Use the 40 quiz questions to prepare yourself and test whether you know the subject matter.
Buy the quiz questions and be prepared for your next test.
Add to cartBij een infarct in het vertebrobasilaire systeem verwacht je symptomen zoals:
A) Spraakstoornissen en geheugenverlies
B) Evenwichtsstoornissen en coördinatieproblemen
C) Hemianopsie en gehoorverlies
D) Focale uitval in de arm en hand
B
Het vertebrobasilaire systeem voorziet onder andere het cerebellum en de hersenstam, waardoor verstoringen in coördinatie en evenwicht kunnen optreden bij een infarct in dit gebied. Andere symptomen passen minder bij een vertebrobasilaire afsluiting.
input text value
Wat is een typisch kenmerk van een subduraal hematoom?
A) Ontstaat vaak door ruptuur van arteriën
B) Geleidelijke toename van symptomen
C) Bevat geen bloed
D) Wordt meestal veroorzaakt door een infectie
B
Een subduraal hematoom ontstaat vaak geleidelijk, vooral bij oudere patiënten, en veroorzaakt langzamer toenemende symptomen. Andere opties zijn kenmerkend voor andere typen bloedingen.
input text value
Wat is de rol van de thalamus binnen het zenuwstelsel?
A) Beweging coördineren
B) Sensorische informatie filteren en doorgeven
C) Visuele prikkels verwerken
D) Autonome functies reguleren
B
De thalamus speelt een essentiële rol in het filteren en doorgeven van sensorische informatie naar de cortex. A), C), en D) betreffen functies die niet tot de kernrol van de thalamus behoren.
input text value
Een MRI-scan toont meerdere demyeliniserende laesies in de witte stof. Welke aandoening is waarschijnlijk?
A) ALS
B) Myasthenia gravis
C) Multiple Sclerose
D) Parkinson
C
Multiple Sclerose veroorzaakt vaak demyeliniserende laesies in de witte stof. Andere aandoeningen vertonen geen vergelijkbaar beeld op MRI.
input text value
Welke klinische test wordt gebruikt om meningeale prikkeling te testen?
A) Proef van Barré
B) Proef van Lasègue
C) Test van Brudzinski
D) Test van Romberg
C
Test van Brudzinski: De test van Brudzinski is bedoeld om meningeale prikkeling vast te stellen.
Proef van Barré: Test motorische zwakte, niet meningeale prikkeling.
Proef van Lasègue: Deze test is gericht op ischias.
Test van Brudzinski: De test van Brudzinski is bedoeld om meningeale prikkeling vast te stellen.
Test van Romberg: Test balans en evenwicht, geen meningeale prikkeling.
input text value
Wat is het belangrijkste verschil tussen een perifere en een centrale facialisparese?
A) Bij centrale parese blijft het voorhoofd onaangedaan
B) Bij perifere parese blijft het voorhoofd onaangedaan
C) Centrale parese betreft beide zijden van het gezicht
D) Perifere parese betreft beide zijden van het gezicht
A
Bij centrale parese blijft het voorhoofd onaangedaan: Bij een centrale laesie is het voorhoofd onaangedaan vanwege bilaterale innervatie. Bij perifere parese blijft het voorhoofd onaangedaan: Onjuist; bij perifere parese is het hele gezicht aangedaan.
Centrale parese betreft beide zijden van het gezicht is onjuist; centrale laesies zijn meestal eenzijdig.
Ook perifere parese betreft meestal één zijde.
input text value
Wat is een typisch symptoom van het locked-in syndroom?
A) Volledig verlies van spraak en beweging
B) Aantasting van alleen de linker lichaamshelft
C) Verlies van het gezichtsvermogen
D) Alleen motorische stoornissen zonder sensorische effecten
D
Patiënten kunnen voelen en horen, maar kunnen niet bewegen of spreken. Locked-in-syndroom omvat verlies van vrijwillige beweging maar geen volledig verlies van spraak, alleen een onvermogen om deze te uiten.
Het locked-in-syndroom beïnvloedt beide zijden.
Verlies van het gezichtsvermogen is niet specifiek voor het locked-in-syndroom.
input text value
Een patiënt presenteert zich met een plotselinge bilaterale hemianopsie. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van deze presentatie?
A) Een lacunair infarct in de visuele cortex
B) Een hypofysetumor die het chiasma opticum beknelt
C) Bilaterale neuritis optica, passend bij multiple sclerose (MS)
D) Een ischemie in het stroomgebied van het corpus geniculatum laterale
B
Bij bilaterale hemianopsie, waarbij beide temporale gezichtsvelden zijn aangedaan, is een laesie in het gebied van het chiasma opticum de meest waarschijnlijke oorzaak. Een hypofysetumor kan door druk op het chiasma, waar de vezels van de nasale retina van beide ogen kruisen, tot bitemporale hemianopsie leiden.
input text value
Buy the quiz questions and be prepared for your next test.
Add to cart
Do you prefer to learn the quiz questions from paper? Then download the 40 questions as PDF.
Add to cart
Earn money by making quiz questions and learn directly for your upcoming test.
Create quiz
Deze oefentoets bevat een reeks complexe vragen over de onderwerpen neurologie en farmacotherapie. Het doel van deze toets is om niet alleen je feitelijke kennis te testen, maar ook je begrip van klinische principes en farmacologische processen, en je vermogen om kritisch na te denken over patiëntenzorg. Sommige vragen bevatten casussen, waarbij je wordt gevraagd om een situatie vanuit het perspectief van een Physician Assistant te benaderen. Andere vragen richten zich op specifieke farmacologische principes, zoals farmacokinetiek en farmacodynamiek, en neurologische basiskennis.
40 questions
3x sold
Nederlands
11-03-2024
Bij een infarct in het vertebrobasilaire systeem verwacht je symptomen zoals:
A) Spraakstoornissen en geheugenverlies
B) Evenwichtsstoornissen en coördinatieproblemen
C) Hemianopsie en gehoorverlies
D) Focale uitval in de arm en hand
Wat is een typisch kenmerk van een subduraal hematoom?
A) Ontstaat vaak door ruptuur van arteriën
B) Geleidelijke toename van symptomen
C) Bevat geen bloed
D) Wordt meestal veroorzaakt door een infectie
Wat is de rol van de thalamus binnen het zenuwstelsel?
A) Beweging coördineren
B) Sensorische informatie filteren en doorgeven
C) Visuele prikkels verwerken
D) Autonome functies reguleren
Een MRI-scan toont meerdere demyeliniserende laesies in de witte stof. Welke aandoening is waarschijnlijk?
A) ALS
B) Myasthenia gravis
C) Multiple Sclerose
D) Parkinson
Welke klinische test wordt gebruikt om meningeale prikkeling te testen?
A) Proef van Barré
B) Proef van Lasègue
C) Test van Brudzinski
D) Test van Romberg
Wat is het belangrijkste verschil tussen een perifere en een centrale facialisparese?
A) Bij centrale parese blijft het voorhoofd onaangedaan
B) Bij perifere parese blijft het voorhoofd onaangedaan
C) Centrale parese betreft beide zijden van het gezicht
D) Perifere parese betreft beide zijden van het gezicht
Wat is een typisch symptoom van het locked-in syndroom?
A) Volledig verlies van spraak en beweging
B) Aantasting van alleen de linker lichaamshelft
C) Verlies van het gezichtsvermogen
D) Alleen motorische stoornissen zonder sensorische effecten
Een patiënt presenteert zich met een plotselinge bilaterale hemianopsie. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van deze presentatie?
A) Een lacunair infarct in de visuele cortex
B) Een hypofysetumor die het chiasma opticum beknelt
C) Bilaterale neuritis optica, passend bij multiple sclerose (MS)
D) Een ischemie in het stroomgebied van het corpus geniculatum laterale
Een patiënt wordt met spoed binnengebracht op de SEH met een lucide interval gevolgd door plotselinge bewustzijnsvermindering en misselijkheid. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?
A) Acuut subduraal hematoom
B) Epiduraal hematoom
C) Chronisch subduraal hematoom
D) Intracerebrale bloeding
Een patiënt presenteert zich op de SEH met een plotselinge, hevige hoofdpijn die hij beschrijft als “de ergste hoofdpijn van zijn leven.” Hij klaagt ook over misselijkheid en nekstijfheid. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?
A) Subduraal hematoom
B) Clusterhoofdpijn
C) Subarachnoïdale bloeding (SAB)
D) TIA (Transient Ischemic Attack)
Een 65-jarige vrouw komt bij u op het spreekuur met sinds het wakker worden ontstane hoofdpijn rondom haar slaap aan de rechterkant. Ze geeft aan dat het kammen van haar haren gevoelig is, en ze ervaart pijn bij het kauwen. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?
A) Clusterhoofdpijn
B) Spanningshoofdpijn
C) Arteriitis temporalis
D) Migraine met aura
Een patiënt presenteert zich met zwakte in de benen en gevoelsstoornissen. Welke hypothesetoetsende vraag helpt het meest bij het snel differentiëren tussen Guillain-Barré-syndroom (GBS) en chronische polyneuropathie?
A) "Wanneer begonnen de klachten, en zijn ze progressief?"
B) "Heeft u ook last van pijn en gevoelsstoornissen in de armen?"
C) "Heeft u weleens last van dubbelzien of moeite met kauwen?"
D) "Heeft u veranderingen in uw blaas- of of mictieklachten?
Welke fysiologische verandering speelt een cruciale rol bij het ontstaan van de hoofdpijnfase van migraine?
A) Hyperactiviteit van de visuele cortex
B) Afname van de doorbloeding door corticale spreidingsdepressie
C) Stimulatie van de hypothalamus met verstoring van het circadiane ritme
D) Toename van de hersenvochtproductie in de ventriculaire ruimtes
Een PA test de peesreflexen van een patiënt met krachtverlies in de benen. Wat kan het doel zijn van het testen van de reflexen in deze situatie?
A) Het vaststellen van perifere zenuwbeschadiging door hyperreflexie
B) Het differentiëren tussen centrale en perifere oorzaken van het krachtverlies
C) Het meten van de ernst van spierzwakte door het beoordelen van hyporeflexie
D) Het beoordelen van de coördinatie en fijne motoriek in de benen
Bij een patiënt met klachten van coördinatieverlies in de handen en benen, welke test wordt vaak uitgevoerd om cerebellaire coördinatieproblemen vast te stellen, en wat kan een afwijkende uitslag betekenen?
A) Babinski-reflex; wijst op een centrale zenuwstelsel aandoening
B) Romberg-test; toont een evenwichtsprobleem bij cerebellaire schade
C) Proef van Finger-to-nose; duidt op cerebellaire ataxie
D) Hiel-knieproef; wijst op motorische zwakte in de onderste ledematen
Wat is de juiste volgorde van de hersenvliezen en de tussenliggende ruimtes van buiten naar binnen?
A) Epidurale ruimte - dura mater - arachnoidea - subdurale ruimte - pia mater
B) Epidurale ruimte - dura mater - subdurale ruimte - arachnoidea - subarachnoïdale ruimte - pia mater
C) Dura mater - epidurale ruimte - arachnoidea - subdurale ruimte - subarachnoïdale ruimte - pia mater
D) Dura mater - subdurale ruimte - arachnoidea - subarachnoïdale ruimte - epidurale ruimte - pia mater
Een 68-jarige man wordt door zijn familie naar de spoedeisende hulp gebracht nadat hij plotseling moeite kreeg met praten en zijn rechterarm en -been niet meer goed kon bewegen. De familie meldt dat hij anderhalf uur geleden plotseling deze klachten kreeg tijdens het avondeten. Bij het neurologisch onderzoek constateert de arts dat de patiënt afasie heeft (moeite met spreken en taalbegrip) en krachtverlies aan de rechterkant van zijn lichaam. De bloeddruk is verhoogd en de patiënt heeft een voorgeschiedenis van hypertensie en diabetes.
Vraag: Wat is de meest waarschijnlijke locatie van het CVA op basis van de symptomen van deze patiënt?
A) Linker A. cerebri anterior
B) Rechter A. cerebri media
C) Linker A. cerebri media
D) Rechter A. cerebri posterior
Een 28-jarige vrouw, die recent gestart is met orale anticonceptie, wordt met spoed naar de spoedeisende hulp gebracht vanwege plotselinge pijn op de borst, draaierigheid en zwakte in haar rechterarm en -been. Ze beschrijft de pijn als scherp en constant, en geeft aan dat ze kortademig is. Bij neurologisch onderzoek wordt krachtverlies aan de rechterkant van het lichaam geconstateerd en haar spraak is licht onsamenhangend. Haar medische voorgeschiedenis is verder blanco. Een tromboseprofiel wordt aangevraagd.
Vraag: Wat is de meest waarschijnlijke diagnose, en welke factor in haar medische voorgeschiedenis verhoogt het risico op deze aandoening?
A) Sinustrombose; recente vliegreis
B) Longembolie met paradoxale embolie naar de hersenen; anticonceptiegebruik
C) Subduraal hematoom; verhoogde bloeddruk door stress
D) Hypertensieve crisis; onbekende nierziekte
Een 45-jarige administratief medewerker komt op het spreekuur met klachten van tintelingen en doofheid in de duim, wijsvinger en middelvinger van haar rechterhand, vooral ’s nachts. Ze meldt ook dat ze krachtverlies ervaart bij het vasthouden van voorwerpen en soms moeite heeft om een pen vast te houden. Bij lichamelijk onderzoek wordt het Teken van Tinel positief bevonden. De patiënt vraagt zich af wat de oorzaak van haar klachten kan zijn.
Vraag: Wat is een kenmerkend verschil tussen carpaletunnelsyndroom en andere vormen van mononeuropathie, zoals cubitaal tunnelsyndroom?
A) Tintelingen in de duim en eerste drie vingers bij CTS; cubitaal tunnelsyndroom veroorzaakt tintelingen in de pink en ringvinger
B) CTS veroorzaakt pijn in de elleboog; andere mononeuropathieën veroorzaken alleen handklachten
C) Bij CTS is er verlies van de grijpkracht in de gehele hand; andere mononeuropathieën veroorzaken geen motorische uitval
D) CTS presenteert zich altijd met bilaterale symptomen; andere mononeuropathieën zijn unilateraal
Lees de volgende stellingen en bepaal of ze waar of niet waar zijn.
Stelling I: Multiple sclerose (MS) kan zich presenteren met zowel motorische als sensorische symptomen, inclusief visusverlies en gevoelsstoornissen.
Stelling II: Chorea komt vaak voor bij de ziekte van Parkinson en is een van de kenmerkende symptomen.
A) Stelling I: Waar, Stelling II: Waar
B) Stelling I: Waar, Stelling II: Niet waar
C) Stelling I: Niet waar, Stelling II: Waar
D) Stelling I: Niet waar, Stelling II: Niet waar
Een 72-jarige vrouw komt bij de huisarts met klachten van maagpijn en zuurbranden. Ze gebruikt dagelijks een niet-selectief NSAID (ibuprofen) voor haar chronische gewrichtspijn. Ze heeft geen maagklachten in het verleden gehad, maar haar bloeddruk is verhoogd, en ze gebruikt dagelijks acetylsalicylzuur vanwege een eerder doorgemaakt hartinfarct. Haar huisarts wil het risico op maagcomplicaties door haar medicatie minimaliseren.
Vraag: Welke van de volgende behandelingen is het meest geschikt voor deze patiënt om maagbescherming te bieden?
A) Voorschrijven van een antacidum (zoals magnesiumhydroxide) voor na de maaltijd
B) Stoppen met het gebruik van NSAIDs en alleen acetylsalicylzuur continueren
C) Toevoegen van een protonpompremmer (PPI) zoals omeprazol bij haar huidige medicatie
D) Vervangen van ibuprofen door een selectieve COX-2 remmer zonder verdere maagbescherming
Een 80-jarige man met een voorgeschiedenis van hypertensie en reumatoïde artritis gebruikt verschillende medicijnen, waaronder een niet-selectief NSAID (ibuprofen) en een ACE-remmer (enalapril) voor bloeddrukregulatie. Hij meldt klachten van verminderde eetlust, misselijkheid en een afgenomen urineproductie. In het laboratoriumonderzoek worden verhoogde serumcreatininewaarden gevonden, wat wijst op een verminderde nierfunctie.
Vraag: Welke factor in zijn medicatiegebruik draagt het meest bij aan zijn huidige nierproblemen?
A) Het gebruik van ibuprofen zonder maagbescherming
B) De interactie tussen ibuprofen en enalapril
C) Het gebruik van een hoge dosering ACE-remmer
D) Het combineren van een NSAID met een lage vochtinname
Een 75-jarige patiënt met een verminderde nierfunctie wordt behandeld met een geneesmiddel met een lange halfwaardetijd en een smal therapeutisch raam. De arts besluit de dosering te verlagen omdat de patiënt last heeft van bijwerkingen zoals duizeligheid en vermoeidheid. De arts legt uit dat het effect van de aanpassing pas na enkele dagen meetbaar zal zijn vanwege de farmacokinetiek van het medicijn.
Vraag: Wanneer moet de arts op zijn vroegst de bloedspiegels controleren om te bepalen of de nieuwe dosering effectief en veilig is?
A) Na 1x de halfwaardetijd van het medicijn
B) Na 2x de halfwaardetijd van het medicijn
C) Na 3x de halfwaardetijd van het medicijn
D) Na 5x de halfwaardetijd van het medicijn
Een 45-jarige vrouw met een voorgeschiedenis van astma komt naar de huisarts voor advies over haar frequente migraineaanvallen. Paracetamol en NSAIDs blijken niet voldoende effectief. Ze gebruikt domperidon om misselijkheid tijdens aanvallen te verminderen, maar de pijn blijft ondanks deze maatregelen. Gezien haar astma is de keuze voor medicatie beperkt.
Vraag: Welke behandeloptie is het meest geschikt om haar migraineaanvallen te behandelen zonder het risico op astma-exacerbaties?
A) Een bètablokker zoals propranolol
B) Een calciumantagonist zoals verapamil
C) Een triptan zoals sumatriptan
D) Amitriptyline als preventieve behandeling
Een 52-jarige vrouw meldt zich met terugkerende migraineaanvallen waarvoor ze pijnstilling wil proberen. Paracetamol biedt onvoldoende verlichting, dus ze vraagt naar een sterker middel. Ze heeft een voorgeschiedenis van hypertensie, reumatoïde artritis, en een eerdere maagzweer waarvoor ze enige tijd maagbescherming heeft gebruikt. Ze slikt dagelijks lage dosering acetylsalicylzuur vanwege cardiovasculaire risicopreventie en gebruikt daarnaast omeprazol alleen wanneer ze last heeft van maagklachten. Haar bloeddruk is stabiel onder controle met een ACE-remmer.
Vraag: Wat is de meest geschikte aanpak als je overweegt om deze patiënt een NSAID voor migraine te starten, en waar moet je rekening mee houden gezien haar medische voorgeschiedenis?
A) Schrijf een NSAID voor samen met een protonpompremmer om het risico op maagzweren te beperken, en adviseer de NSAID zo kort mogelijk te gebruiken.
B) Vermijd het gebruik van NSAIDs vanwege haar voorgeschiedenis van maagzweren en dagelijkse inname van acetylsalicylzuur; overweeg in plaats daarvan triptanen als eerste keus.
C) Start met een COX-2-selectief NSAID zonder maagbescherming, omdat dit type NSAID een lager risico heeft op maagproblemen.
D) Verhoog de dosering van omeprazol naar dagelijkse inname en start een niet-selectief NSAID bij de eerste tekenen van migraine.
Een 35-jarige vrouw met een voorgeschiedenis van depressie gebruikt dagelijks een SSRI (citalopram) om haar stemming te stabiliseren. Ze komt nu met klachten over terugkerende migraineaanvallen en vraagt om een medicijn dat haar snel van haar hoofdpijn kan afhelpen. De arts overweegt een triptaan (sumatriptan) voor haar voor te schrijven voor de acute migraineaanvallen. Ze gebruikt daarnaast af en toe tramadol voor chronische rugpijn.
Vraag: Wat is het belangrijkste aandachtspunt bij het voorschrijven van een triptaan voor deze patiënt, gezien haar medicatiegebruik en voorgeschiedenis?
A) Triptanen kunnen hypotensie veroorzaken, wat een risico vormt gezien haar huidige SSRI-gebruik.
B) De combinatie van een triptaan met een SSRI en tramadol verhoogt het risico op serotoninesyndroom.
C) Triptanen zijn contra-geïndiceerd bij patiënten met een voorgeschiedenis van depressie.
D) Sumatriptan heeft een langere halfwaardetijd dan andere triptanen, wat een extra risico op bijwerkingen met zich meebrengt.
Een 55-jarige man komt naar de Physician Assistant (PA) met klachten van maagpijn, vooral op een lege maag, en hij merkt ook regelmatig brandend maagzuur op. Hij heeft een voorgeschiedenis van gastro-intestinale klachten en gebruikt al langere tijd een protonpompremmer (omeprazol) voor maagbescherming. De PA vermoedt een infectie met Helicobacter pylori (H. pylori) als mogelijke oorzaak van de klachten en wil diagnostische tests laten uitvoeren.
Vraag: Welke diagnostische test is het meest geschikt om een H. pylori-infectie aan te tonen, en wat is het belangrijkste advies over medicatiestop voorafgaand aan de test?
A) Ureum-ademtest; stop met de protonpompremmer minstens 2 weken voor de test
B) Feces-antigeentest; stop met antibiotica 1 week voor de test
C) Gastroscopie met biopt; stop met maagbeschermers 1 dag voor de test
D) Bloedtest op antistoffen tegen H. pylori; stop alle maagbeschermers en antibiotica 3 dagen voor de test
Een 63-jarige vrouw met chronische artritispijn gebruikt sinds een maand oxycodon. Ze meldt nu een harde, pijnlijke buik en problemen met ontlasting, ondanks een vezelrijk dieet en veel waterinname. Ze geeft aan dat haar laatste ontlasting meer dan een week geleden was. De PA vermoedt dat de oxycodon bij haar obstipatie veroorzaakt en wil verdere complicaties zoals fecale impactie en een paralytische ileus voorkomen.
Vraag: Wat is de meest geschikte behandeling om de obstipatie te verhelpen en welke stap moet de PA als eerste overwegen?
A) Psylliumvezels toevoegen voor meer vezelinname om de ontlasting zachter te maken
B) Starten met een osmotisch laxans zoals macrogol en eventueel een stimulantia-laxans zoals bisacodyl toevoegen
C) Stoppen met oxycodon en overstappen naar een niet-opioïde pijnstiller
D) Een dieet met extra vocht en lichaamsbeweging aanraden, zonder medicatie aanpassingen
Een 47-jarige vrouw meldt zich bij de Physician Assistant (PA) met aanhoudende hoofdpijnklachten. Ze heeft al jaren migraine en gebruikt dagelijks ibuprofen of paracetamol om de hoofdpijn onder controle te houden, omdat de pijn anders vaak niet weggaat. De afgelopen maanden heeft ze steeds vaker hoofdpijn, die vooral 's ochtends begint en de hele dag blijft aanhouden. Ze voelt zich hierdoor moe en prikkelbaar. Ze vraagt de PA om een sterker medicijn om de hoofdpijn beter onder controle te krijgen.
Vraag: Wat is de meest geschikte aanpak voor deze patiënt om haar hoofdpijnklachten te verbeteren en medicatie-overgebruikshoofdpijn te verhelpen?
A) Start een preventieve behandeling met een triptaan om de hoofdpijnfrequentie te verminderen
B) Schrijf een combinatie van paracetamol en codeïne voor om haar hoofdpijn beter te behandelen
C) Adviseer haar om te stoppen met het dagelijkse gebruik van pijnstillers en overweeg een preventieve behandeling
D) Verhoog de dosis ibuprofen en voeg een maagbeschermer toe om de hoofdpijn onder controle te houden
Een 58-jarige man met een voorgeschiedenis van levercirrose door alcoholmisbruik, waarmee hij zeven jaar geleden is gestopt, bezoekt de Physician Assistant (PA) met klachten over recidiverende spanningshoofdpijn aan het einde van de werkdag. Hij is in de afgelopen maanden 34 kilo afgevallen en heeft een eGFR van 55, wat duidt op een verminderde nierfunctie. De patiënt heeft ook hypertensie, die onder controle is met medicatie. Hij vraagt om een pijnstiller voor zijn hoofdpijn. Hij heeft geen last van misselijkheid en kan de hoofdpijn vaak ’s avonds thuis uitrusten. De PA overweegt paracetamol, maar houdt rekening met de leverfunctie van de patiënt en de mogelijke vorming van de toxische metaboliet NAPQI.
Vraag: Wat is de beste benadering voor pijnstilling bij deze patiënt, gezien zijn levercirrose, en waar moet de PA op letten met betrekking tot paracetamolgebruik?
A) Vermijd paracetamol volledig vanwege het risico op levertoxiciteit door NAPQI, en adviseer een NSAID als alternatief.
B) Paracetamol kan veilig worden gebruikt in de standaarddosering van maximaal 4 gram per dag.
C) Paracetamol kan veilig worden gebruikt, mits de dosering wordt beperkt tot maximaal 2 gram per dag, om het risico op NAPQI-accumulatie te minimaliseren.
D) Schrijf een opioïd voor zoals tramadol, gezien de verhoogde leverrisico's bij paracetamol.
Welk farmacokinetisch principe verklaart waarom de dosering van medicijnen met een smal therapeutisch raam voorzichtig moet worden aangepast?
A) Langere halfwaardetijd
B) Kleine therapeutische index
C) Hoge biologische beschikbaarheid
D) Korte eliminatiehalfwaardetijd
Welke van de volgende interacties is een voorbeeld van een farmacodynamische interactie?
A) Gelijktijdig gebruik van een ACE-remmer en kaliumsparend diureticum
B) Remming van CYP3A4 door grapefruit
C) Verhoogde absorptie door verandering in maag-pH
D) Vertraagd metabolisme door genetische variatie in CYP2D6
Welke van de volgende situaties is een contra-indicatie voor langdurig gebruik van protonpompremmers (PPI’s)?
A) Een patiënt met osteoporose zonder verhoogde maagzuursecretieklachten
B) Een patiënt die anticoagulantia zoals een P2Y12-remmer gebruikt
C) Een patiënt met H. pylori-infectie na voltooiing van triple-therapie
D) Een patiënt met gastro-intestinale klachten door NSAID-gebruik
In welke van de volgende situaties is het gebruik van candesartan als onderhoudsbehandeling voor migraine gecontra-indiceerd?
A) Bij een patiënt met een voorgeschiedenis van ernstig leverfalen
B) Bij een patiënt met een verhoogde bloeddruk, maar zonder tekenen van hartfalen
C) Bij een jongvolwassene die regelmatig aan intensieve sportactiviteiten deelneemt
D) Bij een patiënt die lichte nierfunctiestoornissen heeft (eGFR tussen 45-60 ml/min)
Een patiënt krijgt een nieuwe medicatie voorgeschreven die een lange halfwaardetijd heeft en een smal therapeutisch raam. Vanwege de farmacokinetiek en farmacodynamiek van dit middel moet de arts voorzichtig zijn met doseren. Wat is de belangrijkste reden voor deze voorzichtigheid?
A) Door de lange halfwaardetijd kan het middel zich ophopen in het lichaam, en het smalle therapeutisch raam verhoogt de kans op toxiciteit.
B) Een smal therapeutisch raam vereist frequente toediening om het gewenste effect te behouden, waardoor de lange halfwaardetijd problematisch is.
C) Het smalle therapeutisch raam maakt het middel minder effectief, terwijl de lange halfwaardetijd de werking kan vertragen.
D) De lange halfwaardetijd vermindert de biologische beschikbaarheid van het middel, wat kan leiden tot subtherapeutische niveaus.
Een patiënt begint met een nieuw geneesmiddel dat een sterk first-pass effect heeft. Wat betekent dit voor de farmacokinetische eigenschappen van het middel, en welke aanpassing is meestal nodig om een therapeutische spiegel te bereiken?
A) Het geneesmiddel wordt voor een groot deel door de lever afgebroken voordat het in de systemische circulatie komt; daarom moet de dosering vaak hoger zijn bij orale inname.
B) Het geneesmiddel bereikt snel de systemische circulatie zonder metabolisatie; het heeft hierdoor een kortere halfwaardetijd en vereist een lagere dosering.
C) Het geneesmiddel heeft een hoge biologische beschikbaarheid bij orale inname door het sterke first-pass effect; daarom is de standaarddosis meestal lager.
D) Het geneesmiddel wordt deels afgebroken in de maag en darmen; daarom is de biologische beschikbaarheid hoger bij rectale toediening.
Waarom veroorzaakt het gebruik van opioïden vaak obstipatie, en welke rol spelen specifieke receptoren hierbij?
A) Opioïden binden aan de kappa-receptoren in de darmen, wat de darmmotiliteit vertraagt.
B) Opioïden binden aan de mu-receptoren in het centrale zenuwstelsel, wat indirect zorgt voor een verminderde darmbeweging.
C) Opioïden binden aan de mu-receptoren in het maag-darmkanaal, wat leidt tot verminderde peristaltiek en verhoogde vloeistofabsorptie.
D) Opioïden blokkeren dopamine-receptoren, wat de darmtransit vertraagt en leidt tot obstipatie.
Welke medicatie heeft de voorkeur bij de behandeling van neuropathische pijn en welke farmacologische eigenschappen maken deze geschikt, rekening houdend met mogelijke bijwerkingen?
A) NSAID's zoals ibuprofen, vanwege hun pijnstillende en ontstekingsremmende werking.
B) Tricyclische antidepressiva zoals amitriptyline, die werken op serotonine- en noradrenaline-receptoren om pijnsignalen te moduleren.
C) Tramadol, omdat het zowel een opioïde agonist als een remmer van serotonine- en noradrenalineheropname is.
D) Paracetamol, vanwege de lage bijwerkingenprofiel en brede toepasbaarheid bij verschillende soorten pijn.
Bepaal of de volgende stellingen waar of niet waar zijn over COX-1, COX-2, en NSAID’s.
Stelling I: Selectieve COX-2-remmers zoals celecoxib hebben een verhoogd risico op maagklachten omdat ze zowel COX-1 als COX-2 remmen.
Stelling II: COX-1-remming door NSAID’s vermindert het risico op bloedingen omdat COX-1 prostaglandinesynthese in het maagslijmvlies onderdrukt.
A) Stelling I: Waar, Stelling II: Waar
B) Stelling I: Waar, Stelling II: Niet waar
C) Stelling I: Niet waar, Stelling II: Waar
D) Stelling I: Niet waar, Stelling II: Niet waar
Wat is het basisprincipe van het stepped care-model in de gezondheidszorg, en hoe wordt dit in de praktijk toegepast bij de behandeling van chronische pijn?
A) Alle patiënten krijgen direct de meest intensieve behandeling om klachten zo snel mogelijk te verminderen.
B) Behandeling begint met de minst intensieve en minst invasieve therapieën; intensievere behandelingen worden pas overwogen als eerdere stappen onvoldoende effect hebben.
C) De patiënt kiest zelf de intensiteit van de behandeling, afhankelijk van zijn of haar voorkeur, zonder eerst laagdrempelige behandelingen te proberen.
D) Behandeling wordt alleen opgehoogd wanneer de patiënt na minimaal 6 maanden geen verbetering ervaart.