Studybot answer

Ask a question ›
 
Question asked by: MariaB - 3 years ago

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Secreties: alle vloeistoffen die dieren produceren in hun MDK.
Je hebt veel meer vloeistoffen die je secreteert dan dat je ze inneemt. We drinken ongeveer 2 L en produceren 7 L vocht. Je moet dus goed omgaan met de stoffen die je krijgt en ze zo goed mogelijk hergebruiken.
Runderen produceren 100-200 L vloeistof per dag, de pens moet namelijk gevuld worden.

Het verlies van vloeistof door braken en diarree kan een dier heel snel in de problemen brengen door uitdroging.

Secreties 3 fasen:
1. Cephale fase: voorbereiden op voedsel dat gaat komen door het zicht en de geur bijvoorbeeld. Er wordt speeksel gevoegd bij de bolus waar de op kauwt.
2. Gastrische fase: voedsel bevindt zich in de maag.
3. Intestinale fase: voedsel bevindt zich in de darmen.

De vetering begint bij de speekselsecretie en de regulatie daarvan:
Mucines (vormen mucus bij menging met water)
o De functie is het zacht maken van het voedsel
Enzymen
o Lysozyme, dit heeft een antibacterieel effect.
o Vertering: leeftijd- en diersoortafhankelijk. Amylases alleen bij mens en varken.
Uitscheiding cortisol -> hoeveel stress heeft het dier
Elektrolyten
Ionen: diersoortafhankelijke samenstelling. Heeft een functie bij de pH regulatie, vooral door de aanwezigheid van buffers zoals HCO3- (herkauwers).

Verschillende samenstelling bij diersoorten:

Speeksel wordt geproduceert in een isotoon milieu in de acinus en gaat naar de ductuscellen die hypotoon zijn. Hierdoor komt er meer K+ en bicarbonaat in het speeksel, en gaan Na+ en Cl- het speeksel juist uit.
We willen dat het speeksel van een isotoon naar een hypotoon milieu gaat. Er worden hier een heleboel stoffen uitgewisseld. Aan de basale zijde zit een actieve NaK+-ATPase, die zorgt voor actief transport van Na+ naar het bloed, waardoor ook de gradint van de stoffen gehouden worden en er passief transport kan plaatsvinden.
De vagus stimuleert de speekselsecretie, dit is neurale regulatie.


Maagsapsecretie en regulatie:
De omgeving voor de afbraak van het voedsel moet gereguleerd worden, maar aan de andere kant moet de maagwand beschermd worden. Hiervoor is een slijmlaag en bicarbonaat aanwezig.
HCl
o Denaturatie van eiwitten zodat pepsine erbij kan
o Onschadelijk maken van micro-organismen (door de lage pH)
Pepsinogeen: dit is een inactief proenzym, wordt bij een lage pH omgezet tot pepsine dat zorgt voor de afbraak van eiwitten
Alkalisch slijm (mucus met bicarbonaat)
o Bescherming maagwand tegen het lage pH
Water vanwege de osmotische gradint
Ionen: Na+, K+, betrokken bij de transporters.

De ATPase in de maag zit aan de lumenzijde van de maag. Deze is de motor voor het wisselen van K+ tegen H+.

De afbeelding is de paritale cel.

De maagsapsecretie is neuraal (vagus), humoraal en endocriene en paracriene hormonen. Ook het ENS speelt een rol door rekking van de maagwand.

Neuraal
o ENS (mechano- en chemoreceptoren) -> stimulatie
o Parasympaticus, n. vagus -> stimulatie
Endocrien
o Gastrine -> stimulatie
Paracrien (lokale productie)
o Histamine -> stimulatie
o Somatostatine -> remming



Maagsapsecretie in de cephale fase:
Stimuli: denken aan, zien, ruiken en proeven van voedsel
N. vagus innerveert paritale cellen en G-cellen
Ach en gastrine stimuleren productie van histamine door ECL cellen

Maagsapsecetie in de gastrische fase:
Stimulus: rek maagwand
o Vagovagale reflex + ENS -> innervatie paritale cellen en G-cellen
Stimuli (tweede stimuli, aanwezigheid van): aminozuren, peptiden door eiwitsplitsing door pepsine
o Stimulatie G-cellen -> gastrine productie
o Feedforward reflex
Histamine is de krachtigste stimulator van de maagzuursecretie.

Maagsapsecretie tijdens de intestinale fase:
Stimuli: aminozuren en peptiden in chymus in de darm -> stimulatie G-cellen in de darm. In het duodenum wordt aangegeven dat er lokaal eiwitsplitsende productie zijn. Dit geeft lokaal in het duodenum gastrineproductie. Deze gastrine werkt veel langer en wordt in de darm zelf geproduceert, en zal de G-cel in de maag aanzetten.
Stimulie: aminozuren en peptiden in het bloed -> stimulatie op paritale cellen maag (via bloed)

Regulatie paritale cel:






















Remming paritale cel:



Enterogastronen: hormonen die door darmcellen worden gemaakt en maagzuursecretie remmen. Via stimulering van de D-cellen die somatostatine produceren.
Vanuit het duodenum wordt de maagzuurproductie geremd, omdat het wel heel zuur gevonden wordt.

Gastroduodenale overgang: teerste punt in het MDK
Gastroduodenale cordinatie: voorkomen maag- en duodenumzweren door ENS en werking van enterogastronen secretine, GIP en CCK.



Pancreassecretie en regulatie:
Endocriene deel -> eilandjes van Langerhans
Exocriene deel -> productie van bicarbonaat en proenzymen in de acinaire Ecellen



De pancreassapsecretie wordt neuraal en humoraal gereguleerd.
Neuraal via de n. Vagus en het ENS
Endocrien via secretine en CKK.



Galsecretie en regulatie:
Synthese uit cholestrol
Uitscheiden als Na+ zouten
Zorgt voor emulgeren van vaten

Er is een enterohepatische kringloop, gal wordt via de poortader bijna volledig weer opgenomen. Ophoping van galzouten zorgt voor icterus.

Regulatie is met name endocrien via CCK. Deze knijpt de galblaas leeg en opent de sfincter van Oddi. Dit is de opening van de ductus choledochus op de duodenum wand.
Secretine zorgt voor de uitscheiding van bicarbonaat en water.


Hoorcollege 2 Enzymatische vertering 13 november 2023
De dunne darm is het deel van het MDK waar het grootste deel van de vertering plaats vindt. Ook een deel in de mond en de maag. Vooral in het jejunum. Hoe langer de dunne darm, hoe meer tijd om te verteren. Dieren met moeilijk verteerbaar voedsel hebben een langer jejunum.
Voor het tentamen moet je de hoofdrolspelers, de verterings-enzymen, kennen.

Je verteert het voedsel om het te kunnen opnemen. Het moet door de darm heen naar het bloed. Je wil alleen nuttige stoffen in je bloed, dus is er selectie.
In de darm is door de villi en microvilli een groot oppervlakte voor de vertering. Er zijn ook lymfevaten in de plooien van Kerckring, dit komt omdat de vetten uit het voedsel in de lymfe terecht komen.
Kleine moleculen zijn rond de nanometer, deze kan de darm opnemen. De nanometer moet door een transporter, bijna elke nuttige component heeft een specifieke transporter. Een eiwit is een aantal nanometer, daar moet de stof doorheen. De transporters liggen in de brushborder (microvilli).

Eiwitten kunnen er niet doorheen, maar losse aminozuren wel. Ook dipeptiden en tripeptiden passen. Suikers: mono-sacariden. Hiervan moet je kennen: glucose, galactose en fructose. Vet is al een klein molecuul, maar het moet gesplitst worden tot een vetzuur en mono-acylglycerol om opgenomen te kunnen worden.

We kunnen buiten het lichaam voedsel verteren: kauwen, enzymen en water.
- Eerst mechanische verkleining met gebit en mengen in het MDK
- Daarna stapsgewijze enzymatische vertering

Substraat specifieke hydrolasen:
Glycosidasen: verteren koolhydraten
Peptidasen/proteasen: verteren eiwitten
(Fosfo)lipasen: verteren vetten

De meeste verteringsenzymen worden gemaakt in de exocriene pancreas. Niet allemaal, pepsine komt uit de maag en ook de enterocyten (darm) maken de enzymen die de laatste stukjes eraf knippen.

Koolhydraatvertering
Koolhydraten: in suiker en melksuiker -> glucose, galactose en fructose.
Een koolhydraat bestaat uit koolstof, hier plak je een water (hydraat) aan. Meestal hebben ze 6 koolstofatomen. Een simpel koolhydraat heet een mono-sacharide.
De verbinding noemen we een glycosidische binding, deze wordt verbroken door sucrase. Het splitst sucrose.

Het meest voorkomende koolhydraat dat je kan verteren noem je zetmeel (amylose / amylopectine -> vertakking). Beide worden geknipt door amylase. Amylase knipt alleen alfa-1,4-verbindingen knippen. Hij kan niet tot enkele glucoses knippen. Hij kan ook geen alfa-1,6-verbindingen knippen.

Producten van amylase:

Om dit te knippen heb je maltase en dextrinase nodig. Dextrinase knipt de 1,6-verbindingen.

Melksuiker is lactase. Dit verteer je met lactase tot glucose en galactose. Het verschil is dat de vierde OH naar bovenstaat. Bij glucose staat hij naar beneden.

SGLT1: sodium glucose transporter. Dit is actief transport van glucose en zorgt voor de opname van glucose in de darm. Doordat het actief is kan dit tegen de concentratiegradint in.

Samenvatting:


Eiwitvertering begint al in de maag. Je moet een eiwit ontrollen om het te kunnen verteren, dit doe je door het eiwit te denatureren door een lage pH. Hierdoor vervalt de eiwitstructuur in ketens en kunnen ze eiwitketens door pepsine geknipt worden. Pepsine maakt de eiwitdenaturatie irreversibel.
Mensen denatureren het voedsel al voordat we het opnemen, omdat we geen tijd hebben om het te denatureren.

Eiwitvertering in duodenum en jejunum (moet je kennen):
Endoproteases: knippen van gedenatureerd eiwit tot polypeptides.
- Trypsine
- Chymotrypsine
- Elastase (uit pancreas)
Exoproteases: knippten tot aminozuren en di- en tripeptiden.
- Carboxypeptidase (pancreas)
- Aminopeptidase (brushborder)

Vet-vertering:
Vet bestaat uit een triacylglycerol met drie vetzuurketens. Het wordt geknipt door een lipase. Hij knipt de vetzuren los, hij laat echter het middelste vetzuur zitten. Hierdoor hou je een monoacyl-glycerol voer.
Je herkent vetten aan de COOH-groep. Dit is de hydrofobe groep.




Het vet is aan elkaar verbonden door hydrofobe bindingen. Lipase zit in de waterfase door waterstofbruggen en is dus hydrofiel. Door de vetbol is er dan heel weinig oppervlakte voor lipase.
Emulgatoren verkleinen de vetdruppels door hydrofobe en hydrofiele eigenschappen. De belangrijkste zijn galzouten.
Galzouten zijn gemaakt van cholesterol in de lever.

Andere emulgatoren zijn (lyso)fosfolipiden (gal).

Ze zorgen voor betere werking van lipase en vorming van gemengde micellen voor goede opname van de vetzuren in de darm.

Het eind van de vertering is het ilium, hier is de galzoutabsorptie. Ze worden hergebruikt voor de entero-hepatische kringloop.


De darm wordt niet zelf verteerd door een beschermend laagje van slijm met eiwitten en suikers aan de buitenkant van de cel. De glycolax en slijm aan de apicale kant van de cellen vormen een barrire.
De binnenkant is niet beschermd, omdat de stoffen inactief gemaakt worden. Ze worden gevormd als inactieve stof en pas in het lumen geactiveerd.
Pepsine wordt geactiveerd door een eiwitvormverandering door de lage pH van de maag. Het remmende gedeelte wordt verwijderd en dan kan pepsine aan het werk.

In de darm heb je enterokinase die trypsinogeen geactiveerd. Op de brushborder zit een activator van trypsine, wat alle andere enzymen zal activeren.



De darmcel vernieuwd heel snel, hierdoor is er ook weinig afbraak en beschadiging. Binnen drie dagen heb je een darmcel van de crypt naar de villus verplaatst.

Welke enzymen je hebt is afhankelijk van de diersoort.



Vertering-gerelateerde ziektes:
Te weinig of geen verterings-enzymen
o Algemeen
Exocriene pancreasinsufficintie EPI
o Specifiek, n enzym werkt niet goed
Lactase deficintie
Gestoorde vetvertering/absorptie bij galgang obstructie

Kenmerken bij deze ziektes:
- Gebrek aan voedingsstoffen -> vermagering, slechte conditie ondanks goed eten
- Niet-normale ontlassting
- Soms kramp-winderigheid-diarree door fermentatie

Vrij goed te behandelen door toevoegen van de enzymen. Ze werken van buitenaf in het lumen van de darm.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.

Answer generated by AI Report answer

Ask a study question and we will try to answer it as best we can.

Ask a question
 
Log in via e-mail
New password
Subscribe via e-mail
Shopping Cart

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more items!

[Inviter] gives you € 2.50 to purchase summaries

At Knoowy you buy and sell the best studies documents directly from students. <br> Upload at least one item, please help other students and get € 2.50 credit.

Register now and claim your credit