 Gezinscohesie
- Manier waarop gezinsleden tegen over elkaar staan
- Hoge cohesie kenmerken
Vriendelijkheid, samenwerking, geborgenheid en samenhorigheid warme opvoeding
- Mate van gezinscohesie bepaalt of de kinderen hun eigenheid positief kunnen ontwikkelen met behulp van ouder
- 3 types
1. Loszandgezin
Weinig cohesie
Geen betrokkenheid, ondersteuning van de ouders
Weinig communicatie
Leven lang elkaar heen
Kind kent geen grenzen en heeft geen controle
Het is op zichzelf aangewezen
2. Kluwengezin
Slechte onderlinge banden
Gezinsleden zo verstrengeld dat er weinig sprake is van autonomie en individualisme
Beperkte vrijheid kind
Verstikkende en belemmerde zelfontplooiing
3. Halfopen/halfgesloten gezin
Leden van het gezin staan open voor relaties met niet-gezinsleden
Kind is gestimuleerd om bv. Naar een jeugdbeweging/sportclub te gaan
Goede cohesie
Hechte banden
Emotionele betrokkenheid
Open communicatie
Duidelijke grenzen
2.1.3 differentieel opvoeden
- = het ene kind anders opvoeden dan het andere kind
Hangt af van het temperament (aangeboren)
Persoonlijkheid van het kind
NIET voorkeur ouder
- Knappere/charismatische kinderen meer positieve aandacht krijgen of dat lenige kinderen sneller aangemoedigd worden om een sport te beoefenen
2.2 secundair opvoedingsmilieu
- beroepsopvoeders
kinderopvang
crche of onthaalmoeder
kleuterschool cognitief en socio-emotioneel vlak
buitenschoolse opvang
- het gaat allang niet meer over lesgeven alleen, maar ook over remediring, heropvoeding, structuur bieden, het normkader van de samenleving doorgeven en zorg op maat bieden
2.3 tertiair opvoedingsmilieu
- georganiseerde activiteiten waaraan kinderen en jongeren in hun vrije tijd deelnemen
jeugd-/buurthuis
sportclub
jeugdbeweging
speelpleinwerking
- ze komen er net als op school in contact met leeftijdgenoten die dezelfde levensvragen, interesses, moeilijkheden, hebben
- eind 19de , begin 20ste eeuw verbond kinderarbeid + invoering leerplicht
- pedagogisering van de vrije tijd van kinderen
2.4 quartair opvoedingsmilieu
- maatschappij
wetten en regels
- inmenging overheid:
studietoelagen
kinderbijslag (groeipakket)
jeugdbescherming
vaccinatie
pedagogische tik
minimumdoelen onderwijs
3 risico- en beschermende factoren
- ina Bakker: balansmodel
overzicht van kenmerken die de opvoeding van een kind positief of negatief benvloeden
o microniveau: kindfactoren
o mesoniveau: sociale gezins- en buurtfactoren
o macroniveau: sociaal-economische, culturele en maatschappelijke factoren
3.1 risicofactoren
- = bedreigende factoren = vormen een risico voor de ontwikkeling van een kind
Maken leven moeilijker
Vergen extra energie
Opvoeding op het goede spoor te houden
- Stressvolle gebeurtenissen, traumas of weinig steun verhogen de kans op een problematische ontwikkeling
- Er treden pas problemen op als de draaglas groter is dan de draagkracht
3.2 beschermende factoren
- = protectieve factoren = verhogen de kans op een goede ontwikkeling
4 opvoedkundig handelen
4.1 opvoedingsstijlen
- opvoedingsstijl = algemene houding van de opvoeder te opzichte van het kind
- Diana Baurmind: 2 opvoedingsdimensies
Responsiviteit = hoe warm of afstandelijk een opvoeder met het kind omgaat
Controle = hoeverre de opvoeder grenzen stelt of vrijheid geeft aan het kind
1. Autoritatieve stijl/democratische stijl
Ondersteunende of gezaghebbende
Warme en betrokken relatie met elkaar
Ouders bepalen duidelijke regels en leggen uit waarom ze die kiezen
Ouders respecteren de autonomie en verantwoordelijkheid
Kind wordt aangemoedigd en gesteund om zelfstandig te worden
2. Autoritaire stijl
Strenge regels, hoge eisen en veel discipline
Weinig warmte
Opvoeders komen koud en kil over en communiceren via bevelen
Harde straffen
Regels niet uitgelegd
Voorstander = Amy chua
3. Verwaarlozende stijl (laisser faire)
Afzijdige of onverschillige opvoeding
Amper interesse tonen in hun kind
Weinig interactie, emotionele betrokkenheid of liefde
Geen regels/eisen
Onvoldoende aandacht
Ouders kiezen hier NIET bewust voor
4. Permissieve stijl (verwennende stijl)
Toegefelijke stijl
Warme omgang met grote beslissingsvrijheid voor de kinderen
Weinig grenzen
Geen straffen
Verschillende vormen van verwenning
o Pedagogische verwenning = geen regels
o Materile verwenning = speelgoed, geld, kleren,
o Affectieve verwenning = kinderen worden opgehemeld en kunnen niets verkeerd doen in de ogen van ouders
Ouders kiezen er bewust voor
Anti-autoritaire opvoeding
4.2 effecten van de opvoedingsstijlen
- Onderzoek uitgevoerd gelijklopende resultaten
- Autoritatieve stijl = positieve effecten beschermende factor
- Verwaarlozende stijl = negatieve gevolgen risicofactor
- Resultaten is dat de onderzoekers geen rekening hielden met de invloed van de eigenschappen van het kind op de opvoedingsstijl
4.3 opvoedingsdimensies
- Opvoedingsdimensie = bepaald gedragskenmerk dat meer of minder voorkomt in een opvoedingsrelatie
- opvoedingsstijlen = combinatie van opvoedingsdimensies
4.3.1 responsiviteit
- responsiviteit = verwijst naar de mate van ondersteuning en liefde in de relatie tussen ouder en kind
2 aspecten
1. Warmte en tederheid tonen
2. Troost en steun bieden
- Hoge responsiviteit = voelen zich aanvaard en gewaardeerd door hun ouders, verwerven betere sociale competentie en voelen zich minder eenzaam
- Verschillende verklaringen voor positieve effecten
Door de warme en steunende houding van de ouders krijgen kinderen een positieve kijk op zichzelf
Sociale competentie wordt beter, veel responsiviteit
4.3.2 gedragsmatige controle
- Controle als de beknotting van de ontplooiing van het kind
- Opgesplitst in 2 dimensies:
1. Gedragsmatige controle
= Regulatie/structuur
Mate waarin ouders gedrag structureren
o Regels, communicatie over wat mag en niet
o Toezicht op kinderen
o Reacties bij overtredingen (straffen)
2. Psychologische controle
Opvoeders proberen het gedrag van kinderen te benvloeden door in te spelen op hun emoties
o Twee vormen:
1. Afhankelijkheidsgeorinteerde psychologische controle = kinderen niet los
2. Prestatiegeorinteerde psychologische druk = ouders verwachten dat hun kind perfect is
Op verschillende manieren proberen
o Schuldgevoel opwekken
o Schaamte opwekken
o Angst opwekken
o Voorwaardelijke aandacht of liefde
Hoge psychologische controle = minder zelfstandig worden en laag zelfbeeld ontwikkelen angst en depressie
5 Opvoedingsmiddelen
5.1 regels
- Duidelijke regels kunnen discussies vermijden
- Regels een succes smaken
Overleg en communicatie
Duidelijke regels
Consequent toepassen
Regels moeten overeen stemmen met het ontwikkelingsniveau van het kind
Waardering tonen als ze zich aan de regels houden
5.2 straffen
- Regels overtreden = straf
- Juiste straf? = gewenst effect hebben, band tussen opvoeder en kind niet beschadigen
- Behavioristen
Operante conditionering = verband aanleren tussen bepaald gedrag en de gevolgen ervan
Positieve straf = vervelende gevolgen
Negatieve straf = iets leuks wegnemen
- Verschillende categorin
Fysieke straffen
Activiteitsstraffen
Sociale straffen
- Straffen werkt niet goed
Het kind ervaart de straf niet
ze worden niet consequent toegepast
ze moeten onmiddellijk gegeven worden
straf is te zacht
- vervelende neveneffecten
effect is van korte duur
opvoeders zijn woedend
leidt tot aangeleerde hulpeloosheid
kind leert ontsnappingsgedrag
aangeleerde hulpeloosheid
- Martin seligman
experiment honden en mensen
o honden
fase 1: hond in het hok krijgt een elektrische schok
fase 2: kooi heeft een hek in hete midden. De honden die de schok kregen blijven liggen andere springen over het hek
o mensen
wachtkamer met hard storend geluid
groep 1: knop om het geluid af te zetten
groep 2: geluid niet afzetten
proefpersonen worden ondergebracht in nieuwe kamer
groep 1: opzoek naar oplossing
groep 2: doet niks
- ook toepasbaar op: pestgedrag, depressie, geweld in familie, mantelzorg,
- je leert ik heb geen controle, dus oplossen heeft geen zin
- nadelen:
je blijft bij de pakken zitten
negatief effect op de gezondheid
o fysiek: stress reacties
o mentaal: depressie, psychische problemen
- conclusie: ander aanpak is beter
- alternatieven: gewenste gedrag voordoen, doven
5.3 fysieke straffen
is een pedagogische tik geven goed?
Gevoelig onderwerp: aanvaardbaar <-> onaanvaardbaar
Er is weinig onderzoek dat een verband legt tussen lichtere fysiek straffen en negatieve effecten
Waar ligt de grens?
Kindermishandeling = systematisch geweld, letsel negatieve gevolgen ontwikkeling kind
Er is gebrek aan onderzoeksgegevens doordat het moeilijk is om ethische reden te vinden om een experiment op te stellen
5.4 belonen
- Belonen = bekrachtigen van het gewenste gedrag
Leidt tot aangenaam gevoel bij het kind gedrag nog vertonen
- Werkt beter dan straffen
- Wordt vaak vergeten = goed gedrag wordt als normaal gezien
- 2 soorten
1. Positieve beloningen = iets aangenaam krijgen
2. Negatieve beloningen = iets vervelends wegnemen
- 3 categorin
Materile beloningen = iets tastbaar
Activiteitsbeloningen = iets leuks gaan doen
Sociale beloningen = aandacht, aanmoedigen of waardering
5.5 modelleren
- Sociaal-cognitieve leertheorie (Bandura) = observeren hoe anderen zich gedragen
- Kinderen kijken op naar hun opvoeders
- Onderzoek toont aan dat kinderen angst overnemen van hun moeder
Gedrag imiteren
- Conclusie: als ouders bewust gedrag gaan vertonen en hun kind aanmoedigen om mee te doen, kan dat leiden tot GEWOONTEVORMING
- Gewoontevorming = kind aanleren van gewoontes
MEDIA EN COMMUNICATIE
1 soorten communicatie
- Vele soorten
Onderscheidt op basis van het medium
Verbale en non-verbale communicatie
Ook op basis van het doelpubliek
o Interpersoonlijke communicatie
o Massacommunicatie drager nodig
- Voor de opkomst internet: communicatie = grotendeels een nrichtingsverkeer
- Begin 21ste eeuw veel mogelijkheden tot digitale media
- Massamedia = voor iedereen of een specifieke groep (nichepubliek)
2 communicatiemodellen
2.1 Aristoteles
- Oudste communicatiemodel van de westerse wereld
- Model = Ars Rhetorica 5 elementen
- Spreker = belangrijke rol
Sprekers proberen het publiek voor zich te winnen door inzet van allerlei middelen
o Lichaamstaal, oogcontact, intonatie, gebaren
- Om de andere voor zich te winnen, gebruikte Aristoteles 3 overtuigingsmiddelen
1. Ethos = geloofwaardigheid en mate van autoriteit spreker
Kan snel schade oplopen bij een schandaal
2. Pathos = vermogen band op te bouwen met publiek en inspelen op emoties van de mensen
Humor, persoonlijk verhaal, intonatie, spreektempo
3. Logos = logisch redeneren en argumenteren
Feiten, uitspraken, cijfers, concrete cases
- Vandaag: politiek, openbare sprekers
Communicatie is hier eenrichtingsverkeer met een passief publiek dat de boodschap slikt
2.2 Shannon en Weaver
- 3 nieuwe elementen: coderen, decoderen, ruis
- Code(ren) = om communicatie te doen slagen moeten zender en ontvanger over dezelfde code beschikken
Zender codeert boodschap, de ontvanger decodeer
Een code is
Context en socioculturele factoren spelen mee
- Soms treed er een ruis op
Ruis = storende factor die de communicatie belemmert
Meerdere soorten
o Fysieke ruis = alle signalen van buitenaf die het spreker, luisteren, kijken bemoeilijken
o Fysiologische ruis = lichamelijke beperking bij zender of ontvanger die de communicatie belemmert
o Psychologische ruis = vooroordelen en stereotiepe opvattingen die van invloed zijn
o Semantische ruis = wanneer zender en ontvanger verschillende codes hanteren
2.3 Harold Lasswell
- Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog onderzocht hij propaganda en massacommunicatie
Leidt tot 5 vragen en een communicatiemodel
Formule van Lasswell
- Lineair communicatiemodel = zenden van boodschap naar ontvanger
- Enkele belangrijke elementen ontbreken in zijn model
Waar? = is de communicatie lokaal, nationaal of internationaal?
Wanneer? = wat is het tijdstip van de communicatie?
Waarom? = wat is (zijn) de doelstelling(en) van de communicatie
- Antwoord op de waarom-vraag is cruciaal
Want het doel van de communicatie bepaalt:
o De doelgroep
o De inhoud van de boodschap
o De keuze voor het kanaal
o En de meting van het effect van de communicatie is enkel zinvol als het doel duidelijk is
2.4 Maletzke
- Communicatie model met 4 onderdelen
1. Communicator
Meerdere sociaalpsychologische factoren spelen mee die de inhoud en de vorm van de boodschap kunnen benvloeden
2. Boodschap
Gaat via een medium met een aantal technische karakteristieken
Ontvangers bereiken boodschap anders afhankelijk van het medium
3. Medium
Verandert oorspronkelijke boodschap gemedieerde boodschap
4. Ontvanger
Maken actief keuze aanbod
Ook heir meerdere sociaalpsychologische factoren die ontvangers benvloeden
- Dwang van het medium
Medium schrijft ontvanger bepaalde waarnemings- en gedragspatronen voor
Boodschappen via televisies worden anders opgepikt dan via radio/krant
Ook voor communicator
- Dwang van de boodschap
Afhankelijk van type nieuws is er andere boodschap nodig
- Dwang van de openbaarheid
Rekening houden met verwachtingen van anderen
- Wederzijdse relatie tussen communicator en ontvanger
Communicator en ontvanger vormen zich beelden van elkaar, ook over het medium
Spontane reacties van de ontvanger kunnen nrichtingsverkeer doorbreken
2.5 nieuwe communicatiemodellen
- Alle modellen tot hiertoe worden nog gebruikt, maar zijn onvolledig en achterhaald
Communicatie verloopt complexer dan modellen laten uitschijnen
Vele technologische ontwikkelingen dragen hiertoe bij
- Technologie
Opent vele nieuwe mogelijkheden op vlak van communicatie
Door sociale media als Tiktok, Instagram en X zijn er andere communicatiemodellen van toepassing
Het klassieke model gaat niet meer (altijd)op
- Voortaan zijn er meerdere zenders en meerder ontvangers tegelijk op sociale media
Wederzijdse interactie, samen boodschappen ontwikkelen
Communicatie is (meestal) geen eenrichtingsverkeer meer (tenzij men reacties uitschakelt)
Iedereen lijkt recht te hebben op informatie (te delen) en te reageren
Lineaire communicatiemodellen dynamische communicatiemodellen
3 representatie en beeldvorming
- Vele zaken benvloeden onze weergave van de werkelijkheid
3.1 stereotypering en categorisering
3.1.1 begripsbepaling
- We hebben de neiging om mensen op basis van aan/afwezigheid van bepaalde kenmerken in te delen in specifieke groepen = sociale categorisatie/categorisering
- sociale categorisatie/categorisering
gebruiken we om onze leefwereld makkelijker te ordenen
hangt nauw samen met beeldvorming: mentale beeld dat we hebben van een bepaald onderwerp (arbeid, vrouwen, minderheden)
o beeldvorming wordt in grote mate bepaald door de media
ingewikkeld proces
niet alleen feiten, maar ook percepties, veronderstellingen, emoties, waarden,
- link met stereotypen
iedereen heeft bepaalde beelden/ideen over bepaalde groepen in de samenleving
ideen/beelden zijn gebaseerd op criteria zoals geslacht, leeftijd, sociale klasse
een idee kan soms uitgroeien tot een stereotype: veralgemeningen van eigenschappen die de maatschappij toekent aan alle leden van een bepaalde groep
kleuren onze beeldvorming/verwachtingspatroon
3.1.2 gender
3.2 selectieproces
- de pers
gatekeepers = bepalen wat relevant en nieuwswaardig is, welke informatiestroom door de poort kan
3.2.1 journalisten en nieuwsagentschappen
- verslaggever/reporter, onderzoeksjournalisten, correspondenten, hoofdredacteurs, eindredacteurs, freelancejournalisten
- nieuws-/persagentschappen = bedrijven die enkel bezig zijn met verzamelen van informatie (nieuws), ze bieden die info te koop aan andere mediabedrijven aan, die zich hierop abonneren
- types nieuws-/persagentschappen:
A. wereldnieuwsagentschappen
veel correspondenten wereldwijd, informatie wereldwijs, 5000-10 000 afnemers
B. internationale agentschappen
minder middelen, enkel actief in bepaalde werelddelen, 1000 afnemers
C. nationale agentschappen
vaak doorgeefluik voor nieuws van A en B op internationaal vlak
verzamelen zelf nieuws binnen landsgrenzen
ook nieuwsagentschappen uit laaginkomenlanden (vaak onder controle)
- gevolgen nieuws-/persagentschappen
1. westersgezinde nieuwskleuring
de meeste media zijn wat nieuws betreft aangewezen op 3 grote spelers
2. negatieve gevolgen lage-inkomstlanden
vertegenwoordigen 75% wereldbevolking, maar aandeel in internationaal nieuws is heel laag
alternatief IPS Inter Press Service
150 landen, 22 talen
3.2.2 inhoudelijke criteria
- Hoe werkt nieuws?
Nieuws wordt geselecteerd volgens een aantal filters
Uit de grote hoeveelheid gebeurtenissen bereikt maar een heel klein aantal de ontvanger
De ontvanger zelf is ook erg selectief
Conclusie = je hebt een heel vertekend beeld van de wereld
- Bepaalde criteria wegen door in de nieuwsselectie
Actualiteit
Af
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question