Use the 32 quiz questions to prepare yourself and test whether you know the subject matter.
Buy the quiz questions and be prepared for your next test.
Add to cartWat was de reden voor de Engelsen om Noord-Amerika te verkennen?
Als mogelijke uitvalsbasis in de strijd met Spanje en als eventuele kolonie.
input text value
In welk jaar werd de Engelse nederzetting gesticht door de Pilgrim Fathers?
Wat was het doel van de Pilgrim Fathers bij het stichten van de nederzetting?
Het beginnen van een geheel nieuwe samenleving.
input text value
Wat waren aanvankelijk de handelscontacten van de kolonisten met de inheemse bevolking?
Wat zorgde ervoor dat de inheemse bevolking snel werd gedecimeerd?
Wat voor soort koloniën waren de noordelijke koloniën aan de oostkust?
Vestigingskoloniën, gericht op landbouw, handel en nijverheid.
input text value
Buy the quiz questions and be prepared for your next test.
Add to cart
Do you prefer to learn the quiz questions from paper? Then download the 32 questions as PDF.
Add to cart
Earn money by making quiz questions and learn directly for your upcoming test.
Create quizTest je kennis over de kolonisatie van Noord-Amerika in de 16e en 17e eeuw. Beantwoord de volgende vragen met de bijbehorende antwoorden.
32 questions
Nederlands
10-03-2023
Wat was de reden voor de Engelsen om Noord-Amerika te verkennen?
Als mogelijke uitvalsbasis in de strijd met Spanje en als eventuele kolonie.In welk jaar werd de Engelse nederzetting gesticht door de Pilgrim Fathers?
In 1620.Wat was het doel van de Pilgrim Fathers bij het stichten van de nederzetting?
Het beginnen van een geheel nieuwe samenleving.Hoe groeiden de groepen kolonisten in Amerika in de 17e eeuw?
Gestaag.Wat waren aanvankelijk de handelscontacten van de kolonisten met de inheemse bevolking?
Bestaande.Wat zorgde ervoor dat de inheemse bevolking snel werd gedecimeerd?
Bloedige oorlogen en geïmporteerde ziekten.Wat voor soort koloniën waren de noordelijke koloniën aan de oostkust?
Vestigingskoloniën, gericht op landbouw, handel en nijverheid.Wat ontwikkelden de koloniën in het zuiden zich tot?
Plantage-economieën.Welke producten werden verbouwd in de plantagekoloniën in het zuiden?
Hoeveel koloniën vormden de dertien koloniën aan de oostkust van Noord-Amerika?
Welke andere Engelse plantagekoloniën in het Caribische gebied waren winstgevender?
Welke vorm van arbeid maakten alle Engelse koloniën gebruik van?
Welke koloniën hadden een groter deel van de bevolking bestaande uit slaafgemaakten?
Wat was lucratief voor de Engelsen en waarvoor richtten zij de Royal African Company op?
Welke Verlichte ideeën kwamen de Europese kolonisten in aanraking mee?
Hadden de kolonisten politieke vertegenwoordiging in het parlement in Groot-Brittannië?
Wat betaalden de kolonisten wel aan Groot-Brittannië?
Wat frustreerde de kolonisten?
In welk jaar kwamen de kolonisten in opstand en vormden ze een onafhankelijke federale staat?
Wat was de naam van de onafhankelijke federale staat die de kolonisten vormden?
Wat kwam op in verlichte en religieuze kringen vanaf het einde van de 18e eeuw?
Wat betekende het verbod op de slavenhandel in het Britse Rijk in 1807 voor Barbados en Jamaica?
In welk jaar verbood Groot-Brittannië slavernij in grote delen van het rijk?
%1Oefenvragen over de kolonisatie van Noord-Amerika%2
%3Test je kennis over de kolonisatie van Noord-Amerika in de 16e en 17e eeuw. Beantwoord de volgende vragen met de bijbehorende antwoorden.%4
Q1: Wat was de reden voor de Engelsen om Noord-Amerika te verkennen?
A1: Als mogelijke uitvalsbasis in de strijd met Spanje en als eventuele kolonie.
Q2: In welk jaar werd de Engelse nederzetting gesticht door de Pilgrim Fathers?
A2: In 1620.
Q3: Wat was het doel van de Pilgrim Fathers bij het stichten van de nederzetting?
A3: Het beginnen van een geheel nieuwe samenleving.
Q4: Hoe groeiden de groepen kolonisten in Amerika in de 17e eeuw?
A4: Gestaag.
Q5: Wat waren aanvankelijk de handelscontacten van de kolonisten met de inheemse bevolking?
A5: Bestaande.
Q6: Wat zorgde ervoor dat de inheemse bevolking snel werd gedecimeerd?
A6: Bloedige oorlogen en geïmporteerde ziekten.
Q7: Wat voor soort koloniën waren de noordelijke koloniën aan de oostkust?
A7: Vestigingskoloniën, gericht op landbouw, handel en nijverheid.
Q8: Wat ontwikkelden de koloniën in het zuiden zich tot?
A8: Plantage-economieën.
Q9: Welke producten werden verbouwd in de plantagekoloniën in het zuiden?
A9: Tabak en katoen.
Q10: Hoeveel koloniën vormden de dertien koloniën aan de oostkust van Noord-Amerika?
A10: Slechts een deel van het Britse rijk in Amerika.
Q11: Welke andere Engelse plantagekoloniën in het Caribische gebied waren winstgevender?
A11: Barbados en Jamaica.
Q12: Welke vorm van arbeid maakten alle Engelse koloniën gebruik van?
A12: Arbeid van slaafgemaakten.
Q13: Welke koloniën hadden een groter deel van de bevolking bestaande uit slaafgemaakten?
A13: De zuidelijke plantagekoloniën.
Q14: Wat was lucratief voor de Engelsen en waarvoor richtten zij de Royal African Company op?
A14: De driehoekshandel.
Q15: Welke Verlichte ideeën kwamen de Europese kolonisten in aanraking mee?
A15: De trias politica, het idee van volkssoevereiniteit en van natuurlijke rechten.
Q16: Hadden de kolonisten politieke vertegenwoordiging in het parlement in Groot-Brittannië?
A16: Nee.
Q17: Wat betaalden de kolonisten wel aan Groot-Brittannië?
A17: Belastingen.
Q18: Wat frustreerde de kolonisten?
A18: Het gebrek aan politieke vertegenwoordiging in het parlement.
Q19: In welk jaar kwamen de kolonisten in opstand en vormden ze een onafhankelijke federale staat?
A19: In 1776.
Q20: Wat was de naam van de onafhankelijke federale staat die de kolonisten vormden?
A20: De Verenigde Staten van Amerika.
Q21: Wat kwam op in verlichte en religieuze kringen vanaf het einde van de 18e eeuw?
A21: Het abolitionisme.
Q22: Wat betekende het verbod op de slavenhandel in het Britse Rijk in 1807 voor Barbados en Jamaica?
A22: Economische neergang.
Q23: In welk jaar verbood Groot-Brittannië slavernij in grote delen van het rijk?
A23: In 1833.
%1Oefenvragen over de kolonisatie van Noord-Amerika%2
%3Test je kennis over de kolonisatie van Noord-Amerika in de 16e en 17e eeuw. Beantwoord de volgende vragen met de bijbehorende antwoorden.%4
Q1: Wat was de reden voor de Engelsen om Noord-Amerika te verkennen?
A1: Als mogelijke uitvalsbasis in de strijd met Spanje en als eventuele kolonie.
Q2: In welk jaar werd de Engelse nederzetting gesticht door de Pilgrim Fathers?
A2: In 1620.
Q3: Wat was het doel van de Pilgrim Fathers bij het stichten van de nederzetting?
A3: Het beginnen van een geheel nieuwe samenleving.
Q4: Hoe groeiden de groepen kolonisten in Amerika in de 17e eeuw?
A4: Gestaag.
Q5: Wat waren aanvankelijk de handelscontacten van de kolonisten met de inheemse bevolking?
A5: Bestaande.
Q6: Wat zorgde ervoor dat de inheemse bevolking snel werd gedecimeerd?
A6: Bloedige oorlogen en geïmporteerde ziekten.
Q7: Wat voor soort koloniën waren de noordelijke koloniën aan de oostkust?
A7: Vestigingskoloniën, gericht op landbouw, handel en nijverheid.
Q8: Wat ontwikkelden de koloniën in het zuiden zich tot?
A8: Plantage-economieën.
Q9: Welke producten werden verbouwd in de plantagekoloniën in het zuiden?
A9: Tabak en katoen.
Q10: Hoeveel koloniën vormden de dertien koloniën aan de oostkust van Noord-Amerika?
A10: Slechts een deel van het Britse rijk in Amerika.
Q11: Welke andere Engelse plantagekoloniën in het Caribische gebied waren winstgevender?
A11: Barbados en Jamaica.
Q12: Welke vorm van arbeid maakten alle Engelse koloniën gebruik van?
A12: Arbeid van slaafgemaakten.
Q13: Welke koloniën hadden een groter deel van de bevolking bestaande uit slaafgemaakten?
A13: De zuidelijke plantagekoloniën.
Q14: Wat was lucratief voor de Engelsen en waarvoor richtten zij de Royal African Company op?
A14: De driehoekshandel.
Q15: Welke Verlichte ideeën kwamen de Europese kolonisten in aanraking mee?
A15: De trias politica, het idee van volkssoevereiniteit en van natuurlijke rechten.
Q16: Hadden de kolonisten politieke vertegenwoordiging in het parlement in Groot-Brittannië?
A16: Nee.
Q17: Wat betaalden de kolonisten wel aan Groot-Brittannië?
A17: Belastingen.
Q18: Wat frustreerde de kolonisten?
A18: Het gebrek aan politieke vertegenwoordiging in het parlement.
Q19: In welk jaar kwamen de kolonisten in opstand en vormden ze een onafhankelijke federale staat?
A19: In 1776.
Q20: Wat was de naam van de onafhankelijke federale staat die de kolonisten vormden?
A20: De Verenigde Staten van Amerika.
Q21: Wat kwam op in verlichte en religieuze kringen vanaf het einde van de 18e eeuw?
A21: Het abolitionisme.
Q22: Wat betekende het verbod op de slavenhandel in het Britse Rijk in 1807 voor Barbados en Jamaica?
A22: Economische neergang.
Q23: In welk jaar verbood Groot-Brittannië slavernij in grote delen van het rijk?
A23: In 1833.
%1Oefenvragen over de kolonisatie van Noord-Amerika%2
%3Test je kennis over de kolonisatie van Noord-Amerika in de 16e en 17e eeuw. Beantwoord de volgende vragen met de bijbehorende antwoorden.%4
Q1: Wat was de reden voor de Engelsen om Noord-Amerika te verkennen?
A1: Als mogelijke uitvalsbasis in de strijd met Spanje en als eventuele kolonie.
Q2: In welk jaar werd de Engelse nederzetting gesticht door de Pilgrim Fathers?
A2: In 1620.
Q3: Wat was het doel van de Pilgrim Fathers bij het stichten van de nederzetting?
A3: Het beginnen van een geheel nieuwe samenleving.
Q4: Hoe groeiden de groepen kolonisten in Amerika in de 17e eeuw?
A4: Gestaag.
Q5: Wat waren aanvankelijk de handelscontacten van de kolonisten met de inheemse bevolking?
A5: Bestaande.
Q6: Wat zorgde ervoor dat de inheemse bevolking snel werd gedecimeerd?
A6: Bloedige oorlogen en geïmporteerde ziekten.
Q7: Wat voor soort koloniën waren de noordelijke koloniën aan de oostkust?
A7: Vestigingskoloniën, gericht op landbouw, handel en nijverheid.
Q8: Wat ontwikkelden de koloniën in het zuiden zich tot?
A8: Plantage-economieën.
Q9: Welke producten werden verbouwd in de plantagekoloniën in het zuiden?
A9: Tabak en katoen.
Q10: Hoeveel koloniën vormden de dertien koloniën aan de oostkust van Noord-Amerika?
A10: Slechts een deel van het Britse rijk in Amerika.
Q11: Welke andere Engelse plantagekoloniën in het Caribische gebied waren winstgevender?
A11: Barbados en Jamaica.
Q12: Welke vorm van arbeid maakten alle Engelse koloniën gebruik van?
A12: Arbeid van slaafgemaakten.
Q13: Welke koloniën hadden een groter deel van de bevolking bestaande uit slaafgemaakten?
A13: De zuidelijke plantagekoloniën.
Q14: Wat was lucratief voor de Engelsen en waarvoor richtten zij de Royal African Company op?
A14: De driehoekshandel.
Q15: Welke Verlichte ideeën kwamen de Europese kolonisten in aanraking mee?
A15: De trias politica, het idee van volkssoevereiniteit en van natuurlijke rechten.
Q16: Hadden de kolonisten politieke vertegenwoordiging in het parlement in Groot-Brittannië?
A16: Nee.
Q17: Wat betaalden de kolonisten wel aan Groot-Brittannië?
A17: Belastingen.
Q18: Wat frustreerde de kolonisten?
A18: Het gebrek aan politieke vertegenwoordiging in het parlement.
Q19: In welk jaar kwamen de kolonisten in opstand en vormden ze een onafhankelijke federale staat?
A19: In 1776.
Q20: Wat was de naam van de onafhankelijke federale staat die de kolonisten vormden?
A20: De Verenigde Staten van Amerika.
Q21: Wat kwam op in verlichte en religieuze kringen vanaf het einde van de 18e eeuw?
A21: Het abolitionisme.
Q22: Wat betekende het verbod op de slavenhandel in het Britse Rijk in 1807 voor Barbados en Jamaica?
A22: Economische neergang.
Q23: In welk jaar verbood Groot-Brittannië slavernij in grote delen van het rijk?
A23: In 1833.
%1Oefenvragen over de kolonisatie van Noord-Amerika%2
%3Test je kennis over de kolonisatie van Noord-Amerika in de 16e en 17e eeuw. Beantwoord de volgende vragen met de bijbehorende antwoorden.%4
Q1: Wat was de reden voor de Engelsen om Noord-Amerika te verkennen?
A1: Als mogelijke uitvalsbasis in de strijd met Spanje en als eventuele kolonie.
Q2: In welk jaar werd de Engelse nederzetting gesticht door de Pilgrim Fathers?
A2: In 1620.
Q3: Wat was het doel van de Pilgrim Fathers bij het stichten van de nederzetting?
A3: Het beginnen van een geheel nieuwe samenleving.
Q4: Hoe groeiden de groepen kolonisten in Amerika in de 17e eeuw?
A4: Gestaag.
Q5: Wat waren aanvankelijk de handelscontacten van de kolonisten met de inheemse bevolking?
A5: Bestaande.
Q6: Wat zorgde ervoor dat de inheemse bevolking snel werd gedecimeerd?
A6: Bloedige oorlogen en geïmporteerde ziekten.
Q7: Wat voor soort koloniën waren de noordelijke koloniën aan de oostkust?
A7: Vestigingskoloniën, gericht op landbouw, handel en nijverheid.
Q8: Wat ontwikkelden de koloniën in het zuiden zich tot?
A8: Plantage-economieën.
Q9: Welke producten werden verbouwd in de plantagekoloniën in het zuiden?
A9: Tabak en katoen.
Q10: Hoeveel koloniën vormden de dertien koloniën aan de oostkust van Noord-Amerika?
A10: Slechts een deel van het Britse rijk in Amerika.
Q11: Welke andere Engelse plantagekoloniën in het Caribische gebied waren winstgevender?
A11: Barbados en Jamaica.
Q12: Welke vorm van arbeid maakten alle Engelse koloniën gebruik van?
A12: Arbeid van slaafgemaakten.
Q13: Welke koloniën hadden een groter deel van de bevolking bestaande uit slaafgemaakten?
A13: De zuidelijke plantagekoloniën.
Q14: Wat was lucratief voor de Engelsen en waarvoor richtten zij de Royal African Company op?
A14: De driehoekshandel.
Q15: Welke Verlichte ideeën kwamen de Europese kolonisten in aanraking mee?
A15: De trias politica, het idee van volkssoevereiniteit en van natuurlijke rechten.
Q16: Hadden de kolonisten politieke vertegenwoordiging in het parlement in Groot-Brittannië?
A16: Nee.
Q17: Wat betaalden de kolonisten wel aan Groot-Brittannië?
A17: Belastingen.
Q18: Wat frustreerde de kolonisten?
A18: Het gebrek aan politieke vertegenwoordiging in het parlement.
Q19: In welk jaar kwamen de kolonisten in opstand en vormden ze een onafhankelijke federale staat?
A19: In 1776.
Q20: Wat was de naam van de onafhankelijke federale staat die de kolonisten vormden?
A20: De Verenigde Staten van Amerika.
Q21: Wat kwam op in verlichte en religieuze kringen vanaf het einde van de 18e eeuw?
A21: Het abolitionisme.
Q22: Wat betekende het verbod op de slavenhandel in het Britse Rijk in 1807 voor Barbados en Jamaica?
A22: Economische neergang.
Q23: In welk jaar verbood Groot-Brittannië slavernij in grote delen van het rijk?
A23: In 1833.
%1Oefenvragen over de kolonisatie van Noord-Amerika%2
%3Test je kennis over de kolonisatie van Noord-Amerika in de 16e en 17e eeuw. Beantwoord de volgende vragen met de bijbehorende antwoorden.%4
Q1: Wat was de reden voor de Engelsen om Noord-Amerika te verkennen?
A1: Als mogelijke uitvalsbasis in de strijd met Spanje en als eventuele kolonie.
Q2: In welk jaar werd de Engelse nederzetting gesticht door de Pilgrim Fathers?
A2: In 1620.
Q3: Wat was het doel van de Pilgrim Fathers bij het stichten van de nederzetting?
A3: Het beginnen van een geheel nieuwe samenleving.
Q4: Hoe groeiden de groepen kolonisten in Amerika in de 17e eeuw?
A4: Gestaag.
Q5: Wat waren aanvankelijk de handelscontacten van de kolonisten met de inheemse bevolking?
A5: Bestaande.
Q6: Wat zorgde ervoor dat de inheemse bevolking snel werd gedecimeerd?
A6: Bloedige oorlogen en geïmporteerde ziekten.
Q7: Wat voor soort koloniën waren de noordelijke koloniën aan de oostkust?
A7: Vestigingskoloniën, gericht op landbouw, handel en nijverheid.
Q8: Wat ontwikkelden de koloniën in het zuiden zich tot?
A8: Plantage-economieën.
Q9: Welke producten werden verbouwd in de plantagekoloniën in het zuiden?
A9: Tabak en katoen.
Q10: Hoeveel koloniën vormden de dertien koloniën aan de oostkust van Noord-Amerika?
A10: Slechts een deel van het Britse rijk in Amerika.
Q11: Welke andere Engelse plantagekoloniën in het Caribische gebied waren winstgevender?
A11: Barbados en Jamaica.
Q12: Welke vorm van arbeid maakten alle Engelse koloniën gebruik van?
A12: Arbeid van slaafgemaakten.
Q13: Welke koloniën hadden een groter deel van de bevolking bestaande uit slaafgemaakten?
A13: De zuidelijke plantagekoloniën.
Q14: Wat was lucratief voor de Engelsen en waarvoor richtten zij de Royal African Company op?
A14: De driehoekshandel.
Q15: Welke Verlichte ideeën kwamen de Europese kolonisten in aanraking mee?
A15: De trias politica, het idee van volkssoevereiniteit en van natuurlijke rechten.
Q16: Hadden de kolonisten politieke vertegenwoordiging in het parlement in Groot-Brittannië?
A16: Nee.
Q17: Wat betaalden de kolonisten wel aan Groot-Brittannië?
A17: Belastingen.
Q18: Wat frustreerde de kolonisten?
A18: Het gebrek aan politieke vertegenwoordiging in het parlement.
Q19: In welk jaar kwamen de kolonisten in opstand en vormden ze een onafhankelijke federale staat?
A19: In 1776.
Q20: Wat was de naam van de onafhankelijke federale staat die de kolonisten vormden?
A20: De Verenigde Staten van Amerika.
Q21: Wat kwam op in verlichte en religieuze kringen vanaf het einde van de 18e eeuw?
A21: Het abolitionisme.
Q22: Wat betekende het verbod op de slavenhandel in het Britse Rijk in 1807 voor Barbados en Jamaica?
A22: Economische neergang.
Q23: In welk jaar verbood Groot-Brittannië slavernij in grote delen van het rijk?
A23: In 1833.
%1Oefenvragen over de kolonisatie van Noord-Amerika%2
%3Test je kennis over de kolonisatie van Noord-Amerika in de 16e en 17e eeuw. Beantwoord de volgende vragen met de bijbehorende antwoorden.%4
Q1: Wat was de reden voor de Engelsen om Noord-Amerika te verkennen?
A1: Als mogelijke uitvalsbasis in de strijd met Spanje en als eventuele kolonie.
Q2: In welk jaar werd de Engelse nederzetting gesticht door de Pilgrim Fathers?
A2: In 1620.
Q3: Wat was het doel van de Pilgrim Fathers bij het stichten van de nederzetting?
A3: Het beginnen van een geheel nieuwe samenleving.
Q4: Hoe groeiden de groepen kolonisten in Amerika in de 17e eeuw?
A4: Gestaag.
Q5: Wat waren aanvankelijk de handelscontacten van de kolonisten met de inheemse bevolking?
A5: Bestaande.
Q6: Wat zorgde ervoor dat de inheemse bevolking snel werd gedecimeerd?
A6: Bloedige oorlogen en geïmporteerde ziekten.
Q7: Wat voor soort koloniën waren de noordelijke koloniën aan de oostkust?
A7: Vestigingskoloniën, gericht op landbouw, handel en nijverheid.
Q8: Wat ontwikkelden de koloniën in het zuiden zich tot?
A8: Plantage-economieën.
Q9: Welke producten werden verbouwd in de plantagekoloniën in het zuiden?
A9: Tabak en katoen.
Q10: Hoeveel koloniën vormden de dertien koloniën aan de oostkust van Noord-Amerika?
A10: Slechts een deel van het Britse rijk in Amerika.
Q11: Welke andere Engelse plantagekoloniën in het Caribische gebied waren winstgevender?
A11: Barbados en Jamaica.
Q12: Welke vorm van arbeid maakten alle Engelse koloniën gebruik van?
A12: Arbeid van slaafgemaakten.
Q13: Welke koloniën hadden een groter deel van de bevolking bestaande uit slaafgemaakten?
A13: De zuidelijke plantagekoloniën.
Q14: Wat was lucratief voor de Engelsen en waarvoor richtten zij de Royal African Company op?
A14: De driehoekshandel.
Q15: Welke Verlichte ideeën kwamen de Europese kolonisten in aanraking mee?
A15: De trias politica, het idee van volkssoevereiniteit en van natuurlijke rechten.
Q16: Hadden de kolonisten politieke vertegenwoordiging in het parlement in Groot-Brittannië?
A16: Nee.
Q17: Wat betaalden de kolonisten wel aan Groot-Brittannië?
A17: Belastingen.
Q18: Wat frustreerde de kolonisten?
A18: Het gebrek aan politieke vertegenwoordiging in het parlement.
Q19: In welk jaar kwamen de kolonisten in opstand en vormden ze een onafhankelijke federale staat?
A19: In 1776.
Q20: Wat was de naam van de onafhankelijke federale staat die de kolonisten vormden?
A20: De Verenigde Staten van Amerika.
Q21: Wat kwam op in verlichte en religieuze kringen vanaf het einde van de 18e eeuw?
A21: Het abolitionisme.
Q22: Wat betekende het verbod op de slavenhandel in het Britse Rijk in 1807 voor Barbados en Jamaica?
A22: Economische neergang.
Q23: In welk jaar verbood Groot-Brittannië slavernij in grote delen van het rijk?
A23: In 1833.
%1Oefenvragen over de kolonisatie van Noord-Amerika%2
%3Test je kennis over de kolonisatie van Noord-Amerika in de 16e en 17e eeuw. Beantwoord de volgende vragen met de bijbehorende antwoorden.%4
Q1: Wat was de reden voor de Engelsen om Noord-Amerika te verkennen?
A1: Als mogelijke uitvalsbasis in de strijd met Spanje en als eventuele kolonie.
Q2: In welk jaar werd de Engelse nederzetting gesticht door de Pilgrim Fathers?
A2: In 1620.
Q3: Wat was het doel van de Pilgrim Fathers bij het stichten van de nederzetting?
A3: Het beginnen van een geheel nieuwe samenleving.
Q4: Hoe groeiden de groepen kolonisten in Amerika in de 17e eeuw?
A4: Gestaag.
Q5: Wat waren aanvankelijk de handelscontacten van de kolonisten met de inheemse bevolking?
A5: Bestaande.
Q6: Wat zorgde ervoor dat de inheemse bevolking snel werd gedecimeerd?
A6: Bloedige oorlogen en geïmporteerde ziekten.
Q7: Wat voor soort koloniën waren de noordelijke koloniën aan de oostkust?
A7: Vestigingskoloniën, gericht op landbouw, handel en nijverheid.
Q8: Wat ontwikkelden de koloniën in het zuiden zich tot?
A8: Plantage-economieën.
Q9: Welke producten werden verbouwd in de plantagekoloniën in het zuiden?
A9: Tabak en katoen.
Q10: Hoeveel koloniën vormden de dertien koloniën aan de oostkust van Noord-Amerika?
A10: Slechts een deel van het Britse rijk in Amerika.
Q11: Welke andere Engelse plantagekoloniën in het Caribische gebied waren winstgevender?
A11: Barbados en Jamaica.
Q12: Welke vorm van arbeid maakten alle Engelse koloniën gebruik van?
A12: Arbeid van slaafgemaakten.
Q13: Welke koloniën hadden een groter deel van de bevolking bestaande uit slaafgemaakten?
A13: De zuidelijke plantagekoloniën.
Q14: Wat was lucratief voor de Engelsen en waarvoor richtten zij de Royal African Company op?
A14: De driehoekshandel.
Q15: Welke Verlichte ideeën kwamen de Europese kolonisten in aanraking mee?
A15: De trias politica, het idee van volkssoevereiniteit en van natuurlijke rechten.
Q16: Hadden de kolonisten politieke vertegenwoordiging in het parlement in Groot-Brittannië?
A16: Nee.
Q17: Wat betaalden de kolonisten wel aan Groot-Brittannië?
A17: Belastingen.
Q18: Wat frustreerde de kolonisten?
A18: Het gebrek aan politieke vertegenwoordiging in het parlement.
Q19: In welk jaar kwamen de kolonisten in opstand en vormden ze een onafhankelijke federale staat?
A19: In 1776.
Q20: Wat was de naam van de onafhankelijke federale staat die de kolonisten vormden?
A20: De Verenigde Staten van Amerika.
Q21: Wat kwam op in verlichte en religieuze kringen vanaf het einde van de 18e eeuw?
A21: Het abolitionisme.
Q22: Wat betekende het verbod op de slavenhandel in het Britse Rijk in 1807 voor Barbados en Jamaica?
A22: Economische neergang.
Q23: In welk jaar verbood Groot-Brittannië slavernij in grote delen van het rijk?
A23: In 1833.
%1Oefenvragen over de kolonisatie van Noord-Amerika%2
%3Test je kennis over de kolonisatie van Noord-Amerika in de 16e en 17e eeuw. Beantwoord de volgende vragen met de bijbehorende antwoorden.%4
Q1: Wat was de reden voor de Engelsen om Noord-Amerika te verkennen?
A1: Als mogelijke uitvalsbasis in de strijd met Spanje en als eventuele kolonie.
Q2: In welk jaar werd de Engelse nederzetting gesticht door de Pilgrim Fathers?
A2: In 1620.
Q3: Wat was het doel van de Pilgrim Fathers bij het stichten van de nederzetting?
A3: Het beginnen van een geheel nieuwe samenleving.
Q4: Hoe groeiden de groepen kolonisten in Amerika in de 17e eeuw?
A4: Gestaag.
Q5: Wat waren aanvankelijk de handelscontacten van de kolonisten met de inheemse bevolking?
A5: Bestaande.
Q6: Wat zorgde ervoor dat de inheemse bevolking snel werd gedecimeerd?
A6: Bloedige oorlogen en geïmporteerde ziekten.
Q7: Wat voor soort koloniën waren de noordelijke koloniën aan de oostkust?
A7: Vestigingskoloniën, gericht op landbouw, handel en nijverheid.
Q8: Wat ontwikkelden de koloniën in het zuiden zich tot?
A8: Plantage-economieën.
Q9: Welke producten werden verbouwd in de plantagekoloniën in het zuiden?
A9: Tabak en katoen.
Q10: Hoeveel koloniën vormden de dertien koloniën aan de oostkust van Noord-Amerika?
A10: Slechts een deel van het Britse rijk in Amerika.
Q11: Welke andere Engelse plantagekoloniën in het Caribische gebied waren winstgevender?
A11: Barbados en Jamaica.
Q12: Welke vorm van arbeid maakten alle Engelse koloniën gebruik van?
A12: Arbeid van slaafgemaakten.
Q13: Welke koloniën hadden een groter deel van de bevolking bestaande uit slaafgemaakten?
A13: De zuidelijke plantagekoloniën.
Q14: Wat was lucratief voor de Engelsen en waarvoor richtten zij de Royal African Company op?
A14: De driehoekshandel.
Q15: Welke Verlichte ideeën kwamen de Europese kolonisten in aanraking mee?
A15: De trias politica, het idee van volkssoevereiniteit en van natuurlijke rechten.
Q16: Hadden de kolonisten politieke vertegenwoordiging in het parlement in Groot-Brittannië?
A16: Nee.
Q17: Wat betaalden de kolonisten wel aan Groot-Brittannië?
A17: Belastingen.
Q18: Wat frustreerde de kolonisten?
A18: Het gebrek aan politieke vertegenwoordiging in het parlement.
Q19: In welk jaar kwamen de kolonisten in opstand en vormden ze een onafhankelijke federale staat?
A19: In 1776.
Q20: Wat was de naam van de onafhankelijke federale staat die de kolonisten vormden?
A20: De Verenigde Staten van Amerika.
Q21: Wat kwam op in verlichte en religieuze kringen vanaf het einde van de 18e eeuw?
A21: Het abolitionisme.
Q22: Wat betekende het verbod op de slavenhandel in het Britse Rijk in 1807 voor Barbados en Jamaica?
A22: Economische neergang.
Q23: In welk jaar verbood Groot-Brittannië slavernij in grote delen van het rijk?
A23: In 1833.
%1Oefenvragen over de kolonisatie van Noord-Amerika%2
%3Test je kennis over de kolonisatie van Noord-Amerika in de 16e en 17e eeuw. Beantwoord de volgende vragen met de bijbehorende antwoorden.%4
Q1: Wat was de reden voor de Engelsen om Noord-Amerika te verkennen?
A1: Als mogelijke uitvalsbasis in de strijd met Spanje en als eventuele kolonie.
Q2: In welk jaar werd de Engelse nederzetting gesticht door de Pilgrim Fathers?
A2: In 1620.
Q3: Wat was het doel van de Pilgrim Fathers bij het stichten van de nederzetting?
A3: Het beginnen van een geheel nieuwe samenleving.
Q4: Hoe groeiden de groepen kolonisten in Amerika in de 17e eeuw?
A4: Gestaag.
Q5: Wat waren aanvankelijk de handelscontacten van de kolonisten met de inheemse bevolking?
A5: Bestaande.
Q6: Wat zorgde ervoor dat de inheemse bevolking snel werd gedecimeerd?
A6: Bloedige oorlogen en geïmporteerde ziekten.
Q7: Wat voor soort koloniën waren de noordelijke koloniën aan de oostkust?
A7: Vestigingskoloniën, gericht op landbouw, handel en nijverheid.
Q8: Wat ontwikkelden de koloniën in het zuiden zich tot?
A8: Plantage-economieën.
Q9: Welke producten werden verbouwd in de plantagekoloniën in het zuiden?
A9: Tabak en katoen.
Q10: Hoeveel koloniën vormden de dertien koloniën aan de oostkust van Noord-Amerika?
A10: Slechts een deel van het Britse rijk in Amerika.
Q11: Welke andere Engelse plantagekoloniën in het Caribische gebied waren winstgevender?
A11: Barbados en Jamaica.
Q12: Welke vorm van arbeid maakten alle Engelse koloniën gebruik van?
A12: Arbeid van slaafgemaakten.
Q13: Welke koloniën hadden een groter deel van de bevolking bestaande uit slaafgemaakten?
A13: De zuidelijke plantagekoloniën.
Q14: Wat was lucratief voor de Engelsen en waarvoor richtten zij de Royal African Company op?
A14: De driehoekshandel.
Q15: Welke Verlichte ideeën kwamen de Europese kolonisten in aanraking mee?
A15: De trias politica, het idee van volkssoevereiniteit en van natuurlijke rechten.
Q16: Hadden de kolonisten politieke vertegenwoordiging in het parlement in Groot-Brittannië?
A16: Nee.
Q17: Wat betaalden de kolonisten wel aan Groot-Brittannië?
A17: Belastingen.
Q18: Wat frustreerde de kolonisten?
A18: Het gebrek aan politieke vertegenwoordiging in het parlement.
Q19: In welk jaar kwamen de kolonisten in opstand en vormden ze een onafhankelijke federale staat?
A19: In 1776.
Q20: Wat was de naam van de onafhankelijke federale staat die de kolonisten vormden?
A20: De Verenigde Staten van Amerika.
Q21: Wat kwam op in verlichte en religieuze kringen vanaf het einde van de 18e eeuw?
A21: Het abolitionisme.
Q22: Wat betekende het verbod op de slavenhandel in het Britse Rijk in 1807 voor Barbados en Jamaica?
A22: Economische neergang.
Q23: In welk jaar verbood Groot-Brittannië slavernij in grote delen van het rijk?
A23: In 1833.