Use the 64 quiz questions to prepare yourself and test whether you know the subject matter.
Buy the quiz questions and be prepared for your next test.
Add to cartScheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.
Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.
Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.
In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.
Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.
Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.
Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.
Buy the quiz questions and be prepared for your next test.
Add to cart
Do you prefer to learn the quiz questions from paper? Then download the 64 questions as PDF.
Add to cart
Earn money by making quiz questions and learn directly for your upcoming test.
Create quiz
Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren.
64 questions
Nederlands
03-28-2025
HBO / Fontys Hogescholen / Social Work / ontwikkelingspsychologie
Ontwikkelingspsychologie - Robert S. Feldman
Kernbegrippen Ontwikkelingspsychologie – Tentamen Social Work (Fontys, jaar 1)
Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.
OnwaarBij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.
WaarAssimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.
OnwaarIn de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.
OnwaarVeilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.
WaarNormatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.
OnwaarDe preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.
WaarVloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.
OnwaarTijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.
Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.
Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.
Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.
De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.
De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.
Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.
Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.
Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.
Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.
Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.
Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.
Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.
Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.
Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.
Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.
Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.
Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.
De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.
Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.
Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.
Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.
In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.
Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.
Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.
Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.
Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.
Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.
Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.
Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.
Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.
Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.
Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.
Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.
Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.
Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.
Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.
Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.
Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.
De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.
Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.
%1 Oefenvragen over Ontwikkelingspsychologie %2%3 Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren. %4Q1: Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.A1: OnwaarQ2: Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.A2: WaarQ3: Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.A3: OnwaarQ4: In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.A4: OnwaarQ5: Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.A5: WaarQ6: Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.A6: OnwaarQ7: De preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.A7: WaarQ8: Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.A8: OnwaarQ9: Tijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.A9: WaarQ10: Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.A10: OnwaarQ11: Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.A11: WaarQ12: Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.A12: WaarQ13: De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.A13: OnwaarQ14: De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.A14: WaarQ15: Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.A15: OnwaarQ16: Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.A16: WaarQ17: Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.A17: OnwaarQ18: Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.A18: WaarQ19: Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.A19: OnwaarQ20: Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.A20: WaarQ21: Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.A21: OnwaarQ22: Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.A22: OnwaarQ23: Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.A23: WaarQ24: Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.A24: WaarQ25: Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.A25: WaarQ26: Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.A26: WaarQ27: De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.A27: WaarQ28: Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.A28: WaarQ29: Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.A29: OnwaarQ30: Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.A30: WaarQ31: In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.A31: WaarQ32: Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.A32: WaarQ33: Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.A33: OnwaarQ34: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.A34: OnwaarQ35: Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.A35: OnwaarQ36: Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.A36: WaarQ37: Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.A37: OnwaarQ38: Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.A38: WaarQ39: Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.A39: OnwaarQ40: Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.A40: WaarQ41: Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.A41: OnwaarQ42: Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.A42: OnwaarQ43: Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.A43: WaarQ44: Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.A44: OnwaarQ45: Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.A45: WaarQ46: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.A46: WaarQ47: Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.A47: WaarQ48: De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.A48: OnwaarQ49: Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.A49: Waar
%1 Oefenvragen over Ontwikkelingspsychologie %2%3 Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren. %4Q1: Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.A1: OnwaarQ2: Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.A2: WaarQ3: Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.A3: OnwaarQ4: In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.A4: OnwaarQ5: Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.A5: WaarQ6: Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.A6: OnwaarQ7: De preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.A7: WaarQ8: Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.A8: OnwaarQ9: Tijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.A9: WaarQ10: Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.A10: OnwaarQ11: Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.A11: WaarQ12: Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.A12: WaarQ13: De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.A13: OnwaarQ14: De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.A14: WaarQ15: Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.A15: OnwaarQ16: Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.A16: WaarQ17: Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.A17: OnwaarQ18: Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.A18: WaarQ19: Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.A19: OnwaarQ20: Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.A20: WaarQ21: Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.A21: OnwaarQ22: Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.A22: OnwaarQ23: Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.A23: WaarQ24: Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.A24: WaarQ25: Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.A25: WaarQ26: Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.A26: WaarQ27: De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.A27: WaarQ28: Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.A28: WaarQ29: Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.A29: OnwaarQ30: Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.A30: WaarQ31: In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.A31: WaarQ32: Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.A32: WaarQ33: Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.A33: OnwaarQ34: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.A34: OnwaarQ35: Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.A35: OnwaarQ36: Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.A36: WaarQ37: Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.A37: OnwaarQ38: Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.A38: WaarQ39: Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.A39: OnwaarQ40: Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.A40: WaarQ41: Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.A41: OnwaarQ42: Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.A42: OnwaarQ43: Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.A43: WaarQ44: Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.A44: OnwaarQ45: Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.A45: WaarQ46: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.A46: WaarQ47: Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.A47: WaarQ48: De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.A48: OnwaarQ49: Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.A49: Waar
%1 Oefenvragen over Ontwikkelingspsychologie %2%3 Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren. %4Q1: Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.A1: OnwaarQ2: Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.A2: WaarQ3: Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.A3: OnwaarQ4: In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.A4: OnwaarQ5: Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.A5: WaarQ6: Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.A6: OnwaarQ7: De preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.A7: WaarQ8: Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.A8: OnwaarQ9: Tijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.A9: WaarQ10: Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.A10: OnwaarQ11: Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.A11: WaarQ12: Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.A12: WaarQ13: De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.A13: OnwaarQ14: De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.A14: WaarQ15: Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.A15: OnwaarQ16: Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.A16: WaarQ17: Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.A17: OnwaarQ18: Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.A18: WaarQ19: Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.A19: OnwaarQ20: Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.A20: WaarQ21: Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.A21: OnwaarQ22: Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.A22: OnwaarQ23: Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.A23: WaarQ24: Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.A24: WaarQ25: Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.A25: WaarQ26: Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.A26: WaarQ27: De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.A27: WaarQ28: Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.A28: WaarQ29: Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.A29: OnwaarQ30: Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.A30: WaarQ31: In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.A31: WaarQ32: Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.A32: WaarQ33: Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.A33: OnwaarQ34: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.A34: OnwaarQ35: Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.A35: OnwaarQ36: Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.A36: WaarQ37: Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.A37: OnwaarQ38: Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.A38: WaarQ39: Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.A39: OnwaarQ40: Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.A40: WaarQ41: Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.A41: OnwaarQ42: Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.A42: OnwaarQ43: Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.A43: WaarQ44: Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.A44: OnwaarQ45: Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.A45: WaarQ46: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.A46: WaarQ47: Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.A47: WaarQ48: De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.A48: OnwaarQ49: Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.A49: Waar
%1 Oefenvragen over Ontwikkelingspsychologie %2%3 Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren. %4Q1: Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.A1: OnwaarQ2: Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.A2: WaarQ3: Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.A3: OnwaarQ4: In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.A4: OnwaarQ5: Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.A5: WaarQ6: Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.A6: OnwaarQ7: De preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.A7: WaarQ8: Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.A8: OnwaarQ9: Tijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.A9: WaarQ10: Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.A10: OnwaarQ11: Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.A11: WaarQ12: Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.A12: WaarQ13: De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.A13: OnwaarQ14: De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.A14: WaarQ15: Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.A15: OnwaarQ16: Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.A16: WaarQ17: Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.A17: OnwaarQ18: Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.A18: WaarQ19: Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.A19: OnwaarQ20: Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.A20: WaarQ21: Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.A21: OnwaarQ22: Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.A22: OnwaarQ23: Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.A23: WaarQ24: Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.A24: WaarQ25: Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.A25: WaarQ26: Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.A26: WaarQ27: De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.A27: WaarQ28: Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.A28: WaarQ29: Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.A29: OnwaarQ30: Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.A30: WaarQ31: In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.A31: WaarQ32: Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.A32: WaarQ33: Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.A33: OnwaarQ34: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.A34: OnwaarQ35: Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.A35: OnwaarQ36: Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.A36: WaarQ37: Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.A37: OnwaarQ38: Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.A38: WaarQ39: Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.A39: OnwaarQ40: Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.A40: WaarQ41: Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.A41: OnwaarQ42: Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.A42: OnwaarQ43: Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.A43: WaarQ44: Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.A44: OnwaarQ45: Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.A45: WaarQ46: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.A46: WaarQ47: Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.A47: WaarQ48: De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.A48: OnwaarQ49: Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.A49: Waar
%1 Oefenvragen over Ontwikkelingspsychologie %2%3 Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren. %4Q1: Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.A1: OnwaarQ2: Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.A2: WaarQ3: Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.A3: OnwaarQ4: In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.A4: OnwaarQ5: Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.A5: WaarQ6: Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.A6: OnwaarQ7: De preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.A7: WaarQ8: Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.A8: OnwaarQ9: Tijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.A9: WaarQ10: Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.A10: OnwaarQ11: Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.A11: WaarQ12: Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.A12: WaarQ13: De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.A13: OnwaarQ14: De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.A14: WaarQ15: Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.A15: OnwaarQ16: Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.A16: WaarQ17: Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.A17: OnwaarQ18: Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.A18: WaarQ19: Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.A19: OnwaarQ20: Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.A20: WaarQ21: Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.A21: OnwaarQ22: Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.A22: OnwaarQ23: Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.A23: WaarQ24: Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.A24: WaarQ25: Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.A25: WaarQ26: Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.A26: WaarQ27: De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.A27: WaarQ28: Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.A28: WaarQ29: Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.A29: OnwaarQ30: Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.A30: WaarQ31: In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.A31: WaarQ32: Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.A32: WaarQ33: Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.A33: OnwaarQ34: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.A34: OnwaarQ35: Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.A35: OnwaarQ36: Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.A36: WaarQ37: Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.A37: OnwaarQ38: Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.A38: WaarQ39: Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.A39: OnwaarQ40: Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.A40: WaarQ41: Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.A41: OnwaarQ42: Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.A42: OnwaarQ43: Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.A43: WaarQ44: Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.A44: OnwaarQ45: Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.A45: WaarQ46: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.A46: WaarQ47: Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.A47: WaarQ48: De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.A48: OnwaarQ49: Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.A49: Waar
%1 Oefenvragen over Ontwikkelingspsychologie %2%3 Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren. %4Q1: Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.A1: OnwaarQ2: Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.A2: WaarQ3: Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.A3: OnwaarQ4: In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.A4: OnwaarQ5: Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.A5: WaarQ6: Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.A6: OnwaarQ7: De preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.A7: WaarQ8: Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.A8: OnwaarQ9: Tijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.A9: WaarQ10: Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.A10: OnwaarQ11: Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.A11: WaarQ12: Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.A12: WaarQ13: De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.A13: OnwaarQ14: De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.A14: WaarQ15: Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.A15: OnwaarQ16: Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.A16: WaarQ17: Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.A17: OnwaarQ18: Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.A18: WaarQ19: Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.A19: OnwaarQ20: Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.A20: WaarQ21: Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.A21: OnwaarQ22: Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.A22: OnwaarQ23: Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.A23: WaarQ24: Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.A24: WaarQ25: Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.A25: WaarQ26: Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.A26: WaarQ27: De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.A27: WaarQ28: Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.A28: WaarQ29: Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.A29: OnwaarQ30: Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.A30: WaarQ31: In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.A31: WaarQ32: Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.A32: WaarQ33: Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.A33: OnwaarQ34: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.A34: OnwaarQ35: Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.A35: OnwaarQ36: Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.A36: WaarQ37: Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.A37: OnwaarQ38: Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.A38: WaarQ39: Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.A39: OnwaarQ40: Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.A40: WaarQ41: Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.A41: OnwaarQ42: Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.A42: OnwaarQ43: Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.A43: WaarQ44: Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.A44: OnwaarQ45: Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.A45: WaarQ46: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.A46: WaarQ47: Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.A47: WaarQ48: De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.A48: OnwaarQ49: Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.A49: Waar
%1 Oefenvragen over Ontwikkelingspsychologie %2%3 Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren. %4Q1: Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.A1: OnwaarQ2: Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.A2: WaarQ3: Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.A3: OnwaarQ4: In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.A4: OnwaarQ5: Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.A5: WaarQ6: Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.A6: OnwaarQ7: De preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.A7: WaarQ8: Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.A8: OnwaarQ9: Tijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.A9: WaarQ10: Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.A10: OnwaarQ11: Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.A11: WaarQ12: Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.A12: WaarQ13: De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.A13: OnwaarQ14: De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.A14: WaarQ15: Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.A15: OnwaarQ16: Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.A16: WaarQ17: Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.A17: OnwaarQ18: Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.A18: WaarQ19: Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.A19: OnwaarQ20: Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.A20: WaarQ21: Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.A21: OnwaarQ22: Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.A22: OnwaarQ23: Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.A23: WaarQ24: Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.A24: WaarQ25: Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.A25: WaarQ26: Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.A26: WaarQ27: De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.A27: WaarQ28: Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.A28: WaarQ29: Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.A29: OnwaarQ30: Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.A30: WaarQ31: In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.A31: WaarQ32: Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.A32: WaarQ33: Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.A33: OnwaarQ34: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.A34: OnwaarQ35: Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.A35: OnwaarQ36: Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.A36: WaarQ37: Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.A37: OnwaarQ38: Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.A38: WaarQ39: Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.A39: OnwaarQ40: Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.A40: WaarQ41: Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.A41: OnwaarQ42: Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.A42: OnwaarQ43: Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.A43: WaarQ44: Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.A44: OnwaarQ45: Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.A45: WaarQ46: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.A46: WaarQ47: Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.A47: WaarQ48: De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.A48: OnwaarQ49: Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.A49: Waar
%1 Oefenvragen over Ontwikkelingspsychologie %2%3 Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren. %4Q1: Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.A1: OnwaarQ2: Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.A2: WaarQ3: Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.A3: OnwaarQ4: In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.A4: OnwaarQ5: Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.A5: WaarQ6: Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.A6: OnwaarQ7: De preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.A7: WaarQ8: Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.A8: OnwaarQ9: Tijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.A9: WaarQ10: Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.A10: OnwaarQ11: Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.A11: WaarQ12: Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.A12: WaarQ13: De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.A13: OnwaarQ14: De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.A14: WaarQ15: Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.A15: OnwaarQ16: Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.A16: WaarQ17: Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.A17: OnwaarQ18: Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.A18: WaarQ19: Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.A19: OnwaarQ20: Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.A20: WaarQ21: Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.A21: OnwaarQ22: Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.A22: OnwaarQ23: Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.A23: WaarQ24: Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.A24: WaarQ25: Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.A25: WaarQ26: Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.A26: WaarQ27: De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.A27: WaarQ28: Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.A28: WaarQ29: Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.A29: OnwaarQ30: Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.A30: WaarQ31: In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.A31: WaarQ32: Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.A32: WaarQ33: Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.A33: OnwaarQ34: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.A34: OnwaarQ35: Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.A35: OnwaarQ36: Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.A36: WaarQ37: Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.A37: OnwaarQ38: Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.A38: WaarQ39: Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.A39: OnwaarQ40: Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.A40: WaarQ41: Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.A41: OnwaarQ42: Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.A42: OnwaarQ43: Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.A43: WaarQ44: Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.A44: OnwaarQ45: Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.A45: WaarQ46: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.A46: WaarQ47: Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.A47: WaarQ48: De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.A48: OnwaarQ49: Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.A49: Waar
%1 Oefenvragen over Ontwikkelingspsychologie %2%3 Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren. %4Q1: Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.A1: OnwaarQ2: Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.A2: WaarQ3: Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.A3: OnwaarQ4: In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.A4: OnwaarQ5: Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.A5: WaarQ6: Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.A6: OnwaarQ7: De preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.A7: WaarQ8: Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.A8: OnwaarQ9: Tijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.A9: WaarQ10: Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.A10: OnwaarQ11: Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.A11: WaarQ12: Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.A12: WaarQ13: De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.A13: OnwaarQ14: De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.A14: WaarQ15: Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.A15: OnwaarQ16: Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.A16: WaarQ17: Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.A17: OnwaarQ18: Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.A18: WaarQ19: Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.A19: OnwaarQ20: Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.A20: WaarQ21: Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.A21: OnwaarQ22: Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.A22: OnwaarQ23: Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.A23: WaarQ24: Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.A24: WaarQ25: Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.A25: WaarQ26: Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.A26: WaarQ27: De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.A27: WaarQ28: Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.A28: WaarQ29: Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.A29: OnwaarQ30: Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.A30: WaarQ31: In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.A31: WaarQ32: Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.A32: WaarQ33: Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.A33: OnwaarQ34: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.A34: OnwaarQ35: Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.A35: OnwaarQ36: Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.A36: WaarQ37: Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.A37: OnwaarQ38: Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.A38: WaarQ39: Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.A39: OnwaarQ40: Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.A40: WaarQ41: Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.A41: OnwaarQ42: Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.A42: OnwaarQ43: Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.A43: WaarQ44: Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.A44: OnwaarQ45: Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.A45: WaarQ46: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.A46: WaarQ47: Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.A47: WaarQ48: De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.A48: OnwaarQ49: Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.A49: Waar
%1 Oefenvragen over Ontwikkelingspsychologie %2%3 Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren. %4Q1: Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.A1: OnwaarQ2: Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.A2: WaarQ3: Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.A3: OnwaarQ4: In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.A4: OnwaarQ5: Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.A5: WaarQ6: Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.A6: OnwaarQ7: De preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.A7: WaarQ8: Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.A8: OnwaarQ9: Tijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.A9: WaarQ10: Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.A10: OnwaarQ11: Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.A11: WaarQ12: Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.A12: WaarQ13: De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.A13: OnwaarQ14: De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.A14: WaarQ15: Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.A15: OnwaarQ16: Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.A16: WaarQ17: Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.A17: OnwaarQ18: Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.A18: WaarQ19: Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.A19: OnwaarQ20: Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.A20: WaarQ21: Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.A21: OnwaarQ22: Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.A22: OnwaarQ23: Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.A23: WaarQ24: Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.A24: WaarQ25: Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.A25: WaarQ26: Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.A26: WaarQ27: De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.A27: WaarQ28: Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.A28: WaarQ29: Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.A29: OnwaarQ30: Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.A30: WaarQ31: In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.A31: WaarQ32: Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.A32: WaarQ33: Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.A33: OnwaarQ34: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.A34: OnwaarQ35: Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.A35: OnwaarQ36: Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.A36: WaarQ37: Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.A37: OnwaarQ38: Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.A38: WaarQ39: Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.A39: OnwaarQ40: Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.A40: WaarQ41: Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.A41: OnwaarQ42: Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.A42: OnwaarQ43: Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.A43: WaarQ44: Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.A44: OnwaarQ45: Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.A45: WaarQ46: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.A46: WaarQ47: Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.A47: WaarQ48: De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.A48: OnwaarQ49: Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.A49: Waar
%1 Oefenvragen over Ontwikkelingspsychologie %2%3 Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren. %4Q1: Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.A1: OnwaarQ2: Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.A2: WaarQ3: Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.A3: OnwaarQ4: In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.A4: OnwaarQ5: Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.A5: WaarQ6: Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.A6: OnwaarQ7: De preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.A7: WaarQ8: Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.A8: OnwaarQ9: Tijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.A9: WaarQ10: Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.A10: OnwaarQ11: Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.A11: WaarQ12: Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.A12: WaarQ13: De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.A13: OnwaarQ14: De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.A14: WaarQ15: Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.A15: OnwaarQ16: Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.A16: WaarQ17: Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.A17: OnwaarQ18: Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.A18: WaarQ19: Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.A19: OnwaarQ20: Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.A20: WaarQ21: Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.A21: OnwaarQ22: Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.A22: OnwaarQ23: Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.A23: WaarQ24: Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.A24: WaarQ25: Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.A25: WaarQ26: Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.A26: WaarQ27: De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.A27: WaarQ28: Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.A28: WaarQ29: Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.A29: OnwaarQ30: Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.A30: WaarQ31: In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.A31: WaarQ32: Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.A32: WaarQ33: Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.A33: OnwaarQ34: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.A34: OnwaarQ35: Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.A35: OnwaarQ36: Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.A36: WaarQ37: Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.A37: OnwaarQ38: Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.A38: WaarQ39: Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.A39: OnwaarQ40: Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.A40: WaarQ41: Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.A41: OnwaarQ42: Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.A42: OnwaarQ43: Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.A43: WaarQ44: Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.A44: OnwaarQ45: Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.A45: WaarQ46: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.A46: WaarQ47: Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.A47: WaarQ48: De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.A48: OnwaarQ49: Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.A49: Waar
%1 Oefenvragen over Ontwikkelingspsychologie %2%3 Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren. %4Q1: Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.A1: OnwaarQ2: Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.A2: WaarQ3: Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.A3: OnwaarQ4: In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.A4: OnwaarQ5: Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.A5: WaarQ6: Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.A6: OnwaarQ7: De preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.A7: WaarQ8: Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.A8: OnwaarQ9: Tijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.A9: WaarQ10: Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.A10: OnwaarQ11: Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.A11: WaarQ12: Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.A12: WaarQ13: De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.A13: OnwaarQ14: De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.A14: WaarQ15: Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.A15: OnwaarQ16: Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.A16: WaarQ17: Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.A17: OnwaarQ18: Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.A18: WaarQ19: Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.A19: OnwaarQ20: Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.A20: WaarQ21: Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.A21: OnwaarQ22: Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.A22: OnwaarQ23: Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.A23: WaarQ24: Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.A24: WaarQ25: Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.A25: WaarQ26: Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.A26: WaarQ27: De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.A27: WaarQ28: Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.A28: WaarQ29: Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.A29: OnwaarQ30: Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.A30: WaarQ31: In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.A31: WaarQ32: Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.A32: WaarQ33: Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.A33: OnwaarQ34: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.A34: OnwaarQ35: Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.A35: OnwaarQ36: Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.A36: WaarQ37: Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.A37: OnwaarQ38: Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.A38: WaarQ39: Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.A39: OnwaarQ40: Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.A40: WaarQ41: Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.A41: OnwaarQ42: Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.A42: OnwaarQ43: Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.A43: WaarQ44: Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.A44: OnwaarQ45: Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.A45: WaarQ46: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.A46: WaarQ47: Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.A47: WaarQ48: De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.A48: OnwaarQ49: Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.A49: Waar
%1 Oefenvragen over Ontwikkelingspsychologie %2%3 Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren. %4Q1: Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.A1: OnwaarQ2: Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.A2: WaarQ3: Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.A3: OnwaarQ4: In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.A4: OnwaarQ5: Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.A5: WaarQ6: Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.A6: OnwaarQ7: De preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.A7: WaarQ8: Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.A8: OnwaarQ9: Tijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.A9: WaarQ10: Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.A10: OnwaarQ11: Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.A11: WaarQ12: Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.A12: WaarQ13: De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.A13: OnwaarQ14: De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.A14: WaarQ15: Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.A15: OnwaarQ16: Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.A16: WaarQ17: Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.A17: OnwaarQ18: Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.A18: WaarQ19: Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.A19: OnwaarQ20: Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.A20: WaarQ21: Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.A21: OnwaarQ22: Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.A22: OnwaarQ23: Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.A23: WaarQ24: Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.A24: WaarQ25: Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.A25: WaarQ26: Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.A26: WaarQ27: De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.A27: WaarQ28: Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.A28: WaarQ29: Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.A29: OnwaarQ30: Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.A30: WaarQ31: In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.A31: WaarQ32: Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.A32: WaarQ33: Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.A33: OnwaarQ34: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.A34: OnwaarQ35: Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.A35: OnwaarQ36: Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.A36: WaarQ37: Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.A37: OnwaarQ38: Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.A38: WaarQ39: Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.A39: OnwaarQ40: Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.A40: WaarQ41: Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.A41: OnwaarQ42: Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.A42: OnwaarQ43: Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.A43: WaarQ44: Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.A44: OnwaarQ45: Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.A45: WaarQ46: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.A46: WaarQ47: Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.A47: WaarQ48: De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.A48: OnwaarQ49: Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.A49: Waar
%1 Oefenvragen over Ontwikkelingspsychologie %2%3 Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren. %4Q1: Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.A1: OnwaarQ2: Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.A2: WaarQ3: Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.A3: OnwaarQ4: In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.A4: OnwaarQ5: Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.A5: WaarQ6: Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.A6: OnwaarQ7: De preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.A7: WaarQ8: Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.A8: OnwaarQ9: Tijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.A9: WaarQ10: Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.A10: OnwaarQ11: Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.A11: WaarQ12: Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.A12: WaarQ13: De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.A13: OnwaarQ14: De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.A14: WaarQ15: Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.A15: OnwaarQ16: Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.A16: WaarQ17: Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.A17: OnwaarQ18: Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.A18: WaarQ19: Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.A19: OnwaarQ20: Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.A20: WaarQ21: Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.A21: OnwaarQ22: Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.A22: OnwaarQ23: Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.A23: WaarQ24: Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.A24: WaarQ25: Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.A25: WaarQ26: Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.A26: WaarQ27: De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.A27: WaarQ28: Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.A28: WaarQ29: Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.A29: OnwaarQ30: Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.A30: WaarQ31: In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.A31: WaarQ32: Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.A32: WaarQ33: Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.A33: OnwaarQ34: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.A34: OnwaarQ35: Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.A35: OnwaarQ36: Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.A36: WaarQ37: Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.A37: OnwaarQ38: Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.A38: WaarQ39: Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.A39: OnwaarQ40: Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.A40: WaarQ41: Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.A41: OnwaarQ42: Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.A42: OnwaarQ43: Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.A43: WaarQ44: Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.A44: OnwaarQ45: Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.A45: WaarQ46: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.A46: WaarQ47: Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.A47: WaarQ48: De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.A48: OnwaarQ49: Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.A49: Waar
%1 Oefenvragen over Ontwikkelingspsychologie %2%3 Deze set van 49 oefenvragen is ontworpen om je kennis over verschillende aspecten van ontwikkelingspsychologie te testen. Elke vraag behandelt een specifiek concept of fase in de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lees elke vraag zorgvuldig en kies of de stelling waar of onwaar is. Controleer je antwoorden met de gegeven oplossingen om je begrip van het onderwerp te verbeteren. %4Q1: Scheidingsangst komt vooral voor bij adolescenten die loskomen van hun ouders.A1: OnwaarQ2: Bij responsieve verzorging reageert de opvoeder op een sensitieve manier op signalen van het kind.A2: WaarQ3: Assimilatie betekent dat bestaande kennis wordt aangepast aan een nieuwe situatie.A3: OnwaarQ4: In de concreet operationele fase denkt een kind vooral in abstracte en hypothetische concepten.A4: OnwaarQ5: Veilige hechting ontstaat wanneer een kind zich veilig voelt om de omgeving te verkennen, maar ook troost zoekt bij de ouder.A5: WaarQ6: Normatief conformisme betekent dat een jong kind vooral zijn eigen regels en fantasieën volgt.A6: OnwaarQ7: De preconventionele moraal is gericht op straf en beloning.A7: WaarQ8: Vloeiende intelligentie neemt toe met de leeftijd omdat het gebaseerd is op ervaring.A8: OnwaarQ9: Tijdens de koppigheidsfase ontwikkelt het kind autonomie en wil het zelf dingen bepalen.A9: WaarQ10: Separatie-individuatie verwijst naar het vermogen van baby’s om objecten te herkennen die ze niet meer zien.A10: OnwaarQ11: Gedesorganiseerde hechting komt vaak voor bij kinderen die mishandeling of verwaarlozing hebben meegemaakt.A11: WaarQ12: Conventionele moraal houdt in dat iemand zich gedraagt volgens sociale verwachtingen en regels.A12: WaarQ13: De sensomotorische fase is typerend voor adolescenten.A13: OnwaarQ14: De ‘is-dat’-periode is kenmerkend voor peuters die objecten willen benoemen.A14: WaarQ15: Fast mapping houdt in dat kinderen langzaam woorden aanleren na herhaaldelijke blootstelling.A15: OnwaarQ16: Expressieve vocabulaire betekent dat een kind zelf actief woorden gebruikt.A16: WaarQ17: Lichamelijke rijping is vooral zichtbaar in de babyfase.A17: OnwaarQ18: Plasticiteit van de hersenen is het grootst bij jonge kinderen.A18: WaarQ19: Preoperationeel denken is abstract en hypothetisch.A19: OnwaarQ20: Accommodatie betekent dat bestaande schema’s worden aangepast aan nieuwe informatie.A20: WaarQ21: Peergroepen hebben weinig invloed op het gedrag van adolescenten.A21: OnwaarQ22: Autonomie-ontwikkeling betekent dat een kind steeds afhankelijker wordt van verzorgers.A22: OnwaarQ23: Kinderen in de preoperationele fase denken symbolisch en gebruiken veel fantasie.A23: WaarQ24: Gekristalliseerde intelligentie is gebaseerd op ervaring en kennis die in de loop der tijd is opgebouwd.A24: WaarQ25: Psychosociaal moratorium is een periode waarin jongeren dingen uitproberen zonder definitieve keuzes te maken.A25: WaarQ26: Motherese is een manier van spreken waarmee volwassenen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren.A26: WaarQ27: De concreet operationele fase vindt plaats tussen de 6 en 12 jaar.A27: WaarQ28: Zuigreflex is een aangeboren reflex die optreedt bij stimulatie van de mond.A28: WaarQ29: Morele ontwikkeling volgens Kohlberg eindigt met de conventionele fase.A29: OnwaarQ30: Sociale vergelijking houdt in dat kinderen hun gedrag spiegelen aan leeftijdsgenoten.A30: WaarQ31: In de babyfase is het kenorgaan vaak de mond.A31: WaarQ32: Postconventionele moraal is gebaseerd op eigen morele principes boven regels.A32: WaarQ33: Kinderen met veilige hechting zijn niet verdrietig als ouders weggaan.A33: OnwaarQ34: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken al complexe taal.A34: OnwaarQ35: Een kind in de koppigheidsfase zoekt juist meer nabijheid van ouders.A35: OnwaarQ36: Conventionele moraal is vooral gericht op sociale orde en verwachtingen van anderen.A36: WaarQ37: Onderextensie betekent dat een kind een woord te breed toepast.A37: OnwaarQ38: Separatie-individuatie is onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling.A38: WaarQ39: Gedesorganiseerde hechting is een vorm van veilige hechting.A39: OnwaarQ40: Receptieve vocabulaire betekent dat het kind woorden begrijpt maar nog niet zelf gebruikt.A40: WaarQ41: Sociale vergelijking begint pas in de volwassenheid.A41: OnwaarQ42: Kinderen in de preconventionele fase hebben al een eigen moreel kompas ontwikkeld.A42: OnwaarQ43: Peuters gebruiken vaak ‘waarom’-vragen om oorzaak-gevolg te begrijpen.A43: WaarQ44: Kinderen in de concreet operationele fase kunnen nog geen logisch denken toepassen.A44: OnwaarQ45: Generativiteit is vooral belangrijk tijdens de volwassenheid.A45: WaarQ46: Kinderen in de sensomotorische fase gebruiken hun zintuigen en motoriek om te leren.A46: WaarQ47: Normatief conformisme betekent dat jongeren zich aanpassen aan groepsnormen.A47: WaarQ48: De zuigreflex verdwijnt pas in de adolescentie.A48: OnwaarQ49: Fast mapping helpt peuters om snel nieuwe woorden te leren.A49: Waar
Hi! Mijn naam is Elisha en ik studeer Social Work aan Fontys. Ik weet hoe belangrijk duidelijke en gestructureerde samenvattingen zijn om efficiënt te studeren en tentamens met succes te halen. Daarom deel ik mijn uitgebreide en overzichtelijke samenvattingen, waarmee ik zelf hoge cijfers heb behaald! ✅ Samenvattingen voor Social Work (Fontys) Al mijn samenvattingen bevatten alle verplichte stof en helpen je tijd te besparen én beter te onthouden wat echt belangrijk is. 💡 Wil jij ook stressvrij studeren en betere cijfers halen? Check mijn samenvattingen! #SocialWork #Fontys #Samenvatting #SlimStuderen #Studietips #Kennistoets