Use the 44 quiz questions to prepare yourself and test whether you know the subject matter.
Buy the quiz questions and be prepared for your next test.
Add to cartWat is het constructivisme?
a. Leren door te doen
b. Samenwerken
c. De leraar draagt informatie over, leerlingen luisteren passief
Wat is geen principe van het nieuwe leren?
a. Leren is een gesitueerde activiteit
b. Leren is een sociale activiteit
c. Leren gebeurt o.b.v. voorkennis
Van welk model is sprake bij PGO?
a. Gedragsmodel
b. Ontwikkelingsmodel
c. Leertijdmodel
Welk type rollen van leerlingen in relatie tot elkaar is er bij PGO?
a. Competitief
b. Individueel
c. Coöperatief
Waar is voornamelijk op gefocust bij traditioneel leren?
a. Leerproces
b. Leerproduct
c. Beide
Waarom geldt de cognitieve belastingtheorie volgens Schmidt niet voor PGO?
a. Omdat dit geen voorbeeld van minimale instructiebegeleiding is
b. Omdat je je korte termijngeheugen niet gebruikt bij PGO
c. Beide
Welke leervorm is gebaseerd op casussen?
a. IBL
b. PGO
c. PjBL
d. CBL
Wat is een overeenkomst tussen IBL, PGO, PjBL en CBL?
a. Ze impliceren allemaal samenwerken
b. Ze lijken allemaal positief te werken
c. Beide
Buy the quiz questions and be prepared for your next test.
Add to cart
Do you prefer to learn the quiz questions from paper? Then download the 44 questions as PDF.
Add to cart
Earn money by making quiz questions and learn directly for your upcoming test.
Create quizDit zijn zelfgemaakte multiple choice oefenvragen van blok 2.8C Onderwijswetenschappen. Het tentamen is ook multiple choice. Van alle problemen zijn meerdere vragen opgesteld.
44 questions
Nederlands
06-30-2021
Universiteit / Erasmus Universiteit Rotterdam / Pedagogische Wetenschappen / 2.8 Onderwijswetenschappen
Wat is het constructivisme?
a. Leren door te doen
b. Samenwerken
c. De leraar draagt informatie over, leerlingen luisteren passief
Wat is geen principe van het nieuwe leren?
a. Leren is een gesitueerde activiteit
b. Leren is een sociale activiteit
c. Leren gebeurt o.b.v. voorkennis
Van welk model is sprake bij PGO?
a. Gedragsmodel
b. Ontwikkelingsmodel
c. Leertijdmodel
Welk type rollen van leerlingen in relatie tot elkaar is er bij PGO?
a. Competitief
b. Individueel
c. Coöperatief
Waar is voornamelijk op gefocust bij traditioneel leren?
a. Leerproces
b. Leerproduct
c. Beide
Waarom geldt de cognitieve belastingtheorie volgens Schmidt niet voor PGO?
a. Omdat dit geen voorbeeld van minimale instructiebegeleiding is
b. Omdat je je korte termijngeheugen niet gebruikt bij PGO
c. Beide
Welke leervorm is gebaseerd op casussen?
a. IBL
b. PGO
c. PjBL
d. CBL
Wat is een overeenkomst tussen IBL, PGO, PjBL en CBL?
a. Ze impliceren allemaal samenwerken
b. Ze lijken allemaal positief te werken
c. Beide
Bij welk van deze vormen gaat het om het groepsproces?
a. Gestructureerd teamleren
b. Informeel groepsleren
c. Beide
Welk van deze vormen is te koppelen aan een practicum waarin je in 5 weken een groepsopdracht moet afmaken?
a. Formeel coöperatief leren
b. Informele coöperatieve setting
c. Coöperatieve basisgroepssetting
Wat houdt positieve afhankelijkheid in?
a. Leerlingen werken samen en zijn daardoor van elkaar afhankelijk voor goede resultaten waardoor ze ook voor elkaar willen zorgen dat ze hun opdrachten af hebben
b. Leerlingen hebben niets met elkaars resultaten te maken en willen daardoor individueel zo hoog mogelijk scoren
Als je vanuit het cognitieve uitbreidingsperspectief kijkt, waarom is peerinteractie dan zo belangrijk?
a. De interactie met de omgeving zorgt voor verkleining van de zone van naaste ontwikkeling
b. Mensen leren via modeling
c. Peerinteractie wordt gebruikt om individuele prestaties van basis informatieverwerkingsactiviteiten te versterken, zoals codering, schema-activatie, herhaling en metacognitie
Wat houdt het transactionele perspectief in bij de invloed van coöperatief leren?
a. Er is sprake van positieve afhankelijkheid bij coöperatief leren, wat een positieve invloed heeft op de uitkomst
b. Sociale cohesie wordt beïnvloed door de groepsdoelen, de sociale cohesie heeft ook weer invloed op de motivatie en daardoor ook op de samenwerking binnen de groep
c. Interactie met de omgeving heeft een positieve invloed op leeruitkomsten
Op welke gebieden is coöperatief leren beter dan individualistisch?
a. Prestaties bij lezen, woordenschat en ontwikkeling
b. Ontwikkeling van positieve houding van leerlingen
c. Samenwerking
d. Alle drie
Wat is de invloed van gender op coöperatief leren?
a. Jongens zijn altijd dominant, dus je moet even veel jongens als meisjes bij elkaar doen
b. Jongens zijn altijd dominant, dus je moet minder jongens dan meisjes bij elkaar doen
c. Meisjes zijn dominant, dus je moet even veel jongens als meisjes bij elkaar doen
d. Meisjes zijn dominant, dus je moet minder meisjes dan jongens bij elkaar doen
Waarom moet een leraar ingrijpen als er sprake is van verschillen in statuskarakteristieken?
a. Omdat leerlingen met een lagere status zonder ingrijpen weinig hebben aan het coöperatief leren
b. Omdat leerlingen met een hogere status zonder ingrijpen weinig hebben aan het coöperatief leren
Wat kan een leraar doen om coöperatief leren te bevorderen?
a. Zorgen voor een omgeving waarin leerlingen respect hebben voor elkaar
b. Taken ontwikkelen die passen bij de competenties van de leerlingen
c. Het samenwerkings- en leerproces in de gaten houden en bijsturen waar nodig
d. Alle drie
Waarom is voorkennis zo belangrijk bij begrijpend lezen?
a. Het zorgt dat je de tekst minder goed hoeft te lezen
b. Het zorgt dat je de tekst sneller kunt lezen
c. Het zorgt voor beter begrip van de tekst
Wat heeft een lezer onder andere nodig om een tekst te kunnen begrijpen?
a. Cognitieve capaciteiten
b. Motivatie
c. Verschillende soorten kennis
d. Alle drie
Wat kan een leraar volgens Duke (2011) doen om het onderwijs in begrijpend lezen te verbeteren?
a. Meer tijd aan begrijpend lezen besteden
b. Sneller de antwoorden geven als een leerling iets niet weet
c. Meer (verschillende soorten) teksten aanbieden
Wat is belangrijker voor begrijpend lezen?
a. Eerst goed kunnen lezen
b. Eerst woorden e.d. kunnen begrijpen
c. Meningen verschillen hierover
Waar bestaat metacognitieve kennis uit?
a. Persoons-, taak- en strategiekennis
b. Planning, monitoring en evalueren
c. Objectniveau en metaniveau
Wat houdt declaratieve kennis in?
a. Weten wat
b. Weten hoe
c. Weten wanneer
Wat is de paradox m.b.t. metacognitie?
a. Metacognitie is zowel bottom-up als top-down
b. Metacognitie is zowel een lagere-ordeproces als een hogere-ordeproces
c. Metacognitie stuurt cognitie, maar je hebt ook cognitie nodig voor metacognitie
Wat is geen bron van ontwikkeling van metacognitieve kennis?
a. Geloofssysteem
b. Doelen
c. Metacognitieve ervaringen
Wanneer monitor je?
a. Aan het begin van de taak
b. Tijdens de taak
c. Aan het eind van de taak
Welke vorm van motivatie is het eten van groente omdat je ze lekker vindt?
a. Intrinsieke motivatie
b. Identificatie (externe motivatie)
c. Integratie (externe motivatie)
Is motivatie een product of een proces?
a. Product
b. Proces
c. Beide
Welke reden heeft een student om een taak uit te voeren als er sprake is van mastery avoid?
a. Het beheersen, leren en begrijpen van de taak
b. Het vermijden van het verkeerd begrijpen van de taak
c. Het vermijden van incompetent lijken
Wat houdt de control-value theory in?
a. Als je verwacht dat een activiteit tot een goede uitkomst leidt, heb je betere controle en meer positieve emoties, waardoor je betere motivatie hebt
b. Als je hogere verwachtingen van succes hebt, waardeer je de taak meer en heb je betere motivatie
c. Beide
Op welke gebieden kan een leraar verbeteren om de motivatie van de leerlingen te verbeteren?
a. Procesgeoriënteerde instructie
b. Coöperatief leren
c. Differentiatie
d. Self-efficacy van de leraar
e. Alle 4
Wanneer is iemand volgens Renzulli hoogbegaafd?
a. Als die een IQ van 130 of hoger heeft
b. Als die bovengemiddelde intellectuele vermogens, creativiteit en taakvolharding heeft
c. Als die een gave heeft, die die ontwikkelt tot talent
Wat is een overeenkomst tussen de verschillende modellen van hoogbegaafdheid?
a. Omgeving speelt een belangrijke rol
b. Intelligentie is een cruciale factor
c. Beide
Welk type hoogbegaafden proberen hun hoogbegaafdheid te verbergen?
a. De succesvolle
b. De uitdagende/creatieve
c. De underground
d. De dropouts/at-risks
e. De dubbel gelabelde/de twice/multi exceptional
f. Allemaal
Hoe functioneren kinderen met hoogbegaafdheid op het gebied van sociaal-emotionele eigenschappen volgens Hoogeveen?
a. (iets) minder goed dan normaal begaafde kinderen
b. Even goed dan normaal begaafde kinderen
c. (iets) beter dan normaal begaafde kinderen
Wat is de meest effectieve manier om hoogbegaafde kinderen te begeleiden?
a. Acceleratie
b. Groeperen
c. Verrijking
Wat is formatieve evaluatie?
a. Evaluatie voor het leerproces
b. Evaluatie tijdens het leerproces
c. Evaluatie na het leerproces
Wat past het best bij de testcultuur?
a. Integratie van toetsen en onderwijs
b. Leerlingen met elkaar vergelijken
c. Evaluatie door de leraar en de leerling
d. Zowel formatieve als summatieve evaluatie
Wat is het doel van predictief toetsen?
a. Uitspraak doen over of een leerling de gestelde doelen bereikt heeft
b. Informatie geven over sterke en zwakke punten
c. Vorderingen registreren
d. Toekomstige leer- en studiesucces voorspellen
Tot welke cultuur behoren vaardigheidstaken?
a. Assessmentcultuur
b. Testcultuur
Wat is de invloed van formatieve evaluatie op motivatie?
a. Door een eindcijfer aan iets te koppelen, raken leerlingen gemotiveerd
b. Door doelen te stellen, raken leerlingen gemotiveerd
c. Door feedback leren leerlingen wat ze kunnen verbeteren en krijgen ze meer motivatie
Waarom is veerkracht zo belangrijk voor het verbeteren van de overgang van primair naar voortgezet onderwijs?
a. Omdat meer veerkracht zorgt voor een beter aanpassingsvermogen
b. Omdat meer veerkracht zorgt voor minder discontinuïteit in peerrelaties
c. Beide
Van welk type defensief zelfvertrouwen is er meestal sprake als er antisociaal of deviant gedrag bij komt kijken?
a. Type 1
b. Type 2
c. Beide
Wat kunnen scholen doen om de overgang van primair naar secundair onderwijs te verbeteren?
a. Meer aandacht geven aan vermindering van pesten
b. Transitieprogramma’s verbeteren
c. Communicatie tussen primair en voortgezet onderwijs verbeteren
d. Zorgen dat de verwachtingen van het voortgezet onderwijs overeenkomen met wat leerlingen op primair onderwijs leren
e. Ouders voorbereiden
f. Alle bovenstaande punten