€ 2.29

Gis sociale structuren tem H4

De vier eerste hoofdstukken van sociale structuren in mensentaal geschreven.


Ask questions about the document or view comments (0)
Preview (2 of 8 pages)
Preview: Gis sociale structuren tem H4 Preview: Gis sociale structuren tem H4

Download all 8 pages for € 2,29

Buy this documentAdd document to cart

Sociale structuren:
Hoofdstuk 1: sociale ongelijkheid in historisch perspectief.
Sociale ongelijkheid is eigen aan de menselijke structuur, de verschillen van mensen zorgt voor een
takenverdeling en maakt samenwerking noodzakelijk. De relaties die mensen met elkaar aangaan
vanuit die takenverdeling noemt men sociale structuur.
Ongelijkheid in de landbouwsamenleving:
Neolithische revolutie (10.000 jaar geleden): groepen gingen van nomadische levensstijl (jacht en
verzamelculturen), naar een sedentaire levensstijl (landbouw).
Zodra mensen zich gaan vestigen en samenleven in sedentaire dorpen ontstaat er specialisatie en dus
verschillende groepen. Dit werkt een verschil in aanzien in de hand. In alle landbouwsamenlevingen
worden er strijdersklassen in het leven geroepen, om de landbouwgrond en landbouwoverschotten te
bewaken. Deze strijders slagen erin om alle middelen, macht en status naar hun toe te trekken, ten
koste van een massa arme werkers (boeren, arbeiders, ambachtslui).
Er komt een nood aan afspraken en politieke structuren. Een goed voorbeeld hiervan is het leenstelsel
(feodaliteitsstelsel: sociaal economisch stelsel dat politiek werd ingebed). Functies en rechten worden
erfelijk bepaald, een standensamenleving komt tot stand. Conclusie: waarom een
landbouwsamenleving meer ongelijkheid biedt dan de jacht- en verzamelcultuur: nood aan
landbouweigendom, nood aan strijdersklasse, specialisatie in beroepen, meer mensen leven dicht bij
elkaar, nood aan afspraken en politieke structuren.
Denken over sociale ongelijkheid:
Voor de verlichting werd sociale ongelijkheid niet ervaren als onrechtvaardig. Plato en Aristoteles
stelden vast dat taakverdeling en specialisatie eigen is aan de mens. Voor de Griekse filosofen zijn
sommigen aangewezen om te heersen en anderen voorbestemd om ondergeschikt aan anderen te
zijn.
Aristoteles (zie teleologie) iedereen heeft een doel en functie in de samenleving. Er zijn dus
natuurlijke tegenstellingen en er is natuurlijke orde. Plato onderscheidde drie groepen: de filosofen
(denkers), de strijders en de werkers.
13de eeuw Italie: in West-Europa domineerde een katholieke mens- en maatschappijvisie die
gebaseerd was op Aristoteles en verder uitgewerkt door Thomas van Aquino (thomisme). Samenleving
is volgens hem door God geschapen, bouwwerk: drie standen. Samenleving is een corpus (lichaam),
elke sociale groep is een lichaamsdeel, net zoals een hand geen hoofd kan worden, kan een boer geen
koning worden. mensen waren voorbestemd door hun geboorte om hun taak op te nemen in de
samenleving. Ook mannen en vrouwen hadden daarbij verschillende taken. Menselijk streven moest
gericht zijn op lotsbeschikking, het eigen lot aanvaarden en voldoening zoeken in die eigen situatie. In
die taakverdeling had iedere groep rechten en plichten: feodaliteit (heersers moesten bescherming
bieden, zorg dragen voor ondergeschikten,) het thomisch denken met haar natuurlijke orde gaf
aanleiding tot het corporatisme.
Armoede en bevolking tijdens het Ancien Rgime:
Permanente onderproductie omdat de meeste mensen van de derde stand in een autarkisch landbouw
of ambachtsbedrijfje leefden. Vormen van huisnijverheid werden gecombineerd met erfpacht. En
leidde tot uitbuiting van de ondernemer. Ook door het gesloten systeem: gilden. Dit waren de lokale

beroepsverenigingen per nijverheidstak van meesters en gezellen. Zij bepaalden de toegang tot het
ambt, de hoeveelheden die mochten geproduceerd worden en de prijzen. De sociale ongelijkheid
leidde tot een hoog geboortecijfer, een hoog sterftecijfer en een lage levensverwachting.
Thomas Robert Malthus: bracht demografie van een landbouwsamenleving in kaart. Hij onderzocht
het verband tussen bestaansmiddelen en de bevolkingsgroei. Er ontstonden kloven tussen bevolking
en bestaansmiddelen, kwam tot uiting in voedselschaarste en hoge voedselprijzen. Die leidden tot
ondervoeding en hongersnood en zo tot een stijging van overlijdens. In vele gevallen zorgt dit voor he
uitbreken van oorlogen, ziektes en vetes, na zo een bestaanscrisis volgde meestal een heropleving.
Voedsel is een natuurlijke rem op de bevolkingsgroei. Om de 25 jaar ontstaat er volgens hem een crisis.
Armenzorg tijdens het Ancien Rgime:
Armoede was toen een natuurlijk onderdeel van de samenleving, het hoefde dus niet bestreden te
worden, de enige vorm van armenzorg was familiaal of soms gemeenschappelijk (lokale onderlinge
bijstand). De enige vorm van maatschappelijke dienstverlening aan sociaal zwakkeren was religieus.
Gezondheidszorg, onderwijs en noodopvang zaten in het takenpakket van de clerus. (kerk en macht
liepen gepaard)
De politieke interesse in de 17de eeuw die ontstond vooral uit angst. De armen, bedelaars en
behoeftigen werden als een bedreiging gezien, de elite sprak van de gevaarlijke stand. Vanaf de 17de
eeuw werd de situatie onhoudbaar door de aanhoudende voedselcrisissen, rellen en criminele
zigeuner- en bedelaarsgroepen. Een antwoord hierop waren de armenwetten, bedelen werd verboden
en ook werkhuizen werden aangesteld, armen werden verplicht hierin zich tewerk te stellen. Mannen
hout raspen en vrouwen weven. Vanaf de 18de eeuw ontstond een breed scala van armenhuizen, het
was eerder een gevangenis. De Franse filosoof Michel Foucault spreekt daarom van de periode van
grote opsluiting. Disciplinering was hierbij het codewoord.
Ook al ontstond armoedebestrijding uit iets negatiefs, toch heeft het een positieve noot. Vanaf de 18de
eeuw kwam de eerste politieke interesse voor het sociale vraagstuk. Door publieke initiatieven groeide
het bewustzijn van de overheid dat ze verantwoordelijkheid kon opnemen voor mensen die uit de boot
vallen. De verplichte tewerkstelling (repressief betekent verhoging van de hogere door verlaging van
de ander, met agressieve aanpak) was een poging om mensen een plaats te geven in de samenleving.
Armen kregen verantwoordelijkheidszin en werkethos bijgebracht. Arbeid was een model tot morele
verheffing, het was je telos. Ook in de 18de eeuw ondervonden de Kerkelijke sociale diensten een sterke
groei. De kerkelijke overheid riep tot de oprichting van parochiale steunfondsen, heilige geest tafels
genoemd. Het geld werd ingezameld via verplichte taks op vermakelijkheden, men ging er van uit dat
als je geld voor zoiets hebt ook de financiele marge had om schenkingen te doen aan het goede doel.
Deze taks was het onderdeel van het caritas (liefdadigheid). Dit is volgens de kerk een plicht van de
meer gegoeden. Barmhartigheid is een morele plicht. Het doel van caritas was niet zozeer de armoede
verlichten, maar de zielenheil van de gever bevorderen.
Hoofdstuk 2: de triomf van de burgerij 19 de eeuw, 4 keerpunten
In 1789 brak de Franse revolutie uit. De Franse revolutie was een gevolg van en ging gepaard met twee
fundamentele verschuivingen: de verlichting en de Industriele revolutie. Zij gaven gestalte aan een
nieuwe samenleving: de moderne samenleving, waar de burgerij de nieuwe dominante klasse was.
De verlichting:
Nieuw mensbeeld:

Show preview as text ▼
Comments (0)

Be the first to comment on this document.

€ 2,29

Buy this documentAdd document to cart
  • check Money back guarantee
  • check Documents can be downloaded immediately
Specifications
Seller
anoniem
anoniem

Number of documents: 4

Recommended documents
Log in via Facebook
Log in via e-mail
New password
Subscribe via Facebook
Subscribe via e-mail
Aanmelden via Facebook
Shopping cart

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more documents!

Deal: get 10% off when you purchase 3 or more documents!

[Inviter] gives you € 2.50 to purchase summaries

At Knoowy you buy and sell the best studies documents directly from students.
Upload at least one item, please help other students and get € 2.50 credit.

Register now and claim your credit