Maak een oefenexamen van de volgende tekst: A) Lectuur: leest als ontspanning
B) Literatuur: boodschap op artistieke wijze overbrengen, kunstvorm
Primaire literatuur: het boek/de tekst zelf
Secundaire literatuur: achtergrondinformatie over het boek zoals recensies, analyses, interviews
Triviaalliteratuur: populaire literatuur; volgens vaste patronen
Pulp: reeks goedkope fictie-tijdschriften
C) Proza: Teksten zonder tekstregels, rijm of metrum, (doorgeschreven roman)
D) Pozie: teksten met versregels, klank en metrum (gedichten)
E) Epiek: verhalen, nadruk op beschrijvingen
F) Lyriek: gedichten, nadruk op gevoelens uiten, versvorm
G) Dramatiek: Toneel,films -> emotioneel thema
H) Fictie: verzonnen verhalen,fantasie
I) Non-fictie: feitelijke werkelijkheid
J) Factie: mengeling fictie en non-fictie
A) Parabel: kort verhaal dat dient om religieus of filosofisch idee te illustreren
B) Fabel: kort didactisch verhaal met morele les
C) Sage: traditioneel volksverhaal met historische kern die vaak verklaring geeft over iets
D) Stadssage/broodje-aapverhaal: gruwelijk, mondeling doorverteld verhaal dat als waar wordt voorgesteld door toegevoegde details
E) Mythe:
Heldenmythe: verhaal over half goden of helden uit het verleden
Verklarende mythe: verhaal over onstaan/einde van de wereld
F) Sprookje: kort volledig verzonnen verhaal
G) Epos/heldendicht: verhalen waarin gevechten en heldendaden worden bezongen
H) Legende: korte didactisch verhaal met religieus karakter
Marialegende: maria speelt grote rol
Hagiografie: geheel aan verhalen of teksten over heilige
I) Novelle: korter dan een roman
J) Kortverhaal: begint in medias res, open einde, fragment uit leven ve persoon
K) Aforisme: vermelding van een alledaagse gebeurtenis waarvan het zeker is dat het gebeurd is
L) Anekdote: korte, pittige spreuk
M) Cursiefje: korte ,humoristisch prozastukje
N) Column: korte prozatekst op vaste plaats in een krant of tijdschrift
O) Essay: opstel of verhandeling waarin de auteur zijn persoonlijke visie geeft over een actueel of algemeen menselijk probleem
P) Raamvertelling: verteltechniek waarbij een verhaal de omlijsting vormt voor een aantal andere verhalen
Q) Roman: uitgewerkt verhaal met meerdere personages die zich ontwikkelen
Autobiografische roman: leven dan de auteur
Historische roman: gebaseerd op waargebeurde, historische gebeurtenissen
Ridderroman: ideale ridderwereld- Karelroman: Karel de Grote speelt hoofdrol Bv. Karel ende Elegast -> voorhoofs-
Arthurroman: Koning Arthur en zijn Ronde tafelBv. Walewein -> hoofs = Keltische romans-
Graalroman: subgenre binnen de Arthurromans waarin de graal centraal staat
Adolescentenroman: hoofdpersonages zijn jongeren die op zoek gaan naar eigen identiteit en plaats in de wereld
Bildungsroman: karakterontwikkeling van hoofdpersonage staat centraal
Gothic novel: in de middeleeuwen,horror/terror
Streekliteratuur: beschrijving van een landelijke streek en zijn bewoners
Psychologische roman: innerlijke ontwikkeling van de personages
Chicklit: romantische fictieliteratuur, voor en door vrouwen waarin het leven van moderne jonge mensen beschreven wordt
Ladlit: voor en door mannen over mannen
Science-fiction: avonturen in de toekomst gebaseerd op actuele of verzonnen wetenschappelijke ontdekkingen
Fantasy: in verzonnen wereld vol magie
Strip: beeldverhaal
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 25.
Ask a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a questionAsk a study question and we will try to answer it as best we can.
Ask a question