Use the 115 quiz questions to prepare yourself and test whether you know the subject matter.
Buy the quiz questions and be prepared for your next test.
Add to cartLees de volgende rijtjes woorden eerst zachtjes voor jezelf. Doe het daarna hardop met je leesmaatje. Lees om de beurt een rijtje.
- eieren - wandelen
- kinderen - hinkelen
- struikelen - minderen
Op welk domein van taalonderwijs heeft de oefening betrekking?
Welke woorden moeten hier staan?
v--haal, b-gin, g-heim = _____ _____ ____
Op welk domein van het taalonderwijs heeft de oefening betrekking?
Wat verstaan we onder beginnende geletterdheid?
Belangstelling voor het geschreven woord in de groepen 1 tot 3
input text value
Hierna staan drie situaties waarin taal wordt gebruikt en de drie functies van taal.
1. Karin schrijft een boodschappenbriefje voor de kerstinkopen.
2. Karin schrijft een gedicht.
3. Karin stuurt Pim een sms'je waarin ze vraagt of hij komt eten
1. Conceptualiserende functie
2. Expressieve functie
3. Communicatieve functie
input text value
Mevrouw Peters vraagt aan de verkoper van de boekwinkel: 'Kunt u het even voor mij inpakken, want het is een cadeautje'.
Met welke sociale taalfunctie hebben we in dit voorbeeld te maken?
De meester zegt tegen de kinderen: 'Ik zal zo eerst aan groep 5 uitleggen wat ze moeten doen voor rekenen en daarna zal ik aan groep 6 nog een keer uitleggen hoe je de persoonsvorm kunt vinden'.
Met welke sociale taalfunctie hebben we in dit voorbeeld te maken?
Cynthia heeft een nieuwe fiets gekregen voor haar verjaardag. Ze zegt aan de telefoon tegen haar oma: 'Vanmorgen werd ik wakker en toen hebben papa en mama voor mijn gezongen en toen moest ik mee naar beneden en toen stond daar een nieuwe fiets'.
Van welke cognitieve taalfunctie is hier sprake?
Sara zegt: 'Een schimmel is een bruin paard'.
Op welk niveau van de taal maakt zij een fout?
Buy the quiz questions and be prepared for your next test.
Add to cart
Do you prefer to learn the quiz questions from paper? Then download the 115 questions as PDF.
Add to cart
Earn money by making quiz questions and learn directly for your upcoming test.
Create quizDiverse oefenvragen die betrekking hebben tot de kennisbasis Nederlands (pabo). Deze oefenvragen bevatten nieuwe vragen, die nog niet online terug te vinden zijn in de toetsen.
115 questions
12x sold
Nederlands
01-18-2023
Lees de volgende rijtjes woorden eerst zachtjes voor jezelf. Doe het daarna hardop met je leesmaatje. Lees om de beurt een rijtje.
- eieren - wandelen
- kinderen - hinkelen
- struikelen - minderen
Op welk domein van taalonderwijs heeft de oefening betrekking?
Welke woorden moeten hier staan?
v--haal, b-gin, g-heim = _____ _____ ____
Op welk domein van het taalonderwijs heeft de oefening betrekking?
Wat verstaan we onder beginnende geletterdheid?
Belangstelling voor het geschreven woord in de groepen 1 tot 3Hierna staan drie situaties waarin taal wordt gebruikt en de drie functies van taal.
1. Karin schrijft een boodschappenbriefje voor de kerstinkopen.
2. Karin schrijft een gedicht.
3. Karin stuurt Pim een sms'je waarin ze vraagt of hij komt eten
Mevrouw Peters vraagt aan de verkoper van de boekwinkel: 'Kunt u het even voor mij inpakken, want het is een cadeautje'.
Met welke sociale taalfunctie hebben we in dit voorbeeld te maken?
De meester zegt tegen de kinderen: 'Ik zal zo eerst aan groep 5 uitleggen wat ze moeten doen voor rekenen en daarna zal ik aan groep 6 nog een keer uitleggen hoe je de persoonsvorm kunt vinden'.
Met welke sociale taalfunctie hebben we in dit voorbeeld te maken?
Cynthia heeft een nieuwe fiets gekregen voor haar verjaardag. Ze zegt aan de telefoon tegen haar oma: 'Vanmorgen werd ik wakker en toen hebben papa en mama voor mijn gezongen en toen moest ik mee naar beneden en toen stond daar een nieuwe fiets'.
Van welke cognitieve taalfunctie is hier sprake?
Sara zegt: 'Een schimmel is een bruin paard'.
Op welk niveau van de taal maakt zij een fout?
Tamara zegt tegen haar vriendin: 'Ik denk dat Puck het niet leuk vindt dat zij vanmorgen niet met ons mocht spelen. Zij kijkt de hele tijd boos. Maar ik vind het goed. Moet ze maar niet zo stom doen'.
Van welke cognitieve taalfunctie is hier sprake?
Bekijk de volgende zin: 'Zoiets gebeurd wel vaker'.
Op welk niveau van de taal is hier een fout gemaakt?
Karin schrijft een e-mail naar de klantenservice van een website.
Beste meneer of mevrouw of wie u ook bent. Ik stuur mijn schoenen terug, want ze zijn niet zo mooi als het plaatje van de website. Wanneer krijg ik mijn geld terug?
Groeten, Karin
Met welke competentie heeft Karin nog moeite?
Hierna staan twee uitspraken over theorieën over taalverwerving:
1. De interactionele benadering gaat ervan uit dat kinderen hun taal leren door imitatie van volwassen taalgebruik.
2. De creatieve constructietheorie gaat ervan uit dat kinderen met behulp van hun taalleervermogen de taal leren.
Welke uitspraak is juist?
In de taalontwikkeling is een aantal fasen te onderscheiden. Wat is de goede volgorde van de verschillende fasen?
Als een kind zegt 'geloopt' in plaats van 'gelopen' op welk niveau van taal is het dan bezig om de taal te leren?
Wat is kenmerkend voor de taalverwerving van een kind als je let op de prelinguale fase?
Alysha zegt tegen haar moeder: 'oto boem'
In welke fase van de taalverwerving zit zij?
Wat is vooral kenmerkend voor de voltooiingsfase van de taalverwerving?
Als een kind voor zijn derde levensjaar zowel Marokkaans als Nederlands spreekt is er sprake van:
Hier staan drie uitspraken over het verschil tussen eerste- en tweedetaalverwerving.
1. Bij het leren van een tweede taal zijn er grote verschillen in tempo en vaardigheid.
2. Bij de tweede taalontwikkeling verloopt het leren ook in bepaalde stappen.
3. Een tweede taal leer je op dezelfde manier als een eerste taal.
Welke uitspraken zijn waar?
Wat zijn interferentiefouten?
In welke situatie is er sprake van een interferentiefout?
Tim luistert tijdens het maken van een werkstuk naar het verslag op de radio van een etappe van de Tour de France. Hij wil weten of Bauke Mollema zijn achterstand in het klassement kan verkleinen.
Welke luisterstrategie gebruikt Tim?
Daniel wil geld van zijn vader lenen om een andere auto te kopen. 'Dit is een te gekke auto, strak design en heeft weinig kilometers,' vertelt hij. Ook is hij piekfijn onderhouden bij een vakgarage, moet je het onderhoudsboekje maar een zien! Tot slot zitten er ook net nieuwe banden onder met mooie velgen!
Welke spreekdoelen hanteert Daniel?
Vera gaat naar een voorlichting van de studie geschiedenis om te weten te komen of de studie iets voor haar is.
Welk luisterdoel kan zij het beste hanteren?
Puck moet een spreekbeurt houden in groep 8. Ze kiest haar favoriete onderwerp, voetbal. Ze zit al een aantal jaren op voetbal en weet er veel van. Ze heeft een PowerPointpresentatie gemaakt met 28 dia's. Aan de hand van de dia's verteld ze enthousiast alles wat ze weet over het onderwerp.
Welke spreekstrategie heeft Puck vergeten in te zetten?
Lees de volgende situaties.
1. Mehmet uit Turkije zegt: 'zin' in plaats van 'zien'.
2. Julio uit Spanje leest: 'gagen' in plaats van 'jagen'.
3. Herman uit Twente vraagt: 'Waar kom je weg?'
In welke situatie is er sprake van interferentie?
Hierna staan drie beweringen over hoe woorden liggen opgeslagen in ons geheugen.
1. Van elk woord is bepaalde informatie op een systematische manier vastgelegd.
2. Woorden zijn thematisch geordend in het geheugen/
3. Woorden liggen in netwerken van betekenissen opgeslagen in het geheugen.
Welke beweringen zijn juist?
Onder receptieve woordenschat verstaan we?
Een moeder zegt tegen haar dochter: 'Kijk, dat is een kiwi'.
Welk principe van woordenschatverwerving wordt hier gebruikt?
De meester zegt tegen Ahmed: 'Een tuba is een hele grote toeter'.
Welk principe van woordenschatverwerving wordt hier gebruikt?
Van een woord zijn verschillende identiteiten opgeslagen. Tot welke identiteit behoort de opbouw van een woord?
Hierna staan drie rijtjes woorden. In welk rijtje zijn alle woorden schooltaalwoorden?
1. Rechts, tuin, huis.
2. Plein, lokaal, gang.
3. Naast, tegenover, maar.
4. Oplossing, functie, oorzaak.
Wat zijn functiewoorden in de volgende zin? 'Als je dat wilt duurt het wel heel erg lang'.
Hierna staan drie rijtjes woorden. In welk rijtje zijn alle woorden vaktaalwoorden?
1. Concluderen, thema, tegenstelling.
2. Piano, gitaar, hoorn.
3. Voortplanting, bladluis, bestuiving.
4. Mits, niettegenstaande, vervolgens.
Hierna staan drie rijtjes woorden. In welk rijtje zijn alle woorden signaalwoorden?
1. Daarna, ten eerste, die.
2. Omdat, vervolgens, daarentegen.
3. Mijn, echter, waar.
4. Twintig, niet, waarom.
Lees de volgende twee situaties.
1. De meester wijst naar een foto van een schaats en vraagt aan Ruben: 'Wat is dat?'.
2. Juf vraagt aan Fatima: 'Wijs eens aan... de tafel'.
In welke situatie wordt een beroep gedaan op de productieve woordenschat?
In welke situatie wordt de woordleerstrategie 'gebruikmaken van context (verbale en non-verbale) gebruikt?
1. Sam zegt: 'Ik denk dat eindeloos betekent dat er geen einde aan komt'.
2. Sven ziet een plaatje van een oerang oetang en zegt: 'Dat is een aap, want hij lijkt veel op een gorilla'.
3. Steven ziet in een prentenboek een meisje met tranen in de ogen en zegt: 'Droevig is denk ik verdrietig'.
4. Serhad ziet een plaatje van een passen en zegt: 'Die hebben ze bij ons ook. Daar kan je rondjes mee maken'.
In welk woord is de relatie tussen label en concept het sterkst?
1. Water.
2. Praten.
3. Zweven.
4. Rinkelen.
Onder ontluikende geletterdheid verstaan we?
Julio komt uit Spanje en woont sinds kort in Nederland. Thuis spreekt hij Spaans en op straat speelt hij wel met Nederlandse kinderen. Zijn ouders lezen veel Spaanse prentenboeken voor en stimuleren hem ook om woorden in het Spaans op te schrijven.
Welke uitspraak is juist?
1. Julio moet niet in het Spaans voorgelezen worden, omdat dat de ontwikkeling van de geletterdheid belemmert.
2. Het maakt niet uit in welke taal Julio wordt voorgelezen, zijn geletterdheid wordt wel ontwikkeld.
3. Zijn ouders kunnen Julio beter niet voorlezen, omdat hij straks op school snel genoeg leert lezen.
4. Julio kan beter alleen in het Nederlands voorgelezen worden, daardoor komt de ontwikkeling van zijn geletterdheid beter op gang.
Juf Mirthe heeft de kinderen een prentenboek aangeboden en vraagt of ze lange woorden uit het verhaal kunnen noemen en woorden die met een 'b' beginnen.
Aan welk tussendoel beginnende geletterdheid wordt hier gewerkt?
Juf Gerda werkt rond het thema vogels in de winter. Ze heeft samen met de kinderen een vogelmuseum ingericht waarin de kinderen hun zelfgemaakte vogels tentoonstellen. Bij elke vogel staat een bordje met de naam: mus, ooievaar, reiger en merel..
Aan welk tussendoel beginnende geletterdheid wordt hier gewerkt?
Lilian leest op haar manier een prentenboek. Ze geeft het verhaal weer in dialoogvorm. Wat is de volgende fase in de spontante leesontwikkeling van Lilian?
Op de vraag 'Welk woord is het langst: boom of paddenstoel' antwoordt de leerling 'boom'.
Voor de leerkracht kan dat een signaal zijn voor een probleem op het gebied van:
Welke van de volgende drie oefeningen is gericht op het aanleren van auditieve discriminatie?
1. De leerkracht vraag: 'Welk woord is langer: trein of kinderwagen'?
2. De leerkracht vraagt: 'Zijn deze twee woorden hetzelfde: boos - bos'?
3. De leerkracht leest een verhaal voor. Elke keer als de kinderen het woord 'reus' horen moeten ze gaan staan.
De leerkracht zegt: 'Ik zeg een zin: Wij lopen naar het bos. Wat is het laatste woord in die zin?
Deze oefening is gericht op de deelvaardigheid:
Een leerkracht zegt: 'Wijs is aan. Waar hoor je de 'd' in 'dak'?
Deze oefening heeft betrekking op de deelvaardigheid:
Juf Marijke zegt: 'Luister. Ik zeg een woord in stukjes waa/tur/ijs. Wat is het hele woord?
Deze oefening is gericht op de vaardigheid:
Een leerkracht geeft de volgende opdracht: 'Zeg het woord 'slaapkamer' in stukjes en klap bij elk stukje een keer in je handen'.
Deze oefening heeft betrekking op de vaardigheid:
Juf Esther geeft de een opdracht waarbij de leerlingen een kring moeten zetten op het woordje, waarin je ook de letter 'b' ziet.
Deze oefening is gericht op de deelvaardigheden?
Tamar schrijft 'riut' is plaats van 'ruit'.
Met welke deelvaardigheid van het lezen heeft zij nog problemen?
In een werkschrift van een methode staan plaatjes van een riem, een arm en een beer. Onder de plaatjes staan drie hokjes. De kinderen krijgen de volgende opdracht: Zet de 'r' op de goede plaats.
Dit is een oefening in:
Wanneer het kind gevraagd wordt van drie woorden het middelste woord aan te wijzen, dan gaat het om een oefening in de deelvaardigheid:
Juf Manon zegt: 'Zet een rondje om alle letters die hetzelfde zijn als de letter 'r'.
Deze oefening is gericht op de deelvaardigheid:
Binnen de elementaire leeshandeling worden van links naar rechts fonemen aan grafemen gekoppeld. Hierbij zijn vier deelhandelingen te onderscheiden:
1. Koppelen van foneem aan grafeem.
2. Werken volgens de leesrichting.
3. Fonemen op volgorde onthouden.
4. Visuele analyse in grafemen.
De volgorde van deze deelvaardigheden is:
Ruben leest het woord spoor als s-p-oo-r = poor.
Met welk onderdeel van de elementaire leeshandeling heeft hij nog problemen?
Leerlingen in groep 3 lezen wisselrijtje van het volgende type:
b-oos h-aas
d-oos v-aas
r-oos k-aas
Ze oefenen hiermee de volgende leesstrategie
Een leerkracht laat een leerling de volgende tekst lezen:
Ook is al het hout op. vade_ gaa_ naa_ he_ bo_. Hij loo_t v__rop met een b__l.
Met een dergelijke oefening kan men bereiken dat de leerlingen gebruik leert maken van de leesstrategie.
Een leerkracht in groep 3 is bezig met flitskaartjes. Ze laat de kinderen ongeveer één seconde lang een woordkaartje zien waarop een klankzuiver woord staat. De kinderen moeten het woord daarna zeggen.
Hiermee oefenen ze de volgende leesstrategie:
De leerling leest het woord 'mooi' als m/oo/i.
Met welke leesstrategie heeft hij nog problemen?
Een tekst waarin de onderkant van een regel is weggelaten, is bedoeld om de volgende leesstrategie te trainen
Soms maken lezers gebruik van de leesstrategie 'lezen met behulp van clusters en spellingspatronen'. Welke van de volgende lezers is daarvan een voorbeeld?
1. sp-ook
2. s-p-oo-k
3. r-i-ng
4. ring
De leerling leest achtereenvolgens:
woordje - handje- paardje
Welke leesstrategie wordt door deze oefening bevorderd?
Welke leesstrategie past het best bij een verklaring van het leesproces volgens het top-downmodel?
bij technisch lezen besteed je onder meer aandacht aan de voordrachtsaspecten van het lezen. In een methode is de volgende oefening te vinden.
Lees op de goede manier: Wilma heeft diploma gehaald,
Verteld moeder - lacht moeder - roept moeder - juicht moeder.
Aan welke voordrachtsaspect wordt in deze les aandacht besteed?
Lees de zin op de goed manier.
1. Je bent morgen toch jarig.
2. Ben je morgen jarig?
3. Hij zei ben je morgen jarig.
4. Hij zei dat hij morgen jarig was.
Welke voordrachtsaspect van het technisch lezen wordt hier getraind?
Wat is functioneel analfabetisme?
Wat zijn risicofactoren voor dyslexie in de kleutertijd?
1. Moeite met benoemen van rijtjes zoals de dagen van de week, maanden en kleuren.
2. Moeite met sociale contacten.
3. Al vroeg taal- en spraakproblemen.
4. Weinig kennis van letters aan het eind van groep 2.
Floortje lees /ra/ket/ = raket
Adam leest /st/oe/p = stoep
William lees /r/aam
Bij welke leerling(en) is er sprake van automatisering?
In welk rijtje staan allemaal voorbeelden van informatieve teksten?
1. Prentenboek, gebruiksaanwijzing en gedicht.
2. Poster, dagboek en toneelstuk.
3. Advertentie, recept en handleiding.
4. Gedicht, roman en routebeschrijving.
In welk rijtje staan allemaal voorbeelden van directieve teksten?
1. Advertentie, gebruiksaanwijzing, poster.
2. Verslag, essay en toneelstuk.
3. Pamflet, weerbericht en interview.
4. Handleiding, recept en routebeschrijving.
Geertje leest een tekst over hoe je mollen uit je tuin kunt verjagen. In de tekst worden verschillende manieren genoemd. Tijdens het lezen maakt Geertje een lijstje van alle manieren die er zijn om mollen te verjagen.
Welke leesstrategie gebruikt Geertje?
Antel leest een routebeschrijving van zijn huis naar het station van FC Groningen. Hij probeert zich voor te stellen hoe hij moet rijden.
Welke leesstrategie gebruikt Antal?
Dit is een opdracht uit ene methode voor begrijpen lezen. Er staat de volgende tekst:
De tekst bestaat uit drie stukjes. In welk stukje wordt een verklaring gegeven voor de armoede in Congo?
Welke leesvaardigheid oefent de leerling?
Pascal leest een tekst over het ontstaan van de Tour de France aandachtig door. Hij zet strepen in de tekst en schrijft een aantal vragen in de kantlijn.
Welke uitspraak typeert het gedrag van Pascal?
1. Pascal is bezig met begrijpend lezen.
2. Pascal past technieken voor informatieverwerving toe.
3. Pascal gebruikt de vaardigheid het herkennen van de structuur.
4. Pascal reflecteert op zijn eigen leesactiviteiten en hun resultaten.
Lees de volgende uitspraken over informatieverwerving.
1. Bij cognitie relateren we nieuwe informatie aan bestaande kennis.
2. Bij begrijpend lezen ligt de nadruk op de perceptie.
Welke uitspraak is juist?
Mike overweegt een oven te kopen. Hij heeft van zijn moeder al veel gehoord over de voordelen van zo'n apparaat. Ze kijkt op het internet om na te gaan wat de beste koop is.
Welk leesdoel heeft Mike?
In een tekst staan de volgende zinnen:
Bronchisan werkt in op de luchtwegen. Hierdoor wordt u minder vatbaar voor verkoudheid.
Welke taal-denkrelatie wordt hier uitgedrukt door het woord 'hierdoor'.
Wat houdt reviseren van een tekst in?
Wat is denkend schrijven?
Wat wordt er verstaan onder coderen?
Pien wil een artikel schrijven voor de schoolwebsite over breinleren. Voor ze de tekst schrijft bestudeert ze een tweetal boeken en kijkt op het internet. Ze maakt een schema van de ruwe opzet van het artikel en noteert uit de boeken een aantal one-liners en fraaie zinnen.
Van welke functie van taal is hier sprake?
Judith koopt voor haar zoont van 5 drie boeken in de winkel, namelijk: het prentenboek 'boer Boris gaat naar de markt, het grote Annie M.G. Schmidt voorleesboek en de Gorgels en het geheim'.
Welk tekstkenmerk hebben deze boeken gemeen?
Jeugdboeken kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld in genres.
Informatieve boeken - prentenboeken - poëzie.
Op grond van welke criterium zijn deze boeken ingedeeld?
Jeugdboeken kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld in genres.
verhalende teksten- informatieve teksten.
Op grond van welke criterium zijn deze boeken ingedeeld?
In het woord 'dijkramp' is er sprake van een bijzonderheid op:
Een kind zegt 'dat is een klein dingje'.
Op welk niveau van taal maakt het een fout?
Hoeveel fonemen zitten er in het woord 'lotgevallen'?
Het woord 'vogelverschrikker' moet op de volgende manier in morfemen verdeeld worden:
De volgende zin heeft twee betekenissen.
Destructiebedrijven dreigen kadavers te laten lopen.
Op welk niveau van de taal komt de dubbelde betekenis tot stand?
Welke van de volgende woorden is een afleiding?
1. Mensenlijk.
2. Menselijk.
3. Gelijk.
4. Lijken.
In een taalboek is het volgende lesje te vinden:
Maak deze woorden langer. Gebruik steeds -ig:
haast, hand, verstand.
Wat oefenen de kinderen hier?
In welke van de volgende woorden is er sprake van een samenstelling:
Postkantoor, handig. afdalen, nestje?
Welke betekenisrelatie is er tussen de woorden mentaal en fysiek.
Welke betekenisrelatie is er tussen de woorden drank en wijn
Wat is het verschil tussen een standaardtaal en een dialect?
Iemand zegt: 'Als je het woord radar van achteren naar voren leest staat er precies hetzelfde'.
Welke taalbeschouwingsstrategie wordt hier gebruikt?
Telkens hoort er één woord niet thuis in het rijtje.
Postpakket - porselein - postzak - postbode.
Welke taalbeschouwingsstrategie wordt in deze les geoefend?
De volgende krantenkop kan op twee manieren worden opgevat:
Paus haalt tijdens lunch met armen uit naar rijken.
Met welke niveau van de taal heeft dat te maken?
Kevin zegt: 'Hun kunnen morgen niet komen'.
Waarvan is dit een voorbeeld?
Het Russisch maakt gebruik van het cyrillisch schrift.
Tot welk schriftsysteem behoort dit?
In welk woord geldt het fonologisch principe?
Verhaal
Haastig
Waaien
Ontslag
In welk woord geldt het morfologisch principe?
Loodgieter
Aaien
Leven
Rouleren
In welk woord geldt het syllabisch principe
Kever
Duidelijk
Verhaal
Kleinste
In welk woord geldt het etymologisch principe?
Wortel
Vouwen
Graaien
Bestee
Uit hoeveel grafemen bestaat het woord 'bescherming'?
Uit hoeveel grafemen bestaat het woord 'deugdzaamheid'?