Use the 25 quiz questions to prepare yourself and test whether you know the subject matter.
Buy the quiz questions and be prepared for your next test.
Add to cartAls hij binnenkomt .......... (bestellen) hij een biertje aan de bar.
Bestelt.
Het is de tegenwoordige tijd. De regel bij hij/zij/het is stam+t, dus bestel+t.
input text value
Ik ............ (verwachten) een makkelijke toets, maar het viel vies tegen!
Verwachtte.
Het is de verleden tijd. De regel bij ik is stam+te of stam+de. De stam heeft al een t, dus is het stam+te. Je zou ook 't Kofschip kunnen gebruiken. De laatste letter van de stam zit in 't Kofschip, dus -te.
Dus verwacht+te.
input text value
Toen ik in het pretpark liep, ben ik flink ............. (verdwalen).
Verdwaald.
Het is de voltooide tijd. Om te weten of je een -t of -d aan het einde schrijft kun je het woord langer maken (verdwaalde). Ook kan je kijken of de laatste letter van de stam (de letter l) in 't Kofschip zit. Deze letter zit niet in 't Kofschip, dus we schrijven een -d.
input text value
De kip ........... (broeden) op het ei. Hij verlaat zijn nest niet.
Broedt.
Het is de tegenwoordige tijd. De regel voor hij/zij/het is: stam+t. Dus broed+t.
input text value
Mijn vriend Pim .............. (verklaren) gisteren dat hij niet expres te laat was gekomen op mijn bruiloft.
Verklaarde
Het is de verleden tijd. De regel bij hij/zij/het is stam+te of stam+de. In dit geval stam+de, dus verklaar+de.
Als je het niet zeker weet, kun je kijken of de laatste letter van de stam (de letter r) in 't Kofschip zit. Deze letter zit niet in 't Kofschip, dus het is met -de.
input text value
De vrouw .............. (verlichten) de ruimte door een kaars aan te steken. Het was toen namelijk al pikdonker.
Verlichtte.
Het is de verleden tijd. De regel bij hij/zij/het is stam+de of stam+te. De stam eindigt al op een t, dus het is -te. Dus verlicht+te.
input text value
Hij heeft voor zijn leven ............... (vrezen).
Gevreesd.
Het is de voltooide tijd. Kijk of de laatste letter van de stam in 't Kofschip zit. Pas op, dit is de letter z, want de stam is het hele werkwoord min -en. Deze letter z zit niet in 't Kofschip, dus we schrijven een -d.
input text value
.......... (redden) jij vaker mensen uit het water?
Red.
Het is de tegenwoordige tijd. In een normale zin (geen vraagzin) is de regel stam+t (jij redt). Bij een vraagzin is het echter alleen de stam (red jij?).
Vergelijk het maar met: Jij loopt. Loop jij?
input text value
Buy the quiz questions and be prepared for your next test.
Add to cart
Do you prefer to learn the quiz questions from paper? Then download the 25 questions as PDF.
Add to cart
Earn money by making quiz questions and learn directly for your upcoming test.
Create quiz
Je krijgt zinnen te zien, afwisselend in de tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooide tijd. Het werkwoord is weggelaten, dus deze moet je zelf invullen. Als je je antwoord nakijkt, kun je ook lezen waarom je het werkwoord op die manier moet schrijven (de regels).
Als hij binnenkomt .......... (bestellen) hij een biertje aan de bar.
Bestelt.Ik ............ (verwachten) een makkelijke toets, maar het viel vies tegen!
Verwachtte.Toen ik in het pretpark liep, ben ik flink ............. (verdwalen).
Verdwaald.De kip ........... (broeden) op het ei. Hij verlaat zijn nest niet.
Broedt.Mijn vriend Pim .............. (verklaren) gisteren dat hij niet expres te laat was gekomen op mijn bruiloft.
VerklaardeDe vrouw .............. (verlichten) de ruimte door een kaars aan te steken. Het was toen namelijk al pikdonker.
Verlichtte.Hij heeft voor zijn leven ............... (vrezen).
Gevreesd........... (redden) jij vaker mensen uit het water?
Red.De sterke vrouw ................. (behoeden) haar man voor het gevaar.
Je vrienden mag je nooit .............. (verraden).
Toen de weg dood bleek te lopen, ............ (verlaten) we de auto en liepen verder het bos in.
Het komt misschien gemeen over, maar hij ................ (bedoelen) het niet zo.
Zij heeft het echt niet zo ............. (bedoelen).
Ik vertelde haar dat ik helemaal niet zo heet!
Zij .............. (verwarren) mij dus met een ander meisje, dat zij van vroeger kende.
De trein was volledig .................... (ontsporen).
Wie ............. dit pand eigenlijk?
Ik had geen idee dat er zoveel over ons ............... (klagen) werd.
Ik had niet geleerd voor de toets. De toets ging opeens niet meer door, dus het probleem ............ zich vanzelf op (oplossen).
Toen wij nog jong waren, .................... (verkleden) wij ons vaak als prinsessen en piraten.
Ik heb jou die vraag niet voor niets ............... (stellen)!
Ik heb op vakantie wel 100 keer aan je ......... (denken).
Ik ben vaak van opleiding ...................... (veranderen).
................ (houden) hij van pindakaas?
Zij ................... (beloven) eeuwige trouw.
Ik accepteer niet dat jij mij zo ................... (behandelen)!