Use the 32 quiz questions to prepare yourself and test whether you know the subject matter.
Buy the quiz questions and be prepared for your next test.
Add to cartWat zijn substitutiereacties?
Reacties waarbij een atoom in een koolwaterstof molecuul wordt vervangen door een ander atoom of atoomgroep.
input text value
Welke atomen in een koolwaterstof molecuul kunnen vervangen worden in een substitutiereactie?
Alle waterstofatomen hebben dezelfde kans om vervangen te worden.
input text value
Wat is de reactiviteit van een halogeenalkaan ten opzichte van een gewoon alkaan?
Een halogeenalkaan is reactiever dan een gewoon alkaan.
input text value
Wat zijn structuurisomeren?
Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
input text value
Wat zijn additiereacties?
Reacties waarbij uit 2 moleculen 1 nieuw molecuul ontstaat.
input text value
Welke groepen in een molecuul zijn reactief en kunnen een additiereactie aangaan?
Wat zijn eliminatiereacties?
Reacties waarbij een klein molecuul afsplitst en er een dubbele binding ontstaat.
input text value
Wat is de belangrijkste karakteristieke groep van alle karakteristieke groepen?
De carbonzuren.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 10.2: Reacties van alkanen, alkenen en alkynen %2
%3 Test je kennis over reacties van alkanen, alkenen en alkynen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat zijn substitutiereacties?
A1: Reacties waarbij een atoom in een koolwaterstof molecuul wordt vervangen door een ander atoom of atoomgroep.
Q2: Welke atomen in een koolwaterstof molecuul kunnen vervangen worden in een substitutiereactie?
A2: Alle waterstofatomen hebben dezelfde kans om vervangen te worden.
Q3: Wat is de reactiviteit van een halogeenalkaan ten opzichte van een gewoon alkaan?
A3: Een halogeenalkaan is reactiever dan een gewoon alkaan.
Q4: Wat zijn structuurisomeren?
A4: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q5: Wat zijn additiereacties?
A5: Reacties waarbij uit 2 moleculen 1 nieuw molecuul ontstaat.
Q6: Welke groepen in een molecuul zijn reactief en kunnen een additiereactie aangaan?
A6: Dubbele of drievoudige bindingen.
Q7: Wat zijn eliminatiereacties?
A7: Reacties waarbij een klein molecuul afsplitst en er een dubbele binding ontstaat.
input text value
Buy the quiz questions and be prepared for your next test.
Add to cart
Do you prefer to learn the quiz questions from paper? Then download the 32 questions as PDF.
Add to cart
Earn money by making quiz questions and learn directly for your upcoming test.
Create quizTest je kennis over reacties van alkanen, alkenen en alkynen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties.
32 questions
Nederlands
07-02-2023
Wat zijn substitutiereacties?
Reacties waarbij een atoom in een koolwaterstof molecuul wordt vervangen door een ander atoom of atoomgroep.Welke atomen in een koolwaterstof molecuul kunnen vervangen worden in een substitutiereactie?
Alle waterstofatomen hebben dezelfde kans om vervangen te worden.Wat is de reactiviteit van een halogeenalkaan ten opzichte van een gewoon alkaan?
Een halogeenalkaan is reactiever dan een gewoon alkaan.Wat zijn structuurisomeren?
Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.Wat zijn additiereacties?
Reacties waarbij uit 2 moleculen 1 nieuw molecuul ontstaat.Welke groepen in een molecuul zijn reactief en kunnen een additiereactie aangaan?
Dubbele of drievoudige bindingen.Wat zijn eliminatiereacties?
Reacties waarbij een klein molecuul afsplitst en er een dubbele binding ontstaat.Wat is de belangrijkste karakteristieke groep van alle karakteristieke groepen?
De carbonzuren.Wat is het omringingsgetal van een atoom?
Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
Wat is een dipoolmolecuul?
Wat is spiegelbeeldisomerie?
Wat is cis-trans-isomerie?
Wat is een asymmetrisch C-atoom?
Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
Wat is een racemisch mengsel?
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.1: Lewisstructuren %2
%3 Test je kennis over Lewisstructuren met deze oefenvragen. Beantwoord elke vraag door het juiste antwoord te kiezen uit de opties. %4
Q1: Wat is een Lewisstructuur?
A1: Een structuurformule van een molecuul waarbij de niet-bindende elektronen ook worden getekend.
Q2: Welke atoomsoorten streven naar 8 elektronen in de buitenste schil?
A2: Alle atoomsoorten behalve waterstof (H), lithium (Li) en beryllium (Be).
Q3: Wat bepaalt de covalentie van een atoomsoort?
A3: Het aantal te lenen atomen.
Q4: Hoe worden valentie-elektronen meestal getekend in een Lewisstructuur?
A4: Per elektron met puntjes.
Q5: Wat is het verschil tussen het berekende aantal bindingen en het totaal aantal streepjes in een lewisstructuur?
A5: Het verschil is het aantal bindingen dat je in het molecuul moet tekenen.
Q6: Hoeveel elektronenparen (streepjes) moeten er per atoom (behalve H, Li, Be) getekend worden in een lewisstructuur?
A6: 4 elektronenparen (streepjes).
Q7: Wanneer moet je de formele lading noteren in een lewisstructuur?
A7: Als een atoom een valentie-elektron te veel of te weinig heeft.
Q8: Wat is de VSEPR-methode?
A8: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q9: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A9: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q10: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A10: Lineaire bouw (180°).
Q11: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A11: Trigonaal (120°).
Q12: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A12: Tetraëder (109,5°).
Q13: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A13: 104,5°.
Q14: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A14: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q15: Wat is een dipoolmolecuul?
A15: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
Q16: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A16: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q17: Wat is cis-trans-isomerie?
A17: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q18: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A18: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q19: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A19: 2.
Q20: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A20: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q21: Wat is een racemisch mengsel?
A21: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.2: Ruimtelijke bouw %2
%3 Test je kennis over de ruimtelijke bouw van moleculen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is de VSEPR-methode?
A1: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q2: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A2: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q3: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A3: Lineaire bouw (180°).
Q4: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A4: Trigonaal (120°).
Q5: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A5: Tetraëder (109,5°).
Q6: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A6: 104,5°.
Q7: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A7: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q8: Wat is een dipoolmolecuul?
A8: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.3: Cis-Trans isomerie %2
%3 Test je kennis over cis-trans isomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is isomerie?
A1: Als 2 moleculen dezelfde molecuulformule hebben, maar een andere ruimtelijke structuur.
Q2: Wat zijn structuurisomeren?
A2: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q3: Wat zijn stereo-isomeren?
A3: Isomeren met dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen, maar met een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q4: Wat is cis-trans isomerie?
A4: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q5: Wat is het verschil tussen cis en trans in cis-trans isomeren?
A5: Bij cis zitten 2 dezelfde (of afwijkende) atomen of atoomgroepen aan 1 kant, bij trans zitten ze schuin tegenover elkaar.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.4: Spiegelbeeldisomerie %2
%3 Test je kennis over spiegelbeeldisomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A1: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q2: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A2: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q3: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A3: 2.
Q4: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A4: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q5: Wat is een racemisch mengsel?
A5: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Hoofdstuk 10: Organische Bindingen %2
%3 Test je kennis over organische bindingen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat kan een carbonzuur afstaan in een zuurbase reactie?
A1: Het H-atoom van de carboxygroep (-COOH).
Q2: Wat is een alkanoaation?
A2: Het zuurrestion van een alkaanzuur.
Q3: Welke groep heeft de hoogste prioriteit bij de naamgeving van organische verbindingen?
A3: De carbonzuren.
Q4: Wat is een aldehyde?
A4: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom aan het uiteinde van de keten zit.
Q5: Wat is een keton?
A5: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom ergens in het midden van de keten zit.
Q6: Wat is een ether?
A6: Een verbinding waarbij een O-atoom tussen 2 C-atomen zit.
Q7: Wat is een ester?
A7: Een verbinding waarbij de estergroep lijkt op een carboxygroep, maar het H-atoom is vervangen door een alkylgroep.
Q8: Wat is de belangrijkste karakteristieke groep van alle karakteristieke groepen?
A8: De carbonzuren.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 10.2: Reacties van alkanen, alkenen en alkynen %2
%3 Test je kennis over reacties van alkanen, alkenen en alkynen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat zijn substitutiereacties?
A1: Reacties waarbij een atoom in een koolwaterstof molecuul wordt vervangen door een ander atoom of atoomgroep.
Q2: Welke atomen in een koolwaterstof molecuul kunnen vervangen worden in een substitutiereactie?
A2: Alle waterstofatomen hebben dezelfde kans om vervangen te worden.
Q3: Wat is de reactiviteit van een halogeenalkaan ten opzichte van een gewoon alkaan?
A3: Een halogeenalkaan is reactiever dan een gewoon alkaan.
Q4: Wat zijn structuurisomeren?
A4: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q5: Wat zijn additiereacties?
A5: Reacties waarbij uit 2 moleculen 1 nieuw molecuul ontstaat.
Q6: Welke groepen in een molecuul zijn reactief en kunnen een additiereactie aangaan?
A6: Dubbele of drievoudige bindingen.
Q7: Wat zijn eliminatiereacties?
A7: Reacties waarbij een klein molecuul afsplitst en er een dubbele binding ontstaat.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.1: Lewisstructuren %2
%3 Test je kennis over Lewisstructuren met deze oefenvragen. Beantwoord elke vraag door het juiste antwoord te kiezen uit de opties. %4
Q1: Wat is een Lewisstructuur?
A1: Een structuurformule van een molecuul waarbij de niet-bindende elektronen ook worden getekend.
Q2: Welke atoomsoorten streven naar 8 elektronen in de buitenste schil?
A2: Alle atoomsoorten behalve waterstof (H), lithium (Li) en beryllium (Be).
Q3: Wat bepaalt de covalentie van een atoomsoort?
A3: Het aantal te lenen atomen.
Q4: Hoe worden valentie-elektronen meestal getekend in een Lewisstructuur?
A4: Per elektron met puntjes.
Q5: Wat is het verschil tussen het berekende aantal bindingen en het totaal aantal streepjes in een lewisstructuur?
A5: Het verschil is het aantal bindingen dat je in het molecuul moet tekenen.
Q6: Hoeveel elektronenparen (streepjes) moeten er per atoom (behalve H, Li, Be) getekend worden in een lewisstructuur?
A6: 4 elektronenparen (streepjes).
Q7: Wanneer moet je de formele lading noteren in een lewisstructuur?
A7: Als een atoom een valentie-elektron te veel of te weinig heeft.
Q8: Wat is de VSEPR-methode?
A8: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q9: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A9: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q10: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A10: Lineaire bouw (180°).
Q11: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A11: Trigonaal (120°).
Q12: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A12: Tetraëder (109,5°).
Q13: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A13: 104,5°.
Q14: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A14: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q15: Wat is een dipoolmolecuul?
A15: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
Q16: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A16: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q17: Wat is cis-trans-isomerie?
A17: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q18: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A18: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q19: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A19: 2.
Q20: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A20: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q21: Wat is een racemisch mengsel?
A21: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.2: Ruimtelijke bouw %2
%3 Test je kennis over de ruimtelijke bouw van moleculen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is de VSEPR-methode?
A1: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q2: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A2: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q3: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A3: Lineaire bouw (180°).
Q4: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A4: Trigonaal (120°).
Q5: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A5: Tetraëder (109,5°).
Q6: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A6: 104,5°.
Q7: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A7: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q8: Wat is een dipoolmolecuul?
A8: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.3: Cis-Trans isomerie %2
%3 Test je kennis over cis-trans isomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is isomerie?
A1: Als 2 moleculen dezelfde molecuulformule hebben, maar een andere ruimtelijke structuur.
Q2: Wat zijn structuurisomeren?
A2: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q3: Wat zijn stereo-isomeren?
A3: Isomeren met dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen, maar met een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q4: Wat is cis-trans isomerie?
A4: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q5: Wat is het verschil tussen cis en trans in cis-trans isomeren?
A5: Bij cis zitten 2 dezelfde (of afwijkende) atomen of atoomgroepen aan 1 kant, bij trans zitten ze schuin tegenover elkaar.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.4: Spiegelbeeldisomerie %2
%3 Test je kennis over spiegelbeeldisomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A1: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q2: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A2: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q3: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A3: 2.
Q4: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A4: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q5: Wat is een racemisch mengsel?
A5: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Hoofdstuk 10: Organische Bindingen %2
%3 Test je kennis over organische bindingen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat kan een carbonzuur afstaan in een zuurbase reactie?
A1: Het H-atoom van de carboxygroep (-COOH).
Q2: Wat is een alkanoaation?
A2: Het zuurrestion van een alkaanzuur.
Q3: Welke groep heeft de hoogste prioriteit bij de naamgeving van organische verbindingen?
A3: De carbonzuren.
Q4: Wat is een aldehyde?
A4: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom aan het uiteinde van de keten zit.
Q5: Wat is een keton?
A5: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom ergens in het midden van de keten zit.
Q6: Wat is een ether?
A6: Een verbinding waarbij een O-atoom tussen 2 C-atomen zit.
Q7: Wat is een ester?
A7: Een verbinding waarbij de estergroep lijkt op een carboxygroep, maar het H-atoom is vervangen door een alkylgroep.
Q8: Wat is de belangrijkste karakteristieke groep van alle karakteristieke groepen?
A8: De carbonzuren.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 10.2: Reacties van alkanen, alkenen en alkynen %2
%3 Test je kennis over reacties van alkanen, alkenen en alkynen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat zijn substitutiereacties?
A1: Reacties waarbij een atoom in een koolwaterstof molecuul wordt vervangen door een ander atoom of atoomgroep.
Q2: Welke atomen in een koolwaterstof molecuul kunnen vervangen worden in een substitutiereactie?
A2: Alle waterstofatomen hebben dezelfde kans om vervangen te worden.
Q3: Wat is de reactiviteit van een halogeenalkaan ten opzichte van een gewoon alkaan?
A3: Een halogeenalkaan is reactiever dan een gewoon alkaan.
Q4: Wat zijn structuurisomeren?
A4: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q5: Wat zijn additiereacties?
A5: Reacties waarbij uit 2 moleculen 1 nieuw molecuul ontstaat.
Q6: Welke groepen in een molecuul zijn reactief en kunnen een additiereactie aangaan?
A6: Dubbele of drievoudige bindingen.
Q7: Wat zijn eliminatiereacties?
A7: Reacties waarbij een klein molecuul afsplitst en er een dubbele binding ontstaat.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.1: Lewisstructuren %2
%3 Test je kennis over Lewisstructuren met deze oefenvragen. Beantwoord elke vraag door het juiste antwoord te kiezen uit de opties. %4
Q1: Wat is een Lewisstructuur?
A1: Een structuurformule van een molecuul waarbij de niet-bindende elektronen ook worden getekend.
Q2: Welke atoomsoorten streven naar 8 elektronen in de buitenste schil?
A2: Alle atoomsoorten behalve waterstof (H), lithium (Li) en beryllium (Be).
Q3: Wat bepaalt de covalentie van een atoomsoort?
A3: Het aantal te lenen atomen.
Q4: Hoe worden valentie-elektronen meestal getekend in een Lewisstructuur?
A4: Per elektron met puntjes.
Q5: Wat is het verschil tussen het berekende aantal bindingen en het totaal aantal streepjes in een lewisstructuur?
A5: Het verschil is het aantal bindingen dat je in het molecuul moet tekenen.
Q6: Hoeveel elektronenparen (streepjes) moeten er per atoom (behalve H, Li, Be) getekend worden in een lewisstructuur?
A6: 4 elektronenparen (streepjes).
Q7: Wanneer moet je de formele lading noteren in een lewisstructuur?
A7: Als een atoom een valentie-elektron te veel of te weinig heeft.
Q8: Wat is de VSEPR-methode?
A8: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q9: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A9: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q10: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A10: Lineaire bouw (180°).
Q11: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A11: Trigonaal (120°).
Q12: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A12: Tetraëder (109,5°).
Q13: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A13: 104,5°.
Q14: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A14: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q15: Wat is een dipoolmolecuul?
A15: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
Q16: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A16: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q17: Wat is cis-trans-isomerie?
A17: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q18: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A18: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q19: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A19: 2.
Q20: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A20: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q21: Wat is een racemisch mengsel?
A21: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.2: Ruimtelijke bouw %2
%3 Test je kennis over de ruimtelijke bouw van moleculen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is de VSEPR-methode?
A1: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q2: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A2: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q3: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A3: Lineaire bouw (180°).
Q4: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A4: Trigonaal (120°).
Q5: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A5: Tetraëder (109,5°).
Q6: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A6: 104,5°.
Q7: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A7: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q8: Wat is een dipoolmolecuul?
A8: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.3: Cis-Trans isomerie %2
%3 Test je kennis over cis-trans isomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is isomerie?
A1: Als 2 moleculen dezelfde molecuulformule hebben, maar een andere ruimtelijke structuur.
Q2: Wat zijn structuurisomeren?
A2: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q3: Wat zijn stereo-isomeren?
A3: Isomeren met dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen, maar met een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q4: Wat is cis-trans isomerie?
A4: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q5: Wat is het verschil tussen cis en trans in cis-trans isomeren?
A5: Bij cis zitten 2 dezelfde (of afwijkende) atomen of atoomgroepen aan 1 kant, bij trans zitten ze schuin tegenover elkaar.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.4: Spiegelbeeldisomerie %2
%3 Test je kennis over spiegelbeeldisomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A1: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q2: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A2: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q3: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A3: 2.
Q4: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A4: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q5: Wat is een racemisch mengsel?
A5: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Hoofdstuk 10: Organische Bindingen %2
%3 Test je kennis over organische bindingen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat kan een carbonzuur afstaan in een zuurbase reactie?
A1: Het H-atoom van de carboxygroep (-COOH).
Q2: Wat is een alkanoaation?
A2: Het zuurrestion van een alkaanzuur.
Q3: Welke groep heeft de hoogste prioriteit bij de naamgeving van organische verbindingen?
A3: De carbonzuren.
Q4: Wat is een aldehyde?
A4: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom aan het uiteinde van de keten zit.
Q5: Wat is een keton?
A5: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom ergens in het midden van de keten zit.
Q6: Wat is een ether?
A6: Een verbinding waarbij een O-atoom tussen 2 C-atomen zit.
Q7: Wat is een ester?
A7: Een verbinding waarbij de estergroep lijkt op een carboxygroep, maar het H-atoom is vervangen door een alkylgroep.
Q8: Wat is de belangrijkste karakteristieke groep van alle karakteristieke groepen?
A8: De carbonzuren.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 10.2: Reacties van alkanen, alkenen en alkynen %2
%3 Test je kennis over reacties van alkanen, alkenen en alkynen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat zijn substitutiereacties?
A1: Reacties waarbij een atoom in een koolwaterstof molecuul wordt vervangen door een ander atoom of atoomgroep.
Q2: Welke atomen in een koolwaterstof molecuul kunnen vervangen worden in een substitutiereactie?
A2: Alle waterstofatomen hebben dezelfde kans om vervangen te worden.
Q3: Wat is de reactiviteit van een halogeenalkaan ten opzichte van een gewoon alkaan?
A3: Een halogeenalkaan is reactiever dan een gewoon alkaan.
Q4: Wat zijn structuurisomeren?
A4: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q5: Wat zijn additiereacties?
A5: Reacties waarbij uit 2 moleculen 1 nieuw molecuul ontstaat.
Q6: Welke groepen in een molecuul zijn reactief en kunnen een additiereactie aangaan?
A6: Dubbele of drievoudige bindingen.
Q7: Wat zijn eliminatiereacties?
A7: Reacties waarbij een klein molecuul afsplitst en er een dubbele binding ontstaat.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.1: Lewisstructuren %2
%3 Test je kennis over Lewisstructuren met deze oefenvragen. Beantwoord elke vraag door het juiste antwoord te kiezen uit de opties. %4
Q1: Wat is een Lewisstructuur?
A1: Een structuurformule van een molecuul waarbij de niet-bindende elektronen ook worden getekend.
Q2: Welke atoomsoorten streven naar 8 elektronen in de buitenste schil?
A2: Alle atoomsoorten behalve waterstof (H), lithium (Li) en beryllium (Be).
Q3: Wat bepaalt de covalentie van een atoomsoort?
A3: Het aantal te lenen atomen.
Q4: Hoe worden valentie-elektronen meestal getekend in een Lewisstructuur?
A4: Per elektron met puntjes.
Q5: Wat is het verschil tussen het berekende aantal bindingen en het totaal aantal streepjes in een lewisstructuur?
A5: Het verschil is het aantal bindingen dat je in het molecuul moet tekenen.
Q6: Hoeveel elektronenparen (streepjes) moeten er per atoom (behalve H, Li, Be) getekend worden in een lewisstructuur?
A6: 4 elektronenparen (streepjes).
Q7: Wanneer moet je de formele lading noteren in een lewisstructuur?
A7: Als een atoom een valentie-elektron te veel of te weinig heeft.
Q8: Wat is de VSEPR-methode?
A8: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q9: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A9: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q10: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A10: Lineaire bouw (180°).
Q11: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A11: Trigonaal (120°).
Q12: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A12: Tetraëder (109,5°).
Q13: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A13: 104,5°.
Q14: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A14: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q15: Wat is een dipoolmolecuul?
A15: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
Q16: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A16: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q17: Wat is cis-trans-isomerie?
A17: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q18: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A18: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q19: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A19: 2.
Q20: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A20: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q21: Wat is een racemisch mengsel?
A21: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.2: Ruimtelijke bouw %2
%3 Test je kennis over de ruimtelijke bouw van moleculen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is de VSEPR-methode?
A1: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q2: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A2: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q3: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A3: Lineaire bouw (180°).
Q4: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A4: Trigonaal (120°).
Q5: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A5: Tetraëder (109,5°).
Q6: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A6: 104,5°.
Q7: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A7: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q8: Wat is een dipoolmolecuul?
A8: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.3: Cis-Trans isomerie %2
%3 Test je kennis over cis-trans isomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is isomerie?
A1: Als 2 moleculen dezelfde molecuulformule hebben, maar een andere ruimtelijke structuur.
Q2: Wat zijn structuurisomeren?
A2: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q3: Wat zijn stereo-isomeren?
A3: Isomeren met dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen, maar met een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q4: Wat is cis-trans isomerie?
A4: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q5: Wat is het verschil tussen cis en trans in cis-trans isomeren?
A5: Bij cis zitten 2 dezelfde (of afwijkende) atomen of atoomgroepen aan 1 kant, bij trans zitten ze schuin tegenover elkaar.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.4: Spiegelbeeldisomerie %2
%3 Test je kennis over spiegelbeeldisomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A1: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q2: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A2: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q3: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A3: 2.
Q4: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A4: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q5: Wat is een racemisch mengsel?
A5: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Hoofdstuk 10: Organische Bindingen %2
%3 Test je kennis over organische bindingen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat kan een carbonzuur afstaan in een zuurbase reactie?
A1: Het H-atoom van de carboxygroep (-COOH).
Q2: Wat is een alkanoaation?
A2: Het zuurrestion van een alkaanzuur.
Q3: Welke groep heeft de hoogste prioriteit bij de naamgeving van organische verbindingen?
A3: De carbonzuren.
Q4: Wat is een aldehyde?
A4: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom aan het uiteinde van de keten zit.
Q5: Wat is een keton?
A5: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom ergens in het midden van de keten zit.
Q6: Wat is een ether?
A6: Een verbinding waarbij een O-atoom tussen 2 C-atomen zit.
Q7: Wat is een ester?
A7: Een verbinding waarbij de estergroep lijkt op een carboxygroep, maar het H-atoom is vervangen door een alkylgroep.
Q8: Wat is de belangrijkste karakteristieke groep van alle karakteristieke groepen?
A8: De carbonzuren.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 10.2: Reacties van alkanen, alkenen en alkynen %2
%3 Test je kennis over reacties van alkanen, alkenen en alkynen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat zijn substitutiereacties?
A1: Reacties waarbij een atoom in een koolwaterstof molecuul wordt vervangen door een ander atoom of atoomgroep.
Q2: Welke atomen in een koolwaterstof molecuul kunnen vervangen worden in een substitutiereactie?
A2: Alle waterstofatomen hebben dezelfde kans om vervangen te worden.
Q3: Wat is de reactiviteit van een halogeenalkaan ten opzichte van een gewoon alkaan?
A3: Een halogeenalkaan is reactiever dan een gewoon alkaan.
Q4: Wat zijn structuurisomeren?
A4: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q5: Wat zijn additiereacties?
A5: Reacties waarbij uit 2 moleculen 1 nieuw molecuul ontstaat.
Q6: Welke groepen in een molecuul zijn reactief en kunnen een additiereactie aangaan?
A6: Dubbele of drievoudige bindingen.
Q7: Wat zijn eliminatiereacties?
A7: Reacties waarbij een klein molecuul afsplitst en er een dubbele binding ontstaat.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.1: Lewisstructuren %2
%3 Test je kennis over Lewisstructuren met deze oefenvragen. Beantwoord elke vraag door het juiste antwoord te kiezen uit de opties. %4
Q1: Wat is een Lewisstructuur?
A1: Een structuurformule van een molecuul waarbij de niet-bindende elektronen ook worden getekend.
Q2: Welke atoomsoorten streven naar 8 elektronen in de buitenste schil?
A2: Alle atoomsoorten behalve waterstof (H), lithium (Li) en beryllium (Be).
Q3: Wat bepaalt de covalentie van een atoomsoort?
A3: Het aantal te lenen atomen.
Q4: Hoe worden valentie-elektronen meestal getekend in een Lewisstructuur?
A4: Per elektron met puntjes.
Q5: Wat is het verschil tussen het berekende aantal bindingen en het totaal aantal streepjes in een lewisstructuur?
A5: Het verschil is het aantal bindingen dat je in het molecuul moet tekenen.
Q6: Hoeveel elektronenparen (streepjes) moeten er per atoom (behalve H, Li, Be) getekend worden in een lewisstructuur?
A6: 4 elektronenparen (streepjes).
Q7: Wanneer moet je de formele lading noteren in een lewisstructuur?
A7: Als een atoom een valentie-elektron te veel of te weinig heeft.
Q8: Wat is de VSEPR-methode?
A8: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q9: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A9: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q10: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A10: Lineaire bouw (180°).
Q11: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A11: Trigonaal (120°).
Q12: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A12: Tetraëder (109,5°).
Q13: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A13: 104,5°.
Q14: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A14: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q15: Wat is een dipoolmolecuul?
A15: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
Q16: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A16: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q17: Wat is cis-trans-isomerie?
A17: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q18: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A18: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q19: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A19: 2.
Q20: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A20: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q21: Wat is een racemisch mengsel?
A21: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.2: Ruimtelijke bouw %2
%3 Test je kennis over de ruimtelijke bouw van moleculen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is de VSEPR-methode?
A1: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q2: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A2: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q3: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A3: Lineaire bouw (180°).
Q4: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A4: Trigonaal (120°).
Q5: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A5: Tetraëder (109,5°).
Q6: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A6: 104,5°.
Q7: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A7: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q8: Wat is een dipoolmolecuul?
A8: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.3: Cis-Trans isomerie %2
%3 Test je kennis over cis-trans isomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is isomerie?
A1: Als 2 moleculen dezelfde molecuulformule hebben, maar een andere ruimtelijke structuur.
Q2: Wat zijn structuurisomeren?
A2: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q3: Wat zijn stereo-isomeren?
A3: Isomeren met dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen, maar met een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q4: Wat is cis-trans isomerie?
A4: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q5: Wat is het verschil tussen cis en trans in cis-trans isomeren?
A5: Bij cis zitten 2 dezelfde (of afwijkende) atomen of atoomgroepen aan 1 kant, bij trans zitten ze schuin tegenover elkaar.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.4: Spiegelbeeldisomerie %2
%3 Test je kennis over spiegelbeeldisomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A1: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q2: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A2: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q3: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A3: 2.
Q4: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A4: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q5: Wat is een racemisch mengsel?
A5: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Hoofdstuk 10: Organische Bindingen %2
%3 Test je kennis over organische bindingen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat kan een carbonzuur afstaan in een zuurbase reactie?
A1: Het H-atoom van de carboxygroep (-COOH).
Q2: Wat is een alkanoaation?
A2: Het zuurrestion van een alkaanzuur.
Q3: Welke groep heeft de hoogste prioriteit bij de naamgeving van organische verbindingen?
A3: De carbonzuren.
Q4: Wat is een aldehyde?
A4: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom aan het uiteinde van de keten zit.
Q5: Wat is een keton?
A5: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom ergens in het midden van de keten zit.
Q6: Wat is een ether?
A6: Een verbinding waarbij een O-atoom tussen 2 C-atomen zit.
Q7: Wat is een ester?
A7: Een verbinding waarbij de estergroep lijkt op een carboxygroep, maar het H-atoom is vervangen door een alkylgroep.
Q8: Wat is de belangrijkste karakteristieke groep van alle karakteristieke groepen?
A8: De carbonzuren.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 10.2: Reacties van alkanen, alkenen en alkynen %2
%3 Test je kennis over reacties van alkanen, alkenen en alkynen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat zijn substitutiereacties?
A1: Reacties waarbij een atoom in een koolwaterstof molecuul wordt vervangen door een ander atoom of atoomgroep.
Q2: Welke atomen in een koolwaterstof molecuul kunnen vervangen worden in een substitutiereactie?
A2: Alle waterstofatomen hebben dezelfde kans om vervangen te worden.
Q3: Wat is de reactiviteit van een halogeenalkaan ten opzichte van een gewoon alkaan?
A3: Een halogeenalkaan is reactiever dan een gewoon alkaan.
Q4: Wat zijn structuurisomeren?
A4: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q5: Wat zijn additiereacties?
A5: Reacties waarbij uit 2 moleculen 1 nieuw molecuul ontstaat.
Q6: Welke groepen in een molecuul zijn reactief en kunnen een additiereactie aangaan?
A6: Dubbele of drievoudige bindingen.
Q7: Wat zijn eliminatiereacties?
A7: Reacties waarbij een klein molecuul afsplitst en er een dubbele binding ontstaat.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.1: Lewisstructuren %2
%3 Test je kennis over Lewisstructuren met deze oefenvragen. Beantwoord elke vraag door het juiste antwoord te kiezen uit de opties. %4
Q1: Wat is een Lewisstructuur?
A1: Een structuurformule van een molecuul waarbij de niet-bindende elektronen ook worden getekend.
Q2: Welke atoomsoorten streven naar 8 elektronen in de buitenste schil?
A2: Alle atoomsoorten behalve waterstof (H), lithium (Li) en beryllium (Be).
Q3: Wat bepaalt de covalentie van een atoomsoort?
A3: Het aantal te lenen atomen.
Q4: Hoe worden valentie-elektronen meestal getekend in een Lewisstructuur?
A4: Per elektron met puntjes.
Q5: Wat is het verschil tussen het berekende aantal bindingen en het totaal aantal streepjes in een lewisstructuur?
A5: Het verschil is het aantal bindingen dat je in het molecuul moet tekenen.
Q6: Hoeveel elektronenparen (streepjes) moeten er per atoom (behalve H, Li, Be) getekend worden in een lewisstructuur?
A6: 4 elektronenparen (streepjes).
Q7: Wanneer moet je de formele lading noteren in een lewisstructuur?
A7: Als een atoom een valentie-elektron te veel of te weinig heeft.
Q8: Wat is de VSEPR-methode?
A8: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q9: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A9: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q10: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A10: Lineaire bouw (180°).
Q11: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A11: Trigonaal (120°).
Q12: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A12: Tetraëder (109,5°).
Q13: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A13: 104,5°.
Q14: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A14: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q15: Wat is een dipoolmolecuul?
A15: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
Q16: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A16: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q17: Wat is cis-trans-isomerie?
A17: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q18: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A18: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q19: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A19: 2.
Q20: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A20: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q21: Wat is een racemisch mengsel?
A21: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.2: Ruimtelijke bouw %2
%3 Test je kennis over de ruimtelijke bouw van moleculen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is de VSEPR-methode?
A1: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q2: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A2: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q3: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A3: Lineaire bouw (180°).
Q4: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A4: Trigonaal (120°).
Q5: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A5: Tetraëder (109,5°).
Q6: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A6: 104,5°.
Q7: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A7: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q8: Wat is een dipoolmolecuul?
A8: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.3: Cis-Trans isomerie %2
%3 Test je kennis over cis-trans isomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is isomerie?
A1: Als 2 moleculen dezelfde molecuulformule hebben, maar een andere ruimtelijke structuur.
Q2: Wat zijn structuurisomeren?
A2: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q3: Wat zijn stereo-isomeren?
A3: Isomeren met dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen, maar met een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q4: Wat is cis-trans isomerie?
A4: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q5: Wat is het verschil tussen cis en trans in cis-trans isomeren?
A5: Bij cis zitten 2 dezelfde (of afwijkende) atomen of atoomgroepen aan 1 kant, bij trans zitten ze schuin tegenover elkaar.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.4: Spiegelbeeldisomerie %2
%3 Test je kennis over spiegelbeeldisomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A1: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q2: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A2: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q3: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A3: 2.
Q4: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A4: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q5: Wat is een racemisch mengsel?
A5: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Hoofdstuk 10: Organische Bindingen %2
%3 Test je kennis over organische bindingen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat kan een carbonzuur afstaan in een zuurbase reactie?
A1: Het H-atoom van de carboxygroep (-COOH).
Q2: Wat is een alkanoaation?
A2: Het zuurrestion van een alkaanzuur.
Q3: Welke groep heeft de hoogste prioriteit bij de naamgeving van organische verbindingen?
A3: De carbonzuren.
Q4: Wat is een aldehyde?
A4: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom aan het uiteinde van de keten zit.
Q5: Wat is een keton?
A5: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom ergens in het midden van de keten zit.
Q6: Wat is een ether?
A6: Een verbinding waarbij een O-atoom tussen 2 C-atomen zit.
Q7: Wat is een ester?
A7: Een verbinding waarbij de estergroep lijkt op een carboxygroep, maar het H-atoom is vervangen door een alkylgroep.
Q8: Wat is de belangrijkste karakteristieke groep van alle karakteristieke groepen?
A8: De carbonzuren.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 10.2: Reacties van alkanen, alkenen en alkynen %2
%3 Test je kennis over reacties van alkanen, alkenen en alkynen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat zijn substitutiereacties?
A1: Reacties waarbij een atoom in een koolwaterstof molecuul wordt vervangen door een ander atoom of atoomgroep.
Q2: Welke atomen in een koolwaterstof molecuul kunnen vervangen worden in een substitutiereactie?
A2: Alle waterstofatomen hebben dezelfde kans om vervangen te worden.
Q3: Wat is de reactiviteit van een halogeenalkaan ten opzichte van een gewoon alkaan?
A3: Een halogeenalkaan is reactiever dan een gewoon alkaan.
Q4: Wat zijn structuurisomeren?
A4: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q5: Wat zijn additiereacties?
A5: Reacties waarbij uit 2 moleculen 1 nieuw molecuul ontstaat.
Q6: Welke groepen in een molecuul zijn reactief en kunnen een additiereactie aangaan?
A6: Dubbele of drievoudige bindingen.
Q7: Wat zijn eliminatiereacties?
A7: Reacties waarbij een klein molecuul afsplitst en er een dubbele binding ontstaat.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.1: Lewisstructuren %2
%3 Test je kennis over Lewisstructuren met deze oefenvragen. Beantwoord elke vraag door het juiste antwoord te kiezen uit de opties. %4
Q1: Wat is een Lewisstructuur?
A1: Een structuurformule van een molecuul waarbij de niet-bindende elektronen ook worden getekend.
Q2: Welke atoomsoorten streven naar 8 elektronen in de buitenste schil?
A2: Alle atoomsoorten behalve waterstof (H), lithium (Li) en beryllium (Be).
Q3: Wat bepaalt de covalentie van een atoomsoort?
A3: Het aantal te lenen atomen.
Q4: Hoe worden valentie-elektronen meestal getekend in een Lewisstructuur?
A4: Per elektron met puntjes.
Q5: Wat is het verschil tussen het berekende aantal bindingen en het totaal aantal streepjes in een lewisstructuur?
A5: Het verschil is het aantal bindingen dat je in het molecuul moet tekenen.
Q6: Hoeveel elektronenparen (streepjes) moeten er per atoom (behalve H, Li, Be) getekend worden in een lewisstructuur?
A6: 4 elektronenparen (streepjes).
Q7: Wanneer moet je de formele lading noteren in een lewisstructuur?
A7: Als een atoom een valentie-elektron te veel of te weinig heeft.
Q8: Wat is de VSEPR-methode?
A8: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q9: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A9: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q10: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A10: Lineaire bouw (180°).
Q11: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A11: Trigonaal (120°).
Q12: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A12: Tetraëder (109,5°).
Q13: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A13: 104,5°.
Q14: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A14: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q15: Wat is een dipoolmolecuul?
A15: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
Q16: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A16: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q17: Wat is cis-trans-isomerie?
A17: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q18: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A18: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q19: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A19: 2.
Q20: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A20: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q21: Wat is een racemisch mengsel?
A21: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.2: Ruimtelijke bouw %2
%3 Test je kennis over de ruimtelijke bouw van moleculen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is de VSEPR-methode?
A1: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q2: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A2: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q3: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A3: Lineaire bouw (180°).
Q4: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A4: Trigonaal (120°).
Q5: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A5: Tetraëder (109,5°).
Q6: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A6: 104,5°.
Q7: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A7: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q8: Wat is een dipoolmolecuul?
A8: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.3: Cis-Trans isomerie %2
%3 Test je kennis over cis-trans isomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is isomerie?
A1: Als 2 moleculen dezelfde molecuulformule hebben, maar een andere ruimtelijke structuur.
Q2: Wat zijn structuurisomeren?
A2: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q3: Wat zijn stereo-isomeren?
A3: Isomeren met dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen, maar met een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q4: Wat is cis-trans isomerie?
A4: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q5: Wat is het verschil tussen cis en trans in cis-trans isomeren?
A5: Bij cis zitten 2 dezelfde (of afwijkende) atomen of atoomgroepen aan 1 kant, bij trans zitten ze schuin tegenover elkaar.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.4: Spiegelbeeldisomerie %2
%3 Test je kennis over spiegelbeeldisomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A1: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q2: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A2: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q3: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A3: 2.
Q4: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A4: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q5: Wat is een racemisch mengsel?
A5: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Hoofdstuk 10: Organische Bindingen %2
%3 Test je kennis over organische bindingen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat kan een carbonzuur afstaan in een zuurbase reactie?
A1: Het H-atoom van de carboxygroep (-COOH).
Q2: Wat is een alkanoaation?
A2: Het zuurrestion van een alkaanzuur.
Q3: Welke groep heeft de hoogste prioriteit bij de naamgeving van organische verbindingen?
A3: De carbonzuren.
Q4: Wat is een aldehyde?
A4: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom aan het uiteinde van de keten zit.
Q5: Wat is een keton?
A5: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom ergens in het midden van de keten zit.
Q6: Wat is een ether?
A6: Een verbinding waarbij een O-atoom tussen 2 C-atomen zit.
Q7: Wat is een ester?
A7: Een verbinding waarbij de estergroep lijkt op een carboxygroep, maar het H-atoom is vervangen door een alkylgroep.
Q8: Wat is de belangrijkste karakteristieke groep van alle karakteristieke groepen?
A8: De carbonzuren.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 10.2: Reacties van alkanen, alkenen en alkynen %2
%3 Test je kennis over reacties van alkanen, alkenen en alkynen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat zijn substitutiereacties?
A1: Reacties waarbij een atoom in een koolwaterstof molecuul wordt vervangen door een ander atoom of atoomgroep.
Q2: Welke atomen in een koolwaterstof molecuul kunnen vervangen worden in een substitutiereactie?
A2: Alle waterstofatomen hebben dezelfde kans om vervangen te worden.
Q3: Wat is de reactiviteit van een halogeenalkaan ten opzichte van een gewoon alkaan?
A3: Een halogeenalkaan is reactiever dan een gewoon alkaan.
Q4: Wat zijn structuurisomeren?
A4: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q5: Wat zijn additiereacties?
A5: Reacties waarbij uit 2 moleculen 1 nieuw molecuul ontstaat.
Q6: Welke groepen in een molecuul zijn reactief en kunnen een additiereactie aangaan?
A6: Dubbele of drievoudige bindingen.
Q7: Wat zijn eliminatiereacties?
A7: Reacties waarbij een klein molecuul afsplitst en er een dubbele binding ontstaat.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.1: Lewisstructuren %2
%3 Test je kennis over Lewisstructuren met deze oefenvragen. Beantwoord elke vraag door het juiste antwoord te kiezen uit de opties. %4
Q1: Wat is een Lewisstructuur?
A1: Een structuurformule van een molecuul waarbij de niet-bindende elektronen ook worden getekend.
Q2: Welke atoomsoorten streven naar 8 elektronen in de buitenste schil?
A2: Alle atoomsoorten behalve waterstof (H), lithium (Li) en beryllium (Be).
Q3: Wat bepaalt de covalentie van een atoomsoort?
A3: Het aantal te lenen atomen.
Q4: Hoe worden valentie-elektronen meestal getekend in een Lewisstructuur?
A4: Per elektron met puntjes.
Q5: Wat is het verschil tussen het berekende aantal bindingen en het totaal aantal streepjes in een lewisstructuur?
A5: Het verschil is het aantal bindingen dat je in het molecuul moet tekenen.
Q6: Hoeveel elektronenparen (streepjes) moeten er per atoom (behalve H, Li, Be) getekend worden in een lewisstructuur?
A6: 4 elektronenparen (streepjes).
Q7: Wanneer moet je de formele lading noteren in een lewisstructuur?
A7: Als een atoom een valentie-elektron te veel of te weinig heeft.
Q8: Wat is de VSEPR-methode?
A8: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q9: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A9: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q10: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A10: Lineaire bouw (180°).
Q11: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A11: Trigonaal (120°).
Q12: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A12: Tetraëder (109,5°).
Q13: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A13: 104,5°.
Q14: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A14: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q15: Wat is een dipoolmolecuul?
A15: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
Q16: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A16: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q17: Wat is cis-trans-isomerie?
A17: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q18: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A18: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q19: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A19: 2.
Q20: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A20: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q21: Wat is een racemisch mengsel?
A21: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.2: Ruimtelijke bouw %2
%3 Test je kennis over de ruimtelijke bouw van moleculen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is de VSEPR-methode?
A1: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q2: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A2: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q3: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A3: Lineaire bouw (180°).
Q4: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A4: Trigonaal (120°).
Q5: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A5: Tetraëder (109,5°).
Q6: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A6: 104,5°.
Q7: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A7: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q8: Wat is een dipoolmolecuul?
A8: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.3: Cis-Trans isomerie %2
%3 Test je kennis over cis-trans isomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is isomerie?
A1: Als 2 moleculen dezelfde molecuulformule hebben, maar een andere ruimtelijke structuur.
Q2: Wat zijn structuurisomeren?
A2: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q3: Wat zijn stereo-isomeren?
A3: Isomeren met dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen, maar met een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q4: Wat is cis-trans isomerie?
A4: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q5: Wat is het verschil tussen cis en trans in cis-trans isomeren?
A5: Bij cis zitten 2 dezelfde (of afwijkende) atomen of atoomgroepen aan 1 kant, bij trans zitten ze schuin tegenover elkaar.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.4: Spiegelbeeldisomerie %2
%3 Test je kennis over spiegelbeeldisomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A1: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q2: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A2: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q3: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A3: 2.
Q4: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A4: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q5: Wat is een racemisch mengsel?
A5: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Hoofdstuk 10: Organische Bindingen %2
%3 Test je kennis over organische bindingen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat kan een carbonzuur afstaan in een zuurbase reactie?
A1: Het H-atoom van de carboxygroep (-COOH).
Q2: Wat is een alkanoaation?
A2: Het zuurrestion van een alkaanzuur.
Q3: Welke groep heeft de hoogste prioriteit bij de naamgeving van organische verbindingen?
A3: De carbonzuren.
Q4: Wat is een aldehyde?
A4: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom aan het uiteinde van de keten zit.
Q5: Wat is een keton?
A5: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom ergens in het midden van de keten zit.
Q6: Wat is een ether?
A6: Een verbinding waarbij een O-atoom tussen 2 C-atomen zit.
Q7: Wat is een ester?
A7: Een verbinding waarbij de estergroep lijkt op een carboxygroep, maar het H-atoom is vervangen door een alkylgroep.
Q8: Wat is de belangrijkste karakteristieke groep van alle karakteristieke groepen?
A8: De carbonzuren.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 10.2: Reacties van alkanen, alkenen en alkynen %2
%3 Test je kennis over reacties van alkanen, alkenen en alkynen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat zijn substitutiereacties?
A1: Reacties waarbij een atoom in een koolwaterstof molecuul wordt vervangen door een ander atoom of atoomgroep.
Q2: Welke atomen in een koolwaterstof molecuul kunnen vervangen worden in een substitutiereactie?
A2: Alle waterstofatomen hebben dezelfde kans om vervangen te worden.
Q3: Wat is de reactiviteit van een halogeenalkaan ten opzichte van een gewoon alkaan?
A3: Een halogeenalkaan is reactiever dan een gewoon alkaan.
Q4: Wat zijn structuurisomeren?
A4: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q5: Wat zijn additiereacties?
A5: Reacties waarbij uit 2 moleculen 1 nieuw molecuul ontstaat.
Q6: Welke groepen in een molecuul zijn reactief en kunnen een additiereactie aangaan?
A6: Dubbele of drievoudige bindingen.
Q7: Wat zijn eliminatiereacties?
A7: Reacties waarbij een klein molecuul afsplitst en er een dubbele binding ontstaat.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.1: Lewisstructuren %2
%3 Test je kennis over Lewisstructuren met deze oefenvragen. Beantwoord elke vraag door het juiste antwoord te kiezen uit de opties. %4
Q1: Wat is een Lewisstructuur?
A1: Een structuurformule van een molecuul waarbij de niet-bindende elektronen ook worden getekend.
Q2: Welke atoomsoorten streven naar 8 elektronen in de buitenste schil?
A2: Alle atoomsoorten behalve waterstof (H), lithium (Li) en beryllium (Be).
Q3: Wat bepaalt de covalentie van een atoomsoort?
A3: Het aantal te lenen atomen.
Q4: Hoe worden valentie-elektronen meestal getekend in een Lewisstructuur?
A4: Per elektron met puntjes.
Q5: Wat is het verschil tussen het berekende aantal bindingen en het totaal aantal streepjes in een lewisstructuur?
A5: Het verschil is het aantal bindingen dat je in het molecuul moet tekenen.
Q6: Hoeveel elektronenparen (streepjes) moeten er per atoom (behalve H, Li, Be) getekend worden in een lewisstructuur?
A6: 4 elektronenparen (streepjes).
Q7: Wanneer moet je de formele lading noteren in een lewisstructuur?
A7: Als een atoom een valentie-elektron te veel of te weinig heeft.
Q8: Wat is de VSEPR-methode?
A8: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q9: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A9: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q10: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A10: Lineaire bouw (180°).
Q11: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A11: Trigonaal (120°).
Q12: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A12: Tetraëder (109,5°).
Q13: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A13: 104,5°.
Q14: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A14: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q15: Wat is een dipoolmolecuul?
A15: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
Q16: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A16: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q17: Wat is cis-trans-isomerie?
A17: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q18: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A18: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q19: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A19: 2.
Q20: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A20: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q21: Wat is een racemisch mengsel?
A21: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.2: Ruimtelijke bouw %2
%3 Test je kennis over de ruimtelijke bouw van moleculen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is de VSEPR-methode?
A1: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q2: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A2: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q3: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A3: Lineaire bouw (180°).
Q4: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A4: Trigonaal (120°).
Q5: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A5: Tetraëder (109,5°).
Q6: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A6: 104,5°.
Q7: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A7: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q8: Wat is een dipoolmolecuul?
A8: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.3: Cis-Trans isomerie %2
%3 Test je kennis over cis-trans isomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is isomerie?
A1: Als 2 moleculen dezelfde molecuulformule hebben, maar een andere ruimtelijke structuur.
Q2: Wat zijn structuurisomeren?
A2: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q3: Wat zijn stereo-isomeren?
A3: Isomeren met dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen, maar met een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q4: Wat is cis-trans isomerie?
A4: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q5: Wat is het verschil tussen cis en trans in cis-trans isomeren?
A5: Bij cis zitten 2 dezelfde (of afwijkende) atomen of atoomgroepen aan 1 kant, bij trans zitten ze schuin tegenover elkaar.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.4: Spiegelbeeldisomerie %2
%3 Test je kennis over spiegelbeeldisomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A1: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q2: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A2: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q3: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A3: 2.
Q4: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A4: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q5: Wat is een racemisch mengsel?
A5: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Hoofdstuk 10: Organische Bindingen %2
%3 Test je kennis over organische bindingen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat kan een carbonzuur afstaan in een zuurbase reactie?
A1: Het H-atoom van de carboxygroep (-COOH).
Q2: Wat is een alkanoaation?
A2: Het zuurrestion van een alkaanzuur.
Q3: Welke groep heeft de hoogste prioriteit bij de naamgeving van organische verbindingen?
A3: De carbonzuren.
Q4: Wat is een aldehyde?
A4: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom aan het uiteinde van de keten zit.
Q5: Wat is een keton?
A5: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom ergens in het midden van de keten zit.
Q6: Wat is een ether?
A6: Een verbinding waarbij een O-atoom tussen 2 C-atomen zit.
Q7: Wat is een ester?
A7: Een verbinding waarbij de estergroep lijkt op een carboxygroep, maar het H-atoom is vervangen door een alkylgroep.
Q8: Wat is de belangrijkste karakteristieke groep van alle karakteristieke groepen?
A8: De carbonzuren.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 10.2: Reacties van alkanen, alkenen en alkynen %2
%3 Test je kennis over reacties van alkanen, alkenen en alkynen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat zijn substitutiereacties?
A1: Reacties waarbij een atoom in een koolwaterstof molecuul wordt vervangen door een ander atoom of atoomgroep.
Q2: Welke atomen in een koolwaterstof molecuul kunnen vervangen worden in een substitutiereactie?
A2: Alle waterstofatomen hebben dezelfde kans om vervangen te worden.
Q3: Wat is de reactiviteit van een halogeenalkaan ten opzichte van een gewoon alkaan?
A3: Een halogeenalkaan is reactiever dan een gewoon alkaan.
Q4: Wat zijn structuurisomeren?
A4: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q5: Wat zijn additiereacties?
A5: Reacties waarbij uit 2 moleculen 1 nieuw molecuul ontstaat.
Q6: Welke groepen in een molecuul zijn reactief en kunnen een additiereactie aangaan?
A6: Dubbele of drievoudige bindingen.
Q7: Wat zijn eliminatiereacties?
A7: Reacties waarbij een klein molecuul afsplitst en er een dubbele binding ontstaat.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.1: Lewisstructuren %2
%3 Test je kennis over Lewisstructuren met deze oefenvragen. Beantwoord elke vraag door het juiste antwoord te kiezen uit de opties. %4
Q1: Wat is een Lewisstructuur?
A1: Een structuurformule van een molecuul waarbij de niet-bindende elektronen ook worden getekend.
Q2: Welke atoomsoorten streven naar 8 elektronen in de buitenste schil?
A2: Alle atoomsoorten behalve waterstof (H), lithium (Li) en beryllium (Be).
Q3: Wat bepaalt de covalentie van een atoomsoort?
A3: Het aantal te lenen atomen.
Q4: Hoe worden valentie-elektronen meestal getekend in een Lewisstructuur?
A4: Per elektron met puntjes.
Q5: Wat is het verschil tussen het berekende aantal bindingen en het totaal aantal streepjes in een lewisstructuur?
A5: Het verschil is het aantal bindingen dat je in het molecuul moet tekenen.
Q6: Hoeveel elektronenparen (streepjes) moeten er per atoom (behalve H, Li, Be) getekend worden in een lewisstructuur?
A6: 4 elektronenparen (streepjes).
Q7: Wanneer moet je de formele lading noteren in een lewisstructuur?
A7: Als een atoom een valentie-elektron te veel of te weinig heeft.
Q8: Wat is de VSEPR-methode?
A8: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q9: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A9: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q10: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A10: Lineaire bouw (180°).
Q11: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A11: Trigonaal (120°).
Q12: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A12: Tetraëder (109,5°).
Q13: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A13: 104,5°.
Q14: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A14: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q15: Wat is een dipoolmolecuul?
A15: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
Q16: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A16: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q17: Wat is cis-trans-isomerie?
A17: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q18: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A18: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q19: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A19: 2.
Q20: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A20: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q21: Wat is een racemisch mengsel?
A21: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.2: Ruimtelijke bouw %2
%3 Test je kennis over de ruimtelijke bouw van moleculen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is de VSEPR-methode?
A1: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q2: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A2: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q3: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A3: Lineaire bouw (180°).
Q4: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A4: Trigonaal (120°).
Q5: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A5: Tetraëder (109,5°).
Q6: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A6: 104,5°.
Q7: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A7: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q8: Wat is een dipoolmolecuul?
A8: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.3: Cis-Trans isomerie %2
%3 Test je kennis over cis-trans isomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is isomerie?
A1: Als 2 moleculen dezelfde molecuulformule hebben, maar een andere ruimtelijke structuur.
Q2: Wat zijn structuurisomeren?
A2: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q3: Wat zijn stereo-isomeren?
A3: Isomeren met dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen, maar met een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q4: Wat is cis-trans isomerie?
A4: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q5: Wat is het verschil tussen cis en trans in cis-trans isomeren?
A5: Bij cis zitten 2 dezelfde (of afwijkende) atomen of atoomgroepen aan 1 kant, bij trans zitten ze schuin tegenover elkaar.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.4: Spiegelbeeldisomerie %2
%3 Test je kennis over spiegelbeeldisomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A1: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q2: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A2: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q3: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A3: 2.
Q4: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A4: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q5: Wat is een racemisch mengsel?
A5: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Hoofdstuk 10: Organische Bindingen %2
%3 Test je kennis over organische bindingen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat kan een carbonzuur afstaan in een zuurbase reactie?
A1: Het H-atoom van de carboxygroep (-COOH).
Q2: Wat is een alkanoaation?
A2: Het zuurrestion van een alkaanzuur.
Q3: Welke groep heeft de hoogste prioriteit bij de naamgeving van organische verbindingen?
A3: De carbonzuren.
Q4: Wat is een aldehyde?
A4: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom aan het uiteinde van de keten zit.
Q5: Wat is een keton?
A5: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom ergens in het midden van de keten zit.
Q6: Wat is een ether?
A6: Een verbinding waarbij een O-atoom tussen 2 C-atomen zit.
Q7: Wat is een ester?
A7: Een verbinding waarbij de estergroep lijkt op een carboxygroep, maar het H-atoom is vervangen door een alkylgroep.
Q8: Wat is de belangrijkste karakteristieke groep van alle karakteristieke groepen?
A8: De carbonzuren.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 10.2: Reacties van alkanen, alkenen en alkynen %2
%3 Test je kennis over reacties van alkanen, alkenen en alkynen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat zijn substitutiereacties?
A1: Reacties waarbij een atoom in een koolwaterstof molecuul wordt vervangen door een ander atoom of atoomgroep.
Q2: Welke atomen in een koolwaterstof molecuul kunnen vervangen worden in een substitutiereactie?
A2: Alle waterstofatomen hebben dezelfde kans om vervangen te worden.
Q3: Wat is de reactiviteit van een halogeenalkaan ten opzichte van een gewoon alkaan?
A3: Een halogeenalkaan is reactiever dan een gewoon alkaan.
Q4: Wat zijn structuurisomeren?
A4: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q5: Wat zijn additiereacties?
A5: Reacties waarbij uit 2 moleculen 1 nieuw molecuul ontstaat.
Q6: Welke groepen in een molecuul zijn reactief en kunnen een additiereactie aangaan?
A6: Dubbele of drievoudige bindingen.
Q7: Wat zijn eliminatiereacties?
A7: Reacties waarbij een klein molecuul afsplitst en er een dubbele binding ontstaat.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.1: Lewisstructuren %2
%3 Test je kennis over Lewisstructuren met deze oefenvragen. Beantwoord elke vraag door het juiste antwoord te kiezen uit de opties. %4
Q1: Wat is een Lewisstructuur?
A1: Een structuurformule van een molecuul waarbij de niet-bindende elektronen ook worden getekend.
Q2: Welke atoomsoorten streven naar 8 elektronen in de buitenste schil?
A2: Alle atoomsoorten behalve waterstof (H), lithium (Li) en beryllium (Be).
Q3: Wat bepaalt de covalentie van een atoomsoort?
A3: Het aantal te lenen atomen.
Q4: Hoe worden valentie-elektronen meestal getekend in een Lewisstructuur?
A4: Per elektron met puntjes.
Q5: Wat is het verschil tussen het berekende aantal bindingen en het totaal aantal streepjes in een lewisstructuur?
A5: Het verschil is het aantal bindingen dat je in het molecuul moet tekenen.
Q6: Hoeveel elektronenparen (streepjes) moeten er per atoom (behalve H, Li, Be) getekend worden in een lewisstructuur?
A6: 4 elektronenparen (streepjes).
Q7: Wanneer moet je de formele lading noteren in een lewisstructuur?
A7: Als een atoom een valentie-elektron te veel of te weinig heeft.
Q8: Wat is de VSEPR-methode?
A8: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q9: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A9: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q10: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A10: Lineaire bouw (180°).
Q11: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A11: Trigonaal (120°).
Q12: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A12: Tetraëder (109,5°).
Q13: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A13: 104,5°.
Q14: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A14: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q15: Wat is een dipoolmolecuul?
A15: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
Q16: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A16: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q17: Wat is cis-trans-isomerie?
A17: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q18: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A18: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q19: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A19: 2.
Q20: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A20: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q21: Wat is een racemisch mengsel?
A21: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.2: Ruimtelijke bouw %2
%3 Test je kennis over de ruimtelijke bouw van moleculen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is de VSEPR-methode?
A1: Een methode waarbij wordt uitgegaan van het principe dat elektronenparen elkaar afstoten.
Q2: Wat is het omringingsgetal van een atoom?
A2: Het aantal elektronenparen in de buitenste schil van een atoom dat elkaar afstoot.
Q3: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 2?
A3: Lineaire bouw (180°).
Q4: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 3?
A4: Trigonaal (120°).
Q5: Welke bouw heeft een molecuul met een omringingsgetal van 4?
A5: Tetraëder (109,5°).
Q6: Wat is de bindingshoek van het watermolecuul?
A6: 104,5°.
Q7: Hoe worden bindingen weergegeven in een platte ruimtelijke tekening van een molecuul?
A7: Bindingen die naar voren steken worden dikker gemaakt, en bindingen die in het vlak naar achteren steken krijgen een gestreept uiterlijk (alleen bij tetraëder).
Q8: Wat is een dipoolmolecuul?
A8: Een molecuul waarbij het verschil in elektronegativiteit tussen de atomen groter is dan 0,4 en waarbij het molecuul niet lineair is gebouwd.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.3: Cis-Trans isomerie %2
%3 Test je kennis over cis-trans isomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is isomerie?
A1: Als 2 moleculen dezelfde molecuulformule hebben, maar een andere ruimtelijke structuur.
Q2: Wat zijn structuurisomeren?
A2: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q3: Wat zijn stereo-isomeren?
A3: Isomeren met dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen, maar met een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q4: Wat is cis-trans isomerie?
A4: Een vorm van stereo-isomerie waarbij een starre binding het draaien van een binding in een molecuul tegenhoudt.
Q5: Wat is het verschil tussen cis en trans in cis-trans isomeren?
A5: Bij cis zitten 2 dezelfde (of afwijkende) atomen of atoomgroepen aan 1 kant, bij trans zitten ze schuin tegenover elkaar.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 8.4: Spiegelbeeldisomerie %2
%3 Test je kennis over spiegelbeeldisomerie met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat is spiegelbeeldisomerie?
A1: Een vorm van stereo-isomerie waarbij moleculen dezelfde molecuulformule en dezelfde volgorde van atomen hebben, maar een verschillende ruimtelijke rangschikking van de atomen.
Q2: Wat is een asymmetrisch C-atoom?
A2: Een C-atoom met 4 verschillende groepen die spiegelbeeldisomerie mogelijk maakt.
Q3: Hoeveel spiegelbeeldisomeren heeft een molecuul met 1 asymmetrisch C-atoom?
A3: 2.
Q4: Wat zijn de fysische eigenschappen van spiegelbeeldisomeren?
A4: Ze hebben dezelfde eigenschappen, behalve hun gedrag ten aanzien van enzymen en gepolariseerd licht.
Q5: Wat is een racemisch mengsel?
A5: Een mengsel waarin beide spiegelbeeldisomeren in gelijke concentraties aanwezig zijn.
%1 Oefenvragen over Hoofdstuk 10: Organische Bindingen %2
%3 Test je kennis over organische bindingen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat kan een carbonzuur afstaan in een zuurbase reactie?
A1: Het H-atoom van de carboxygroep (-COOH).
Q2: Wat is een alkanoaation?
A2: Het zuurrestion van een alkaanzuur.
Q3: Welke groep heeft de hoogste prioriteit bij de naamgeving van organische verbindingen?
A3: De carbonzuren.
Q4: Wat is een aldehyde?
A4: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom aan het uiteinde van de keten zit.
Q5: Wat is een keton?
A5: Een verbinding waarbij het dubbel gebonden O-atoom ergens in het midden van de keten zit.
Q6: Wat is een ether?
A6: Een verbinding waarbij een O-atoom tussen 2 C-atomen zit.
Q7: Wat is een ester?
A7: Een verbinding waarbij de estergroep lijkt op een carboxygroep, maar het H-atoom is vervangen door een alkylgroep.
Q8: Wat is de belangrijkste karakteristieke groep van alle karakteristieke groepen?
A8: De carbonzuren.
%1 Oefenvragen over Paragraaf 10.2: Reacties van alkanen, alkenen en alkynen %2
%3 Test je kennis over reacties van alkanen, alkenen en alkynen met deze oefenvragen. Kies het juiste antwoord uit de opties. %4
Q1: Wat zijn substitutiereacties?
A1: Reacties waarbij een atoom in een koolwaterstof molecuul wordt vervangen door een ander atoom of atoomgroep.
Q2: Welke atomen in een koolwaterstof molecuul kunnen vervangen worden in een substitutiereactie?
A2: Alle waterstofatomen hebben dezelfde kans om vervangen te worden.
Q3: Wat is de reactiviteit van een halogeenalkaan ten opzichte van een gewoon alkaan?
A3: Een halogeenalkaan is reactiever dan een gewoon alkaan.
Q4: Wat zijn structuurisomeren?
A4: Stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.
Q5: Wat zijn additiereacties?
A5: Reacties waarbij uit 2 moleculen 1 nieuw molecuul ontstaat.
Q6: Welke groepen in een molecuul zijn reactief en kunnen een additiereactie aangaan?
A6: Dubbele of drievoudige bindingen.
Q7: Wat zijn eliminatiereacties?
A7: Reacties waarbij een klein molecuul afsplitst en er een dubbele binding ontstaat.